Baudelaire 1863

Charles Baudelaire 1863

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, 3 januari 1863.
Arme lieve moeder!

Je kon niet weten, omdat ik je niet precies op 1 januari heb geschreven, dat dat was omdat ik je nieuwjaarsgeschenken wilde sturen en dat kon ik niet. Als mijn grote plan geslaagd was, dan had ik 5000 frank voor je gehad en nog iets om je boudoir te kunnen opknappen. Maar jouw post van vanochtend, daar was ik helemaal verbaasd over, ik schaamde me zelfs. Maar echt, je bent buitengewoon. Eerst stuur je me twee brieven die niet lief zijn, heel bitter zelfs, (koelbloedige rechtvaardigheid is niet jouw stijl) en dan ineens weer allemaal cadeaus. Zo vermeng je strelingen met slagen. Maar waar haal je dat geld toch allemaal vandaan? Is dat nu het resultaat van dingen die je je onthoudt en waar ik niets van weet? Dat is moeilijk te accepteren voor mij; vernederend. Omdat ik altijd geldgebrek heb, is dat iets onbegrijpelijks, zo’n vruchtbare liefdadigheid ineens.
Lieve moeder, je verveelt je aardig. We zullen elkaar halverwege deze maand zien; ik wil namelijk wat overeenkomsten komen halen die ergens weet ik waar in die enorme berg paperassen van me zitten. Want ik laat mijn zaak niet los. In het kort zit het zo: ik wilde in één keer 25.000 frank hebben, in ruil voor de totale absolute afstanddoening voor eeuwig van al mijn auteursrechten van al mijn werk, zoals dat er nu voor staat, dat wil zeggen tien delen (vijf delen van Poe; ik heb er nog twee nieuwe aan toegevoegd; en vijf werken van mij, de Fleurs, de Paradis, de Poèmes en prose, en twee boeken met kritieken ). Je zult ongetwijfeld wel raden dat Toezicht hier weer mee te maken had in deze zaak (was er niet een laaghartig krantje dat daar laatst nog een toespeling op heeft durven maken!)
Mijn idee was in feite helemaal rechtsgeldig, ik heb immers geen kinderen. Maar nooit zullen bedragjes van 500, 300 of 200 frank bij elkaar hetzelfde effect bereiken als een groot bedrag ineens. 1000 frank is veel meer waard dan 10 keer 100 frank.
Mijn vrienden zeggen dat het heel goed is dat het me niet gelukt is, want mijn werk is veel meer waard, en je nooit het onvoorziene, het onbekende en het eventuele moet verkopen. Maar ja, zij praten op hun gemakje. Zij zijn rijk, voorzichtig, hebben geen schulden en hebben genoeg tijd. Een boekhandelaar bood me 200 frank voor één enkele uitgave van de Fleurs en wat gedichten. Maar ik wilde die vijf boeken van mij aan hem opleggen, en voor eeuwig verkopen. Ik heb dat trots geweigerd; hij voelde zich beledigd; en, om je de waarheid te vertellen, ik heb er nu wel spijt van.
Michel Lévy die gedroeg zich als een schoolfrik; helemaal toen hij zag dat ik afhankelijk van hem was. Hij bood mij afstand te doen van het gehele eigendom, zoals voor de Poe, tegen betaling van een onregelmatig bedrag, gebaseerd op de respectievelijke verkoop. Ik heb hem mijn rug toegekeerd.
En nu ben ik op zoek naar gelegenheden om de vijf boeken hier en daar te kunnen plaatsen. Dat is het tegenovergestelde van wat ik wilde. Zo’n verspreiding heeft nadelen.
De affaire Malassis waar je je druk om maakt, wees gerust. Ik ga helemaal gezuiverd uit die ruzie komen, ook al kost dat me heel wat. Maar ik kan geen tien pagina ’s  vullen voor je met vermoeiende details.
Omdat ik niet voor eeuwigdurend kan verkopen, en omdat ik dus gedwongen ben om maar voor een beperkte tijd te verkopen, zou ik genoeg geld bij elkaar willen hebben om het te verdelen tussen jou, Malassis en mezelf.
Maar zal ik daarin slagen, en in hoeverre? Aanstaande zondag komt er een oplossing voor twee boeken. Maar is dat een goede oplossing? Wat kan ik met bijvoorbeeld maar 1000 frank doen? En die andere  drie boeken dan! Kwellingen, wat een kwellingen toch altijd!
Je bent zeker verbaasd over hoe makkelijk ik je cadeau accepteer, ondanks de 23000 frank die ik je schuldig ben. Ik wilde ze je eerst terugsturen. Maar ik zal je in een paar woorden uitleggen waarom ik zo handel; toen ik dat geld eenmaal in mijn zak had zitten, ben ik naar een drukker gerend van wie ik op een avond 50 frank had geleend en tegen wie ik binnenkort een aanklacht moet gaan indienen bij een rechter. Het was een obsessie voor mij te denken dat ik een man tegen wie ik een aanklacht moet indienen kon horen zeggen: “De heer Baudelaire die een aanklacht tegen mij indient is mij geld schuldig.” Wat een rotzooi, wat een chaos het leven! En wat een bizarre situaties toch allemaal! Ik hou van je en ik omhels je et al mijn kracht. De tijd dringt; ik zal wel heel wat woorden en interpuncties hebben overgeslagen.
Als je mijn brief goed hebt begrepen, dan moet je inzien dat het onmogelijk is voor me om gelijk bij je te komen. Ik zal in januari naar je toekomen, de 15e of de 20e, en als alles goed gaat, zal ik in Honfleur vier nieuwe boeken schrijven.
Ik zou echt zo graag met jou heel lang willen flaneren in Parijs en rondom Parijs. Maar helaas! Ik wil zo graag betalen.
Ik ben op je gesteld, en ik smeek je om me welwillend te zijn. Wil je nog lekkere thee hebben?  Ik kan je momenteel niets anders aanbieden.
                                Charles.

We hebben elkaar vijftien maanden geleden voor het laatst omhelsd, en nu ben ik al helemaal grijs, zo erg dat ik erover zit te denken om er poeder in te doen zodat ze helmaal wit lijken. Lach me niet uit, als je die ouwe mannetjes-verwaandheid ziet.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS  Parijs, 6 januari 1863.
Beste Auguste,

Ik schrijf je vanuit het huis van onze vriend, met wie ik gedineerd heb en het gaat al beter met zijn been. Hij hoopt aan het eind van de week weer naar buiten te kunnen en een toestemming aan te vragen om je te bezoeken. Wat betreft je fameuze cadeau, hij heeft dezelfde mening als ik en zelfs nog meer, namelijk dat het volledig absurd is. Ik kan zoiets dergelijks niet aannemen. Jij wilt steeds maar nieuwtjes: er wordt beweerd dat Gautier weggaat bij Le Moniteur en een functie gaat krijgen bij de Beaux-Arts. De heer de Nieuwerkerke zou naar de Senaat gaan, en de heer Delacroix zou de leiding van de Musées op zich nemen.
Er wordt ook gezegd dat Moselet Gautier zou opvolgen voor de theaters en ene heer Chesneau (?) dezelfde Gautier voor wat betreft diens aandeel bij de Beaux-Arts.
Tenslotte, als toppunt van het absurde, beweerde F. Desnoyers dat hij bij de Pays d’Aurevilly zou opvolgen. Maar zijn vriend Ulysse Pic, die directeur was geworden bij Pays, dacht niet dat te kunnen durven.
Uw toegewijde,
                            C.B.

AAN ÉTIENNE CARJAT                Parijs, begin januari 1863.

                    L’IMPRÉVU

                          HET ONVOORZIENE
I

Harpagon, die waakte bij zijn lijdende vader,
Zei bij het bestuderen van zijn reeds witte lippen:
“We hebben op zolder toch een voldoende aantal,
Lijkt me, oude planken?”

Célimène koert en zegt: “Mijn hart is goed,
En God heeft me natuurlijk heel mooi gemaakt.”
Haar hart! Vereelt hart, gerookt als een ham,
Herkookt met de eeuwige vlam!

De rokerige gazetschrijver, die denkt dat hij een fakkel is,
Zegt tegen de arme, die hij in duisternis heeft verdronken:
“Waar zie jij hem dan, die schepper van het Schone,
Die onrechtbestrijder die je vereert?”

Ik ken, beter dan allen, een wellustige
Die gaapt dag en nacht, en beklaagt zich, en huilt,
Herhalend, de onmachtige, de fat: “Ja, ik wil
Deugdelijk zijn over een uur!”

De klok, op zijn beurt, zegt zacht: “Hij is rijp,
De verdoemde! Ik waarschuw tevergeefs het smerige vlees.
De man is blind, doof, breekbaar, als een muur
Bewoond en aangevreten door een insekt!”


II

En toen, iemand die verschijnt, door iedereen verloochend,
En die hen zegt, spottend en trots: “In mijn ciborie,
Hebben jullie, wat ik geloof, genoeg communie gedaan,
Bij de vrolijke zwarte mis!

Ieder van jullie heeft van mij een tempel in zijn hart gemaakt;
Jullie hebben in het geheim mijn obscene bil gezoend.
Herken dan Satan aan zijn winnende lach,
Enorm en groot als de wereld!

Hebben jullie dus gedacht te geloven, hypocriete verbaasden,
Dat men kan spotten met de meester, en dat men met mij kan valsspelen,
En dat het normaal is om twee prijzen te krijgen,
Naar de Hemel gaan en rijk te zijn?

Het wild moet de oude jager betalen
Die wordt al lang neerslachtig bij de loerplaats van zijn prooi.
Ik zal u meenemen door de dikte heen,
Compagnons van mijn trieste vreugde,

Door de dikte heen van de aarde en de rots,
Doorheen de warrige hopen van uw as,
Naar een paleis dat net zo groot is als ik, uit een stuk,
En dat niet van zacht steen is;

Want hij is gemaakt van de universele zonde,
En bevat mijn trots, mijn pijn en mijn glorie!”

III

Toch, van bovenaf het hooggelegen universum,
Rinkelt een engel de victorie

Van hen wiens hart zegt: “Gezegend zijt uw zweep,
Seigneur! Dat de pijn, o Vader, gezegend zijt!
Mijn ziel in uw handen is niet een verloren speelgoed,
En uw voorzichtigheid is oneindig.”

Het geluid van de trompet is zo heerlijk,
Op die plechtige avonden van hemelse wijnoogsten,
Dat hij zich infiltreert als een extase in al diegenen
Waarvan zij de lofliederen zingt.
                            Charles Baudelaire.
Als dit wordt gedrukt, wil ik absoluut de proefdrukken zien.

AAN CHAMPFLEURY            Parijs, ongeveer 4 maart 1863.
Beste vriend,

Ik mag u graag, maar u bent koppig zeg! Ik wist wel dat mijn brief aan anderen getoond zou worden. U vindt het dus heel fijn om mijn waardigheid in opspraak te brengen in een wereld waarin u de uwe in opspraak heeft gebracht? Ik zal alles doen om u te behagen, maar wat ik kan zal niet veel zijn.
Toen ik u schreef, had ik al mijn voorzorgsmaatregelen getroffen. U weet hoeveel ik van meisjes houdt en hoe ik filosoferende vrouwen haat. Wat het lunchen betreft, ja, maar dan wel bij mij thuis zondag om twaalf uur.

AAN CHAMPFLEURY                Parijs, 6 maart 1863.
Beste vriend,

De sfinx en de vreemde man, dat bent u ook en u bent meer bizar op natuurlijke wijze, want de kunst zou dat niet vinden. Wel! U schrijft me een brief die u onaardig probeert te maken, omdat ik tegen u zeg dat ik niet houdt van de slechte samenleving! Wel vriend, ik heb daar altijd al een gloeiende hekel aan gehad; schurkerij, domheid, misdaad, hebben misschien een aantrekkelijkheid die een paar minuten duurt; maar de slechte samenleving, die schuimkolken die aan de rand van de maatschappij ontstaan?? Onmogelijk. U zegt dat mijn brief een verborgen betekenis heeft; ik zal u die betekenis uitleggen die, volgens mij, u juist direct in het oog zou moeten springen:
Champfleury heeft een vrolijk en foppend karakter, waar ik weinig deel aan heb. Champfleury heeft een komische wereld ontdekt vol met vrouwen zonder echtgenoot en met jonge meisjes die een man zoeken maar geen kans op trouwen hebben, met pedante dames die net doen of ze van filosofie houden.  Champfleury weet net als ik dat een vrouw niet in staat is om ook maar twee regels van het catechismus te begrijpen. Maar hij wil dat ik meedeel in zijn vreugde, en hij wil ook plezier hebben aan mijn schok met die dwaze vrouw. (En toen heb ik u dus geantwoord dat ik bereid was om alles te doen om u te behagen, maar dat het me verveelde.)
Dit is dan de verborgen betekenis. Wat betreft uw kleine deugdenpreek aan het eind van uw brief, waarin u zo’n mooi loflied over uzelf zet, daar heb ik niets over te zeggen, behalve dan dat wanneer men zoveel goeds over zichzelf zegt, het niet erg gul is om er anderen mee te overladen. Het is overduidelijk dat u een gelukkig man bent, gelukkig met uzelf, maar ik, ik ben dat niet, want ik ben altijd ontevreden over mezelf.
Ik zou graag hebben dat ik van u tegen u mag zeggen dat er in uw brief ook een pesterig en rancuneus toontje zit dat, van u naar mij toe, op onze leeftijd, niet kan. Wat! Het woord waardigheid windt u zo op, jegens een oude vriend!
Alstublieft, kom zondag rond het middaguur naar me toe, want anders zal ik denken dat u het me kwalijk neemt.
Uw toegewijde,
                            C.B.

U houdt van komieke dingen. Lees dan eens het laatste onderhoud van Lamartine (over Les Misérables). Het is amusante leesvoer wat ik u suggereer. Omdat u zich teveel toespitst op sluwheid, verzoek ik u om geen enkel verband te zien tussen dit en mijn brief.
Antwoord me gelijk. Ik geef u de valse verklaring waar u om vraagt.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS    Parijs, 26 maart 1863.
Beste vriend,

U bent net als alle verbannen mensen onrechtvaardig. Eindelijk zal ik u gaan zien! Ik kom net bij de heer Guerton vandaan; maar met de toestemming die ik van hem heb gekregen kan ik niet morgen bij u op bezoek, vrijdag, want dat is de familiedag. Ik heb geprobeerd me te laten uitleggen hoe ik deze toestemming voor vrijdag geldig kon laten maken; maar ik heb de uitleg niet begrepen.
Dus, ik kom dinsdag donderdag en zondag bij u, dagen die van mij zijn volgens de woorden van een deurwaarder van het Paleis van Justitie. Klopt het? Van 11 tot 2 uur? Wilt u voor mij de puntjes op de i zetten, en kijk of u me kunt helpen om mijn toestemming voor bezoek om te zetten. Zeg iets tegen de gevangenisdirecteur.
Maar goed, hoe zit het nu met uw affaire? Bij welke rechtbank? Kan men totale vrijspraak krijgen bij een voorlopig vonnis?
Poupart heeft “een gegriefd hart over uw affaire”. Ik ben met de drukkerij in aanraking geweest voor de drukplaten. Ik denk niet dat ik ze zal gebruiken. Voor het geval dat ik ze ooit wil gaan gebruiken,  moet ik dan niet toch toestemming vragen aan uw curator? Maar ach dat zijn zulke ordinaire bagatellen. Vertel me over u zelf, alleen maar over u.
Veel liefs.
                            C.B.
Antwoord snel.

NOOT VOOR DE HEER NAMSLAUER                             Parijs, eind mei of begin juni 1863.
Ik heb altijd gezocht naar een persoon die me voorschotten zou kunnen geven, of op werk waar ik al mee bezig ben, maar op zijn minst voor boeken die al af zijn en op gemaakte overeenkomsten. Ik zou gaarne geld willen lenen van de heer Namslauer op de volgende waarden:
Overeenkomsten gedaan met Michel Lévy (vertaling van het werk van Edgar Poe) waarin de heer Lévy eigendomsoverdracht wordt verleend van het werk en aan de heer Baudelaire een eeuwig recht op een twaalfde deel van de aangegeven prijs. (Tot nu tot is elk exemplaar verkocht voor maar 1 frank, maar het is mogelijk dat dit werk verschillende vormen van uitgave zal krijgen, een bibliotheekuitgave, een geïllustreerde uitgave, etc…)

Histoires extraordinaires                          1 deel
Nouvelles Histoires extraordinaires        1 deel
Aventures d’Arthur Gordon Pym            1 deel
Eureka (niet af)                                          1 deel
Histoires sérieuses et grotesques            1 deel
            (niet af)
De twee laatste zullen aan het eind van deze maand gereed zijn en ingeleverd.
De heer Namslauer zal moeten weten wat er aan exemplaren verkocht is sinds de publicatie van het eerste deel en daaruit volgende wat ik aan auteursrechten heb ontvangen. Ik zal deze berekening door de heer Lévy aan de heer Namslauer laten geven, ofwel de heer Namslauer zal de heer Lévy ontmoeten die hem zal de waarde vertellen waarop dit werk wordt geschat in de boekhandel.
Overeenkomsten met Hetzel  - verlenen aan Hetzel uitbating gedurende VIJF JAAR van:
Les Fleurs du mal (3e uitgave, uitgebreid)
En van Spleen de Paris (dienend als tegenhanger)
(niet gereed, zal gereed zijn aan het eind van de maand)
tegen betaling van ZESHONDERD frank per oplage van 2000 van elk deel.

Al mijn overeenkomsten zijn in Honfleur, bij mij thuis. Ik zal deze gaan ophalen.

                            Ch. Baudelaire.
Voor het eind van het jaar, zal ik nog onderhandelen voor drie andere delen.

AAN MADAME AUPICK     Parijs, 3 juni 1863.
Lieve moeder,

Ik ben erg blij dat dit speeltje je bevalt. Hij is met liefde en zorg gemaakt. Dat was voor je nieuwjaarscadeau, en voor je nieuwjaarscadeau net als voor vele andere dingen ben ik afschuwelijk te laat. Raak het artikel uit de Spectator *, de Engelse krant, niet kwijt, je boudoir is opgeknapt; daar was ik eerst door van slag, want ik had, al heel lang geleden, de intentie om iets prachtigs te kopen; maar het is beter zo; alle stoffen die die kamer in gaan zijn voorbestemd om door de zon te worden opgevreten.
Zodra je tijd hebt, stuur me dan per trein in één pakket, die andere drie delen van Edgar Poe, met een gestreept omslag, de rug met groen marokijnleer; jij moet weten in welk gedeelte van mijn boekenkast die moeten staan, want je hebt me er al een van opgestuurd *. Je weet hoe enorm duur zo’n  exemplaar me kost; pak het dus zodanig in dat geen enkele wrijving het leer kapot kan maken. Frankeer, of frankeer niet; dat is niet belangrijk. Trouwens, als je frankeert, verwar je vaak de groene postzegels (1 sou) met de blauwe (4 sou).
Je zou me een groot plezier doen als je me kunt vertellen of dat overhoophalen in de twee kamers is gebeurd, of de papieren en de dozen op hun plek zijn gebleven, en of de vochtigheid schade heeft aangebracht.
Je zal je hoofd wel gepijnigd hebben om te begrijpen waarom ik je niet meer schreef; de enige, ware reden was mijn ontevredenheid die ik over mezelf had. Dat had je al een beetje geraden. Ik had mezelf voorgenomen om je pas e schrijven zodra ik die zware lethargie van me af had geschud, waar ik maandenlang zo onder heb geleden. Hoe kon ik zo diep zinken, zo diep dat ik dacht dat ik er nooit meer uit zou komen, hoe ben ik er uit gekomen, en heb ik mijn ziekte in één keer uit mezelf kunnen branden door een razende arbeid, zonder ophouden, zonder vermoeidheid, ik zou het echt niet weten. Ik weet dat ik volledig genezen ben; en dat ik een ellendig wezen ben dat bestaat uit luiheid en gewelddadigheid, en dat alleen de gewoonte als tegenhanger kan dienen voor alle zonden van mijn temperament. Lanterfanten is zo’n  heftige pijn geworden, en het dwaze idee van mijn literaire onmacht heeft me zo bang gemaakt dat ik me haastig op mijn werk heb gestort; en ik heb gemerkt dat ik geen enkele capaciteit heb verloren; maar dat het zeer gevaarlijk is om in te dutten. Er zijn mensen die me meer pijn doen dan ze denken, wanneer ze zeggen: wanneer brengt u weer een boek uit? Of: u doet dus niets meer?
Dit is waar ik nu aan toe ben: je moet me echt goed begrijpen, dat is net zo belangrijk als dat ik 1000 frank van Ancelle nodig heb (met jouw steun), als tijdelijke verlichting, om in alle rust naar de datum toe te werken dat ik helemaal van manier van leven ga veranderen; want ik kan niet naar Honfleur terug zonder mijn literaire schulden te hebben afbetaald, of op zijn minst me de gewoonte te hebben eigengemaakt om constant te werken. Ik kan daar lui zijn zoals ik dat hier geweest ben, en de angst voor verveling zal me in Honfleur niet meer dwingen dan in Parijs, waar ik me al een paar maanden verveel, zoals nog nooit iemand ter wereld zich heeft verveeld.
Zo staan dus mijn literaire zaken ervoor. Veel goede artikelen die al lang geleden gemaakt zijn werden niet gepubliceerd, dankzij de stomheid van directeuren van kranten en revues; maar ze zijn wel gemaakt, en dat is belangrijk.
Ik heb de collectie van mijn artikelen met kritieken (schilderkunst en literatuur) aan niemand kunnen verkopen; ik moet wachten op het effect dat mijn volgende delen zullen hebben. Het ene zal het andere meeslepen. Als alles wat er nu op touw staat in oktober af was geweest, had ik alles deze winter hebben laten verschijnen; nu moet ik alles meteen afmaken, om het in september of oktober te laten verschijnen, wat de gebruikelijke periode is voor publicaties.
Ik heb Les Fleurs du mal voor vijf jaar aan Hetzel verkocht, de derde druk, uitgebreide versie. Le Spleen de Paris voor vijf jaar, 600 frank per deel, en met een oplage van 200 exemplaren. Er komen waarschijnlijk wel vijf uitgaven van elk in vijf jaar.
Le Spleen de Paris is niet af, en is niet op tijd afgeleverd. Ik heb om het af te krijgen maar twee weken nodig, maar wel keihard werken dan. Ik had de stommiteit om de activiteit te laten vallen die me ondersteunde. Maar ik ben heel blij van het hele gedeelte dat af is. Het zal een apart boek worden.
Ik heb aan Lévy twee nieuwe delen verkocht om de collectie Edgar Poe uit te breiden. Het vierde is bijna af; ik moet nog maar een paar pagina 's, dat is twee of drie dagen moed hebben. Het vijfde deel vergt maar een dag of tien, niet meer.
Ik heb de Paradis artificiels nog niet herverkocht.
Een paar maanden geleden zei ik tegen mezelf: ik wil niets meer horen over al die kleine auteursrechten, die komen maar met tussenpozen van enkele maanden binnen, en toen kreeg ik het idee om aan wie dan ook een bedrag van een paar duizend frank te vragen in ruil voor de toestemming al mijn auteursrechten te ontvangen, totdat ik alles volledig heb terugbetaald. Ik had mijn idee aan Ancelle voorgelegd, om hem te raadplegen  over deze manier van hypothecair lenen. Ik hoef je niet te vertellen dat hij mijn idee verwerpelijk vond. Hij vindt het vreemd dat ik niet rustig de betalingstermijnen afwacht en dat ik het goed vind om een rentebedrag van tevoren te betalen om een paar duizend frank ineens los te krijgen. Die brave man zou gelijk hebben als het om een rijke auteur zou gaan, die genoeg tijd had.
Twee  of drie mensen hebben zich aangeboden. Er zijn altijd zoveel mensen die bereid zijn om geld te verdienen over de rug van een schrijver heen! Uiteindelijk kwam er een echte bankier, die een beetje verstand heeft van boekhandelszaken, de heer Namslauer, en hij zei: “Ik kan u lenen wat u wilt; maar ik eis dat u mij al uw overeenkomsten laat zien (er zijn er een aantal in Honfleur; die moet ik echt gaan ophalen), dat uw boekhandelaren me de rekening laten zien van wat ze u al gegeven hebben de afgelopen jaren, zodat ik een beetje weet wat uw boeken opbrengen – en ook dat ze me de zekerheid geven dat alle boeken af zijn en ingeleverd.” En daar zit ‘m nu de clou momenteel. Wat mij aangaat, ik heb nu echt onmiddellijk wat opluchting nodig. Hij heeft me voor Edgar Poe niet alleen een lening aangeboden, maar ook een absolute afstandsdoening en voor eeuwig afgekocht, van al mijn rechten, tegen betaling van een vastgesteld bedrag. Het spreekt voor zich dat deze man de waarde van literatuur kent. Ik moet toegeven dat ik graag zou kiezen voor volledige afstandsdoening, maar niet voor mijn eigen werk.
Als dit eenmaal uitgevoerd is, wil ik het als volgt gaan aanpakken:
Hoe hoog het bedrag ook is, 10.000 of 20.000, daar de helft van aan Ancelle geven, die daar zijn fameuze vereffening van afhaalt, wat hij maar wil, maar hij zal daarmee ook wel enkele individuen willen kalmeren die ik hem zal aanwijzen. De andere helft verdeel ik tussen wat vrienden (waarvan jij veel te terecht deel van uitmaakt). En dan eindelijk terugkeren naar Honfleur, voor een half jaar, daar een paar novellen uitproberen die me obsederen, er Mon Coeur mis à nu helemaal afmaken, want die is nu een regelrechte passie van mijn hersenen geworden, maar dat heel wat anders zal worden dan de bekende Confessions van Jean-Jacques. En dan alleen maar terug naar Parijs gaan om er een grote affaire af te maken waar ik je maar mondjesmaat over verteld heb, een paar jaar geleden. Ik heb zo’n  hekel aan toneel, dat ik nog liever toneelstukken bestel dan ze te maken. Er is in Parijs een schouwburg, de enige waar je niet failliet kan gaan, en waar je in vier jaar een winst van 400.000 frank kan maken. Ik wil die schouwburg. Als de heer Fould, nu in het politieke leventje, bij het ministerie van Staat terugkomt, wat heel waarschijnlijk is, dan krijg ik dat theater, dankzij mijn vrienden, dankzij Pelletier, Sainte-Beuve en Mérimée. Voordat ik Parijs verlaat, krijg ik een nauwkeurige rekening van alle kosten, opbrengsten, en de datum waarop het privilege van de huidige directeur afloopt. Ik wil dat en dat krijg ik. De jaren gaan voorbij, en ik wil rijk worden. En wat ik rijkdom noem, is zo weinig! Je zult wel raden dat ik in dat geval, ondanks mijn plannen om te bezuinigen, een maisonnette in Parijs zal moeten gaan betrekken, meubels nodig heb, en dat jij dan een paar maanden per jaar bij mij moet verblijven. In dat theater zijn ze trouwens drie maanden per jaar met vakantie. Ik geloof dat de directeur zijn privilege met twee of drie jaar heeft laten verlengen; maar als we hem 100 of 150.000 frank geven, dat hij dan wel te overtuigen is om te vertrekken. Dat is nu mijn hele grote droom; ik zal hem met veel zorg volgen, ik zal er misschien een feit van maken, en ik heb zelfs de pretentie om tussen al die beslommeringen van het leiding geven, de cultus van mijn eigen geest niet te verlaten.
Er is al een bod gedaan voor Mon coeur mis à nu, dat nu alleen nog uit aantekeningen bestaat. Maar het is altijd hetzelfde liedje, zoveel per oplage, te betalen naar gelang de vraag bij het publiek. Ik wil daar niets meer over horen. Ik wil voortaan de hele waarde van de problematiek van een boek, in één keer.
Ik zou dus graag, met jouw steun, 1000 frank aan Ancelle willen vragen, die hij direct terug krijgt zodra mijn overdracht een feit is *. Misschien geef ik hem dan wel 2000, misschien wel 3000, ik weet het niet.
Ancelle zal een slecht humeur laten zien; trouwens, bij hem duurt alles altijd heel erg lang; daarbij zal hij wel heel erg  moe zijn van de verkiezingsaffaires, waarbij zijn plicht hem gedwongen heeft tegen de mensen te stemmen waar hij van houdt; en als laatste heeft hij misschien wel geen geld thuis liggen; daarom smeek ik je ook alles wat je kan in een aangetekende brief te doen (500, als je dat hebt) en dan stuur ik je het na twee of drie dagen weer terug.
Ik vraag je of je alsjeblieft geen preken af wilt steken over de onderhandelingen die nu gaande zijn; het zou alleen maar onvoorzichtig van me zijn indien ik niets anders in mijn hoofd heb dan wat ik al geproduceerd heb. Mijn besluit staat vast; en ik zou zelfs dezelfde procedure beginnen voor andere werken, als ik niet anders kan.
Alsjeblieft, denk eraan dat je me gelijk antwoord geeft, en stel de affaire van het pakket met boeken uit naar overmorgen. Ik ben al genoeg bezig met het vierde deel. Ik ga pas over vier of vijf dagen met het vijfde deel aan de gang.
Als ik een dagelijks werk kan vervolmaken, twintig dagen of een maand, dan ben ik gered, dan heb ik zelfs meer geld dan nodig voor een rustperiode van meerdere maanden.
De mooie dagen zijn nu voor je aangebroken nietwaar, het tuinenjaargetijde. In juli kan ik dat komen bekijken; als ik deze maand kom, dan is dat helaas alleen maar om wat papieren op te halen.
Je hebt je wel mijn nachtmerries herinnerd, jij denkt ook overal aan, je vergeet ook niets. Ja, je leeft ook in eenzaamheid, dat verhoogt je scherpte van geest en karakter. Welnu! Mijn onverdraaglijke zwakheid is verdwenen. Ik heb het zo goed kunnen bestuderen, dat ik denk dat ik heb kunnen constateren dat het door twee dingen kwam:de ene was een vreselijke maagirritatie, en de andere een geestelijke oorzaak, een soort psychische afwijking, een voortdurende angst, versterkt door verbeelding, omdat ik belangrijke dingen heb uitgesteld en verwaarloosd.
Dat is best duister, vind je niet?
Veel liefs, en ik vraag je duizend maal pardon dat ik je hiermee vermoei, ongerust maak en irriteer, en ik wil je nog wel zo graag plezier geven en rust.

                            C.B.

Ik heb nog zoveel te zeggen, maar ik heb geen tijd meer.
Ik heb die Namslauer de samenvatting gestuurd  waarom hij vroeg. Ik zal je op de hoogte houden.

AAN GERVAIS CHARPENTIER  Parijs, 20 juni 1863.
Geachte heer,

Zojuist heb ik de twee uittreksels gelezen (Les Tentations en Dorothée) die in de Revue Nationale zaten. Ik heb er buitengewone veranderingen in gevonden die er in zijn gemaakt ná mijn goedkeuring voor de druk. Dit, geachte heer, is nu juist de reden waarom ik zo vaak vluchtte voor kranten en tijdschriften.
Ik heb u gezegd: schrap maar een heel stuk, als er een komma in staat die u niet bevalt, maar haal niet die komma weg; die heeft een betekenis.
Ik heb mijn hele leven lang besteed om zinnen te leren maken, en ik zeg, zonder dat ik bang ben om uitgelachen te worden, dat wat ik een drukkerij aanlever volledig af is.
Denkt u nou echt dat “de vormen van haar lichaam” een equivalent is van de uitdrukking “haar holle rug en haar puntige borst” ? Met name wanneer het gaat over het zwarte ras uit de oostkust.
En denkt u dat het onzedelijk is om te zeggen dat een meisje rijp is met elf jaar, wanneer men weet dat Aïsha (die geen negerin was, geboren in de Tropen) nog jonger was toen Mohammed met haar trouwde?
Geachte heer, ik zou u gaarne willen bedanken voor de goede ontvangst die u me heeft gegeven; maar ik weet wat ik schrijf, en ik vertel alleen wat ik heb gezien.
Als ik nu nog op tijd was ingelicht, had ik het hele stuk kunnen weglaten.
Met de meeste hoogachting,

                        Ch. Baudelaire.

AAN MICHEL LÉVY  Parijs,  7 juli 1863.

Ik ben Frankrijk erg zat en ik zou het graag een tijdje willen vergeten.

Binnenkort kom ik bij u langs. Maar omdat er twee Michels zijn, degene die vanachter zijn bureau als een wilde op zijn achterste benen denkt te moeten staan, en degene van het huiselijke persoonlijke, die een perfect beschaafde man is, zult u mij toestaan dat ik voor de tweede kies.
Uw toegewijde,
                        Charles Baudelaire.

AAN VICTOR DURUY   Parijs, 3 augustus 1863.
Mijnheer de Minister,

Ik verzoek Zijne Excellentie om een onderhoud binnen een zodanige termijn die uw welwillendheid ongetwijfeld zo kort als mogelijk zal bieden.
Ik sta op het punt Frankrijk te verlaten voor bepaalde tijd, met als doel in buitenlandse circuits conferenties te gaan geven over onderwerpen die betrekking hebben op de schilderkunst en de literatuur.
Zijne Excellentie, hoogachtend, verblijf ik,
                                Charles Baudelaire.
                                Rue d’Amsterdam 22.

Auteur van Les Fleurs du Mal, Les Paradis artificiels, etc., etc., tevens vertaler van het oeuvre van Edgar Poe.

AAN VICTOR DURY Parijs, 7 augustus 1863.
Mijnheer de Minister,

Ik heb het plan om in België een excursie van twee of drie maanden te gaan maken met als doel om met name de rijke particuliere galeries van het land te gaan bezoeken, en een goed boek te gaan maken met mijn persoonlijke indrukken. Ik vertrek met iemand die wegens zijn beroep en relaties kan laten zien wat weinig mensen zien.
Echter, ik zit zonder geld, en ik had gehoopt dat Zijne Excellentie de welwillendheid van de heer Rouland met mij zou voortzetten en mij de middelen zou willen verstrekken om weg te kunnen gaan. Ik schat dat, zelfs indien ik in België geen geld kan verdienen, 600 of 700 frank voldoende zou zijn.
Met de meeste hoogachting voor Zijne excellentie,
                        Charles Baudelaire.
                        Rue d’Amsterdam 22.

      Malassis is uit de gevangenis:

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS  Parijs, vrijdag 7 augustus 1863.
Beste vriend,

Wat u me vraagt is onmogelijk. Ik heb nog maar één dag, voor de voorbereidingen van mijn reis, boodschappen, bezoeken, inpakken, etc.
U die zo goed kan overtuigen, en zonder geen enkele moeite, waarom gaat u niet direct de stem vragen van Lemercier en van Tenré ?
U begrijpt wel dat het me echt erg spijt dat ik u moet weigeren.
Ik zal u over enkele dagen schrijven, vanuit Brussel. Ik zit ongetwijfeld in het hôtel du Grand Miroir.
Ik heb wroeging, ik lees uw brief over voor de derde keer, en ik wens oprecht dat ik een manier vind om uit te voeren wat u van me verlangt, maar u brief is onbegrijpelijk voor mij: hoeveel macht hebben Tenré en Lemercier mij te geven?
                        C.B.

AAN MADAME AUPICK  Parijs, maandag 10 augustus 1863.
Lieve moeder,

Ik zit vol zorgen en boodschappen die ik moet doen. Je moet me geen verwijten maken omdat ik je een heel korte brief schrijf.
De grote affaire gaat niet door, of liever, is uitgesteld. Ik was in handen van schurken, en omdat er overal schurken zijn, heb ik nog liever met Michel Lévy te maken, en direct met hem te onderhandelen. Hij komt de 25e terug.
De affaire van de openbare conferenties is uitgesteld naar november. Ik kreeg een brief van de heer Vervoort, de voorzitter van de Kamer van Gedeputeerden, en president van de Club der Kunsten, die mijn aanbod voor november in behandeling heeft genomen.
Toch denk ik dat ik vrijdag of zaterdag naar België ga, om artikelen te gaan schrijven voor L’Indépendance belge maar vooral om mijn onderbroken boeken af te maken; ik heb een hekel gekregen aan Parijs en aan Frankrijk. Als het niet om jou was, zou ik er nooit meer terug willen komen.
Als ik vrijdag wegga, kom ik weer naar Parijs als ik zaken in België heb aangeknoopt, ik ga de affaire Poe met Michel behandelen, en ik kom naar Honfleur om de tijd tot november af te wachten.
Geen verwijten, alsjeblieft. Het schijnt dat mijn schoonzus een zwak karakter heeft. Maar wie heeft dat nu niet, een zwak karakter, op de één of andere manier?
Het spreekt voor zich dat als ik zaterdag in Brussel ben, ik zal beginnen met je te schrijven.
Ik omhels je van verre, in afwachting van.
                            Charles.

AAN LÉON BÉRARDI    Parijs, 19 augustus 1863.
Geachte heer,

Ik wil u enorm bedanken voor uw brief want uw brief kwam net op het moment dat ik wegging. Ik neem aan dat de reden waarom u Le Peintre de la vie moderne niet neemt ook toegepast kan worden op ieder ander kritiekstuk, zoals ik u die had voorgesteld. Maar als ik het genoegen had gehad om u te zien, had ik u over iets anders verteld wat u ongetwijfeld mooi had gevonden, en wat maar door één enkele reden verhinderd kan worden gepubliceerd te worden; dat is het geval wanneer L’Indépendance belge besloten zou hebben geen enkel onuitgegeven materiaal te publiceren.
Hetgeen waar het om gaat, zijn de twee novellen van Edgar Poe, die later in het vijfde deel van mijn vertaling zullen komen.
Een van de stukken is de beschrijving van plattelandshuizen en denkbeeldige tuinen; dat is zeg maar de verbeelding van de auteur toegepast op de kunst van de Landschapstuinman. Het beslaat twee vellen per tijdschrift.
De andere is een novelle van het genre La Lettre Volée en van L’assassinat van de Rue Morgue. Dat wil zeggen de analytische geest van Poe voor de derde keer toegepast op de ontdekking van een misdaad. Dat heet Le Mystère de Marie Roget. Dit beslaat drie vellen.
Ik zou u zeer erkentelijk zijn indien u mij iets terug zou willen schrijven over dit onderwerp, en tevens indien u mij de strokenproeven van de Peintre en de Poèmes en Prose zou willen teruggeven. Want ik zal misschien niet het plezier hebben u voor november te zien, en het kan dat ik ze nodig heb over enkele dagen.
Hoogachtend,
                    Charles Baudelaire.
                    Rue d’Amsterdam.

AAN VICTOR DURUY    Parijs, 26 augustus 1863.
Geachte mijnheer de minister,

Heden, 26 augustus ontving ik uw brief waarin u mij informeert dat de situatie van de kredietverlening mijn verzoek niet kan inwilligen inzake de subsidie voor een excursie met een puur artistiek doel.
Als de weigering van Zijne Excellentie mij twee weken eerder ter ore was gekomen, had ik die zelfs als een weldaad beschouwd; want dan had het me heel wat zorgen bespaard. Gaarne zou ik zien dat de klacht die ik hier indien uw aandacht moge trekken naar de barbaarse traagheid en ongemanierdheid van de regering, met name jegens een schrijver van mijn stand. Ik ben er zelfs van overtuigd dat er schrijvers zijn, die nog veel meer waard zijn dan ik, al vele negatieve opmerkingen hebben gemaakt van dit genre.
Hoogachtend,
                    Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK  Parijs, 31 augustus 1863.
Lieve moeder,
Ik vraag je om vergeving voor het feit dat ik je niet geantwoord heb gisteren. Maar dat was onmogelijk voor me; net zo onmogelijk als op de uitnodiging van mijn schoonzus ingaan. Ik moest echt de hele dag doorbrengen in het kantoor van een krant, van waaruit ik je vandaag ook schrijf.
Je verveelt je dus erg, lieve moeder, en je lijdt dus veel in die eenzaamheid - die ik juist beschouw als een gelukstoestand - , dat je zo’n zin hebt om naar dit Parijs te komen dat voor mij zo onverdraaglijk is?
Doe wat je wilt hoor. Met dit in het vooruitzicht voel ik een groot plezier, en dat is dat ik je weer ga zien. Maar toch hindert het me ook een beetje. Ik zal maar weinig tot je beschikking kunnen staan. Je zult me dan de hele tijd zien als iemand die triest is, ongerust, en aan het mopperen. Ik zou zo graag hebben gewild dat die reis plaats kon vinden in omstandigheden waarin ik helemaal van jou kan zijn, ik al mijn tijd aan jou kan besteden, en mijn best kan doen om met je te wandelen en je te amuseren.
En dan is er nog zo’n vernedering voor mij. Je zult wel erg in de geldproblemen zitten. Maar omdat al mijn plannen, zelfs die met de beste basis, sinds een paar maanden de één na de ander in duigen vallen, kan ik je geen 1000 frank geven, zelfs geen 500, zelfs niet minder. Ongetwijfeld, dat zal ooit een keer eindigen, maar wanneer?
Voor Brussel is er maar één ding besloten en vastgesteld: hoewel, de overeenkomst is nog niet getekend. Het gaat om mijn Publieke lezingen vanaf begin november. Ik denk dat ik er een stuk of tien ga houden, 200 frank per lezing, en misschien word ik uitgenodigd in andere steden. Voor dat plan voor de reis die ik onlangs had, daarvan was het doel dat ik schilderijengaleries zou gaan bezoeken, en er dan artikelen over te schrijven voor de L’Indépendance belge. Maar ik kon het niet eens worden met die krant, en dus ben ik niet gegaan.
Voor wat betreft mijn definitieve vertrek naar Honfleur, dat is enkel gebaseerd op mijn overeenkomst met Michel Lévy (nog steeds afwezig), en op het geld dat hij me wil aanbieden, in ruil voor al mijn toekomstige auteursrechten. Ik zag dat ik in handen van allerlei vreselijke schurken terecht zou komen, en, alles welbeschouwd, laat ik me liever oplichten door hem dan door anderen. Ik hoop dat er niet zo’n makkelijke gelegenheid zal ontbreken om mijn armoede uit te buiten. Hij komt de 5e terug, en een ander persoon waar ik op wacht voor een andere affaire, komt de 8e terug. Ik denk dat alle onderhandelingen me hier kunnen houden tot eind september. Ik heb een sprankje hoop om de hele maand oktober in Honfleur door te brengen, en november en de helft van december die zal ik vruchtbaar doorbrengen in België.
Zo nu ben je goed ingelicht. Neem een beslissing.
Als we bij elkaar zijn, zal ik je nauwkeurig uitleggen hoe mijn zaken er voor staan. Ik ben niet dood (wat zeer verbazingwekkend is), en ik ben er de laatst dagen achtergekomen dat ik nog heel goed in staat ben om te werken.
Veel liefs.
                    Charles.

Weet je al dat Eugène Delacroix dood is.

AAN MADAME AUPICK  Parijs, vrijdag 11 september 1863.
Lieve moeder,

Elkaar niet meer zien alsof we door een enorme afstand gescheiden waren, dat is wel heel wreed! Ik zweer je dat het niet mijn schuld is. Gisterenavond, vanavond zelfs nog, vrijdag, wilde ik de avond doorbrengen met jou. Jouw ongelooflijke goedheid en jouw welwillendheid maken me vaak zo schaamtevol, en ik zou zo graag de momenten waarop ik niet aardig tegen je was goed willen maken met ladingen vol tederheid en zorg. Maar hoe moet ik dat doen, nu ik overladen ben met werk en zorgen? Twee of drie uur ontfutselen voor werk is al heel veel, vanwege al die oneindige boodschappen, bezoeken, enz.
Houd van me, onophoudelijk, want ik heb het heel hard nodig.
Dat monster van een Michel zegt iedere dag tegen me: “Deze affaire zullen we een dezer dagen gaan behandelen.” Maar de dagen vliegen voorbij.
Er is een krant die me een heel mooie baan aanbiedt, heel amusant en heel gevaarlijk, een soort besogne à la Swift of Voltaire. Maar behalve het feit dat ik niet bedoel dat ik 2000 of 3000 frank voorschot wil hebben, zou deze besogne mijn vertrek naar Honfleur uitstellen en ook het afronden van mijn boeken waar ik nu mee bezig ben, wat ik zo graag wil.
Als ik morgen, zaterdag, niet bij  jou ben om 6 uur, zal ik er om 8 uur zijn. Maak je nooit druk om het diner: ik dineer met een stuk brood en een beetje wijn.

                        Charles.

AAN EDMOND LAUMONIER  Parijs, oktober 1863.
Geachte heer,

Vanochtend heb ik een briefje bij mij thuis achtergelaten waarin ik u verzoek op mij te wachten. Ik had verwacht dat ik bij uitgeverij Lévy een geldrekening zou kunnen ophalen die ik nodig heb om er een kopie van te maken (drie of vier kopieën). Uitgeverij Lévy heeft de rekening echter nog niet opgemaakt. Zij verwachten deze voor morgen voor mij af te hebben.
Ik vraag u om excuses voor het feit dat u drie maal voor niets naar mij toe hebt moeten komen; maar het is niet mijn fout.
Uw toegewijde,
                            C.B.

AAN PIERRE-JULES HETZEL Parijs, 8 oktober 1863.
Beste Hetzel,

Ik heb u twee dagen geleden gezien, en ik wil elke vorm van verwijt ver vooruit zijn. Ik ben u 1200 frank schuldig, en ik denk dat uw twee boeken pas tien maanden na de afgesproken tijd ingeleverd kunnen worden. Mijn enige manier om u excuses te maken is dat ik u iets uitmuntends geef. Les Fleurs du mal zijn helemaal klaar, en de onuitgegeven stukken worden op hun plaats gerangschikt.
In Le Spleen de Paris zullen honderd stukken komen, en er ontbreken er nog dertig. Ik heb me heel stom allerlei verschillende besognes op de hals gehaald en ik heb zoveel problemen in Parijs dat ik besloten heb om de dertig stukken in Honfleur voor u te gaan maken. Ik vertrek de 16e, en ik kom nog afscheid van u nemen. Ik kom de 30e weer terug; dan kunt u in november gaan drukken, en omdat ik de 1e naar Brussel vertrek om daar een stuk of vijftien lezingen te gaan geven, verzoek ik u om me heel veel aanwijzingen te geven hoe ik me moet gedragen in een stad waar ik niemand ken.
Uw toegewijde
                            Ch. Baudelaire.

AAN NADAR  Parijs, 10 oktober 1863.

Waarde vriend, ik neem aan, dat deze brieven je tevreden zullen stellen. Kijk goed, die brief die gericht is aan de heer Charles Algernon Swinburne moet of via de post of anderszins opgestuurd worden, zodra je in Londen bent aangekomen; zelfs als je die niet wilt gebruiken, want er staan andere dingen in dan waar je momenteel in geïnteresseerd bent.
Ik wens je alle benodigde voorspoed en doe de hartelijke groeten aan je vrouw.

                            Charles Baudelaire.

AAN JAMES MCNEILL WHISTLER  Parijs, 10 oktober 1863.
Geachte heer,

Een van mijn beste vrienden, tevens een van mijn oudste vrienden, mijnheer Félix Nadar, gaat naar Londen, met als doel, naar ik meen, om er aan het publiek te vertellen over zijn avonturen die hij heeft beleefd met zijn grote ballon, en ook, neem ik aan, om met het Engelse publiek zijn overtuigingen te delen omtrent een nieuw mechanisme dat in de plaats zal komen van deballon.
U weet dat wij een beetje hebben geconverseerd over lezingen en de kansen die ik zou kunnen hebben om in Londen gehoord te worden. Ik verzoek u, begiftigt u Nadar met alle wenken en raadgevingen die u mij ook cadeau zou hebben gedaan; in het kort, alles wat u voor mijnheer Nadar zult doen, zal ik in  mijn hart sluiten als een goede herinnering. U zult hem trouwens wel zien en u zult hem zelf ook waarderen.
Doet u van mij de groeten aan Legros, en vergeet niet Nadar uw geweldige etsen te tonen. Ik kan wel raden wat voor een plezier hij daar aan zal beleven.
Met de meeste hoogachting,
                        Charles Baudelaire.

Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook een brief aan mijnheer C.A. Swindenburg te willen geven waarin ik hem mijn wroeging betuig over mijn vergeetachtigheid en over mijn ogenschijnlijke ondankbaarheid.
                                C.B.
Te Parijs
Rue d’Amsterdam 22.

Te Honfleur
Rue de Neubourg
in Brussel heb ik het adres nog niet.

AAN MADAME AUPICK Parijs, 27 oktober 1863.
Lieve moeder,

Ik hoopte op een brief van jou vanochtend. Is die reis zonder problemen en zonder ongelukken verlopen, en vooral hoe gaat het met je?
Ja, de affaire Lévy is beslecht. Vanochtend sta ik al mijn toekomstige rechten af voor een bedrag van 2000 frank die in een dag of tien betaald zullen worden. Het is nog niet eens de helft van wat ik nodig heb. Dan moet België dus de rest betalen. Ik ga naar België schrijveen om een overeenkomst te krijgen (want ik wantrouw de Belgen), een overeenkomst waarin de prijs staat van elke lezing, hoeveel lezingen in totaal er zijn, en hoeveel lezingen per week.
De Poe bracht (mij) een inkomen op van 500 frank per jaar. Michel heeft de kwestie dus behandeld zoals de verkoop van een kruidenierszaak wordt afgehandeld. Hij betaalt gewoon vier jaar van de opbrengst. Kussen. Schrijf me.

                            Charles.

AAN DE DIRECTEUR VAN “LE PAYS” Parijs, 3 november 1863.
Geachte heer,

Sinds lange tijd, twee jaar, misschien langer, is er werk van mij onuitgegeven in de lades van de krant blijven liggen, ondanks het feit dat de publicatiedatum vastgesteld is door de verschillende personen die respectievelijk Le Pays hebben geleid. Dit werk is zelfs betaald. Ik heb geenszins de bedoeling u die te ontnemen. Echter, ik heb ze absoluut nodig, omdat ik over twee of drie dagen naar Brussel vertrek, en omdat dit werk het onderwerp van een openbare lezing is. Maar, ik heb er geen tweede van. Ik zou u zeer dankbaar zijn indien u deze aan de boodschapper van deze brief wilt geven.
Het werk heet: Peintres de moeurs. Mijnheer Constantin G. het zijn strokenproeven van de drukkerij geplakt op blauw velijnpapier.
Met de meeste hoogachting,
                        Charles Baudelaire.
                        Rue d’Amsterdam 22.

AAN PAUL CHENAVARD                Parijs, 25 november 1863.

Geachte Chenavard,

Ik dank u hartelijk voor uw briefje. U vermoedde al dat ik u beschouw als iemand door wie ik graag gelezen word. Ik vond uw brief des te aangenamer omdat de artikelen in kwestie veel gescheld hebben opgeleverd; maar de scheldende personen horen, echt waar, tot de klasse die niet graag de éloge de l’élégance hoort.
Uw brief heeft wellicht een vermoeiend resultaat voor u. Ik word er namelijk door aangemoedigd om u veel pakketjes te gaan sturen.
Ik weet niet of u met het woord niche een woordgrap heeft bedoeld: nis, hondehok of poets. Hoe dan ook, deze niche was heel onschuldig, en overigens, u mag best weten dat ik al heel lang een veel grotere niche (een met standbeeld) voor u aan het voorbereiden ben.
Uw toegewijde
                            Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK Parijs, 25 november 1863.
Lieve moeder,

Ik wilde al heel lang twee of drie uur vrijhouden om je uitgebreid en goed te schrijven. Maar de dagen zijn zo kort; ik lijd zo na de lunch, na het avondeten, en ik heb het zo rot in mijn onverlichte kamer, ik lijd zo onder het gebrek aan comfort en luxe ; ik word zo neergedrukt door mijn eenzaamheid en mijn luiheid, dat ik steeds het afmaken van mijn plichten tot de volgende dag uitstel, zelfs de taken die ik het liefst af wil maken.
Van tijd tot tijd, meerdere keren per dag, ’s ochtends, ’s avonds, vraag ik me af: hoe gaat het met haar? Ze verveelt zich, en misschien denkt ze wel dat ik me maar amuseer.
Het grote en enige onderwerp van mijn leven is nu om werk te produceren, het moeilijkste en vervelendste van de hele wereld, aangenaam door gewoonte. Ik beschouw mezelf als een grote schuldige omdat ik mijn leven misbruikt heb, mijn talenten verspild, mijn gezondheid, omdat ik twintig jaar verpest heb door dromerijen, waardoor ik boven een massa bruten sta die elke dag werken.
Nee; je mag me geen verwijten maken over die 2000 frank van mijnheer Lévy. Ik krijg daar zelf nog geen 20 frank van. Lévy heeft het zo geregeld om dat geld te verdelen tussen een paar van mijn schuldeisers, zodra hij de laatste pagina van zijn vijfde deel heeft en die ben ik nu aan het afmaken.
Het vierde is verschenen, geloof ik; maar ik heb geen tijd om naar buiten te gaan, om me met de distributie bezig te houden.
Ik zal je een exemplaar opsturen, alleen maar om je te bewijzen dat dat verschrikkelijke boek af is; want ik denk dat je geen twee bladzijden zult kunnen lezen zonder in slaap te vallen. Ik denk zelfs niet dat er tien mensen in Frankrijk zijn die het boek waarderen kunnen.
Mijnheer Émon heeft zich vergist; ik hoop zelfs dat ik niet meer dan zes weken in Brussel zal blijven (dat is veel zelfs). Ik zal begin december vertrekken. De kist die ik je zal opsturen is het signaal van mijn vlucht. Want het is zinloos dat ik de huur betaal van een kamer waarin ik niet meer zit, en ik wil mijn kamer ontruimen.
Ik heb een slecht gevoel over die reis. Dat ik betaald zal worden voor mijn lezingen, dat geloof ik wel. Maar je weet dat mijn reis een ander doel heeft: dat wil zeggen de verkoop van drie boeken met kritieken aan de uitgever die ook Les Misérables heeft gekocht; maar iedereen zegt dat het mensen zonder enige intelligentie zijn en heel gierig. Het zou goed kunnen dat ik ze bij mijn terugkeer in Parijs moet gaan verkopen, en heel jammerlijk dan. Maar het geld voor de lezingen is niet te verwaarlozen. Het schijnt dat de kranten (of mondeling) mijn komst hebben aangekondigd en dat ik verwacht word.
De stukken die ik je opstuur maken deel uit van de drie boeken in kwestie.
De Delacroix heeft veel woede en goedkeuring opgewekt. Daar ben ik wel aan gewend.
Ik hecht wel waarde aan het werk waarvan ik je het eerste nummer opstuur. Ik ben niet zo tevreden over de aankondiging (getekend G.B.) die erbij zit (notre feuilleton).
En voor nu, denk eraan dat het grote ding voor mij, dat altijd belangrijk is, jouw gezondheid is. Praat me erover.
Ik omhels je met heel mijn hart.   
                        Charles.

AAN DE DIRECTEUR VAN “PAYS”     Parijs, 2 december 1863.
Geachte heer,

 Ik voel me gedwongen om gedetailleerd te antwoorden op het soort van verwijt dat (hoewel niet in die hoedanigheid uitgedrukt) in uw brief zit van 30 november die ik vanochtend 2 december ontvangen heb.
Ik weet niet wie deze brief zal ontvangen, of het moet de abstracte persoon zijn die de directeur du Pays genoemd wordt. Als ik aan de heer Granguillot schreef, persoonlijk aan hem, dan zou ik in eenvoudiger stijl schrijven, omdat mijnheer Grandguillot beter weet dan wie ook hoe de dingen zich hebben afgespeeld, en omdat hij van elders komt, denk ik hem tot mijn vriendenkring te kunnen rekenen.
Wanneer een krant het zich denkt te kunnen permitteren om een manuscript twee jaar en misschien nog veel langer achter te houden zonder het uit te brengen, heeft hij niet het recht om welk verwijt ook maar te mogen uiten, indien hij het manuscript elders ziet verschijnen.
De heer Grandguillot, die dit werk graag las, zei tegen me: we zullen het gaan drukken op die en die datum. Toen de bewuste datum aanbrak, zei de heer Bodoz tegen me: Wat de heer Grandguillot heeft gezegd heeft geen enkele waarde; daarvoor moet u bij de heer d’Anchald zijn. Ik ging naar mijnheer d’Anchald toe, die op zijn beurt weer een verder tijdstip koos. Toen dat tijdstip was aangekomen, ging ik weer naar de Pays toe, waar ik een mijnheer trof, van wie de naam me nu is ontschoten, en deze zei: we zitten hier in een anarchie en chaos. Daarvoor moet u bij mijnheer Chevalier zijn. Ik ging naar mijnheer Chevalier, die me net iets slechter ontving dan een hond, en hij ontstak in een grote woede toen ik het had over de gemaakte afspraken, en zei tegen me dat wat de heren Grandguillot, Bodoz en d’Anchald hadden gezegd helemaal niets betekende.
Ondertussen had ik de heer Bodoz verzocht me dan toch minstens de prijs van het artikel voor te schieten, wat hij ook deed, maar daarvan trok hij wel een voorschot af wat ik al eerder had gehad enkele jaren eerder. Dat verhaal van dat voorschot is als volgt: enkele jaren geleden werd ik zo slecht betaald voor veertig of zestig feuilletons die ik voor le Pays had gemaakt, dat ik daar mijn ontevredenheid over uitte tegen de heer Mirès, die mij heel aardig liet vertellen dat er een schadevergoeding of opslag wachtte bij de kas van le Pays.
Niettemin wil ik toch die schuld erkennen.
Ik ben nu aangekomen bij de recente publicatie van de Peintre de la vie moderne. Ongeveer een maand geleden hoor ik dat een paar mensen uit Brussel de wens te kennen hebben gegeven dat zij gaarne enkele lezingen van mij zouden willen horen die te maken hebben met de Schone kunsten. Ik ga onmiddellijk aan de slag om zoveel mogelijk materiaal bijeen te krijgen, en ook vraag ik aan u dat vermaledijde manuscript, dat waarschijnlijk nooit zou zijn verschenen. Een paar dagen later vraagt een krant (Le Figaro) om een manuscript dat gaat over met name de Parijse zeden. Had ik, uit respect voor een krant waar de anarchie zo’n hoogtij vierde dat men mensen twee jaar lang niet kon antwoorden, moeten weigeren dit dan te laten drukken, wanneer ik het ook nog erg graag had willen corrigeren?
Dat was het. Ik erken nogmaals dat ik bij u in het krijt sta, evenals het feit dat ik dat al gedaan heb onder aan een geschreven stuk dat u mij gestuurd heeft, en waarmee ik me verplicht heb het oude manuscript door een nieuw te vervangen, ofwel voor de Variétés, ofwel voor le Feuilleton, binnen een tijdsbestek van drie of zes maanden.
Ik had in gedachten al bepaald dat ik u Les Raffinés en Les Dandies (Chateaubraind, de Custine, Liszt, Paul de Molènes, Barbey d’Aurevilly, etc…) ofwel La Peinture didactique (Chenavard, Janmot, Kaulbach, Alfred Rethel) zou geven, misschien wel beide. Maar als dit genre werk u te bizar lijkt, zal  ik het zo regelen dat ik een materie vind die u in feuilletons kunt drukken.
Geachte heer, ik hoop dat ik u heb kunnen aantonen dat er in uw brief wel degelijk redenen stonden die het wantrouwen opwekken konden bij een man die nooit iets vergeet.
De hartelijke groeten aan de heer Grandguillot en met de meeste hoogachting,

                        Ch. Baudelaire.
                        Parijs, rue d’Amsterdam 22.
                        Honfleur, rue de Neubourg.

AAN VICTOR HUGO                     Parijs, 17 december 1863.

Geachte heer,
Ondanks het feit dat ik altijd twijfel om wat ook maar te vragen aan mensen voor wie ik de meeste hoogachting en affectie koester, kom ik u vandaag toch vragen om een grote gunst, een enorme gunst. Omdat ik ontevreden ben over de Parijse uitgevers, en omdat ik dacht, niet helemaal zonder reden, dat mij niet volledig recht gedaan wordt, had ik besloten om een uitgever in het buitenland te gaan zoeken, voor drie boeken waarvan er één is: Les Paradis artificiels, en de twee anderen zijn: Les Réflexions sur mes contemporains (beaux-arts en literatuur). Om met geweld de aandacht te trekken naar deze werken, had ik besloten om in Brussel openbare lezingen te gaan geven met goed gekozen fragmenten, de beste stukken, vanzelfsprekend, bijvoorbeeld: De l’essence du rire, Eugène Delacroix, son oeuvre, ses idées et ses moeurs, Victor Hugo, Théophile Gautier, TH. de Banville et Leconte de Lisle, Richard Wagner, en zelfs mijn waardering ondersteunen door citaten van de auteurs in kwestie; want ik heb niet zo’n vertrouwen in de eruditie van de Belgen.
En nu hoor ik dat mijnheer Lacroix u een bezoek gaat brengen. De grote dienst die u zou kunnen bewijzen zou zijn hem te vertellen wat u zo aangenaam aan mijn boeken vindt en aan mij, en hem dan mede te delen wat mijn bedoeling is omtrent lezingen. Het is, nogmaals, een hele grote gunst waar ik om vraag, want mijnheer Lacroix moet absoluut vertrouwen hebben in uw oordeel, en ik hoop dat de lezingen die overtuiging zullen volbrengen.
Ik vraag met grote regelmaat hoe het met u gaat; men heeft mij verteld dat het heel goed met u gaat. Het genie dat gebruik mag maken van zijn gezondheid! Wat zult u een gelukkig man zijn, Mijnheer!
Ik stel voor dat ik binnenkort Les Fleurs du mal opstuur (onlangs alweer uitgebreid) met Le Spleen de Paris, om iets terug te doen. Ik heb geprobeerd om daarin alle verbittering en al mijn slechte humeur waar ik vol van ben te zetten. Ik had u enkele dagen geleden Eureka moeten opsturen (vierde deel van mijn Poe-vertaling), een vreemd boek dat beweert de manieren van de schepping en de vernietiging van het universum te onthullen; maar de gierigheid van de heer Lévy vond het nodig om de namen van mijn distributielijst te schrappen die hem niet tot direct nut zijn. Ik zal een andere keer mijn fouten – of eerder zijn fouten – repareren jegens u.
Een paar dagen voor het eind van deze maand vertrek ik naar Brussel. Als u tien minuten van uw tijd wilt opofferen om me te schrijven, zult u me heel gelukkig maken, en daardoor zal ik vertrouwen krijgen voor mijn reis. Maar ik kan me ook voorstellen dat brieven u vaak hinderen, en voor niets op deze wereld zou ik u willen storen.
In Parijs woon ik in de rue d’Amsterdam 22. In Brussel weet ik mijn verblijfadres nog niet.
Adieu, Mijnheer; wees overtuigd van mijn affectie en bewondering voor u. U bent een machtige seigneur, maar u heeft wel, zoals u ziet, alle nadelen van de soevereiniteit. Iedereen heeft wel iets aan u te vragen.

                    Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK   Parijs, 31 december 1863.
Lieve goede moeder,

Er is niets onaangenamer dan aan je moeder te schrijven met je ogen op de klok gericht; maar ik wil dat je morgen een paar woorden van affectie krijgt en een paar goede beloftes, waar je maar van moet geloven wat je wilt. Ik heb de vreselijk slechte gewoonte om alles wat ik moet doen tot morgen uit te stellen, zelfs de leukste dingen. Zo heb ik ook vele jaren lang het afmaken van zoveel belangrijke dingen naar de volgende dag verschoven, dat ik me vandaag de dag in zo’n  belachelijke situatie bevind, even pijnlijk als belachelijk, ondanks mijn leeftijd en mijn naam. Nooit werd ik zo getroffen door de eindejaarsplechtigheid als dit keer. Daarom ook, ondanks de enorme afkortingen van mijn denkbeelden die ik toepas, zul je precies begrijpen wat ik zeg: dat ik je smeek om ervoor te zorgen dat het goed met je gaat, goed voor jezelf te zorgen, zo lang als je kunt te blijven leven, en me nog even wat van je welwillendheid te gunnen.
Alles wat ik ga doen, of alles wat ik dit jaar (1864) hoop te gaan doen, had ik al moeten en kunnen doen in het jaar wat net voorbij aan het gaan is. Maar ik word aangevallen door een verschrikkelijke ziekte, die me nog nooit zo heeft vernietigd als dit jaar, en daar bedoel ik  mee dromerij, slapte, ontmoediging en besluiteloosheid. En ik beschouw nu echt een man die erin slaagt van een zonde te genezen oneindig veel moediger dan de soldaat of de man die zich in een duel gaat meten met een ander. Maar hoe moet ik genezen? Hoe kun je met wanhoop hoop maken; en met lafheid wilskracht krijgen? Die ziekte, is die ingebeeld of reëel? Is die reëel geworden nadat hij eerst denkbeeldig was? Is het het resultaat van een lichamelijk verzwakken, van een ongeneeslijke melancholie na zoveel jaren van schokkende ervaringen, zonder troost te hebben gehad bij eenzaamheid en ongelukkig voelen? Ik weet het niet; wat ik wel weet, is dat ik helemaal nergens zin meer in heb en vooral geen plezier meer hebben kan (dat is niet verkeerd) , en dat het enige gevoel waardoor ik me nog voel leven is een vage wens om beroemd te worden, wraak te nemen en rijk te worden.
Maar, zelfs voor het beetje dat ik gedaan heb, heeft men mij zo weinig recht gedaan!

Ik heb een paar mensen gevonden die de moed hebben gehad om Eureka te lezen. Het boek loopt slecht; maar daar kon ik op wachten; het is te abstract voor Fransen.
Ik ga dus weg. Ik geef mezelf nog vijf dagen, een week hooguit,om geld op te halen bij drie kranten, een aantal mensen te betalen, en in te pakken.
Als ik maar niet snel afkerig word van de Belgische reis zodra ik in Brussel ben! Toch is het een ernstige zaak. De lessen die me maar een heel klein bedrag kunnen opleveren (1000, 1500 of 200 frank) ervan uitgaande dat ik het geduld op kan brengen ze te houden, en de instelling leuk gevonden te worden door botteriken komen slechts op het tweede doel van mij reis. Het echte doel, dat ken je; het gaat erom om drie uitgaven van Variétés te verkopen en om goed te verkopen aan mijnheer Lacroix, Belgisch uitgever.
Ik krijg de rillingen als ik denk aan mijn leven daar. Lezingen, drukproeven uit Parijs corrigeren, drukproeven van kranten, en drukproeven van Michel Lévy, en behalve dat alles dan ook nog ondertussen mijn Poèmes en prose afmaken. En toch heb ik het vage idee dat de nieuwe afwisseling van een verblijf daar me goed zal doen en me wat activiteit zal brengen.
Ik heb het teveel over mezelf gehad; maar ik weet dat je daar wel van houdt. Schrijf me over jezelf, over je geest en over je gezondheid.
Ik had Hugo als medeplichtige willen nemen voor mijn onderneming. Ik wist dat mijnheer Lacroix op een bepaalde dag in Guernsey zou zijn. Ik had Hugo verzocht iets voor me te doen. Ik heb net een brief van Hugo ontvangen. Door de storm over Het Kanaal zijn mijn plannen verhinderd, en mijn brief is vier dagen nadat de uitgever was vertrokken aangekomen. Hugo zegt dat hij dat middels een brief zal rechtzetten, maar niets is zo goed als praten.
Ik omhels je met heel mijn hart.
                                C.B.

Voordat ik vertrek zal ik je voor twee sous een nieuwjaarsgeschenk sturen, waarschijnlijk wel een boek naar jouw smaak. Hij is al uitgekozen.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact