Baudelaire 1856

Charles Baudelaire 1856

AAN MADAME AUPICK
                            Parijs, 9 januari 1856.


Lieve moeder, ik ben er van overtuigd dat u gedacht hebt dat ik zou vergeten u een aantal bedankwoordjes te schrijven – nee; - de waarheid is dat ik overstelpt was met problemen en zorgen, door dit geforceerd zwerven ben ik weer veel tijd verloren, en zodra ik me weer wat veiliger voelde moest ik dat gemiste werk natuurlijk weer opvullen. Enfin, en voor de eerste keer sinds lange tijd heb ik weer lang met zekerheid kunnen werken – maar ik vergat u te zeggen dat de echte reden waarom ik zo laat was is dat ik u bij deze brief het eerste deel van mijn boek wilde opsturen. Maar er is vertraging, en altijd weer vertraging. Mijn boekhandelaar krijst als een hondsdolle om de uitgaven die ik de drukkerij laat maken, en om mijn traagheid. Maar ik ben vastbesloten om het altijd zo te doen, dat wil zeggen mijn eigen wil – literair  gezien dan. Maar goed, over drie dagen kan ik dan toch beginnen met het tweede deel. Ik moest Ancelle vanochtend zien; ik heb besloten u te schrijven. Zodra mijn omslagen zijn gemaakt, stuur ik u een exemplaar, en later, als ik zoals ik hoop enkele exemplaren op mooi papier kan krijgen, dan stuurt u mij die terug in ruil voor een ieuwe. Zodra het tweede deel af is – en die zal me geen vier maanden kosten, maar slechts één maand, - dan zal ik regelmatig gaan werken voor la Revue des Deux Mondes.
U wilde dat ik de lange brief die u aan Ancelle had geschreven zou lezen; ik heb hem gelezen, en, om u de waarheid te vertellen, ik denk dat Ancelle, die me begint te kennen, bang was dat ik me beledigd zou voelen. Maar ik heb een beetje meer gezond verstand dan hij denkt, en als er twintig maal meer moederlijke details in hadden gestaan, dan zou ik daar niet minder om geraakt hebben gevoeld. Wat echte poëten eigen hebben – vergeef me deze lichte opwelling van trots, dat is de enige die ik mag hebben – is dat zij buiten zichzelf kunnen treden, en geheel andere karakters kunnen begrijpen.
Één passage, en ik weet zeker dat u over dit onderwerp een antwoord verwachtte,  heeft me bovenmatig verbaasd, - zowel vanwege de laattijdigheid van de gevoelens die daar uitspreekt, als door de bizarheid ervan: ik bedoel datgene wat te maken heeft met mijn broer. Mijn broer heeft me diep gekwetst in twee omstandigheden, een daarvan kent u, de andere kent u niet. – De misdaad van mijn broer heet domheid, niets meer, - maar dat is veel. – Ik zou nooit gedacht hebben dat er bij u de gedachte zou kunnen opkomen om mij raad te geven omtrent dit onderwerp. – Ik heb liever gemene mensen, die weten wat ze doen, dan brave domme mensen. Mijn afstoting jegens mijn broer is zo heftig, dat ik mezelf niet eens wil afvragen of ik een broer heb. Er is niets kostbaarder op de wereld dan de poëtische geest, en de ridderschap van gevoelens. Zijn politieke en wetenschappelijke onwaarde,  zijn cynische meningen over vrouwen, waarvoor je op zijn minst eerst bewezen galanterie moet hebben, of anders passie, alles, echt alles maakt hem me tot vreemdeling. Moet ik u nu nog zeggen dat als er zich een gelegenheid van een onverwacht karakter voordeed, dan zou ik niet alleen niet in staat zijn om mijn broer schade aan te brengen, maar ook nog minder hem ook maar het kleinste verdriet aan te kunnen doen? – Dat is geen vriendschap, dat is het zuivere gevoel van gemak.
Laat me u omhelzen, en u opnieuw mijn dank uit te brengen, zo regelrecht oprecht en gemeend , als u zich maar kunt inbeelden.
Ik woon: rue d’Angoulême-du-Temple. – Ik schrijf u vaste een briefje bij het opsturen van het boek n kwestie. – Ik had u een biografie van een van mijn vrienden gestuurd, die door mij was geschreven, en een vreselijk artikel over mij ; - Ancelle zei me dat u niets ontvangen had. – Dat is vreemd.
                                Charles.

              Hier vertelt Baudelaire een droom aan Asselineau :

AAN CHARLES ASSELINEAU
                            Parijs, donderdag 13 maart 1856.


Beste vriend,

Aangezien u het leuk vindt over dromen te horen, hier heb ik er één, en ik weet zeker dat die u ook erg amuseren zal. Hij is van 5 uur vanochtend, en is dus nog warm. U moet weten dat het er één is van vele duizenden waarmee ik belast word, en ik hoef u niet te vertellen dat hun vreemdheid, hun algemene karakter, dat is dat ze absoluut vreemd zijn aan mijn eigen bezigheden of aan mijn persoonlijke belevenissen, dat die er me altijd toe dwingen te geloven dat het een bijna hiëroglyfische taal is waarvan ik de sleutel niet heb.
Het was (in mijn droom) 2 of 3 uur ’s nachts, en ik wandelde alleen over straat. Ik kwam Castille  tegen, die moest, geloof ik, wat ritjes maken om dingen te doen, en ik zeg tegen hem dat ik met hem mee zal gaan, en dat ik van het rijtuig gebruik zal maken om ook iets te gaan doen voor mezelf. Wij nemen dus een rijtuig. Ik beschouwde het als een plicht om aan de bazin van een groot prostitutiehuis een boek van me te geven dat net uit was. Toen ik naar het boek keek, bleek dat het een obsceen boek was, waardoor ik de noodzakelijkheid  begreep om het boek aan die vrouw te geven. Bovendien, in mijn hoofd, was die noodzaak eigenlijk een vals voorwendsel, een gelegenheid om en passant een van de meisjes uit het bordeel te naaien, wat impliceert dat ik, zonder de noodzaak om dat boek te schenken, ik nooit gedurfd zou hebben om een dergelijk huis binnen te gaan. Ik vertel Castille niets van dit alles, ik laat het rijtuig stoppen bij de deur van dat huis, en ik laat Castille in de auto achter, mezelf voornemend dat ik hem niet te lang zal laten wachten. Net nadat ik gebeld heb en naar binnen ben gegaan, merk ik dat mijn pik door de spleet van opengeknoopte pantalon hangt, en dan oordeel ik dat het niet gepast is me zo in een dergelijk etablissement te vertonen. Bovendien voel ik dat mijn voeten heel nat zijn, en dan zie ik dat ik op blote voeten  ben, en dat ik in een natte plas ben gaan staan onderaan de trap. Och! – zeg ik tegen mezelf, - ik was ze wel even snel voordat ik ga naaien, en voordat ik het huis uit ga. – Ik loop naar boven. – Vanaf dat moment, is er geen sprake meer van het boek.
Ik bevind me in grote galerijen, die met elkaar in verbinding staan, - slecht verlicht - , van een trieste en vergane aard, - zoals oude cafés, oude leeszalen, of die lelijke speelhuizen. De meisjes zitten her en der verspreid in die galerijen, praten met mannen, waaronder ik scholieren zie. – Ik voel me heel triest en geïntimideerd; ik ben bang dat ze mijn voeten zien. Ik kijk naar mijn voeten, en ik bemerk dat er een wel een schoen aanheeft. – Enige tijd later bemerk ik dat ze alle twee een schoen aanhebben.
Wat me opvalt, is dat de muren van die grote galerijen gedecoreerd zijn met allerlei soorten tekeningen, - ingelijst. – Er is er niet één obsceen. – er zijn zelfs architectuurtekeningen bij en Egyptische figuren. Omdat ik me steeds meer geïntimideerd voel, en ik niet één meisje durf aan te spreken, ga ik maar heel minutieus alle tekeningen bekijken.
In een gedeelte achter één van de galerijen vind ik een heel vreemde serie. Ik zie een massa kleine lijstjes met tekeningen, miniaturen, en fotoafdrukken. Het zijn gekleurde vogels met zeer glanzende veren, en hun ogen zijn levend. Op sommige staat alleen de helft van een vogel. – Soms zijn het afbeeldingen van bizarre wezens, monsterlijk, bijna amorfe, als aérolieten. In de hoek van elke lijst staat iets geschreven. – Dat en dat meisje, … jaar oud, heeft aan deze foetus in dat jaar het leven gegeven;  - en meer van dat soort aantekeningen.
De gedachte komt bij me op dat dit soort tekeningen niet echt geschikt is om liefdesideeën op te doen.
Een andere gedachte is deze: Er is op de wereld maar één krant, en dat is Le Siècle, die zo dom is om een prostitutiehuis te openen, en om er tegelijkertijd een soort medisch museum bij te doen. – Inderdaad, bedenk ik me opeens, Le Siècle heeft geld voor deze bordeelspeculatie gegeven, en het medisch museum wordt verklaard door hun manie van vooruitgang, wetenschap, het uitzenden van verlichte geesten. En dus denk ik na, dat de moderne domheden en fouten toch hun mysterieuze nut hebben, en dat heel vaak datgene dat gemaakt is voor het kwaad, verandert in het goede, door een spiritueel mechaniek.
Ik bewonder van mezelf de juistheid van mijn filosofische geest.
Maar tussen al die wezens, is er één die heeft geleefd. Het is een monster dat in het huis geboren is, en dat voor in de eeuwigheid op een piëdestal staat. Hoewel hij levend is, maakt hij deel uit van het museum. Hij is niet lelijk. Zijn gezicht is zelfs knap, heel bruin, van een Oosterse kleur. Er zit veel roze en groen in hem. Hij is gehurkt, maar in een bizarre en gebogen houding. Er is bovendien iets zwarts dat een aantal malen rond hem en zijn ledematen draait, als een grote slang. Ik vraag hem wat het is, en hij zegt tegen me dat het een monsterappendix is die uit zijn hoofd komt, iets elastisch als rubber, en zo lang, zo lang, dat als hij het rond zijn hoofd zou draaien het veel te zwaar zou zijn en onmogelijk om te dragen, - dat hij het voortaan rondom zijn ledematen moet draaien, wat overigens mooier staat. Ik praat lang met het monster. Hij vertelt me over zijn problemen en zijn verdriet. Hij moet nu al een paar jaar lang in deze zaal zitten, op deze piëdestal, voor het nieuwsgierige publiek. Maar het ergste is het rond etenstijd. Omdat hij levend is, moet hij met de meisjes uit het huis eten, - en dan moet hij wankelend met zijn rubberen aanhangsel naar de eetzaal lopen, - waar hij hem helemaal rond hem heen gedraaid moet houden, of hem als een pak touwen op een stoel leggen, want als hij het over de grond zou laten slepen, dan zou zijn hoofd achterover getrokken worden. Bovendien moet hij, klein en gedrongen als hij is, verplicht naast een groot en goed gebouwd meisje zitten. –Hij geeft me de rest van al die uitleg zonder bitterheid. – Ik durf hem niet aan te raken, - maar hij interesseert me.
Op dit moment, - (dit is niet meer uit mijn droom) maakt mijn vrouw herrie met een kast in haar kamer, waardoor ik wakker word. Ik word wakker en ben moe, gebroken, geplet, gemalen, in mijn rug, in mijn benen, en in mijn heupen. – Ik veronderstel dat ik in de gekromde houding van het monster sliep. – Ik weet niet of het op u net zo vreemd overkomt als op mij. De goede Minot *, zou er moeite mee hebben, neem ik aan, om er een fatsoenlijke aanpassing in te vinden.
Geheel de uwe.

                            CH. Baudelaire.

AAN SAINTE-BEUVE
                        [Parijs,] 19 maart 1856.
Mijn geachte protector,

Hierbij een literair genre dat bij u misschien niet zoveel enthousiasme zal opwekken als bij mij, maar dat u wel zeker zal interesseren. Edgar Poe moet, dat wil zeggen ik wens dat Edgar Poe, die in Amerika niet veel succes heeft, een groot man wordt voor Frankrijk; ik weet hoe rechtschapen u bent en liefhebber van nieuwigheden, en daarom heb ik uw medewerking beloofd aan Michel Lévy.
Kunt u een klein stukje schrijven voor me waarin u me vertelt dat u iets zult doen voor l’Athenaeum  of ergens anders? Want in dat geval schrijf ik Dhr. Lalanne dat hij dat niet aan een ander moet overdragen, - gezien het feit dat uw schrijfwerk een bijzondere autoriteit heeft die ik nodig heb.
U zult aan het eind van de Notice (die alle meningen tegenspreekt die in de mode zijn over de Verenigde Staten) zien, dat ik nieuwe studies aankondig. Ik zal u later vertellen over de meningen van deze aparte man op het gebied van wetenschappen, filosofie en literatuur.
Ik laat mijn immer gekwetste ziel in uw handen,

                        CH. BAUDELAIRE.
                        18, rue d’Angoulême-du-Temple.
 Mocht er nog een exemplaar nodig zijn voor de directeur van de krant, laat hem die dan ophalen bij de boekhandel.
                                C.B.

AAN MADAME AUPICK
                    [Parijs,] 12 april 1856.
Lieve moeder,

Ondanks de zorg die u lijkt te hebben om u niet met mij te bemoeien, weet ik zeker dat ik u een plezier doe als ik u daartoe ga verplichten. Ik stuur u twee nummers van een krant; één van Le Figaro, die me enkele maanden geleden in zeven kolommen belasterd heeft, die het geschikt vond om een fragment van het boek erbij te zetten, met een veel te lovend, bijna gevaarlijk artikel. Het fragment is in een vaste rubriek, de recensie staat op de zesde pagina. De andere, L‘Assemblée Nationale, lijkt van een oud deugdzaam en beleefd beest.  Ik heb me dood gelachen toen ik het las; uitkomst een goed artikel voor de verkoop, die overigens als een trein gaat. – Wat dat nummer betreft, ik verzoek u om die niet kwijt te raken. Omdat die gans een nogal goede naam heeft, heb ik misschien wel zin om, in het tweede voorwoord bovenaan het tweede deel, op die fouten te antwoorden, en in dat geval zal ik dat ding weer voor ogen moeten hebben. En het is vreselijk om oude krantennummers te moeten kopen.
Ik herinner me dat ik ooit eens een nummer van Le Figaro voor u op de post heb gedaan – waarin uw geliefde zoon behandeld werd zoals nooit een dief of galeiboef dat geweest is. – Ik hoopte dat u de moed zou hebben om erom te kunnen lachen, en ik had er een brochure over mezelf bijgedaan. – De papieren in kwestie zijn nooit bij u aangekomen. Opdat dit nooit meer plaats zal vinden, schrijf ik er Madame in enorme letters op.
Er zijn daarnaast nog twee stukken verschenen, heel welwillend overigens, maar dommig, de ene is van de Revue de Paris, nummer van 1 april, bibliografisch artikel, aan het eind, - en de andere is van de Revue des Deux Mondes, nummer van 1 april, bibliografie artikel, voorlaatste pagina van de omslag, en dan nog een paar andere onbelangrijke. Maar er komen aantekeningen of artikelen van Th, Gautier, van d’Aurevilly, van Sainte-Beuve  en van Philarète Charles, dat zijn serieuze mensen.
Ik weet niet zeker of woede voor talent zorgt; maar aannemende dat het zo is, dan moet ik wel een enorm talent hebben; want ik werk alleen maar tussen een beslaglegging en een ruzie in, en een ruzie en een beslaglegging. – Ik merk op dat bij al die monsters van democratische en vooral Napoleontische potloodkauwers, niemand openlijk de kwestie van misère en zelfmoorden op zich wil nemen.  – Ik hoopte dat dat plaats zou vinden. – Niemand is nog in de valstrik gelopen die ik voor hen gespannen had, maar dat komt nog wel.
Groot nieuws! Ik word gedwongen door de kracht der dingen en verschillende omstandigheden om volgende maand te beginnen met het ordenen van mijn Idées de théâtre, - dat wil zeggen als God of de schuldeisers dat toelaten.
Mijn tweede stuk geeft me een pijn van alle duivels bij elkaar. Ik moet het hebben over religie  en wetenschap; de ene keer heb ik niet voldoende kennis, de andere keer is het weer geld dat ik niet heb, of rust, wat bijna hetzelfde is.
Ik omhels u, zelfs tegen uw zin misschien.

                                CHARLES.

AAN NARCISSE ANCELLE
Parijs, 8 mei 1856.
Beste Ancelle,

Ik dring erg aan. – Ik heb uiteindelijk een manier gevonden om aan een paar frank te komen die ik tekort kom. – Ik ga weer met een lang werk beginnen voor Le Pays. – Ik word van te voren betaald; maar ik krijg niets voordat minstens de helft af is. Mirès, de eigenaar van Le Pays,  komt over een paar dagen hier. Ik moet voordat hij aankomt een paar artikelen bij de krant afgeven.
Met 150 frank kan ik twee weken aan het werk zijn, en me dat weigeren betekent me de 1500 frank onthouden die ik nodig heb.
Het spreekt voor zich dat ik van dit geld, het geld van de krant, zoveel geld inhoud dat het genoeg is om u een maand of zelfs twee maanden niet hoef te vragen. – Zoals ik u al zei, ik heb net de directeur van de krant geschreven dat ik de regeling accepteerde en dat ik heel snel zou werken.
Geheel de uwe.
                        CH. BAUDELAIRE.

Er is nog geen regel af.

AAN ARMAND DUTACQ
                    Parijs, zaterdag 7 juni 1856.
(Aantekening voor mijnheer Dutacq.)
Geachte mijnheer Dutacq,

Ik kom net bij mijnheer Mirès vandaan, bij wie ik mijn urgentie heb uitgelegd om toevlucht te zoeken bij hem, nogmaals, waarbij ik niettemin beloofde hem met het vervolg op Poe terug te betalen. Mijnheer Mirès herinnerde zich mijn brief wel, maar heel verward. Hij zei alleen maar tegen me: “Ga maar naar Dutacq, en vraag hem om er met mij over  te praten en het me te helpen herinneren.”
Zoals u weet, zou ik Le Constitutionnel  het liefst hebben gehad, en ondanks mijn gesprek met mijnheer Amédée Renée waar u bij was, zal ik hem het werk laten zien, als het af is, voordat ik het naar Cohen breng (die me zijn woord heeft gegeven). Het derde deel (dertig à veertig feuilletons) is maar één Nouvelle. Dus zal hij niet te onderbreken  zijn.
Het feit dat u me zo zag aandringen bij mijnheer Amédée Renée, was niet uit angst voor mijnheer Cohen die steeds zei dat hij dergelijke absurditeiten alleen maar publiceerde uit mededogen, - maar door een manie van mij die me ertoe drijft om in kranten te willen staan waarin ik nog niet verschenen ben. – En ik wilde ook graag dat dit werk heel erg gelezen wordt.
Nu het pijnlijke deel dat is dit: Ik was twee maanden kwijt aan problemen, voordat ik naar mijnheer Mirès durfde te gaan. Ik zit aan de laatste grens, en ik zou graag, als ik mijn meubilair heb gered, mezelf in de voorstad willen opsluiten, onmiddellijk, tot aan het eind van de maand, om voor eens en voor altijd Poe af te kunnen maken.
Geheel de uwe.
                            CH. BAUDELAIRE.
Ik moet u nog ergens anders over spreken, maar ik hoop dat ik u deze brief zelf kan geven.

Alstublieft, laat me geen ruzie met Cohen krijgen door tegen hem te vertellen dat u mij het werk aan mijnheer Renée heeft zien geven. Er zijn echt gevoelige autoriteiten die men niet moet kwetsen, en ik neem niet aan dat degene die bijna mijn uitgever was geweest me kwaad wil doen.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, dinsdag 5 juli 1856.
Lieve moeder,

Door alle opschudding heen die u waarschijnlijk wel kunt raden, heb ik mijn tweede deel af die onder de drukpers ligt, en ik ben begonnen met het derde, waarvan het eerste deel in Le Moniteur zal verschijnen van 20 tot 30 juli. Ik heb het geval op een goede manier verkocht (2500) en ik kan geen cent vragen voor de twintigste. Wilt u zo goed zijn om aan Ancelle te vragen of hij me 200 frank wil voorschieten. – Ik wil niet dat u de inschikkelijkheden van dit jaar betaalt, en ik verzeker u dat 1 januari volgend jaar ik bij hem niet meer dan 2400 frank zal hebben uitgegeven.
Ik ben nu echt gebrouilleerd met Le Pays, die ik het werk had beloofd; maar wat nog het grappigst is, is dat mijnheer Mirès denkt dat ik van hem 500 frank heb gekregen, die ik in werkelijkheid nooit ontvangen heb. Ik heb hem zojuist geschreven om hem in te lichten over deze deugnietenstreek.
Ik hoef u niet de nummers van Le Moniteur te sturen, ik neem aan dat u die krant krijgt. – Ik heb verzaakt u enkele artikelen over mijzelf te sturen. Ik denk, lieve moeder, dat u niet kunt lachen, met name wanneer men kwaadspreekt over uw zoon, - en zo’n heldenmoed is meer waard dan welke manier van denken op de wereld dan ook. – Ik heb niet op uw lange brief geantwoord; op steeds dezelfde verwijten zou ik alleen maar altijd dezelfde excuses antwoorden; daden zijn veel beter.
Ik omhels u.
                        CHARLES.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, Dinsdag 22 juli 1856.

Ik woon nu, sinds een tijdje al, op de quai Voltaire, Hôtel Voltaire, en als u gewild had me te komen bezoeken, dan had me dat heel gelukkig gemaakt; maar ik weet dat ik dat niet voor elkaar kan krijgen. – Het gaat niet echt goed met me, zoals het altijd met me zal gaan. Om al mijn onwelheden te verminderen, tracht ik regelmatig te werken. Als dat zal gaan, zal ik de meest trotse en de meest kalme man ter wereld zijn; dan zal ik gered zijn. – In afwachting daarvan, staan mijn derde en vierde deel voorop. Het derde deel zal klaar zijn voor de terugkeer van de man die directeur is van Le Moniteur.
Ik geloof dat ik een beetje gebrouilleerd ben met Ancelle, - en, om de waarheid te vertellen, dat wens ik eigenlijk ook te zijn. Ik ben moe, vernederd door die contacten; de weg naar Neuilly waarvan ik elk steentje uit mijn hoofd zou kunnen beschrijven is al een aantal jaren afgrijselijk voor me. Wat zeker is, is dat ik er niet meer heen zal gaan. Ik denk zelfs dat ik, uitgezonderd morgenochtend, en met uw permissie, - ik er geen stuiver meer zal gaan halen.
Gisteren heb een enorme scène met hem gehad, - om een onbenulligheidje. – De directeur van Le Moniteur in Cauterets, Michel Lévy in weet ik welk ander deel van de Pyreneeën, - en  geld aan de horizon! – Ik dacht dat ik me niet hoefde te generen, en dat ik zomaar een paar honderd frank bij hem kom halen (weet wel dat ik niet in het hotel eet want dit hotel is te duur, en bovendien verwacht ik morgen een pakket met een aantal boeken uit New York). – Die scène, zoals ik u zei, was heftig, en ik geloof dat die mij genezen heeft van de zwakheid waarmee ik een bepaalde toon tegen me toeliet die ik normaalgesproken nooit om mij heen duld. Ik weet dat uw mening is dat ik mijn opvatting van waardigheid teveel in stand wil houden, en dat men altijd ongelijk heeft wanneer men geld nodig heeft. Maar in feite lijd ik, en ik verzoek u om me een briefje te schrijven voor hem, dat ik morgenochtend heel vroeg bij hem laat brengen door een loopjongen. Die 100 frank, daarvoor neem ik jegens U de formele verplichting op me, zullen hem teruggegeven worden, of aan u, door mij, heel binnenkort, over een week misschien. Ik wens dat, als de persoon die ik naar u toe stuur u vindt, u hem die brief voor Ancelle alleen maar in een enveloppe geeft waar mijn naam op staat, opdat die persoon (die ik gestuurd heb) niet kan raden waarvoor die brief is.
Er zou nog ook nog iets kunnen dat oneindig veel simpeler is, maar ik durf u dat eigenlijk niet te vragen, dat is dat u uzelf 100 frank ontzegt voor een klein moment. Dan zou ik met de post een brief aan Ancelle schrijven om het u direct terug te sturen.
Over drie of vier dagen schrijf ik u weer, maar dan een heel ander soort brief, God zij dank! Want door dat alles schaam ik me zo.
Ancelle speelt het slachtoffer, en ik lijk wel de martelaar te zijn. – Ik zie maar één mogelijke oplossing: dat is nooit meer een stuiver te gaan halen, of in geval van noodzaak zoals de huidige situatie, het terug te sturen zodra ik geld heb verdiend
Ik ben vergeten u te vertellen dat ik weer bij La Revue des Deux Mondes ga werken, met iets dat heel erg gezocht wordt en heel bizar is: - ofwel een roman over het ideaal van de echtelijke liefde, - ofwel een roman om de heiligheid van de doodstraf uit te leggen en te legitimeren .
Ik omhels u.
                                Charles.
Mocht u de goedheid hebben om me een bezoekje te brengen, laat me dan even weten om hoe laat.
Quai Voltaire, Hôtel Voltaire.

Ik heb me vergist in mijn ongelukkige berekeningen, ik had niet bedacht dat ik in een kleinere tekst zou worden afgedrukt, en daarom is mijn verwachting in plaats van 2500 gekrompen tot een maximum van 1900, helaas !

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, donderdag 11 september 1856.
Lieve moeder,

Ik verzoek u om me niet eenzelfde brief terug te schrijven als de laatste die u me gestuurd hebt. Ik moet de laatste tijd teveel kwellingen, vernederingen, en zelfs pijnen doorstaan, dat het onnodig is dat u er ook nog een steentje aan bijdraagt. Een aantal dagen geleden, - tien dagen ongeveer,  - had ik zin om u te schrijven, om u te vragen, omdat Ancelle afwezig is en in de Midi rondloopt, om me een beetje geld te sturen, maakt niet uit hoeveel, om Parijs uit te gaan, me te ontspannen, de tijd te doden; maar dan had ik u een uitleg moeten geven, en ik zal u zo meteen vertellen waarom ik dat niet gedaan heb. Echter, het is nu zo dat de tijd verstreken is, en de gebeurtenis die me overkomen is heeft mijn krachten zo afgezwakt dat ik niet eens meer kan werken, en het gaat nu niet meer om een plezier of verzetje, maar om noodzaak, en wel een heel urgente. Ik heb me weer aan het werk gezet om me te verdoven. Maar u weet hoe irriterend dat geschreeuw en gediscussieer met bruten is; en Ancelle is pas weer over een week of tien dagen terug, en die ene man, de man bij wie ik woon, valt me buitensporig lastig  over een bagatelle van tweehonderd frank en nog wat. Michel Lévy laat me dag na dag wachten op de handtekening van onze derde overeenkomst; mijn tafel ligt bezaaid met niet-gecorrigeerde drukproeven, en het moment is er dus niet naar om geld van hem te lenen. Die ene man wil zijn geld morgen hebben. Weet wel dat ik hem kan kalmeren met minder, met 100 of 150 frank; maar ik heb maar in mijn hoofd dat ik met  de rest van het geld naar u toe wil komen, niet voor lang, een dag of twee, niet bij u thuis, wees gerust. Ik zou gewoon in een hotel gaan; u zou bij me komen om me te omhelzen, en dan zou ik weer gaan. Trouwens, ik moet heel hard weken, en ik heb niet het plan om lange tijd afwezig te zijn. Ik zou uiteraard het geld bij Ancelle halen zodra hij terug is. In het geval dat u mij geld stuurt, dan zou ik niets bij hem gaan halen, om het te compenseren, en ik zou hem dan verwittigen van wat ik gedaan heb.
Zoals ik u net al zei, heb ik u dus niet geschreven, hoewel ik daar heel veel zin in had en op dat moment dacht dat u nog in Parijs was, echter het was omdat die verantwoording die ik aan u zou hebben af te leggen u vanzelfsprekend veel vreugde zou hebben bezorgd, een soort van moedervreugde die ik niet had kunnen uitstaan. Mijn toestand moet erg zichtbaar zijn geweest, want toen Michel Lévy me zo zag in die toestand van dan weer terneergeslagen, dan weer woest,  heeft hij me geen enkele vraag gesteld, liet me met rust, en vroeg niet eens meer aan me of ik aan het werk ging. Mijn relatie, een relatie van veertien jaar met Jeanne, is verbroken. Ik heb alles wat in menselijke termen mogelijk was gedaan om die breuk te vermijden. Die verscheurdheid, die strijd heeft wee weken geduurd. Jeanne heeft me altijd ononderbroken geantwoord dat ik een onhandelbaar karakter heb, en dat ik haar zelf ooit een keer zou bedanken voor deze oplossing. Dat is nu echt de grote bourgeoise-wijsheid van vrouwen. Maar ik weet dat wat voor avontuurtje, geld of ijdelheid me ook mocht overkomen, ik zal die vrouw altijd blijven missen. U begrijpt mijn pijn misschien niet helemaal, en opdat die u niet al te kinderlijk lijkt, zal ik u bekennen dat ik al mijn hoop op haar hoofd had ingezet, als een gokker; deze vrouw was mijn enige afleiding, mijn enige plezier, mijn enige  kameraad, en ondanks alle schokken binnen die stormachtige relatie is nooit maar één keer duidelijk de gedachte bij me opgekomen van een definitieve breuk. Zelfs nu nog, en toch ben ik helemaal kalm, - betrap ik me erop dat ik denk als ik een mooi voorwerp zie of een mooi landschap, maakt niet uit, iets aangenaams: waarom is zij nu niet met mij, om dat samen met mij te bewonderen, om dat met mij te kopen? U ziet dat ik mijn wonden niet verberg. Ik had veel tijd nodig, dat verzeker ik u, zo heftig was die schok, om te begrijpen dat mijn werk me misschien plezier zou geven, en dat ik uiteindelijk verplichtingen had na te komen. Ik had voor mijn geest een constant: waar is het goed voor? Daarbij ook een soort van donkere sluier voor mijn ogen en een constant hard geluid in mijn oren. – Dat heeft best lang geduurd, maar goed het is nu over. Toen het me duidelijk werd aangetoond dat het echt het onherstelbare* was, nou toen kwam ik toch in een ongehoorde gekte terecht: ik heb tien dagen niet geslapen, en steeds overgeven, en ik moest me maar verbergen, omdat ik steeds bleef huilen. Maar mijn obsessie was eigenlijk heel egoïstisch:  ik zag een reeks van oneindige jaren voor me zonder familie, zonder vrienden, zonder vriendin, jaren vol eenzaamheid en wat toevalligheid, - en niets voor mijn hart. Ik kon niet eens mijn troost halen uit mijn eigen trots. Want alles is gebeurd door mijn eigen schuld: ik heb gebruikt en misbruikt; ik vond het leuk om te kwellen en te pesten, en nu word ik op mijn beurt geteisterd. Toen kreeg ik een bijgelovige angst, ik beeldde me in dat u ziek was. Ik heb iets verzonden naar u: ik vernam toen dat u afwezig was, en dat het goed met u gaat; tenminste dat is wat me is verteld, maar zeg het zelf in een brief tegen me.
Waarom zou ik nog verder gaan met dit verslag, dat u misschien alleen maar wat bizar lijkt? Ik had nooit gedacht dat een geestelijke pijn zulke erge lichamelijke martelingen kon veroorzaken en dat men dan twee weken daarna zich weer aan zijn werk kon overleveren als een ander mens. Ik ben nu alleen, heel alleen, voor altijd, dat is meer dan waarschijnlijk. – Want geestelijk kan ik nooit meer mijn vertrouwen schenken aan een vrouwspersoon, niet meer dan in mezelf, en ik moet me voortaan alleen nog maar bezighouden met mijn geldbelangen en mijn ijdelheid, en zonder ander genot dan de literatuur.
Ik heb Ancelle niet kunnen zien voor zijn vertrek. Ik wist dat hij langs Bordeaux zou reizen, en ik heb hem poste restante geschreven. Ik schreef dat ik hem misschien bij zijn terugkeer zou verzoeken om die arme vrouw te helpen, die ik alleen maar schulden nalaat, en omdat ik me voortaan toch alleen nog maar met mezelf ga bezighouden, kan ik me die begrafenisuitgaven wel veroorloven. Zijn antwoord leek me negatief. Dat is een kwestie die ruimschoots naar een ander moment verschoven kan worden.
Het tweede deel en het derde deel van Poe zullen bijna gelijktijdig verschijnen.
Schrijf me snel terug; want u zult toch wel begrijpen dat het niet alleen om een ordinaire geldkwestie is dat ik u geschreven heb, hoe zorgelijk die ook is. En het toppunt van mijn ongeluk, ik  geloof dat de notaris die Ancelle opgevolgd heeft, ook naar de Midi is vertrokken. Ik werk nu nog alleen maar als afleiding, en ik verveel me dood. Er zijn nog steeds momenten waarop alles leeg lijkt.
Ik omhels u met heel mijn hart.

CHARLES.
Hotel Voltaire, quai Voltaire.

CONTRACT
21 oktober 1856.

Tussen de heer Charles Baudelaire, wonend te Parijs, quai Voltaire, 19 enerzijds,
En de heren gebroeders Michel Lévy, eveneens verblijvend te Parijs, rue Vivienne 2 bis, anderzijds,

Is overeengekomen het volgende:

Mijnheer Charles Baudelaire verkoopt aan de heren gebroeders Michel Lévy die dit aanvaarden de volledige en gehele eigendom van het recht tot drukken, publicatie en verkoop van diens volledige vertaling van Les Aventures d’Arthur Gordon Pym.
Het werk vormt een deel bevattend een hoeveelheid van negen drukvellen op grand-jésus, die zal verschijnen onder de titel: [sic.]
Als prijs van deze verkoop, zal mijnheer Charles Baudelaire ontvangen voor elk in oplage gedrukt exemplaar, deze wel verkocht wordende of zijnde of niet verkocht wordende of zijnde, één vijftiende van de prijs zoals deze vermeld staat op de catalogus van de heren gebroeders Michel Lévy.
Zouden de heren gebroeders Michel Lévy het werk één jaar uitverkocht laten, dan zou mijnheer Charles Baudelaire wederom eigenaar worden.
De heren gebroeders Michel Lévy verplichten zich om een eerste oplage te drukken van zesduizend exemplaren.
Mijnheer Charles Baudelaire zal nooit vertalingen van werken van Edgar Allen Poe mogen publiceren zonder deze eerst aan te bieden aan de heren gebroeders Michel Lévy die het recht zullen hebben het te weigeren of te accepteren en dit onder dezelfde voorwaarden als vermeld op huidige overeenkomst.
In tweevoud opgemaakt de eenentwintigste oktober achttienhonderd en zesenvijftig.

Een woord doorgestreept teniet
    C.B.

Schriftelijk goedgekeurd
CH. Baudelaire

Schriftelijk goedgekeurd
GEBROEDERS Michel Lévy

AAN MADAME AUPICK
Parijs, 4 november 1856.
Lieve moeder,

Ik wil deze dag niet voorbij laten gaan, zonder u met deze paar zinnen te laten zien dat ik u nooit vergeet. - Een paar zinnen maar; - want u kent mijn luiheid, die als resultaat hebben dat ik later vast kom te zitten in gehaast werk. – In zo’n geval zit ik nu dus. – U kunt overigens, dat geloof ik, momenteel het volste vertrouwen hebben in mijn verdere leven. – Uw angsten die u me heeft geschreven zijn niet gegrond. – Ook al zijn de geldkwesties moeilijk te ontwarren, mijn geestelijke gezondheid die zeer belangrijk is, is excellent. – Het ongeluk dat mij eerst zo had aangeslagen, zo kinderlijk voor mensen zonder voorstellingsvermogen, maar zó vreselijk voor mij, heeft me achteraf een onmetelijke zin in het leven gegeven. – Ik ben het tweede voorwoord aan het schrijven, dat wil zeggen de aanhef van de Nouvelles Histoires extraordinaires , die u over enkele dagen zult ontvangen. – Voor wat betreft het derde deel, dat kunt u per dag lezen, u heeft immers Le Moniteur als krant.
Mag ik van u een beetje lachen, een heel klein beetje maar, om dat onophoudelijke verlangen van u dat ik net als iedereen moet zijn, en dat ik uw oude vrienden waardig moet zijn, die u medelevend opnoemt? Helaas! U weet heel goed dat ik daar helemaal niet aan toe ben, en dat mijn lotsbestemming heel anders zal gaan. Waarom heeft u het niet een beetje over trouwen, zoals alle moeders doen?
Om het u in alle oprechtheid te vertellen, de gedachte aan dat meisje heeft me nooit losgelaten, maar ik ben zo losgebroken met het levensvak, dat alleen maar uit leugens en valse beloftes bestaat, dat ik onmogelijk in staat ben om weer opnieuw in die onlosmakelijke liefdesvallen te kunnen lopen. – Het arme kind is nu ziek, en ik weigerde naar haar toe te gaan. – Lange tijd heeft ze me ontvlucht, als de pest, want ze kent mijn afschuwelijke temperament dat enkel bestaat uit list en gewelddadigheid. – Ik weet dat zij Parijs moet verlaten, en daar ben ik blij om; hoewel ik moet toegeven dat ik heel erg triest word als ik eraan denk dat zij kan sterven ver weg van mij.
Om het kort samen te vatten, ik heb een duivelse dorst naar genot, glorie en kracht. Dit wordt wel, moet ik zeggen, vaak, maar niet vaak genoeg – nietwaar, lieve moeder? -  doorkruist door de wens om u te behagen.
Kijk dus voortaan goed uit om vervelende mensen naar me toe te sturen als die deurwaarder uit de Senaat, die Tony, die een bedrieglijke schuld had opgekocht, die drie uur bij me binnen is geweest, met een taaltje van huisbediendes, en die ik alleen maar kon afleiden met mijn wreedheid.
Ik omhels u met heel mijn hart.
CHARLES.
Schrijf me een paar woorden alstublieft, over uw gezondheid.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
Parijs, dinsdag 9 december 1856.
Mijn beste vriend,

Uw brief was oordeelkundig en heel verstandig. In werkelijkheid zijn het bijna dezelfde voorwaarden als die van Michel,vóór zijn delen van één frank en in oplage van zes duizend exemplaren. Maar bij u zal ik eerlijk en elegant produceren.
Ik kan u nu wel bekennen hoeveel plezier uw brief me heeft gedaan. Neem het me niet al te kwalijk, maar ik dacht op het laatst dat uw besluiteloosheid voortkwam uit een wantrouwen jegens mijn talent. Bovendien zat ik in een lastige situatie. Ik had op een dag in een chagrijnig humeur tegen Michel opgeschept dat ik op u kon rekenen .
Enfin, die wissels zelf (vooral die van 200 frank) kwamen als de Messias. Want na uw vertrek had mijn pech er voor gezorgd dat men bij Le Moniteur het besluit had genomen om vóór alles eerst de jaarrekening van dit jaar te vereffenen, en de Arthur Gordon Pym zal pas betaald worden na 15 januari. Het eerste nummer zal onherroepelijk de achtste uitkomen. U kunt wel raden in wat voor angstige toestand ik was, - en u ziet dat ik enkele redenen heb om tevreden te zijn.
Ik ben gerust dat u pas in februari wilt beginnen en dat we met de poëzie gaan beginnen. Dan heb ik de hele maand januari om de drie of vier onuitgegeven stukken te versnipperen van het prozadeel om er geld voor te krijgen, en dan kunnen we samen tegelijkertijd beschikken over de ordening van het materiaal van Les Fleurs du Mal, - lees het goed, samen, want het gaat om iets belangrijks. We moeten een boek gaan samenstellen met alleen maar goede dingen: weinig materiaal, dat wel veel lijkt, en wat heel goed zichtbaar is. Uw woord populariteit deed me erg lachen. Weinig populair, ik weet het, maar wel mooi een algemeen dodelijke kritiek die nieuwsgierigheid zal opwekken; en we zullen ook wel een aantal artikelen krijgen in buitenlandse tijdschriften.
Ik weet niet of u de twee boeken in dezelfde overeenkomst zet, maar of u er nu één of twee aparte maakt, als u de titel van het prozaboek niet blanco wilt laten, zet dan maar Miroir de l’art, Cabinet esthéthique neer, of wat er in u opkomt. We kunnen dat altijd nog aanpassen, naar uw wens,wanneer u de titel bij het ministerie gaat voorleggen.
De soort overeenkomst die ik u gevraagd heb en dat u voor me maakt, heeft de excellente eigenschap dat het moeilijk te veronderstellen is dat u er iets op verliest, en, als het boek wordt herdrukt, dat de toekomstige opbrengsten voor de auteur gewaarborgd zijn.
Dus: twee delen, duizend exemplaren, en voor eeuwig vijf stuivers.
Zet ook het geval neer waarin Malassis een jaar niet meer herdrukt (?) en dat Baudelaire dan vrij is . Stuur mij met uw wissels ook uw getekende overeenkomst of overeenkomsten mee; ik zal u evenzo de tweevouden terugsturen.
Voeg in uw brief ook een advies toe voor de discontering van de eerste (200).
Ik weet niet welk aandeel uw zwager in uw besluit heeft, noch of hij er wel een aandeel in heeft. In ieder geval, doet u de groeten aan hem, mocht u hem dusdanig gevoelig inschatten voor de satanische etiquettegebruiken. Een ander avontuur, mijn nieuwe vaste huis is pas klaar op 15 januari. Dus dan kunt mij hier treffen, en ik blijf tot 15 januari vastgenageld in het hotel van die miserabele man die door de heren Havin en Léon Plée beschouwd wordt als een groot poëet.
Leg voor mij alles opzij wat u kunt vissen over en van Laclos.
U ontvangt dit morgenochtend woensdag; ik zou het heel fijn vinden indien ik uw pakket donderdagochtend kon ontvangen.
Als ik niet zo bang was dat u me zou uitmaken voor maniak of brutaal, dan zou ik u nog vertellen over wat bedragjes die ik u schuldig ben. Maar u kunt altijd nog boos worden, als u naar Parijs komt.
Hoogachtend.
Charles Baudelaire.
Mocht u heer Asinarius zien, genees hem dan van zijn onbeschofte bijgelovigheden over mij.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, zaterdag 27 december 1856.
Lieve moeder,
Ik wil u hartelijk bedanken voor uw brief. Door uw onvermijdelijke verwijten heen zag ik er een charmante moederlijke bedoeling in, en een gevoel waarvan ik inderdaad onthouden word. Uw brief is overdreven: - ik ben niet ziek; - het boek is niet verschenen; maar het zal verschijnen. – Het is gemaakt, - maar het voorwoord is oneindig vertraagd vanwege mijn oneindige geldproblemen.  – Echt, u zou omtrent dit onderwerp inschikkelijker moeten zijn. – Een aantal dagen geleden ben ik heel plots gaan werken voor Le Moniteur, en zoals u heeft kunnen zien, is mijn plaats eerst ingenomen door Germaine van mijnheer About, en vervolgens door een tweede feuilleton. Mijn derde deel had drie dagen geleden moeten beginnen. Misschien is het maar voor heel kort vertraagd.
Ik zeg het nogmaals, ik zou het op een overtuigende manier willen herhalen – ik zou het u misschien beter kunnen zeggen dan schrijven – ik voelde me echt geraakt door uw brief. Ik werk ’s nachts en overdag slaap ik. Van 11 uur tot 3 uur  kunt u me zonder problemen treffen, een makkelijk tijdstip. Wees zo goed om me vóór alles een briefje te schrijven over uw gezondheid, en ook om me een dag en tijdstip aan te geven. – Ik heb u niet direct geantwoord, omdat, dankzij dat nieuwe rotavontuur van Le Moniteur, ben ik weer in nieuwe problemen gekomen.
Ik omhels u met heel mijn hart, en ik kan u echt verzekeren dat u steeds maar overdrijft met uw angsten. Ik heb voldoende liefde voor u om niets over mijn leven te hoeven verzwijgen.

Charles.

CONTRACT
30 december 1856.
Opgemaakt tussen de heren Poulet-Malassis, Eugène De Broise, drukkers en boekhandelaren te Alençon enerzijds,
En mijnheer Charles Baudelaire, litterator,  anderzijds,

Is overeengekomen het volgende :

Mijnheer Ch. Baudelaire  verkoopt aan de heren Poulet-Malassis en Eugène De Broise twee werken, te weten: de eerste Les Fleurs du mal, de tweede Bric-à-brac esthétique.
Mijnheer Charles Baudelaire zal Les Fleurs du mal  twintig januari aanstaande aanleveren en Bric-à-brac esthétique aan het einde van de maand februari.
Iedere oplage zal duizend exemplaren inhouden.
Als prijs voor deze verkoop zal mijnheer Charles Baudelaire voor elk gedrukt exemplaar, verkocht of niet verkocht, vijfentwintig cent ontvangen, ofwel een achtste van de prijs zoals deze in de catalogus van de heren Poulet-Malassis en Eugène De Broise staat.
Mijnheer Charles Baudelaire draagt het verbod op zich om het geheel of het gedeelte van het materiaal welke de twee boeken bevatten, te reproduceren, in welke vorm dan ook.
Mijnheer Charles Baudelaire zal genoemde werken of één dezer werken niet mogen aanbieden aan enig andere boekhandelaar, behalve in het geval dat de heren Poulet-Malassis en Eugène De Broise in hun winkel slechts nog een heel klein aantal exemplaren hebben liggen welke zij weigeren te herdrukken.
In tweevoud opgemaakt, te Parijs, d.d. dertig december achttienhonderd zesenvijftig.

AUG. POULET-MALASSIS             CH. BAUDELAIRE.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact