baudelaire 1840-1842

Charles Baudelaire 1840-1842

AAN VICTOR HUGO
Parijs, dinsdag 25 februari 1840.

Geachte heer,

Enige tijd geleden heb ik de voorstelling Marion de Lorme gezien; de schoonheid van dit drama heeft me zo verheugd en gelukkig gemaakt dat ik een vurige wens heb om de auteur ervan te leren kennen en hem van dichtbij te bedanken. Ik ben nog scholier en ik bega nu misschien wel een ongehoorde brutaliteit; maar ik ken de manieren van dit wereldje helemaal niet en ik had gedacht dat u hierdoor misschien toegeeflijk jegens mij zou worden. Lofredes en bedankjes van een student zullen u weinig doen, in vergelijking met de mensen met smaak die u dat ook allemaal geschonken hebben. U heeft uzelf vast al aan zoveel mensen getoond dat u zich waarschijnlijk wel helemaal niet druk zult maken over een nieuw opdringerig persoon die u naar u toetrekt. – En toch, als u eens wist hoe de liefde van ons, de jongeren, oprecht en echt is, - dan denk ik (misschien is dat wel erg hoogmoedig) dat ik al uw werken begrijp.

Ik houd van u zoals ik van uw boeken houd; ik denk dat u goed en gul bent, omdat u verschillende rehabilitaties in werking heeft gezet, en omdat u in plaats van te zwichten voor de opinie, deze juist vaak hervormd heeft, trots en waardig. Mijnheer, ik heb de indruk dat ik in uw bijzijn een massa aan goede en grootste dingen zou leren; ik houd van u zoals men van een held houd, van een boek, zoals men puur en belangeloos kan houden van elke schoonheid. Ik ben misschien best onbeschaamd om u zomaar deze lofuitingen per post toe te sturen; maar ik zou u zó graag gewoon willen vertellen hoeveel ik van u en uw werk houd en hoezeer ik u bewonder, en ik bibber bij de gedachte dat ik belachelijk ben.

Toch, mijnheer, u bent immers ook jong geweest, zult u vast begrijpen wat die liefde is die een boek kan geven voor de auteur ervan, en dan de behoefte die we krijgen om hem luidkeels te bedanken en om hem nederig de handen te kussen. Zou u toen u negentien was lang getwijfeld hebben om ook zo te schrijven naar een auteur waar uw ziel verliefd op was geworden, aan Chateaubriand bijvoorbeeld? Dit is allemaal niet goed genoeg gezegd, en ik denk beter dan ik in deze brief zet; maar ik hoop dat u omdat u net zo jong bent geweest als ik, de rest wel raden kan, dat zo’n nieuwe benadering, zo ongebruikelijk, u niet teveel zal choqueren; en dat u het wel zult kunnen opbrengen om me met een antwoord te vereren: ik moet toegeven dat ik daar met een extreem ongeduld op zal wachten.
Of u deze goedheid wel of niet hebt, neemt u mijn eeuwigdurende dankbaarheid in ontvangst.
Ch. Baudelaire.
Rue de Lille  59.

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE


                        Parijs, donderdag 31 december 1840.

Beste broer,

Ik meen dat ik hevig de broederlijke beleefdheid heb verzaakt door je niet te schrijven sinds ik in Parijs ben. Ik had aan jou evenals aan mijn zuster moeten schrijven om jullie te bedanken voor de geweldige gastvrijheid die ik daar gekregen heb. Maar de gewoonte van Nieuwjaar, wat men er ook van zegt en hoe men er ook mee spot, is ergens goed voor, want mensen worden verplicht om elkaar heel lieve dingen te zeggen die zij ook menen maar die alleen door luiheid verhinderd worden om te worden opgeschreven. Daarom wens ik jullie beiden een mooi en gelukkig jaar toe, - rustig en vrolijk met jullie vrienden. Ik vraag je om dat ook te zeggen tegen mijnheer Rigaut die een aardige man is, en ook aan jullie arme schilder.Baudelaire, autoportrait, 1860
Ik denk dat jij het wel fijn zou vinden om te weten hoe ik mijn dagen vul in Parijs. Sinds je me hierheen hebt gestuurd, heb ik School noch advocaat gezien, zozeer dat er geklaagd is dat ik zo weinig kwam. Maar ik heb een algemene hervorming van mijn gedrag verplaatst naar 1841. 
Ik vond het fijn om dit jaar muziek naar mijn zuster te sturen. Geef het haar maar van mij. Diepgewortelde musicus als ik ben, heb ik het album uitgekozen met de mooist getekende ornamenten.
Voor jou, jij die mijn broer bent, heb ik geen nieuwjaarsgeschenken, of het moet een sonnet magnifique zijn dat ik zojuist heb gemaakt waar je misschien om kunt lachen. Dit noem je nu  poëtische nieuwjaarsgeschenken.

****

Il est de chastes mots que nous profanons tous ;
Les amoureux d’encens font un abus étrange –
Je n’en connais pas un qui n’adore quelque ange
Dont ceux du Paradis sont, je crois, un peu jaloux.

On ne doit accorder ce nom sublime et doux
Qu’à de beaux coeurs bien purs, vierges et sans mélange.
Regardez ! il lui pend à l’aile quelque fange
Quand votre ange en riant s’assied sur vos genoux.

J’eus, quand j’étais enfant, ma naïve folie, -
- Certaine fille aussi mauvaise que jolie ; -
Je l’appelais mon ange. Elle avait cinq galants.

Pauvres fous ! Nous avons tant soif qu’on nous caresse
Que je voudrais encor tenir quelque drôlesse
A qui dire : mon ange - , entre deux draps bien blancs.

****

Dit zal mijn schoonzus misschien leuk vinden. Veel kussen voor Edmond, en vergeet bij mijn groeten niet mijnheer Ducessois en mijnheer Brun.

Er zijn kuise woorden die wij allen onterend schenden;
Verliefden op wierook maken een vreemd misbruik –
Ik ken er niet één die niet van een of andere engel houdt
Waarop die van het Paradijs, geloof ik, weinig jaloers zijn.

Men mag dit sublieme en zachte woord enkel geven
Aan mooie zuivere harten, maagdelijk en onvermengd.
Kijk! Er hangt wat modder aan haar vleugel
Wanneer uw engel lachend op uw knieën gaat zitten.

Ik had, toen ik kind was, mijn naïeve waanzin, -
- Een bepaald meisje net zo slecht als knap;
Ik noemde haar mijn engel. Zij had vijf aanbidders.

Arme dwazen! Wij hebben zo’n dorst dat men ons streelt
Dat ik nog graag een gemeen mens zou willen vasthouden
Om tegen te zeggen: mijn engel -, tussen twee heel witte lakens.

AAN MADAME AUPICK
                            [Op zee.] Woensdag 9 juni 1841.
Lieve en beminnelijke moeder,

Vergeef me voor de loszittende brief – Ik ben overvallen. Er staat nu zoveel wind dat we binnen een uur op volle zee zullen zitten, en de stuurman ons gaat verlaten.
Ik moest lachen om al je verzendingen. Er is minder uitgegeven dan er geëist werd voor mijn vertrek – maar ik zou het er beter in mijn eentje vanaf gebracht hebben voor het kopen van die kleding.
De kapitein is heel aardig. Goedheid, originaliteit, onderricht.
Stuur dit naar Maublanc.
Doe Louis mijn Robinson Crusoé cadeau. Dat wens ik.
Ik wil niet dat je me brieven schrijft zoals die laatste.
Ze moeten niet vrolijk zijn. Ik wil dat je goed eet en dat je blij bent door te denken dat ik blij ben. Want dat is ook zo. Of zo ongeveer.
Bij de volgende gelegenheid schrijf ik naar de generaal. Ik schreef het je al, dit is onverwacht. We zijn nu al heel erg aan het stampen.
Ik vergeet misschien dingen te schrijven, maar je kunt elkaar al veel zeggen door elkaar veel liefs te wensen, en dat doe ik je dan ook met heel mijn hart.
In de brief voor Maublanc zit nog meer. Zorg ervoor dat hij dat in goede orde krijgt.
Kapitein Saliz doet je duizend beleefde groeten en belooft je een goede reis. Het gaat heel goed met ons allebei en het mooie weer maakt hem vrolijk.

                                Charles.

In Bourbon schrijf ik je een lange brief, een heel schrift.

AAN GENERAAL AUPICK

                                Bordeaux, 16 februari 1842.

Nu ben ik dus terug van mijn lange uitstapje. Ik ben gisteravond aangekomen, na mijn vertrek op 4 november uit Bourbon. Ik heb geen cent meegebracht  en het heeft me vaak aan noodzakelijke dingen ontbroken.
Je weet wat ons is overkomen op de heenweg. De terugweg was, hoewel het wel veel minder extreem was, veel vermoeiender; steeds zwaar weer en windstiltes.
Als ik je moest schrijven waarover ik allemaal heb nagedacht ver van jullie en wat ik me heb voorgesteld, dan zou een heel schrift niet genoeg zijn; dus ik zal het je wel vertellen.
Ik denk dat ik met wijsheid op zak terugkom.
Ik denk dat ik morgen vertrek. Dan zal ik je dus komen omhelzen over twee of drie dagen.

                    C. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK

                Parijs, eind maart of begin april 1842.

Ik kom net bij Mijnheer Place  vandaan. – Ik heb het huis voor 225 gekregen – en ik neem het want er is niets anders, en omdat ik de eenzaamheidswoede heb. Schrik niet van de prijs. – Als ik niet genoeg heb om van te leven heb ik het ferme voornemen – bij gebrek aan literair werk – om mijn voormalig leraren te vragen om me lesuren te geven om de leegtes in mijn beurs op te vullen. –
 Als de eigenaar bij jou komt voor inlichtingen over mij, dan smeek ik je, ga me dan niet op een onhandige manier tegenwerken. –
Later krijg ik misschien nog een korting – alsjeblieft, laat die acajoutafel schoonmaken en laat het nachtkastje maken – stuur die oude matrassen met de lakens en een deken – naar Quai de Béthune 10 - zorg ervoor dat mijn broer zo snel mogelijk komt.

Door die belachelijke domheid die ik gisteren heb begaan heb ik een slechte nacht gehad. – Dat netjes lopen iets moeilijks is?

AAN MADAME AUPICK

                        Begin van de tweede helft van april 1842.

Ik geloof dat ik echt ontsnapt ben aan dienstplicht. – Van de personen die wel een oproep voor het Stadhuis hadden gekregen hebben ze niet iedereen genomen. – Ik ben niet met Jean-Jacques bij je komen eten omdat ik tot 6 uur in Neuilly ben gebleven.


Ik heb iets goedkoops gevonden wat me heel mooi lijkt – en ik wil op zijn minst een keer het plezier kennen om moeder een cadeau te geven – je kunt er een toilet of een schoorsteenmantel mee decoreren. Er hoeft niet veel aan gerepareerd te worden.
Heel veel tederheid en liefs.
                                Charles.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact