Baudelaire 1862

Charles Baudelaire 1862

AAN ABEL VILLEMAIN
Secretaris voor het leven bij de Académie française
                            Parijs, maandag 10 februari 1862.
Geachte heer,

Hierbij wil ik u verzoeken mijn naam te schrappen van de lijst van kandidaten die dingen naar de zetel van Eerwaarde Pater Lacordaire, en tevens de heren uw collega ’s  van mijn terugtrekking op de hoogte te brengen.
Tevens zou ik gaarne, mijnheer, uw stem willen lenen om de heren te willen bedanken die ik tot mijn grote vreugde heb mogen ontmoeten, voor de wijze waarop zij mij hebben willen ontvangen. Dat zij er zeker van mogen zijn dat ik er goede herinneringen aan heb.
Met groot respect en de meeste hoogachting,

Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK   Parijs, 17 maart 1862.

Ik heb jou helemaal niet nodig voor adviezen over eerlijkheid, evenmin om mijn hand op mijn geweten te leggen.
Over het algemeen verberg ik mijn leven, en mijn gedachten, en mijn angsten, zelfs voor jou.
Ik kan en wil mijn grieven niet vertellen. Ten eerste zou dat ministens vijftig pagina's  in beslag nemen. Ten tweede zou ik dan vijftig pagina’s lang lijden.
Ik beperk me tot dit:
Met mijn karakter, dat jij gedeeltelijk kent, gevoelig, verkwistend, onstuimig, mijn trots boven alles tellend, is het dan aannemelijk dat ik een wreedheid zou begaan puur uit gierigheid? Gierigheid! Maar wat heb ik zeventien jaar lang anders gedaan dan vergeven? (ik geef toe dat omdat het een mooie vrouw was, mijn welwillendheid er erg bij gebaat was) Maar toen ziekte en ouderdom haar troffen, wat heb ik toen drie jaar lang gedaan? Ik deed wat mannen door hun egoïsme over het algemeen nooit doen. Ik had zelfs in mijn liefdadigheid wat enthousiasme door mijn trots.
Twee dagen na de ramp wilde ik een brutale en arglistige dienstmeid de deur uitzetten, die conciërgehuismiddeltjes kocht en die alle orders van de artsen tegenwerkte. Jeanne maakte me duidelijk dat ik degene was die weg moest uit haar huis en dat zij die meid hield. Toen ben ik weggegaan en heb de straten afgestruind om geld voor haar te krijgen.
Ander voorbeeld: op een dag, in Honfleur, bijna drie jaar geleden, ontving ik een brief van haar waarin ze klaagt dat de rekening van het verpleeghuis niet betaald was en dat ze het risico loopt eruit te worden gezet. Woest schrijf ik Malassis. Die zich garant had gesteld om voor mij te betalen. Hij antwoordt me door het sturen van het reçu van de administratie van de spoorwegen. Dus schrijf ik een brief vol beledigingen naar de administratie. Die antwoorden mij met het sturen van het reçu van de directeur van het verpleeghuis. Ik stond voor schut. Jeanne had in haar zielige kinderlijke voorstellingsvermogen verzonnen dat ze me hiermee twee keer kon laten betalen, - zonder dat ze ook maar één moment bang was hoe ongerust ik door die leugen kon worden, zonder dat ze zich druk maakte hoe zeer ik voor schut zou komen te staan, zonder zich druk te maken met wat voor ruzies ze me hiermee zou opzadelen.
Zo zijn vrouwen; zo zijn kinderen; zo zijn dieren. Maar dieren hebben geen boeken, geen filosofie; dus, ook geen eer. Ze zijn dus minder schuldig.
Ik heb geld van je losgepeuterd, anderhalf jaar geleden, en ik heb ook geld van Ancelle losgepeuterd om in Neuilly te kunnen gaan wonen;  - en toen ik daar introk, trof ik er een broer aan die in anderhalf jaar nooit één keer zijn zus te hulp was gekomen en die me door zijn punctuele aanwezigheid voldoende liet zien dat hij niet begreep dat ik arm was. En ik druk me hier nog zacht uit. Toen ben ik er dus vandoor gegaan.
In januari is er iets heel ergs gebeurd, waardoor ik ziek ben geworden; ik heb er niemand iets over verteld – en ik wil er verder ook niets over kwijt. Dat zou mijn keel openhalen.
Enkele dagen geleden zei Malassis tegen me dat Jeanne was geweest om hem te vragen of hij boeken en tekeningen van haar wilde kopen. Malassis is geen antiquariaat. Hij verkoopt alleen nieuwe boeken. In Parijs zijn honderden winkels met tweedehands boeken. Ik verdenk vagelijk dat zij Malassis uitkoos om me te intimideren, om mijn ijdelheid te kwetsen. Ze mag van mij best herinneringen verkopen die iedere man bij een vrouw achterlaat met wie hij lang heeft samengewoond; dat maakt mij niet uit. Maar ik was tot mijn grote vernedering verplicht om mijn uitgever vage verklaringen af te leggen net zoals jij me nu daartoe dwingt vandaag.
Het begin van je brief lijkt alsof jij bijna ergens het slachtoffer van bent geworden; je denkt te kunnen beweren dat je vrijgeviger bent dan ik. Op het moment dat ik Jeanne had duidelijk gemaakt dat ze op iedereen behalve mij moest rekenen, had ik haar zojuist alles gegeven wat ik had, vertrouwend op mijn eigen genie en mijn gesternte om te krijgen wat ik nodig had.
Als je toegeeft, dan is er het gevaar: de maand erna, de week erop, zul je een nieuw verzoek krijgen, en dat zal zo door blijven gaan. Op het moment dat ik van Malassis hoorde van dat vooroordeel van obsessies en intimidatie, dacht ik: ‘Als ik binnenkort wat geld vergaar, dan zou ik HAAR iets sturen, maar op zo’n  bizarre manier en met zo’n omweg, dat ze nooit zal kunnen raden dat het van mij komt. Want, als ze dat zou raden, dan zou ze mijn zwakheid opvatten als een toegegeven recht en als een aanmoediging.’
Zie je nu wel dat ik geen wild beest ben.
Jouw onnozelheid, je gemak om ergens in te lopen, je naïveteit en je gevoeligheid, daar moet ik om lachen. Denk je nu echt dat ik, als ik het zou willen, ik je niet zou kunnen ruineren en jouw oude dag in de misère werpen? Weet je dan niet dat ik listig genoeg ben en genoeg welbespraaktheid bezit om dat te doen? Maar ik houd me in, en bij elke nieuwe crisis denk ik bij mezelf: ‘Nee, mijn moeder is oud en arm, ik moet haar met rust laten; ik moet de nodige energie uit mezelf halen om mezelf uit deze toestand te halen.’
Ik ken geen stompzinniger iets dan het pure gevoel, want dat is de enige inspiratie van vrouwen en kinderen. Het gevoel dwingt het kind, als het een energiek kind is, zijn vader te doden voor een pot jam, of om kantwerk te kopen voor een meisje, als hij achttien jaar is; dwingt een vrouw ertoe haar man te doden om juwelen te kopen of om een kerel te onderhouden; precies hetzelfde zoals het een hond ertoe brengt alles omver te gooien voor een stuk vlees; voor wat betreft deze zeer eenvoudige redenering: “Mijn grillen of zelfs het tevredenstellen van mijn behoeften mogen andermans vrijheid niet hinderen” , dit ligt alleen in het bereik van mannen.
Pardon als ik pedant doe en de misantroop uithang tegen je. Ik ben overtuigd van alles wat ik beweer. Ik heb een vreselijke opvoeding gehad, en het is misschien te laat om mezelf nog te redden. Wat er is aangetoond voor mij, dat is dat vrouwen alleen maar interessant zijn wanneer ze zeer oud zijn.
Dit leid me naar mevrouw Bâton; zij heeft drie gelukzaligheden en ze is ondankbaar. Ze is OUD; dus, is ze af van zotte passies. Ze is ALLEEN; dus heeft ze niemand verantwoording af te leggen. Ze is RIJK; dus heeft ze meer faciliteiten om haar geest te verheffen. Ze moet maar viriele passies krijgen, wetenschap of liefdadigheid. Echt, ik heb geen tijd om me te vertederen om fictieve misères.
En voor mevrouw de Montherot , ik wist dat ze in Honfleur was via een van mijn vrienden, de directeur van L’Illustration. Omdat ik weet dat jij altijd mijn kamer beschikbaar wilt stellen, liet ik blijken dat ik een beetje bang was; toen antwoordde hij me dat ik gerust kon zijn, want mevrouw de Montherot is te stom om zin te hebben om in boeken en etsen te gaan snuffelen.
Ik heb zojuist naar Jeanne geschreven. Jij moet dus niet antwoorden. Ik moet helaas de verveling van mijzelf en mijn zaken uitstellen tot een volgend keer.
Ik zet mijn wil door om naar Honfleur terug te keren; maar wat moet ik nog een hoop dingen doen voordat dat kan!
Mijn Academische impulsiviteit heeft me geen kwaad gedaan. Er hebben zich enkele incidenten voorgedaan die ik je nog zal vertellen. Het spreekt voor zich dat ik niet geïnteresseerd ben in de verkiezing voor de zetel van Scribe, die is uitgesteld tot april.
Ik heb alleen wat rancune jegens de heer Villemain, aan wie ik dat publiekelijk zal laten weten.
De heer Biot is dood, en zal vervangen worden door de heer Littré.
Ik loop zó achter bij je met mijn nieuws!
Mijn afzegbrief, voor de verkiezing Lacordaire, heeft bij de Académie een zekere sensatie veroorzaakt, - niet zo’n  slechte.
Veel liefs. – Charles.

AAN MADAME AUPICK  Parijs, zondag 10 augustus 1862.
Lieve moeder,

Je verveelt je zeker, en niet zo’n  beetje ook? Ik kom eraan. Ik heb al voorzorgsmaatregelen getroffen, dat wil zeggen dat ik het mezelf onmogelijk heb gemaakt niet te vertrekken aan het eind van de maand.
Ik geloof dat er weinig voorbeelden zijn van mensen die net zo’n verbrast leven hebben gehad als het mijne; wat echt vreemd is, is dat ik er geen enkel plezier aan beleef.
Ik heb geen zin (en heb er overigens ook geen tijd voor) om je te vertellen over de buitengewone strijdgevechten van mezelf tegen mezelf die ik door moet maken, de wanhoop, de dromerijen;en ik heb ook geen zin om je voor de zoveelste keer te moeten bevestigen dat jij het enige levende wezen bent dat me interesseert. Ik mag toch wel geloven dat jij, omdat ik het je al gezegd heb, me moet geloven.
Ik voel dat ik in een crisis zit, een fase, waarin ik een grote beslissing moet gaan nemen, dat wil zeggen precies het tegenovergestelde van alles wat ik gedaan heb; alleen van de roem houden, onophoudelijk werken, zelfs zonder hoop op salaris, ieder plezier vermijden en worden wat men noemt een groots type met grandeur. En ja, ook trachten een klein kapitaaltje te maken. Ik minacht mensen die van geld houden; maar ik ben verschrikkelijk bang voor onderworpenheid en armoede voor mijn ouderdom.
Ik zal dus thuiskomen, of liever bij ons huis aankomen, de 31e, de 1e, de 2e of de 3e. Aangezien je zoveel van me houdt, dat jij je best wil doen om je te interesseren voor de paar dingen die mij interesseren, zal ik je belonen en je bewijzen dat ik je ken, dat ik van je houd, dat ik een moederhart kan aanvoelen en waarderen.
Eindelijk! Eindelijk! Ik denk dat ik aan het eind van de maand de verschrikking van het menselijke aangezicht kan ontvluchten. Je zou het niet geloven als je wist hoezeer het Parijse ras gedegradeerd is. Het is niet meer dat charmante en aardige wereldje dat ik vroeger gekend heb: kunstenaars weten niets, schrijvers weten niets, zelfs geen spelling meer. Dat hele wereldje is verwerpelijk geworden, lager misschien nog wel dan de mensen van de wereld. Ik ben een oude man, een mummie, en dat nemen ze me kwalijk omdat ik meer weet dan de rest van de mensen. Wat een decadentie! Uitgezonderd D’Aurévilly, Flaubert, Sainte-Beuve, kan ik met niemand opschieten. Alleen Theophile Gautier begrijpt me als ik het over schilderkunst heb. Ik gruwel van het leven. Nogmaals: ik ga het menselijk aangezicht ontvluchten, maar met name het Franse.
Ik neem een heel mooi boek voor je mee; maar ik ben bezig met een groot werk hierover: Second Tableau de Paris par Sébastien Mercier, Paris pendant la Révolution de 93, tot aan Bonaparte. Het is prachtig.
Je hebt ongetwijfeld Les Misérables gekregen die ik je heb opgestuurd (expres, na Pasen), omdat ik me kon voorstellen dat jij pas romans na Pasen wilde lezen; plus twee artikelen, één van mij, en één van D’Aurévilly. Dat boek is vreselijk en dwaas. Over dit onderwerp heb ik aangetoond dat ik de kunst bezat om te liegen. Hij schreef me om me te bedanken, een volledig belachelijke brief.  Dat bewijst dat een groot man heel dom kan zijn.
Jouw Chateaubriand (Belgische uitgave) is opgehangen in het kantoor van L’Intérieur.
Ik zal je geld meebrengen als ik bij je kom.
Ik heb nu nog twintig dagen voor me om regelingen te treffen met La Presse , Les Débats, Le Monde illustré, La Revue britannique etc, zodat men de schulden voor mij kan betalen, ondanks mijn afwezigheid.
Ik hou van je en veel kussen. Zeg me dat het goed met je gaat, en dat je nog lang zult leven, heel lang nog, voor mij, alleen voor mij. Zie je dat ik de woestheid en egoïsme van affectie nog heb.
                            C.B.
Morgen breng ik de hele dag in Fontainebleau door. Wat een wrede opgave!

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS  Parijs, augustus – september 1862.
Beste Malassis,

1e. U heeft geen enkele zekerheid dat het eigendom van de Fleurs en van de Paradis 5000 frank waard zijn.
Ze zijn dat misschien momenteel niet waard; en later kunnen ze veel meer waard worden.
Het zou ook kunnen dat alleen de Fleurs genoeg zouden zijn, als ze verkocht worden in volledige eigendom, om mijn schuld jegens u te vereffenen.
2e. Ik heb zo eens nagedacht en ik zal akkoord gaan met deze regeling, als wij het systeem nd uitbreiden, waardoor ik eindelijk volgend jaar veel meer andere dingen kan gaan doen (wat nu nog alleen uit schetsen bestaat), en misschien zelfs voor altijd afzien van dat systeem van fragmentatie in de kranten waar ik zo onder lijd.
(hierop aandringen.)

Verkoopbaar materiaal
5 delen

Réflexions sur mes contemporains         2 delen
Fleurs du mal                                           1 deel
Paradis artificiels (Opium et Haschich)   1 deel
Poèmes en prose                                    1 deel

Of verkopen aan elk van hen, voor de hoost mogelijke prijs, voor één uitgave of voor een korte tijd, één of twee van de genoemde delen:

Of
(te prefereren systeem)
aan één uitgever het eigendom van alles, voor altijd, of voor een hele lange tijd verkopen.

In dat geval gaan mijn gedachten uit naar de heer Michel, ondanks het feit dat hij mijn Contemporains geweigerd heeft, beledigd (zo op het eerste gezicht aan de buitenkant misschien, of misschien wel echt) door wat ik over Hetzel had gezegd.
Ik denk dat Michel totaal de waarde niet kent van die boeken, met name de Fleurs du mal, de Contemporains, etc, en de Paradis.
Misschien zwakt zijn achterdocht wat af, en misschien is het beter om alles maar bij hem onder te brengen, te meer omdat hij over een tijd voor mij de affaire van Poe Illustré zal moeten afhandelen met Hachette, en hij voor mij zal moeten gaan doen wat u nu zelf voor mij doet.
U kunt hem zelfs deze brief laten zien, als u dat passend vindt. Buiten deze combinatie, zie ik alleen maar Hetzel, enerzijds, en Didier, anderzijds, voor Les Contemporains, aan wie ik had gedacht na de norse ontvangst bij Michel.
In het laatste geval, handel dan op basis van wat er met Babou was afgesproken: 800 per deel, voor een uitgave.
Uw toegewijde

                    C.B.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS            Parijs, 13 december 1862.

Inderdaad, beste vriend, degene die u heeft laten opsluiten heeft me een wrede poets gebakken; want ik rekende wel op u om mijn zaken te leiden. Ik ben zo onhandig!
Hetzel heeft me een heel goed voorstel gedaan voor twee werken die als elkaars tegenhanger gemaakt zouden kunnen worden. Hij wilde ze lanceren met voorzichtigheid, maar dat was maar voor één uitgave; maar dat was niet mijn doel.
En Michel houdt me nog steeds met mijn muil onder water. Ik deins, zoals altijd bij de traditie van dromers, achteruit bij elke realiteit.
Waarom verdorie biedt u me iemand aan om me te begeleiden? Ik moet toch leren om een zaak zelf te leiden.
Wat bent u onrechtvaardig tegen mij! Wat moet ik doen om u ter wille te zijn? U vroeg me om een literaire krant. U denkt net als alle gevangenen dat er buiten iets gebeurt. Er is niets nieuws gebeurd, of het moet zo zijn dat u zinspeelt op de Fils de Giboyer. Maar u weet toch wel dat ik me niet met dat soort verwerpelijkheden bezig houd.
Wat Salammbô betreft, dat is een groot succes, heel groot. Een uitgave van tweeduizend weg in twee dagen. Positief. Mooi boek, vol met fouten, wat alle plaaggeesten woest maakt, in het bijzonder Babou. Er zijn er die Flaubert verwijten dat hij oude auteurs imiteert. Wat Flaubert gedaan heeft kon alleen hij maar doen. Veel te veel bric-à-brac, maar veel epische, historische, politieke, zelfs dierlijke grandeur. Er zit iets verbazingwekkends in het gesticuleren van alle wezens. En die 30.000 frank, grap, grap! Waarom heeft Flaubert dat toegestaan? 30.000 frank, oké! Maar zijn Bovary, waarvan het contract zou aflopen, is opieuw afgestaan; dus, 15.000 frank, en aftrek van de rente van 30.000 frank voor tien jaar.
Ik denk dat Flaubert 12 of 13.000 frank heeft ontvangen (voor beide), maar dan contant.
Champfleury en La Fizelière zeiden tegen me dat we nog niet bij u op bezoek konden. Dus was mijn wroeging ongegrond, want ik had echt wroeging dat ik daar nog niet heen gerend was om u te bezoeken.
Maar wanneer komt hier nu een eind aan? En wanneer kunt u bezoek ontvangen? Ik wil dat heel graag weten. Vertel me hoe het met uw moeder gaat. Ik heb haar misschien iets te schrijven binnen een maand of twee weken. Wat mij aangaat het gaat slecht met me, en al mijn ziektes, lichamelijk en geestelijk, worden alarmerend steeds erger.
Ik zou een dokter moeten hebben als Mesmer, Cagliostro of de graftombe van Pâris. Dit is geen grapje.
Uw toegewijde,
                            Ch. Baudelaire.

Ik vergat iets belangrijks waar u waarschijnlijk onnodig over in onzekerheid zou verkeren. Ik sprak mevrouw Paul Meurice over Legros die een mooi portret van Hugo heeft gemaakt. Ze vroeg naar u, bestookte me met vragen en ze was verbazingwekkend emotioneel (net zoals ik iedereen bestook met vragen over u); en ik zag haar ogen opzwellen, en ook haar hals, en ik denk dat ze echt zou zijn gaan huilen, als men haar niet een bezoek had aangekondigd.
Nou ik zou echt trots zijn als ik zoveel interesse wekte bij zelfs een vrouw met grijze haren. Haar man, die was nergens te bekennen. Hij schijnt ergens in een of ander grote nieuwe machine te zitten.

AAN MADAME AUPICK                 Parijs, 13 december 1862.

Hoe komt het dat het zo moeilijk is om je moeder een brief te schrijven, en dat het zo zeldzaam gebeurt? Iets dat zo eenvoudig is en zo teder. Maar het is ook zo moeilijk om iets goeds te doen wat tegelijkertijd een plicht is. En de opeenhoping van zorgen die groter worden met de jaren verhindert je om alles te bevredigen wat je als plicht beschouwt en zelfs als iets aangenaams.
Toch, lieve moeder, voor alles, voor alles, hoe gaat het met je? Als je mijn gedachten op afstand kon lezen, wat zou je dan vaak tegen jezelf zeggen: mijn zoon denkt weer eens aan me! Maar dat zijn allemaal maar woorden en poëtische veronderstellingen. Je hebt liever dat ik mijn geestdrift aan je bewijs.
Wat was je wreed tegen me in één van je laatste brieven! Die wrede 500 frank! Het enige serieuze feit wat me in jouw brief opviel was steile klif. Maar ik ga er altijd van uit dat je wel veel zult vermoeden. Kon ik weten dat ik zoveel tegenslagen op mijn dak zou krijgen toen ik het plan van mijn vertrek maakte? Bijvoorbeeld het failliet gaan van Malassis, waar je ongetwijfeld over gehoord hebt, waar ik bijna bij betrokken zou zijn geweest en dat mijn leven sowieso helemaal omgooit. Ik ben 5000 frank schuldig. Ik heb besloten om dat voor justitie verborgen te houden, zodat ik ze later aan Malassis kan geven of aan zijn moeder. En dan Les Fleurs du mal en de Paradis die zomaar worden overgelaten aan het lot van wat de gek ervoor geeft! Maar daar snap jij helemaal niets van.
Ik ben mijn brief verstomd begonnen en heb het papier verkeerd om genomen, waardoor ik het nu moet pagineren voor jouw gemak. Een bijgelovige zou hierin een slecht voorteken zien.
Ik heb je wat boeken gestuurd om je te vermaken. Goede boeken. De Brieven over dieren (behalve het voorwoord van die imbeciele dokter) en Le Neveu de Rameau, die je misschien wel kent, zijn erg goed. Maar je hebt helemaal niet vermoed waarom ik je Les Poètes français had gestuurd; dat was helemaal niet zoals jij dacht om je oude dingen van mij te laten zien, maar dat was om je het artikel te laten lezen dat Gautier over mij had geschreven, dat wil zeggen het gedeelte dat aan mij was gewijd in de geschiedenis van de poëzie. Dat heb je misschien niet gezien. En die spionnen van je? Wat zullen we daarover zeggen? Wat een idioten! Men zei tegen je dat ik vrolijk was. Nooit. Is het mogelijk? Of dan ben ik dat om bang te maken, om snel van mensen af te zijn. Zeiden ze tegen je dat ik goed gekleed was? Nog maar een week geleden heb ik mijn lompen weg kunnen gooien. Zeiden ze tegen je dat het goed met me ging? Geen enkele ziekte die ik heb is al genezen; noch de reuma, noch de nachtmerries, noch mijn angstaanvallen, noch die vatbaarheid die ik heb om elk geluid in mijn maag te laten doorbonken; en vooral de angst niet; de angst om ineens dood te blijven; de angst om lang te moeten doorleven, de angst dat ik jou zie sterven, de angst om in te slapen, en de verschrikking om wakker te worden; en dan die lethargie die maar voortduurt waardoor ik maandenlang de meest urgente dingen voor me uitduw, - bizarre ziektebeelden, en, ik weet niet hoe, die versterken mijn haat jegens iedereen.
Maar vertel me over jezelf, in detail, vooral over je gezondheid.
Alweer een hele lange tijd geleden, ten tijde van die 500 frank, ben ik, in mijn eentje, natuurlijk, naar Versailles gegaan. Ik ben gek op Versailles en op de Trianons. Dat zijn goede eenzame oorden. De hele weg lang moest ik aan jou denken, want wij hadden een paar jaar geleden dezelfde route gelopen, vanaf de rue d’Amsterdam tot aan Saint-Cloud, meen ik. Jij kwam toen uit Madrid of Constantinopel. Ik herkende de uitzichten waar jij toen met je gebruikelijke hoogdravendheid riep: “O wat mooi!” En daarna: “Maar jij voelt die schoonheid van de natuur niet, daar ben jij nog te jong voor.”
Want zo praat jij. De gewassen van Trianon hebben me helemaal verblind; en toen stelde ik me voor dat ik daar met jou was; ik zag je voor me, echt bij me, en je maakte een soort grimas die ik zo goed van je ken, en je zei tegen me: “Wat is dat allemaal mooi; maar zie je, jongen, ik vind mijn eigen tuin eigenlijk veel leuker.” Lieve moeder, ik zou je zo graag aan het lachen maken.
Nu, lieve moeder van me, vertel me maar veel over jezelf.
Ik zit midden in een enorme geweldige affaire; maar ik weet niet hoe ik die tot een goed einde moet brengen. Iedereen weet dat ik onder druk sta van die schulden. Ik denk dat mijn keel zal worden doorgesneden. Als ik je over een week schrijven kan: alles is af en goed gedaan, dan kun je rekenen op mijn aanwezigheid en op een aangenamer leven.
En als jouw verbeeldingskracht je kan laten raden wat ik moet doorstaan, denk dan aan het Toezicht. Wil je me daarin laten sterven?
Veel liefs.

                            Charles.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact