baudelaire 1865

Charles Baudelaire 1865

AAN MADAME PAUL MEURICE

         Brussel, vrijdag 3 februari 1865.


Wanneer men een heel aardige brief krijgt, die vooral zeer onverwacht en zeer onverdiend is, dan is het eerste wat men verplicht is te doen daar direct op te antwoorden; daarom ben ik zeer schuldig voor het feit dat ik bijna dertig dagen lang het plezier om u te antwoorden en te bedanken heb uitgesteld.
Ik zou u kunnen vertellen, wat de waarheid is, dat ik heel vaak ziek ben; maar dat zou een slecht excuus zijn, want verkoudheden, hoofdpijn en koorts duren nooit dertig dagen. ik zou u liever de waarheid willen vertellen, dat is dat ik de neiging heb om teveel misbruik te maken van de welwillendheid van mijn vrienden; en ook dat er in dit verwerpelijke klimaat een soort sfeer heerst die niet alleen de geest afstompt, maar ook het hart verhardt, waardoor men gedwongen wordt om al je plichten te verzaken.
Mevrouw, u kunt wel raden hoe blij u mij met uw brief gemaakt heeft, als ik u beken dat ik me zo schaamde nadat ik u zulke erge dingen had geschreven, bijna met nog minder gêne dan wanneer ik het tegen een vriend had verteld, en dat ik, omdat ik de brievenbus waarin mijn brief nu lag niet kon openbreken en ik geen enkel antwoord verwachtte, al bezig was met manieren te verzinnen om vergeving te krijgen. En dus, toen ik uw antwoord las waar ik helemaal niet meer op hoopte, kreeg ik een dubbel gevoel van plezier, eerst het plezier u te horen spreken, en daarna het plezier van de verbazing. Dan  moeten we dus toegeven dat u de beste  eigenschappen van de wereld heeft.
Ik wil allereerst gelijk antwoorden op enkele regels die mij in het bijzonder geraakt hebben. Nee, ik verzeker u, ik heb geen enkel verdriet in het bijzonder. Ik heb altijd een slecht humeur ( dat is een ziekte hoor), omdat ik lijd aan de mijn omringende stomheid, en omdat ik erg ontevreden ben over mezelf. Maar in Frankrijk, waar er minder domheid heerst, waar de domheid wat beleefder is, leed ik ook; en zelfs als ik mezelf helemaal niets te verwijten zou hebben, zou ik ook ontevreden zijn, want dan zou ik er weer van dromen om het nog beter te doen. En dus weet ik zeker dat ik, of ik nu in Parijs ben, of in Brussel, of in een onbekende stad, ziek en ongeneeslijk zou zijn. Ik heb een soort van misantropie en die komt niet door een slecht karakter, maar door een te grote gevoeligheid en een te snelle neiging om mezelf te schande te zetten. Waarom ik in Brussel blijf, dat ik zo haat? Ten eerste omdat ik er nu eenmaal ben , en ik me in mijn huidige toestand overal slecht zou voelen, en ook omdat ik mezelf in penitentie heb gezet; ik heb mezelf gevangen gezet totdat ik van mijn zonden genezen ben (dat gaat heel langzaam), en ook totdat een zeker iemand die ik in Parijs met mijn literaire zaken heb belast, een aantal kwesties heeft opgelost.
Omdat u mij alles vergeeft, en ik van u allerlei tonen mag aanslaan, zal ik u zeggen dat dit België dat ik zo haat me al een grote dienst heeft bewezen. Zij heeft me geleerd om te leren leven zonder alles. Dat is veel. Ik ben braaf geworden, door het onvermogen mezelf tevreden te stellen. Ik hield altijd van plezier maken, en dat heeft me waarschijnlijk het meest pijn gedaan. In een kleine zeehaven is er het plezier de bewegingen in de haven te bestuderen, de schepen die binnenvaren en de schepen die uitvaren, het plezier iets te drinken in een cabaret met mensen die van een lagere klasse zijn, maar vanwie de gevoelens me interesseren. Maar hier is niets. De armen hier geven me niet eens een gevoel van liefdadigheid. In Parijs zijn er etentjes met vrienden, musea, muziek en de meisjes. Hier is er niets. Van lekkerbekken kan hier niet eens sprake zijn. U weet dat er geen Belgische keuken bestaat, en dat de mensen hier niet eens een ei kunnen bakken, noch vlees kunnen braden. Wijn wordt alleen maar gedronken als iets zeldzaams, kostbaars, geweldigs en bij bepaalde gelegenheden. Ik denk zelfs, en God moge me straffen, dat die beesten hier wijn uit ijdelheid drinken, om net te doen alsof ze er verstand van hebben. Gekoelde wijn, die je uit een vol glas drinkt, als je dorst hebt, onbekend. Galante manieren zijn er nog minder. Wanneer ik een Belgische vrouw zie, krijg ik een vaag gevoel alsof ik ga flauwvallen. God Eros zelf, als hij onmiddellijk al zijn vuur zou willen uitdoven, dan hoefde hij alleen maar naar het gezicht van een Belgische vrouw te kijken.
Voeg daar aan toe dat, mochten de ongelukkige dames al enige charme hébben, deze door hun grofheid die net zo groot is als die van de mannen, volledig vernietigd worden. Enkele maanden geleden was ik 's nachts verdwaald in een Faubourg dat ik niet kende; ik vroeg de weg aan twee meisjes, die mij antwoordden: Gott for damn! (of: domn!) (ik schrijf het fout; nooit heeft een Belg me kunnen vertellen hoe je de nationale vloek moest spellen; maar het is het equivalent van het Franse Sacré nom de Dieu!) . Ze antwoordden me dus, de twee schone dames: "Godverdomme! laat ons toch met rust!" En de mannen, die laten geen gelegenheid ongemoeid om hun speciale roeping van grofheid ten toon te spreiden. Ik zag een keer op een dag toen het ijzelde, een toneelspeelstertje van het Théâtre du Parc op de grond vallen. Ze had zich erg bezeerd, en omdat ik druk in de weer was om haar overeind te helpen, gaf een Belg die langsliep een trap tegen haar mof die over straat rolde, en hij zei: "Hé! En dat daar! Vergeet je dat niet?" Het was misschien wel een gedeputeerde, een minister, een prins, misschien wel de Koning zelve. Zelfs een gewone arbeider in Parijs had hem fatsoenlijk opgeraapt en teruggegeven aan de dame.
Zoals ik u al eerder zei, ik zou alle wellustige mensen gaarne willen uitnodigen om in België te komen wonen. Dan zouden ze snel genezen zijn, en binnen een maand zou de walging hen een geheel nieuwe maagdelijkheid geven.
Een andere dienst die dit land vol schurken me heeft gegeven. U had mij al menigmaal bespot met mijn neigingen tot mysticisme! Ik kan u verzekeren, u zou zelfs hier vroom worden, - uit eigenliefde -, uit behoefte aan non-conformiteit. Bij het zien van al die atheïstische vierhandigen hier, werden mijn religieuze denkbeelden sterk bevestigd. Ik kan zelfs niets goeds zeggen over de katholieken hier. De liberalen hier zijn atheïsten, de katholieken zijn bijgelovig, en beide partijen worden gedomineerd door dezelfde hypocrisie.
Nog twee andere kleine anekdotes, Belgisch tot op het merg, - om u te amuseren.
Op een dag komt een ober me bedienen, en hij zegt: "U komt dus in kerken, mijnheer? Men heeft u met Kerst in die en die kerk gezien."
Ik zeg: "Vertel het niet door!" Maar ik dacht bij mezelf: Hier wordt nog in de Ministerraad over gepraat. Twee dagen later kom ik een Belg tegen en die zegt: "Aah! Zo, u gaat dus naar de kerken hier? Gott for domn! (steeds weer diezelfde vloek waarvan ik niet weet hoe je die moet schrijven) Wat gaat u toch doen tijdens de mis, want u heeft immers geen misboek?" Dit is nu een typisch Belgische redenering. Zonder misboek geen gebed. Je kunt niet denken zonder regels. Maar dan zondigt hij toch op een punt, en dat is dat hij niets aan een misboek zou hebben want een Belg zou de geschreven gebeden niet begrijpen.
Op een dag word ik meegenomen met veel ophef naar een minister die een zeer kostbare collectie schilderijen bezit. Aan het einde leidt men mij naar een Bartolini geschilderd door Ingres *. Daar had men voor in extase moeten raken. Maar men had mij daarvoor niet gewaarschuwd. Ik zeg: "Dat is waarschijnlijk van Ingres. De handen en het gezicht zijn te groot; hier zit geen Style in, bovendien is het van een rode en vieze tint. Er is een groot man die Ingres voorgegaan is, die veel meer genie heeft. Dat is David." Toen draaide de minister zich naar mijn rondleider * (want ik werd geloof ik ook getoond, ik, ja) en hij vraagt hem voorzichtig om raad: "Is het niet zo, naar het schijnt, dat David sinds enige tijd AAN HET STIJGEN is?" Ik hield het niet meer; ik antwoordde dat het alleen maar genoeg was dat hij nooit DALEND bij intelligente mensen was geweest.
Nog een gunst die ik België schuldig ben! Zeg het maar tegen Bracquemond. Dat is dat ik gedesillusioneerd ben jegens Rubens. Toen ik Parijs verliet had ik een te hoge dunk van die lomperd. Rubens was de enige soort van gentleman die België heeft kunnen voortbrengen, dat wil zeggen een boerenkinkel met zijden kleren. Boven het beste van Rubens prefereer ik nu zelfs nog een klein stukje Romeins brons, of een Egyptische lepel, van hout.
Doet u de hartelijke groeten aan uw man. De groeten aan Fantin en Manet. Ik heb de opdracht gekregen om u de goede herinneringen te geven van de heer Charles Hugo. Men zegt dat zijn vader hier komt te wonen. Mijn hemel! Ik zou bijna de zeer serieuze en interessante vraag over uw kleding vergeten*. Het is heel goed dat u mij daar over heeft gesproken, u weet dat dat mij interesseert. Ik ben bijna net zo erudiet in mode als Malassis dat is in oude boeken of botanica. Want die arme man heeft zich in de botanica gestort (niet in de entomologie, want in de bossen van dit land zitten geen insecten, net zo min als vogels; alle beesten slaan op de vlucht voor Belgen). Ik heb al uw beschrijvingen over kleding begrepen; en zij herinnerden me een tijd die nog in mijn hersenen gegrift staat.
Over de kapsels dat heb ik minder goed begrepen, moet ik tot mijn schaamte toegeven. Ik heb u trouwens maar één opmerking te geven: wanneer een hele lieve vrouw grijs haar heeft, wat voor kapsel zij ook heeft, zij moet niet nalaten haar witte haren te laten zien. Dat maakt haar mooier.
Ik kus u galant uw beide handen, en houd ze stevig vast.

                        C.B.

AAN MADAME AUPICK    Parijs, vrijdag 3 februari 1865.
Lieve moeder,

Ik heb een vreselijke verkoudheid opgelopen waardoor ik enkele dagen onmogelijk kon denken noch schrijven.
De brief die je me begin januari hebt geschreven heeft me nogal geraakt. Lezen dat je aan een gevaar bent ontsnapt, besef je wel wat dat bij mij teweeg heeft gebracht? Tegelijkertijd een ziekte en een genezing vernemen! Ik meen dat ik ook nipt aan een zeer groot gevaar ben ontsnapt. Ik zal niet ontkennen dat ik een groot gevoel van schaamte had, een egoïstisch gevoel. Ik ben erg blij dat je mij dat slechte nieuws had verborgen; ik had er teveel onder geleden. - Maar die genezing, is dat wel waar, is het echt zeker? Vertel me daarover. Je zegt dat je een gezondheid terug hebt die je al heel lang niet meer gekend had, - dat je weer loopt en weer eet; dat zijn goede redenen om mij blij temaken; maar doe je er wel alles aan om niet weer een terugslag te krijgen, om deze gezondheidstoestand te behouden?
Ik was dus heel gerust, voor jou, althans, ik wist wel dat je je verveelde, maar ik had vertrouwen in jouw geduld en je moed. En toen ineens kwam die andere brief, waarin je zo verschrikkelijk praat over je verveling, je eenzaamheid en je ontmoediging, kortom over Parijs eigenlijk! Je maakte me heel erg verdrietig daarmee. Maar je hebt er goed aan gedaan. Ik wil graag alles weten van je, wat je denkt, zelfs als het niet leuk is. En ik schaamde me door die brief. Ik moet je natuurlijk troosten en je verveling bestrijden. Ik ben nog nooit zo ongelukkig geweest niet gelijk te kunnen doen wat ik wilde. Als ik gelijk had kunnen vertrekken, had ik dat direct gedaan. Maar hoe moest ik dat doen? Zelfs als ik veel geld had, zou ik nog niet vertrekken. Het gaat niet alleen om Brussel; het gaat ook om Parijs; het gaat over literatuur. Deze maand, en dat denk ik echt serieus, krijg ik denk ik belangrijk nieuws, en als ik je kan vertellen over verkochte boeken, dan zul je kunnen zeggen: hij kan weer naar Parijs terugkeren; en wanneer ik je vanuit Parijs zal schrijven, zul je kunnen zeggen: hij komt bij mij.
Ik weet uit eigen ervaring heel goed wat een kwelling verveling is. Ik zie mezelf hier als in de gevangenis of in een strafkamp. Ik streef ernaar om uit die gevangenis te komen. Maar ik verzeker je dat de Belgische gevangenis voor mij erger is dan die in Honfleur voor jou. Jij zit in een mooi huis, en jij ziet niemand. Maar ik, ik heb geen boeken, en ik zit in een slecht verblijf; ik zit zonder geld, ik zie alleen maar mensen die ik haat, onbeleefde mensen, die stommiteiten lijken te hebben uitgevonden die speciaal voor hen zijn, en iedere ochtend ga ik naar de conciërge beneden om te kijken of er brieven zijn, of mijn vrienden zich om mij bekommeren, of mijn artikelen verschijnen, of er al geld is, of de onderhandelingen voor mijn boek al klaar zijn, - maar niets, nooit is er iets. Ancelle, aan wie ik drie dingen had opgedragen die ik zelf als heel belangrijk beschouwde, heeft me al een maand niet geschreven (ga nu niet hierdoor naar hem schrijven). Ik zou er ik weet niet wat voor over hebben om te proosten in een cabaret in Le Havre of Honfleur met een matroos, zelfs met een dwangarbeider als het moet, als het maar geen Belg is. Maar voor het terugzien van het zo vrolijke huis waarin mijn moeder woont, van mijn boeken en mijn verzamelingen, dat is een vreugde waarvan ik nog niet eens durf te dromen.
En ik vergeet nog te midden van al mijn problemen, de brieven van mijn schuldeisers te noemen, de enigen die me nog schrijven. En ik geloof dat de bazin van het hotel hier, me weer kwaad begint aan te kijken.
(Over mijn verzamelingen, vertel me even hoeveel kisten er daar van mij staan, die nog niet geopend zijn; is het er een, twee of drie?)
En ook of de muren vochtig zijn?

Wat me nog het meest verbaasd heeft in jouw treurige brief, is je denkbeeld Parijs weer terug te zien. Die bizarre droom bewijst me dat je gezond bent. Dat is alles wat ik er troostend aan vind. Maar verder, wat een vreselijke onzin!
In dit jaargetijde! In een zondvloed van water, sneeuw en modder! Parijs is alleen maar mooi in de zon, met al die mooie tuinen. Maar denk dan een beetje aan mij, aan mijn ongerustheid, als ik wist dat je oud en alleen in die chaos was. Ik ben er altijd bang hoor! Echt, ik zou er niet van kunnen slapen.
Het is nu alweer 5 uur. Ik kan je nog beter een brief schrijvend ie niet helemaal perfect is dan je helemaal niets te sturen. Ik omhels je met heel mijn hart, en ik zal mijn best doen om je twee keer per week te schrijven.
De Revue de Paris verslechtert. Alweer veel geld verloren, niet alleen voor wat er van mij is, maar ook voor het beetje wat er verschenen is.
                        Charles.

AAN NARCISSE ANCELLE  Brussel, woensdag 8 februari 1865.
Beste Ancelle,

Ik schrijf u nu even in een periode die een van mijn aanvallen me toelaat, want die aanvallen zijn zo heftig soms, dat ik vanochtend meer dan een uur nodig had om uw brief te kunnen ontcijferen.
Het is beter dan goed, het is heel goed, en mijn dank daarvoor. En het is ook nog minder duur dan ik verwachtte.
Alleen, over die lessenaar (die moet wel in slechte staat zijn; die is te goedkoop), heeft mevrouw Desoye u wel de sleutel teruggegeven, en is het slot wel gemaakt, of is er een nieuw slot op gemaakt?
Wat Jacquinet betreft, ik verzeker u op de meest positieve manier dat ik u die aantekening in mijn eerste brief heb opgestuurd. U heeft hem vast laten vallen bij het openen van de brief. Hierbij zit een nieuwe, herkopieerd.
En dus als ik naar Honfleur terugga (áls ik Honfleur ooit nog terugzie!) zal ik bij u thuis mijn zaken laten inpakken, op voorwaarde dat er inpakkers in Neuilly zijn.
Ik kende die affaire Renard al. Een van de vrienden van Renard, die ik helemaal niet kende behalve van zijn werk, achtte het juist om voor mij een schilderij van Goya te kopiëren uit het paleis van de voormalige hertogin van Alba. Uiteraard heb ik naar Madrid geschreven om hem te bedanken. Soms krijg ik wel eens, van heel ver, en van mensen die ik niet ken, betuigingen van sympathie, en dat doet me veel, maar het troost me niet voor mijn verwerpelijke misère, noch voor mijn vernederende toestand, en nog minder voor mijn zonden.
De brief van Proudhon heeft u niet genoeg geraakt, en u maakt hem veel te licht uit voor gek.  Ik had u die brief opgestuurd om u te bewijzen dat Proudhon, ondanks wat er gezegd is, nooit gevarieerd had. Aan het eind van zijn leven net als aan het begin van zijn leven, was hij in het bijzonder geobsedeerd door productie- en financiële kwesties. Als er nou sprake was van kunst, ja, dan had u gelijk gehad om te zeggen van Proudhon: hij is gek. Maar op het gebied van zuinigheid lijkt hij me bijzonder respectabel als man.
Ik zie maar één manier om de utopieën, ideeën, paradoxen en profetieën van Proudhon over opbrengsten en eigendommen teniet te doen, en dat is om afdoende te bewijzen (is dat gebeurd? Ik ben niet thuis in die dingen) dat volkeren rijk worden door zich in de schulden te steken. U bent een beter financiënman dan ik; dan moet u weten of deze stelling onderschreven is.
U wenst me geluk met mijn gezondheid. Maar ik lijd als een duivel sinds een week. Ik heb afwisselend mijn beide ogen verstopt gehad door verkoudheid, hoofdpijnen en reumatiek. Zoals u weet was ik begonnen met vier maanden maag- en darmstoornissen. In augustus en september was er hier een beetje licht gekomen. En toen ging het goed met me. Maar sinds twee maanden krijg ik meestal vanaf middernacht koorts. Dan komen er lange uren die traag voorbijgaan waarin ik de hele tijd bibber en het heel koud heb; en dan uiteindelijk tegen de ochtend val ik in slaap van vermoeidheid, en heb ik niet van mijn slapeloosheid kunnen profiteren om te werken, en dan word ik laat wakker, vreselijk transpirerend, en heel moe van het slapen. En vooral sinds een week is de pijn verschrikkelijk toegenomen. En u weet dat er geen dapperheid mogelijk is, behalve een passieve, voor pijn. Het is een volledig afzien van de wilskracht.
Onder deze omstandigheden verzoek ik u om toestemming om mijn spaarproject af te zeggen, althans voor twee maanden, ik zal het plan in Honfleur weer hervatten. Laten we er van uitgaan dat mijn verblijf hier verlengd wordt tot eind maart ; dat is al heel wat. Sinds half november heb ik van niemand iets gehad, en heb ik ook niets gegeven hier. Mijn rekening was volledig betaald tot 1 oktober. In de winter moet men hier veel meer betalen dan in de zomer. In de zomer was het 200 of 220 per maand. Drie maanden winter, dat loopt in de 900 frank. Ik zeg: dat moet gebeuren, want ik kan mijn rekening niet krijgen. Men kijkt me hier kwaad aan, dat kan ik zien. En dan zijn er nog ontelbare andere kleine uitgaven, buiten het hotel, die ik niet kan betalen sinds twee maanden, zonder van die belachelijke listen te verzinnen: tabak, papier, postzegels, verstelwerk, etc. Bijvoorbeeld, mijn droom om kinawijn te bezitten is in mijn hoofd net zo'n obsessie geworden als het idee voor een galeislaaf een bad vol met water in zijn verbeelding te hebben. En ik zou ook graag sterke laxeermiddelen willen hebben. Maar ik kan niets van dat alles krijgen.
(Tussen twee haakjes, ik verzoek u om niets hiervan door te vertellena an mijnmoeder. U kent haar verschrikkelijke voorstellingsvermogen. Dus geen woord. Ik ben er van overtuigd dat al die ziektes verdwijnen zullen met de komst van succes en een voorspoedig vertrek van hier.)
Ik had het over de vernederingen van kleine behoeften. Vergeef me dat ik het u en passant moet zeggen, maar al uw brieven, behalve de aangetekende, zijn onvoldoende gefrankeerd. Het feit dat ik hier aandacht aan moet besteden, is wel een teken van misère. Wanneer de conciërge tegen me zegt: Mijnheer, u moet er nog 40 cent bij betalen, dan ben ik heel ongelukkig. U frankeert uw brieven alsof u ze naar een Frans departement stuurt. Er moet een rode postzegel op, of twee blauwe. Pardon!
Ik word alsmaar achtervolgd door pech. Ik verwacht sinds de eerste van deze maand 300 frank van de Revue de Paris, en 400 van de Figaro. Het gaat verschrikkelijk slecht met de Revue de Paris; ze kunnen me niet eens het beetje betalen dat al verlopen is. De Figaro vindt dat wat ik heb opgestuurd veel te serieus is buiten het bereik is van de lezers. Dat is nog beleefd; om niet te hoeven zeggen: vervelend. En omdat het fragmenten zijn uit het laatste boek dat voor Michel Lévy was gemaakt, en het boek gaat verschijnen, betekent dat een verlies van 700 frank.
Voor de grote affaire, de verkoop van Les Paradis, Mes Contemporains, en Pauvre Belgique!, ik wacht nog.
Ik kan niet veronderstellen dat mijn naam zo weinig voorstelt en dat mijn vrienden me zo hebben vergeten dat we niet minstens 600 frank uit de eerste oplage kunnen halen van elk boek, wat dan op 2400 frank uitkomt. Maar mijn ziekte en pijn hebben mijn werk onderbroken, wat al zo onderbroken was. Er ontbreken vier hoofdstukken in Belgique, en drie in de Contemporains.
Mijn waarde, ik heb zo'n vermoeid hoofd dat ik niet verder ga. Geef me de volledige maandrekeningen van januari, februari en maart. Vandaag, alleen januari en februari. Of het 150 of 180 is, ik weet het niet. Op goed geluk, ik gok op 300, en ik trek daar 100 van af die ik 2 januari heb ontvangen. Uw reçu zit bij het tweede vel van het vel van Jacquinet. ik zal de duivel aan zijn staart trekken, en ik zal de mensen wat laten wachten, totdat mijn zaken in Frankrijk geregeld zijn.
U heeft de brief niet begrepen waarin ik zei dat het me speet dat ik niet van die 400 en die 600 frank had geprofiteerd om weg te gaan.
Ik lijd en ik verveel me. En zelfs als ik veel geld had, dan zou ik nog niet weggaan. Ik zit in quarantaine, en dat blijf ik, totdat de oorzaken van die quarantaine verdwenen zijn. Het gaat niet alleen om geld, maar ook om boeken die af moeten, en boeken die verkocht moeten worden, waardoor ik meer zekerheid heb dat ik in Frankrijk een paar maanden rust heb.
Mijn moeder heeft me een heel aardige brief geschreven vol met wijsheid. Wat een geduld! En wat een vertrouwen in me! Wist u dat ze heel erg ziek was en ineens weer helemaal beter werd? Gelukkig voor mij kreeg ik dat nieuws, het slechte en het goede, tegelijkertijd!
Laat het niet vertragen, alstublieft, niet alleen omdat ik geld nodig heb, maar ook omdat uw brieven me wat afleiding geven. Ik ga mijn kamer niet uit. En trouwens, waar zou ik heen moeten, als ik wel de deur uit kon?
Uw toegewijde,
                    Charles.

AAN MADAME AUPICK            Brussel, zaterdag 11 februari 1865.
Lieve moeder,
Ik treuzelde wat om je te antwoorden, omdat ik hoopte dat ik je goed nieuws uit Parijs kon melden. Maar nog steeds niets; behalve alweer slecht nieuws. Na de Revue de Paris, met wiens gezondheid het heel slecht gaat, alweer een geschiedenis met de Figaro, waarvan ik 400 frank verwachtte. De Figaro stoot volledig af wat ik hen had opgestuurd omdat het boven het bereik van de lezers gaat. Het is ongetwijfeld een manier om beleefd te vertellen dat het vervelend is. De pech is dat de fragmenten die ik heb opgestuurd naar de Revue de Paris en de Figaro uit mijn vijfde deel komen van de vertaling van Edgar Poe, en omdat dat boek uit gaat komen zal ik geen tijd meer hebben om ze elders uit te brengen.
Ik denk dat ik je het al gezegd heb, maar omdat ik voel dat ik mijn eigen zaken altijd wel veel te slecht zal regelen, heb ik een man alleen belast met het behartigen van mijn literaire zaken, en ik betaal hem met een honorarium, dat spreekt voor zich, dat betaald wordt uit elke onderhandeling die gemaakt wordt. Ik verwachtte allereerst een antwoord: "ja" of  "nee", en daarna "dat wordt dan zo en zoveel." Maar, helemaal geen antwoord. Wie zwijgt stemt toe. Ik concludeer daar dus uit dat hij zich met mij gaat bezighouden, en dat hij me zijn voorwaarden nog tegoed houdt, zodra hij mijn eerste affaire geregeld heeft. Maar heb ik wel de goede man uitgekozen?  Dat is de vraag. Ik heb iemand uitgekozen die dat beroep al heel alng heeft uitgeoefend voor andere  schrijvers, en hij is zelf boekhandelaar, en zit zelf in tamelijk slechte zaakjes. Ik heb juist hem uitgekozen omdat hij het moeilijk heeft, in de hoop dat hij in mijn literaire loopbaan de manier ziet om er zelf ook beter van te worden. (Overigens, ik ben er van overtuigd dat, - jij zult mijn hoogmoed wel wat overdreven vinden - ook al heb ik zo weinig boeken geschreven, zij na mijn dood heel goed verkocht zullen worden. Wat de auteursrechten betreft, of ik moet voor jou overlijden, er is niemand die die krijgt. Het zal een goede zaak worden voor die boekhandelaren.)
Ik drooom niet meer van rijk worden. Ik droom er alleen nog maar van om mijn schulden te kunnen betalen, en om nog iets van twintig boeken te kunnen schrijven, en de frequente reporductie daarvan me dan van een regelmatige bron van inkomsten kan voorzien. Behalve in het geval van een universele wanorde, is dat net zo zeker als rente of aandelen.
Wat heb ik een spijt van mijn belachelijke afstanddoening van mijn vertaalrechten voor 200 frank in contanten, waarvan ik nog niet eens één cent voor mezelf heb kunnen uitgeven. Die vijf boeken waren een bron van inkomsten van ongeveer 400 à 600 frank per jaar, ondanks de beperktheid van mijn rechten. Zie nu eens tot wat voor stommiteiten schuldeisers je kunnen brengen. Nooit zal ik meer zulke stomme overeenkomsten sluiten, of het moet voor een enorme som geld zijn, of voor een lijfrente.
Ja je hebt duizend keer gelijk voor die zeven jaar. Nee, Ancelle had mijn schulden niet kunnen betalen met die 14000 frank, maar wat je zegt, we hadden gelukkige tijden gekend kunnen hebben. AAh! Wat een verschrikkelijke zin!
Ik ken die theorie van de pech die je me citeert heel goed, en ik ken mezelf ook heel goed.
De gevaarlijke deugd, dat is een gevoeliger, meer verheven of delicater denken dan de gewone confrère, de kameraad, dan de massa, zeg maar.
De zonde die nog gevaarlijker is, dat is de lafheid, de ontmoediging, en de gewoonte om de jaren te laten vervliegen door de dingen altijd maar tot morgen uit te stellen. Wanneer ik overspoeld word met dingen die te laat zijn, dan kan ik bij gelegenheid een moed hervinden, wat bewijst dat ik mijn kracht niet helemaal kwijt ben. Ik heb een heftige moed, maar die is niet constant. Maar, wanneer je al tegen jezelf een een superioriteit van geest hebt, moet je nog geduldiger zijn, nog volhardender, nog verbetener. Ik bezit de wetenschap van het leven perfect, maar ik heb niet de kracht die in de praktijk te brengen. Begrijp je nu waarom er zoveel meer dan middelmatige auteurs zijn die zo succesvol zijn en zoveel geld verdienen? Ze hebben alles mee, ten eerste hun middelmatigheid, en vervolgens ook nog al het geluk dat nauwgezetheid oplevert.
Ik weet niet hoe vaak je het al gehad hebt over mijn gemak. Dat is een term die veel gebruikt wordt en alleen maar toegepast kan worden op oppervlakkige geesten. Gemak om iets te maken? Te begrijpen? Of om me uit te drukken? Ik heb nooit noch het een noch het ander gehad, en het moet toch zo te zien zijn dat het weinige dat ik gemaakt heb het resultaat is van een zeer pijnlijk werk.
Van tijd tot tijd ga ik weer verder met mijn Poèmes en prose. Die moeten af. Ik weet dat de uitgever De Fleurs du mal pas herdrukt na de Poèmes en prose. Boeken die niet herdrukt worden worden vergeten, en dat is verloren geld. Maar er is een bepaalde rust van de geest nodig om ideeën, beelden, woorden te kunnen combineren. En ik zit erg ver van die rust af.
Je had gedroomd dat ik voor niemand vriendschap had. Ik sluit jou buiten die kwestie, want als ik voor jou alleen vriendschap had, dan was ik wel een smeerlap. Maar er zijn in Parijs drie of vier personen die me zulke sterke tekenen van vriendschap hebben gegeven dat ik hen vast veel verschuldigd ben.
Je hebt het over mogelijke afleidingen voor jou, in Honfleur, en die je niet wilt accepteren, omdat je overal een hart vol verdriet met je meedraagt! Ik smeek je, profiteer ervan; accepteer alle middelen om je te amuseren. Ondanks het feit dat ik met een massa dingen veel en veel te laat ben, geld, plichten, werk, moet je nog niet wanhopen.
Ik kan datgene wat ik heb doorgemaakt geen verkoudheid noemen, wat ook nog niet helemaal verdwenen is. Ik durf niet eens naar beneden te gaan op het plaatsje. Het is een soort reumatiek heel scherp in mijn hoofd, met aanvallen, en vaak herhaald. Al een paar keer dacht ik dat ik ervan verlost was, en dan kwam er opeens weer één de volgende dag. (Ik dacht dat er nog meer kisten van mij waren in het onbewoonde huis.)
Veel liefs. Vergeet me niet. ik verveel me verschrikkelijk.

                        CHARLES.
De koorts is verdwenen. God zij dank! Maar ik smeek je, maak je niet te druk om al die ziektes en gebreken.  Het zijn zuiver gebreken, die heel snel zouden verdwijnen, als ik tevreden was.

AAN SAINTE-BEUVE        Brussel, donderdag 30 maart 1865.
Beste vriend van me,

Bedankt voor uw mooie brief; kunt u nog iets anders dan mooie brieven schrijven? Wanneer u mij Mijn lieve jongen noemt, vertedert u mij en moet ik ook tegelijkertijd lachen. Ondanks mijn lange grijze haar, waardoor ik een academicien (in het buitenland)  lijk, heb ik toch grote behoefte aan iemand die zoveel van me houdt dat hij me zijn kind noemt; maar toch moet ik denken aan die burggraaf van honderdtwintig jaar oud die tegen een andere bruggraaf van tachtig jaar zegt: jongenman, houdt uw mond ! (tussen twee haakjes, en dit blijft tussen ons, als ik een tragedie schreef, zou ik vrezen dit soort krachtige opmerkingen los te laten, en daardoor een ander doel zou raken dan hetgeen waarop ik zou richten.)
Alleen zie ik in uw brief dat er geen enkele toespeling wordt gemaakt op het exemplaar van Histoires grotesques et sérieuses ,  ik had aan Michel gevraagd om u er een te geven. Ik heb het volste recht om daaruit te concluderen dat deze boekhandelaar, van het ras dat Onze Lieve Heer gekruisigd heeft, heel logisch zeker een besparing heeft gemaakt van een exemplaar ten nadele van u. Ik zweer u daarbij overigens dat ik in het geheel niet de intentie heb om u ook maar de geringste reclame voor dit boek te ontfutselen. Mijn enige doel was, omdat ik weet dat u uw tijd zo goed kunt indelen, om u de gelegenheid te geven om nogmaals te genieten van een verbazingwekkende subtiliteit van logica en gevoelens. Er zullen mensen zijn die vinden dat dit vijfde deel inferieur is aan de voorgaande delen; maar dat laat me volkomen koud.
Malassis en ik hebben niet zoveel problemen te vermalen als u wel denkt hoor. We hebben geleerd om overal zonder te kunnen, in een land waar niets is, en we hebben begrepen dat sommige leuke dingen (zoals bijvoorbeeld conversaties) beter worden naarmate sommige behoeften verminderen.
Wat Malassis betreft kan ik zeggen dat ik betoverd ben door zijn moed, zijn energie en zijn niet-aflatende vrolijkheid. Hij is tot een verbazingwekkende eruditie gekomen op  het gebied van boeken en etsen. Hij vindt alles leuk en hij leert overal van. Een van onze grote amuseringen is wanneer hij zijn best doet om de atheïst te spelen en dat ik dan net doe alsof ik een Jezuïet ben. U weet vast dat ik devoot kan worden uit tegenstrijdigheid (vooral hier), net zoals ik, om mezelf goddeloos te laten worden, alleen maar met een smeerpoets  van een pastoor hoef om te gaan (smeerpoets van lichaam en geest ). Voor wat
betreft de publicatie van enkele schertsende boeken die hij met dezelfde discipline is gaan corrigeren als hij voor Bossuet of Loyola aan de dag zou hebben gelegd, daar heb ik zelfs een heel klein onverwachts winstje uit kunnen halen, en dat is een duidelijker intelligentie dan de Franse Revolutie. Wanneer mensen zich op een bepaalde manier amuseren, dan is dat een goede diagnose van revolutie.
Alexandre Dumas is onlangs overleden. De brave man is zich komen blootgeven met zijn heel gewone blanke onschuld. Terwijl hij in de rij moest staan om rondom hem een handdruk te pakken te krijgen, maakten de Belgen hem belachelijk. Dat is schandelijk. Een man kán respectabel worden om zijn vitaliteit, zijn negersvitaliteit, dat is waar. Maar ik geloof toch dat ik niet de enige ben die verliefd is op het serieuze, en meegesleept door La Dame du Monsoreau en door Balsamo.
Omdat ik zeer ongeduldig ben om naar Frankrijk terug te keren, heb ik Julien Lemer geschreven om hem te vragen of hij zich met mijn zaakjes wil bezighouden. Ik zou graag het beste van mijn artikelen over Les Excitants, Les Peintres en over Les Poètes willen bundelen in drie of vier delen (en door er een serie Considerations sur la Belgique aan toe te voegen.). Indien u tijdens één van uw flanerieën de boulevard van Gent aandoet, klop dan een beetje zijn goede zin op, en overdrijf maar een beetje wat u van mij denkt.
Ik moet bekennen dat er drie belangrijke fragmenten ontbreken, - één over La Peinture didactique, (Cornelius, Kaulbach, Chenavard, Alfred Rethel, ), - en een andere, Biographie des Fleurs du mal, - en dan als laatste deze: Chateaubriand en zijn familie. U weet dat mijn passie voor die ouwe Dandy onverbeterlijk is. Al met al, weinig werk; misschien tien dagen.  Ik ben wel erg rijk aan aantekeningen.
Vergeeft u mij indien ik me bemoei met een delicate kwestie; maar mijn excuus zit in mijn wens om u gelukkig te zien, (door er van uit te gaan dat bepaalde dingen u behagen zouden), en iedereen u recht te zien doen.  Ik hoor veel mensen zeggen: "Goh! Is Sainte-Beuve nog geen senator? "
Jaren geleden zei ik een keer tegen Delacroix, met wie ik toen altijd vrijuit sprak, dat veel jonge mensen liever zagen dat hij in zijn oude staat van paria en opstandige bleef. (Ik maakte een toespeling op zijn koppige wens zich met alle geweld kandidaat te willen stellen bij het Instituut.) Hij zei tegen me: "Geachte meneer, als mijn rechterhand getroffen zou worden door een verlamming, zou mijn functie als lid van het Instituut me recht op onderwijs geven , en aangenomen dat ik altijd gezond zal blijven, kan het Instituut me dienen als betaler van mijn koffie en mijn sigaren. " Samengevat denk ik dat er, met betrekking tot u, niet alleen in mijn geest maar ook in die van vele anderen, een soort beschuldiging van ondankbaarheid jegens de regering van Napoléon aan het ontstaan is. U vergeeft het me zeker toch wel hè? Dat ik de grenzen van de discretie overschrijd, maar u weet toch hoezeer ik u hoogacht; en daarbij, ik praat als iemand die maar zelden in de gelegenheid is om met een ander te praten.

Ik heb zojuist de lange redevoering gelezen van Émile Ollivier. Dat is wel heel raar. Het lijkt wel of hij praat als iemand die een groot geheim met zich meedraagt.
Heeft u ook het vreselijke feuilleton gelezen van Janin tegen de spottende en melancholieke poëten (over Henri Heine)? En Viennet die geciteerd wordt samen met de grote dichters van Frankrijk!  En twee weken later een feuilleton ten faveure van Cicero! Denkt hij soms dat Cicero een Orleanist is of een Académicien?
Mijnheer de Sacy zegt: "Cicero, dat is onze Ceasar!"
Oh! Nee toch zeker hè?
Uw zeer toegewijde
                    Charles Baudelaire.
Zonder enige overgang, zal ik u zeggen dat ik onlangs een prachtige melancholieke ode heb gevonden van Shelley, die hij aan de rand van de Golf van Napels heeft gecomponeerd, en deze eindigt mert de volgende woorden:

Ik weet dat ik een man ben waar de mensen niet van houden; maar ik ben één van diegenen die zij zich herinneren.
Geweldig hè.  Dát is poëzie.
                Donderdag 4 mei 1865. Beste Sainte-Beuve,
Omdat ik mijn penneveer had gepakt om u enkele gelukwensen te schrijven omtrent uw benoeming, vond ik nog een brief terug die ik op 30 maart had geschreven maar die niet verstuurd was, waarschijnlijk omdat ik het vergeten was of door een nalatigheid van het hotel.
En nu lees ik hem over; en vind ik hem kinderlijk, meisjesachtig. Maar ik stuur hem u toch op. Als u er om moet lachen, zal ik niet zeggen: jammer; maar: des te beter. Ik ben helemaal niet bang om me aan u bloot te geven, uw toegeeflijkheid kennende.
Bij het stuk dat over Julien Lemer gaat, zal ik toevoegen dat ik klaar ben met de betreffende stukken (behalve het boek over België, want ik heb de moed niet meer om het hier af te maken), en dat ik terug moet naar Honfleur, om alle andere stukken op te halen die bedoeld zijn voor de boeken die ik Lemer heb aangekondigd, en dat ik daardoor de 15e vast weer door Parijs kom om hem een beetje te pijnigen. Mocht u hem toevallig zien, dan kunt u hem dat vertellen.
Wat Malassis aangaat, zijn verschrikkelijke affaire komt de 12e voor. Hij denkt zeker te weten dat hij veroordeeld zal worden voor 5 jaar. Wat daar erg aan is, is dat het hem de deuren voor Frankrijk zal sluiten voor vijf jaar. Dat het hem voor een tijdje zijn brood op de plank zal kosten, daar zie ik nog niet zo'n groot kwaad in. Dan zal hij gedwongen worden iets anders te moeten gaan doen. De verplicht opgelegde openbare preutsheid provoceren, dat is teveel rekenen op de universele gedachte van de mens. En hoewel ik zelf niet eens al te preuts ben, heb ik nooit één zo'n imbeciel boek in mijn bezit gehad, zelfs in mooie letters gedrukt, en met mooie etsen.
Helaas! Les Poèmes en prose, die u nog recentelijk heeft aangemoedigd, zijn erg vertraagd. Ik haal me altijd van die moeilijke besognes op de hals. Honderd bagatellen maken waarvoor zwaar werk nodig is, die een constant goed humeur vereisen (een goed humeur dat zelfs nodig is om trieste onderwerpen te behandelen), een bizarre opwinding die spektakel nodig heeft, mensenmassa’s, muziek, zelfs straatlantaarns, dát wilde ik maken! Ik heb er nog maar zestig, en ik kan niet meer verder. Ik heb dat fameuze bad van veelheid nodig, waarvan de ongepastheid u juist zo had gechoqueerd.
Monselet is hier geweest. Ik heb uw artikel gelezen. En uw lenigheid bewonderd en uw gave om in de ziel van alle talenten te treden. Maar er ontbreekt iets aan dit talent dat ik niet kan definiëren. Monselet is naar Antwerpen geweest, waar magnifieke dingen staan; vooral die voorbeelden van die monsterlijke Jezuïtische stijl waar ik zo van houd, en die ik alleen maar kende uit de kapel van het Collège van Lyon, die met verschillende kleuren marmer is gemaakt; Antwerpen heeft een museum van een heel vreemde aard, vol met allerlei onverwachte dingen, zelfs voor hen die de Vlaamse School op de juiste plek weten te zetten. Kortom, deze stad ziet er heel plechtig uit, als een oude hoofdstad, maar dan met een grote rivier erbij. Ik denk dat de brave jongen daar helemaal niets van gezien heeft. Het enige wat hij zag was een grote frituur die hij aan de overkant van de Schelde is gaan opeten. Maar verder is het een hele aardige jongen.
Wel, ik feliciteer u uit de grond van mijn hart. Nu bent u (officieel) de gelijke van een heleboel middelmatige mensen. Maakt me niet uit. U wilde het graag, toch? Of had u het misschien nodig? Als u maar tevreden bent, dan ben ik het ook.

Uw toegewijde,                                C.B.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, zaterdag 3 juni 1865.
Lieve goede moeder,

Maar eigenlijk is het echt waanzin om mensen zó erg te mogen! Ik schaam me nu zeer. Ik vertel je voortaan niet meer over mijn pijntjes. Je weet toch dat ik al jaren lijdend ben aan reumatieken en zenuwpijnen. Het doet pijn, meer niet. Het zijn geen ziektes. Voor die verstopping die na die diarrhee komt, daarvan is het nadeel dat je humeur daar bitter van wordt, maar daar is uiteraard een klein dieet voor dat ik moet gaan volgen, maar dat doe ik pas als ik weer rustig ben.
Ja, ik ga binnenkort weg. Maar zou je geloven dat ik me nu geïntimideerd voel;  - geïntimideerd om wat dan?  - van de angst om niet te slagen! Dat is nu precies de verklaring van die besluiteloosheid waardoor ik altijd zo wreed ben gekweld. Maar toch is het vanzelfsprekend dat je, om een zaak te kunnen laten slagen, je daar eerst mee moet beginnen.
Ik herinner me dat het me in Parijs vaak overkwam dat ik een week lang niet naar huis durfde uit angst weer slecht nieuws aan te treffen. Ik schaam me ervoor, maar het is onoverwinnelijk.
Ik geloof dat ik gewoon maar wat roggebrood moet eten bij elke maaltijd. Dat is een gematigde verfrissing die beter is dan laxeermiddelen. Maar dat aan het hotel vragen, dat is jezelf voor gek verklaren. In het begin dachten ze al dat ik gek was, omdat ik om een grote tafel vroeg om te schrijven en een grote kamer om te kunnen lopen.
Tot binnenkort; en veel liefs, woest en spijtig dat ik je ongerust heb gemaakt.

                        Charles.
Nu gaat het goed met me.

AAN JULIEN LEMER            Brussel, dinsdag 4 juli 1865.
Beste Lemer,

Ik zit momenteel met een zeer ernstig probleem, en alleen u kan mij daar geloof ik uit halen. De zaken die ik u verzocht op te lossen aan het begin van februari waren al dringend, maar nu zijn ze meer dan dringend geworden.
Ik heb alleen maar via Manet gehoord dat u zich wel met mijn affaire wilde bezighouden, maar dat u op de kopie wachtte. Het is momenteel echter zo dringend geworden dat ik alles wat ik hier in Brussel heb naar Parijs  zal meenemen om het aan u te geven, en daarna zal ik naar Honfleur gaan om de rest op te halen. Nu zal ik misschien wel horen dat u er niet bent of ziek bent, of dat u geen tijd heeft om u met andermans zaken te bemoeien. En wie weet wat nog meer?
In dat pakket dat ik u zal geven, ontbreekt het manuscript van Pauvre Belgique! En dat zal pas eind september herzien, gecorrigeerd, aangevuld en uitgedund zijn.
Maar toch lijkt het me dat het gunstig zou zijn om te onderhandelen voor de drie boeken tegelijk, omdat het laatste een lokaas zou kunnen zijn voor de boekhandel. Voor de rest zal ik u in detail uitleggen wat dit voor boek is.
Maar wat is me nu overkomen: Malassis krijgt geld van mij, en hij zit zeer in de zorgen, en hij zal de 10e de schuldvordering verkopen die hij op mij heeft, indien ik niet ergens die 2000 frank vind die men hem elders wel aanbiedt, zegt hij. Ik zal u zeggen wat de naam is van de speculateur die zich heeft aangediend, om mij, geloof ik, hard aan te pakken, om overal alles in te pikken waar ik nog eventueel recht op zou kunnen hebben, en zelfs om terugvorderingen op Hetzel en Lévy uit te voeren. Daaruit volgt dus nu dat ik bedreigd word door allerlei zorgelijke problemen , zonder daarbij op te tellen dat ik niet alleen ontheven zal zijn van de middelen om naar Frankrijk terug te keren, maar ook van middelen om van te leven. Morgen zal ik u de kopie  van deze akte laten zien, die ik getekend heb in 1862 zonder hem te lezen, zonder over de consequenties ervan na te denken, en waar Malassis me nooit het tweevoud van heeft gestuurd.
Voor wat de andere details aangaat, ik zal u morgen om een afspraak vragen om er met u over te praten, en dan ga ik naar Honfleur om de ontbrekende fragmenten op te halen voor u .
Denkt u net als ik dat er een voordeel in zou zitten om een verkoop voor alles te bewerkstelligen voor vijf jaar vanaf de publicatie? Of moeten we ons beperken tot het verkopen van een bepaald aantal van elk boek, tegen een zo eervol mogelijke prijs? In dat geval moeten er minstens 3000 exemplaren van elk van de vier boeken worden verkocht, en de betaling moet dan gestipuleerd worden (geld of wissels, dat maakt me niet uit) bij aflevering van het boek.
Kan men 3000 frank krijgen voor elk boek voor een ingebruikneming van vijf jaar? - Maar, goed, ik zal u dan maar met rust laten voor vandaag. Praten is beter dan de pen, en trouwens ik ben zo ongerust dat ik me niet in staat voel om normaal te redeneren. Ik slaap noch eet al twee dagen niet.
Les Paradis artificiels is een heel amusant boek, zoals u wel weet, maar nogal kort. Daarentegen vrees ik dat de twee boeken Contemporains en Pauvre Belgique! heel dik zijn.
Uw toegewijde,

                    Ch. Baudelaire.

AAN JULIEN LEMER              Parijs, 6 juli 1865.

U had het goed voorspeld. Hetzel geeft me ontheffing, tegen terugbetaling. Morgen is het al de 7e. O wee Malassis!
Rekening houdend met het geval dat heer Pincebourde de 10e het recht zou hebben om 5000 frank op te eisen, heb ik de kopie van de betreffende akte aan de zaakwaarnemer van mijn moeder (een vriend van de familie) afgeleverd in de hoop dat hij er misschien een vormfout in zou kunnen bespeuren waarmee er een arbitrage ingesteld zou kunnen worden (datum van de akte, en de datum waarop ik het moet hebben terugbetaald, juli 1866).
Hetzel heeft net als u iets vreemds gevonden in de opstelling van deze akte.

                        C.B.

1. Les Fleurs du mal, definitieve uitgave, uitgebreid met 45 nieuwe gedichten en een voorwoord door Théophile Gautier, 1 boek.
2. Les Paradis artificiels, 1 boek.(Opium et Haschisch).
3. Quelques-uns de nos contemporains (schilders en schrijvers), 2 delen.
4. Le Spleen de Paris (als tegenhanger voor Les Fleurs du mal), 1 boek.
5. Pauvre Belgique! 1 boek.
            6 boeken.
Ik vertrek morgenochtend.
Ik ben hier weer terug op de 9e.

AAN CHARLES-JOSEPH COINDARD Parijs, 6 juli 1865.
Geachte heer,

Eergisterenavond ben ik in Frankrijk aangekomen, en ik ben er nog helemaal akelig van. Ik vraag u dus om vergeving voor het feit dat ik deze brief niet zelf naar u kom brengen, en ik wil u bedanken voor uw hartelijkheid.
Met de meeste hoogachting,
                    Ch. Baudelaire.
Wilt u zo vriendelijk zijn om uw antwoord aan de loopjongen te geven. Als ik niet vanavond vertrek, dan vertrek ik morgen.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS                Honfleur, zaterdag 8 juli 1865.
Beste vriend,

U krijgt mijn brief morgenavond, dat wil zeggen de dag voor de door u gestelde termijn. Maar toch, lever de schuldvordering niet over aan Pincebourde, of het moet zo zijn dat het u volledig koud laat om mij in een verschrikkelijke situatie te brengen. - Ik denk dat u zeer binnenkort uw 200 frank zult krijgen. Ik zal mijn best doen om te verkrijgen dat men die de 11e naar u opstuurt. - Nu gaat het er voor mij alleen nog maar om om de vereiste som geld bijeen te vergaren om me van België te verlossen.
Ik ben de 4e 's avonds in Parijs aangekomen; ik heb de persoon gesproken die belast is met de belangen van mijn moeder (mijnheer Ancelle, burgemeester van Neuilly, avenue de la Révolte). Ik heb hem mijn situatie in verband met u uitgelegd, uw geldnood, de toestand waarin ik me zou gaan bevinden indien ik tegenover een nietsontziende speculateur met kwade bedoelingen stond, ....etc..., kortom, hoe urgent het was. Dit gesprek vond plaats op 6 juli 's avonds. Op 7 juli ben ik naar Honfleur vertrokken, en gisterenavond is de zaak in kwestie ter sprake gekomen met mijn moeder, ook al had ik me stellig voorgenomen om nooit meer van die betreurenswaardige vertrouwelijkheden aan mijn moeder te vertellen; ik heb haar nergens om gevraagd; zij heeft toen uit zichzelf spontaan tegen me gezegd: "Je moet daar uit komen. Dankzij jou zit ik zwaar in geldnood. Ik kan die 5000 frank niet betalen, zelfs geen 2000. Maar ik ga nu meteen mijnheer Ancelle vragen om me geld te lenen - om het mogelijke effect van die schuldeis teniet te doen; en jij betaalt die 3000 resterende frank maar later, wanneer je dat kunt." En zo kwam er dus in twee minuten een oplossing voor een probleem waar ik de rillingen van kreeg elke keer als ik er aan dacht. - Mijn moeder heeft vandaag die man een brief geschreven, - die ik overigens zal gaan zien op mijn terugreis door Parijs.
Ik veronderstel dat het onmogelijk is dat hij weerstand biedt aan een wens van mijn moeder die zij zo formeel heeft verwoord; maar daar zit 'm dan ook de clou: Hij zit misschien zonder geld;  en dan moet hij misschien óók wel gaan lenen, of gaan verschuiven, weet ik het? Bovendien heeft hij het heel druk met zaken, en is hij een beetje traag van beroep. Maar, morgen is het wél de 9e!  - Maar u kunt op mij rekenen dat ik hem op de hielen zal zitten.
Ik vraag u niet om een antwoord. Dat zou ongetwijfeld het mijne kruisen. Ik vertrek morgen naar Parijs; en ik denk dat ik 12 juli in Brussel ben.
Mijnheer Ancelle, die ik uit uw naam ga zien, heeft wel uw naam, maar ik herinner me niet meer of ik hem ook uw adres in Brussel heb gegeven.
U heeft vast Bracquemond gezien. Ik heb van mevrouw Meurice gehoord dat hij vertrokken is.
Deze keer neem ik niet uw schetsen en uw tekeningen mee .Ik ben te verslagen om dingen in te pakken.
Uw toegewijde,
                Ch. Baudelaire.
Ik heb Hetzel gezien, die houdt zich alleen nog maar bezig met kinderboeken, en hij zal 1200 frank van me eisen zodra ik een andere uitgever heb gevonden, die naar ik hoop niet Pincebourde zal zijn.
AAN NARCISSE ANCELLE                    Honfleur, zaterdag 8 juli 1865.
Beste Ancelle,
Ik had me ernstig voorgenomen om niets aan mijn moeder te vertellen.  Maar, omdat ze zo gewend is om me altijd in crisissituaties te zien, heeft ze me overladen met vragen; en ik weet niet hoe het zo gekomen is dat ik haar datgene verteld heb wat me zo irriteert. Ik heb haar niets gevraagd; zij heeft uit zichzelf spontaan tegen me gezegd: "Je moet daar uitkomen , en omdat 2000 frank genoeg is om je je vrijheid terug te geven, en 5000 betalen, zal ik je die geven; later betaal jij die resterende 3000 frank maar terug, als je kunt, en wanneer je geweten je dat beveelt."
Eigenlijk is dat geweldig; bevrijd van de kant van Malassis, zal het geld dat van Julien Lemer komt me helpen om me van België te verlossen; en als ik dan terugkeer naar Frankrijk, blijft er nog iets over ook.
Maar (!), vandaag is het al de achtste! En morgen de 9e, en de laatst gestelde termijn is de 10e! Ik heb net naar Malassis geschreven om hem te smeken om nog twee of drie dagen te wachten want ik neem aan dat u geen geld heeft; maar zal hij wel wachten? - U moet wel weten dat ik de man ken die hem heeft aangeboden die schuldvordering van 2000 frank te betalen. Het is een gemeen mens, een soort Auvergnaat in de literatuurhandel , en hij is onlangs naar Brussel gekomen en hij heeft me lopen kwellen om een boek voor hem te schrijven. Ik heb hem wreed geweigerd, en hij zei toen tegen me (lachend, zoals dat soort mensen altijd lacht) dat hij me daar ooit op een dag toe zou kunnen dwingen. Ik heb het niet goed begrepen; maar nu begrijp ik dat hij kennis had van de geheime transactie die ik u heb gegeven, en van de geldproblemen van Malassis.
Ja, mijn waarde, er zijn lange straffen voor jeugdzonden.  Als ik ooit uit al deze problemen kom, dan neem ik me voor om niets meer te lenen van wie dan ook. Maar kom ik hier ooit uit?
Volgende kwestie! Ik moet die 2000 frank aan mijn moeder teruggeven, en ik kan dat alleen maar doen door dat met voorschotten te doen, en pas vanaf het eind van dit jaar.
Voor die resterende 3000 frank van de schuldeis van Malassis, echt hoor, die zal ik ook terugbetalen, maar in delen, en op mijn gemak, want ik zal dat verschrikkelijke zwaard niet meer boven mijn hoofd hebben hangen.
Ik ben vol ongeduld om mijnheer Lemer weer terug te zien,en ik wil weten wat hij doet. Wanneer ik er aan denk dat een moment van waanzin van Malassis of gewoon een geldgebrek van hem al die moeite van Lemer overbodig kan maken, en dan al dat geld in de handen van een schurk kan laten komen!
Uw toegewijde,
                        C.B.
Aangezien ik zondagavond aankom, zal ik nog niets weten omtrent mijnheer Julien Lemer.

AAN MADAME AUPICK                Brussel, 26 juli 1865.
Lieve goede moeder,

Ik verzeker je dat je geklaag onterecht is. Ten eerste ging ik je al schrijven. Vervolgens, was er niet afgesproken dat ik je alleen pas zou schrijven wanneer er zaken opgelost waren? Wel, ik ben net zo ongerust als jij. Er is geen andere kwelling die te vergelijken is met deze: Niet te weten wat er ver van ons af gebeurt, wat met ons te maken heeft.
En toch, de affaire Malassis is opgelost. Alles is de 20e geregeld. Nu ben ik dan vrij!!! Dankzij jou. Nu kan ik mijn boeken verkopen, aan wie ik maar wil, en voor een prijs die ik wil. - Diezelfde 20 juli kondigde mijnheer Ancelle me aan dat hij bij mijn vriend Julien Lemer was geweest, en dat deze hem had verteld dat hij uiteindelijk de 20e of de 21e voor mij zou gaan onderhandelen, en dat hij goede hoop had om een voordelige overeenkomst te kunnen maken. - Maar sinds de 20e, niets meer gehoord!
Sainte-Beuve,die ik bij mijn tweede reis door Parijs heb gezien, vertelde me dat hij zich wel een beetje met de kwestie zou gaan bemoeien.
Toen ik uit Honfleur terugkwam in Parijs, zei mijnheer Julien Lemer, die beweerde dat hij met de heren Garnier aan het onderhandelen was, dat de chef van dat bedrijf net naar Normandië was vertrokken om zijn land te gaan bezoeken. Die schurken kopen maar kastelen met het geld dat wij hen laten verdienen.
(Hij zou zaterdag de 15e naar Parijs terugkomen. Zaterdag de 15e ben ik in Brussel aangekomen, en sindsdien wacht ik.)
Ik heb een enorme zin om Sainte-Beuve en Lemer weer opnieuw te schrijven; maar wat heeft het voor zin om mensen te kwellen waar ik zeker van ben?
Als ik maar wist wat de reden van die vertaging is!
Misschien is het Lemer niet gelukt, ondanks het feit dat hij zo zeker leek van zichzelf? Misschien vindt men 4800 frank voor de eerste oplage van zes boeken een beetje teveel?
Misschien is Lemer wel verplicht om de zes boeken over verschillende boekhandels te verdelen?
Ik kan niet werken door mijn ongeduld. Dat is het ergste wat er is.
Doe de hartelijke groeten aan mijn schoonzus.  Ik ben heel blij dat ze dicht bij je is en dat je voor haar zorgt.
Lieve moeder van me, ik zei je dat je klacht onterecht was. Maar ik houd altijd en nog steeds van je geklaag, omdat ik daaraan kan zien hoeveel je van me houdt.

                    CHARLES.
Het gaat niet slecht met me, en ook niet goed. Ik verveel me.

AAN MADAME AUPICK            Brussel, 3 september 1865.
Lieve goede moeder,

Wat moet ik zeggen, behalve dan dat wat je al vermoeden zult, dat ik me erg verveel, dat ik steeds maar denk hoe gelukkig ik zou zijn als ik bij jou zou zijn, en dat ik vaak aan het malen ben hoe ik alles wat ik repareren moet kan repareren, dat ik ontsteld ben van de afmeting van die taak, etc.? En ook dat ik binnenkort naar Parijs hoop te gaan met een bepaalde hoeveelheid manuscripten om daar geld voor te vragen, en dan tevens mijn schuld hier te verminderen; want ik kan er niet mee instemmen om van te voren die 4000 frank waar ik zo op hoop nu al te gaan opmaken, waarvan trouwens al zoveel afgehaald moet worden. Het is aannemelijk dat ik als ik in Parijs ben, de verleiding niet zal kunnen weerstaan om je in Honfleur te komen omhelzen.
Als mijn schoonzus nog bij je is, doe haar dan de groeten van mij, en zeg haar dat ik haar bedank voor alle lieve dingen die ze jou geeft.
Maar nu, wat kan ik antwoorden op je laatste brief? Men heeft ontdekt dat mevrouw Ancelle een gevoelige ziel had. Nee maar! Ik zal daar nooit helemaal zeker van zijn.
Dat ik me moet haasten om terug te komen, om mijn schuld niet nog groter te maken, dat weet ik.
Dat mijnheer Ancelle me aanraadt om terug te komen zonder te betalen en mijn manuscripten en mijn boeken achter te laten!!! Zo zeg! Maar hij is helemaal gek, stapelgek!
Ik houd van je, ik houd veel van je; ik ben heel treurig; ik heb veel kracht nodig. Vraag die kracht voor mij aan God. Misschien helpt me dat om die te vinden.
Wat Lemer betreft, hij heeft me eindelijk geschreven, op 9 augustus. Hij zou de 12e tekenen met Garnier , voordat deze zou vertrekken. Sindsdien, niets meer gehoord. Affaire mislukt? Dat lijkt me niet waarschijnlijk, want ze hadden daar immers al drie keer samen over gepraat.  Is Garnier vertrokken voordat de affaire getekend was, en is hij nog niet terug? Ik weet het niet. Mensen die niet in ballingschap zitten hebben geen idee hoe het voor de zenuwen is van iemand die in het buitenland vastgenageld zit, zonder communicatie noch berichten.
Ik heb net naar Sainte-Beuve geschreven, om hem te vragen of ze hem soms om raad hebben gevraagd.
Ik verveel me en ik omhels je.  Hoe gaat het met je ?
                    Charles.

AAN NARCISSE ANCELLE    Brussel, zondag 1 oktober 1865.
Beste Ancelle,

U krijgt deze brief morgenochtend, maandag, om 10 uur. Wilt u zo vriendelijk zijn om, zonder tot 's avonds 5 uur te wachten, me die 100 frank onmiddellijk toe te sturen met de post. Ik smeek het u, wacht niet tot de volgende dag. Ik verzeker u dat het heel erg dringend is. Het gaat om kleine urgente noodzakelijke dingen, om van die kleine dringende dingen die niet kunnen wachten.
Vanochtend kreeg ik nieuwe informatie uit Parijs. Het schijnt dat mijn affaire helemaal niet mislukt is, maar dat Hippolyte Ganier wil en dat zijn broer Auguste niet wil. Gelukkig is Hippolyte de sterkste. Maar die zit nog op het platteland.  - het gaat om 4000 frank. Alleen, als de zaak afgesloten is, dan zal alles van te voren opgemaakt zijn. - Dan blijft er niets over om de schulden in Frankrijk te betalen.
Ik hoop dat er van die 100 frank genoeg overblijft om voor de 15e naar Parijs te gaan, om die overeenkomst te tekenen, als die er komt.
Wanneer u mij die 100 frank heeft opgestuurd, wilt u dan zo vriendelijk zijn om dan, maar dan alleen daarna (omdat die 100 frank het meest dringend is), bij een gemeentehuis (na Saint-Sulpice) een uittreksel van mijn geboorteregister ( 9april 1821)  te vragen en het me hier naartoe te sturen. Ze vragen ernaar op het Stadhuis hier.
Ik heb het niet anders kunnen doen, aangezien ik geen verblijfplaats in Frankrijk heb, dan een wissel op naam van Miquel Rouget in te schrijven, te betalen bij u, - een wissel van 280 of 290, voor 25 of 26 oktober aanstaande. - U bent overigens volledig gewaarborgd. - Dan mag ik over september nog 110 frank bij u halen.

Er blijft voor u over         10
Hele maand oktober      160
November                    160
                                    330
                                    40 frank teveel.
Ik hoef  u niet te vertellen dat die wissel zeer onaangenaam voor me was. Maar de brief van Rouget was meer dan bevelend, smekend zelfs.
- net als de mijne, vandaag.
De hartelijke groeten aan Mevrouw Ancelle.
                Charles Baudelaire.

AAN NARCISSE ANCELLE             Brussel, 13 oktober 1865.
Ziet u nu wel, beste Ancelle, dat dit geboortebewijs urgent is.
Indien u het vergeten bent, stuur me dan in ieder geval een of ander bewijs waar mijn identiteit uit blijkt.
                        C.B.
Vergeet de wissel van 280 niet, voor de 25e.

AAN NARCISSE ANCELLE    Brussel, donderdag 26 oktober 1865.
Beste Ancelle,

Ik geloof dat de almachtige en nieuwsgierige gemeente Brussel zich eindelijk tevredengesteld heeft verklaard, nadat ze mij tot vermoeienis toe indiscrete vragen hebben gesteld, zoals dat over het algemeen gaat in landen van de vrijheid; want zes hebben me een officiële verblijfsvergunning gestuurd, maar waarvan ik, geloof me, maar heel kort gebruik van wil maken.
Ik wilde u bedanken voor de toon die uit uw prachtige brief klinkt. Aangezien u zich graag wilt interesseren voor mijn zaken, zal ik u zeggen dat ik Mijnheer Julien Lemer geen enkel verwijt heb te maken, en dat het helemaal zijn schuld niet is dat mijn schuld hier groter is eworden door de gedwongen uitgaven van de laatste vier maanden. (Helaas! De beloofde 4000 frank zullen misschien wel daarheen gaan.) Julien Lemer dacht dat het af te kunnen ronden op het moment dat ik uit Parijs wegging, op 15 juli. Na verschillende gesprekken (waarin hij had gezien dat Hippolyte Garnier, de sterkste van de twee broers, voor mij was en Auguste tegen me) moest hij Hippolyte Garnier weg laten gaan naar het platteland en voor zijn jaarlijkse reizen, zonder tot een overeenkomst te zijn gekomen (12 augustus). Ik hoorde dat Hippolyte (die hier  was, in Brussel, op 23 juli, maar waar ik zo goed voor gezorgd heb die niet te ontmoeten) weer op 25 juli naar Parijs terug heeft moeten gaan. Er is dus reden om te hopen dat mijn zaak hervat gaat worden. Lemer beweert dat dat die Hippolyte zeer toelacht. Maar het boek over België wordt uitgesloten voor publicatie. En dat is maar beter ook. Dan hebben we dat in ieder geval gered. We zullen daar later wel mee gaan handelen.
Bij het lezen van uw brief dacht ik te raden dat u misschien gealarmeerd was geworden over mijn situatie en dat u bang was voor weer zo'n verzoek om steun, waartegen u, uiteraard, weerstand moet bieden, en waardoor ik zo arm ben geworden. Nee, beste vriend; ik lijd, en ik zal nog meer lijden; maar ik geloof dat ik me daar in mijn eentje uit kan redden.
Maar toch, hierbij zit een reçu dat ik alvast heb voorbereid waarin van mijn kant uit al de intentie  zit om niets van u aan te nemen voor 31 december. Ik zie u vanaf hier al glimlachen of uw wenkbrauwen optrekken.
Het kan nu eenmaal niet anders. Het bedrag is minimaal; maar, de 200 of 300 frank die ik misschien van Le Monde Illustré ga krijgen, kan gebruikt worden om de snavel te smeren van mijn onverdraaglijke hotelbazin, met wie ik onlangs een vreselijk gesprek heb gehad, en ze valt me al lastig sinds 15 juli. En wist u dat ze ook mijn brieven in de gaten houdt, en dat ze bij elke nieuwe brief die aankomt nieuwsgierig naar me toe snelt. Dat wordt onhoudbaar zo. Die 200 frank is op 10 frank meer of minder na, alles wat ik voor januari aan u mag vragen, waarbij de 290 frank van Miquel Rouget bijgezet zijn op de rekening van mijn uitgaven. Ik heb dat allemaal heel precies opgeschreven.
Ik wil daar aan toevoegen dat u het me deze keer met de poste restante moet sturen, want die nieuwsgierigheid van die vrouw irriteert me zó! Ik ga dan overmorgen, zaterdag, naar het postkantoor, maar ik zal wel ongerust zijn indien er zondagochtend nog niets is.
Mijn tweede zenuwinzinking zal als oorzaak het wachten op het antwoord van Le monde Illustré hebben.
Ik hoop dat er in ieder geval de eerste helft van de volgende maand een eind komt aan mijn lijdensweg.
Mijn gezondheid, zegt u? Hoe wilt u nu in hemelsnaam dat ik gezond ben met zoveel woede en zorgen!
En die van u dan? Ik heb zojuist gehoord dat die formidabele vriend, Édouard Manet, een cholera- aanval  heeft gehad. Maar hij is buiten levensgevaar.
Wat me nog het meest irriteert, meer nog dan de armoede, meer nog dan hoe V. Hugo me heeft vermoeid, meer nog dan de domheid waarmee ik omringd ben, dat is een soort slaaptoestand waarin ik verkeer, waardoor ik aan mijn capaciteiten ga twijfelen. Na zo'n drie of vier uur werken ben ik niets meer waard. Een aantal jaren geleden werkte ik soms zo twaalf uur lang, en nog met plezier ook!
Zodra Lemer de overeenkomst voor elkaar heeft ga ik pakken, en tien dagen daarna ben ik in Frankrijk.
En mijn arme moeder, wat moet die wel niet denken van me?

De hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle.
Uw toegewijde,
                    C.B.

En de brief Custine?
Ga die nu maar niet zoeken; dat zou uw antwoord maar vertragen.
De brief Custine wordt pas onmisbaar zodra de heren Garnier naar het bericht met de rechtvaardigingsstukken van Les Fleurs du mal gaan vragen.
Noot: ik heb die 200 frank voor zondag beloofd.

AAN NARCISSE ANCELLE        Brussel, donderdag 21 december 1865.
Beste Ancelle,
Ik had u al veel eerder moeten antwoorden; maar ik heb weer een aanval gehad van zenuwpijnen in mijn hoofd en dat duurt nu al meer dan twee weken; weet u dat je daar gek en stom van wordt; en om vandaag te kunnen schrijven aan u, aan Lemer en aan mijn moeder, heb ik mijn hoofd in een wrong moeten wikkelen die ik ieder uur in pijnstillende vloeistof drenk. De aanvallen zijn minder heftig dan vorig jaar, maar de pijn duurt nu wel veel langer. - Ik moet u voor alles duizend excuses maken voor de last die ik u ga bezorgen. Er is niets onverdraaglijker voor een druk bezet man dan opdrachten krijgen. Ik weet heel goed hoe onbehoorlijk ik ben; maar hoe moet ik het dan doen, en tot wie anders kan ik me richten, behalve dan aan u?
Het gaat om het horloge. Trouwens, het is (of anders was!) tijd om het in te lossen, en u weet hoezeer ik aan dat souvenir gehecht ben. Ik heb de manie om op elk tijdstip te willen weten hoe laat het is, en ik kan niet werken zonder klok. Ik heb heel lang een klok gebruikt die ik geleend had maar die men nu teruggevraagd heeft. En dus is het beter om in te lossen dan verlengen.
Het spijt me echt heel erg voor de ritten die u hierdoor moet gaan maken. Een of misschien twee keer naar de Lommerd gaan, het dan zorgvuldig in een doosje inpakken zó, dat het onderweg niet kan bewegen, en het dan tenslotte bij de Spoorwegen of op het postkantoor afgeven, en een reçu vragen. ik geloof dat u gelukkig wat men noemt een grote erkenning heeft, en dat het bureau in de rue Joubert een groot  bureau is. En dus is er maar één rit nodig. Maar u kunt u dit ook allemaal overlaten aan een loopjongen waar u vertrouwen in heeft.
Het reçu dat hierbij zit is voor de 40 frank van het horloge, 100 frank die ik aan u vraag voor de Nieuwjaarsinkopen  (wat ik heel erg vind) (en omdat ik ze niet voor de hotelbazin wil besteden vraag ik u om het poste restante te adresseren) , en dan als laatste nog 10 frank waarvan ik veronderstel dat die meer dan genoeg zijn voor de rente van de Lommerd en de twee frankeringen. Het spreekt voor zich dat ik de eerste maanden van het nieuwe jaar het verstoorde evenwicht door dat voorschot van 300 frank moet gaan herstellen. Dat is makkelijk te doen door maar 80 of 90 frank per maand op te nemen. Dan staan we in april weer gelijk. Ik ga niet opscheppen dat ik die ordinaire deugden die u mij zo vaak gepredikt heeft allemaal al bezit, maar u heeft toch wel moeten bemerken dat ik er al aardig naartoe neig.
Ik moet ongeveer zo'n dertig frank zien te verkruimelen onder de bedienden, en ik kan het niet maken om niet bij twee of drie huizen met wat kleinigheden aan te komen, met name bij Madame Hugo, bij wie ik lange tijd over de vloer kwam.
Ik zie nu niemand meer, - ondanks uw raad.
Ik heb liever mijn verveling dan een afleiding met flauwe gesprekken. En daarbij, ik heb mijn hoofd altijd maar bij mijn moeder of bij die vervloekte Julien Lemer. Verder niets. - ik kan trouwens mijn kamer toch niet meer uit. Mijn kapsel zorgt voor schandalen, zelfs op de gang.
En u gaat er van uit dat ik die onzin uit Parijs lees en dat geklets van ene mijnheer Rochefort; maar ik ken dat wat men de kleine journalistiek noemt maar al te goed, net als de kleine krantjes, en de caféliteratuur! En u heeft het over heer Lanfrey; maar u bent mijn haat dus vergeten jegens wat men de liberalen noemt. En het boek over België is nu juist mijn uitdrukking van die haat. - Julien Lemer heeft me er onlangs om gevraagd, of in ieder geval de exacte opzet ervan, een samenvatting. Ik denk dat hij het wil kopen. Maar zolang ik geen hoop heb op een paar uur respijt in mijn schedel, kan ik echt niet werken.
Een paar dagen geleden, twee weken ongeveer, heb ik een aangenaam bezoek gehad dat mijn humeur een beetje heeft opgebeurd, - voor een paar uur. Een jonge man uit Parijs, uit mijn vriendenkring, is naar me toegekomen; hij had Julien Lemer gezien toen die bij de heren Garnier vandaan kwam, nog altijd volhoudend dat de zaak goed zou komen. Lemer heeft het niet meer over 4000 frank, maar over 5000 of 6000. Maar wat een geheimzinnigheid toch, al dat getreuzel! Nou ja, als het tumult van Oud en Nieuw over is, dan ga ik dat zelf wel allemaal uitzoeken.
En mijn naam die vergeten wordt! En Les Fleurs du mal die maar slapend waardevol zijn, en die als ze in handen waren gekomen van een behendig iemand al sinds negen jaar twee uitgaven per jaar hadden kunnen hebben! En die andere boeken! Wat een vervloekte situatie!
En als we aannemen dat België helemaal af komt, en door Lemer wordt gekocht, dan kan hij me daar hooguit maar 800 frank voor geven voor een eerste oplage; maar, niet alleen is dan zo'n bedrag absoluut niet genoeg voor mij, maar bovendien kan ik het boek niet laten drukken zolang ik in België ben. En dus moet ik terugkomen bij de affaire Garnier.
De nieuwe Koning heeft zijn triomfintocht gemaakt op een muzikale deun van de Bouffes-Parisiens, "C'est le Roi barbu qui s'avance." Dat is de fout van een naïeve Duitser die het militaire orkest dirigeerde. Dit volk is zo diepgeworteld dom dat niemand dat komisch vond.
De prinsen van Orléans hebben de eedaflegging niet bijgewoond. Zij gingen liever weg dan aan de ambassadeurs hun voorrangspositie af te staan.
Die hele nationale rouw heeft zich geuit in een afschuwelijk drankmisbruik. Nooit waren de straten zo overstroomd met urine en braaksel. Op een avond wilde ik naar buiten gaan, en toen viel ik meteen op de grond.
- Kijk nu hoe ik een hoofdstuk moet toevoegen over de oude Koning.
Indien u, net als ik, er van houdt om uw hart met woede te vullen, moet u eens een groot Parijs succes gaan lezen; Une cure du docteur Pontolais. Dat is het verhaal van een heilige die bekeerd wordt tot atheïsme door een jonge arts. Het is een belediging, geschreven door een domkop. Het is vrouw Sand waardig.
Nogmaals, duizend maal excuus, en mijn hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle.

                        C.B.

In ieder geval zal ik zondag mijn hoofd inpakken en naar het postkantoor gaan. Misschien neemt de post ook pakjes aan voor de poste restante.
Ik zou heel blij zijn om uw twee antwoorden zondag te krijgen (het pakket van de Spoorwegen, - of het moet het postkantoor zijn die zich daar mee bezig houdt, - en de aangetekende brief  bij de poste restante) , de dag voor Kerst. Maar ik vrees dat u dat niet allemaal in twee dagen kunt doen.

AAN MADAME AUPICK               Brussel, vrijdag 22 december 1865.
Lief goed klein moedertje van me,

Ik had je meteen op je dringende verzoek moeten antwoorden; maar ik heb drie of vier dagen dom lopen lanterfanten, en toen heb ik een zenuwpijn of hevige reumatiek in mijn hoofd gekregen, net als vorig jaar, maar nu duurt het langer, want kijk het duurt nu al twee weken dat deze martelgang voortduurt. Nu zitten er wel tussenpozen in, want ik ben je immers nu aan het schrijven, maar ik weet nooit zeker of ik een rustpauze van twee uur heb. Ik heb laxeermiddelen genomen; en ik heb mijn hoofd in doeken gewikkeld die ik in kalmerende vloeistof heb gedrenkt. Ik heb wel even wat verlichting gehad; maar de pijn wil niet weg. En nu ben ik dus geen baas meer over mijn eigen tijd. En dan krijgt men hevige spijt niet te hebben gewerkt in tijden van goede gezondheid.
Het woord rente-inkomen was goed om op te vallen bij je, niet? Het is niet helemaal correct, en toch lijkt datgene wat ik bedoel veel op een inkomen. Er zijn boeken die een tijdelijke populariteit hebben; en er zijn andere die altijd verkopen. Mijn vertaling van Poe, waarvan ik de rechten voor 2000 frank heb afgestaan twee jaar geleden, leverde me gemiddeld 500 of 600 frank op. Als ik me sinds negen jaar serieus had beziggehouden met Les Fleurs du mal, dan waren ze minstens al negen keer herdrukt als het niet meer is, en dan had ik iedere keer mijn auteursrechten gekregen. Bij de boeken waar Lemer zich mee bezig houdt om te gaan verkopen, zitten er geloof ik maar drie die mogen hopen op ofwel een eeuwige verkoop, maar op zijn minst toch op een paar drukken, en dat zijn Les Fleurs du mal, Le Spleen de Paris, en  Les Paradis artificiels. - Kritieken verkopen over het algemeen langzaam, en worden niet vaak herdrukt. Je begrijpt nu misschien wel dat wanneer een schrijver de baas blijft over zijn eigendom, en hij een bepaald aantal boeken heeft die makkelijk verkopen, hij dan een soort rente-inkomen bezit. Om het je eenvoudig uit te leggen, stel je eens voor dat men via de wet het literaire eigendom tot in het oneindige mag overdragen, en dat sinds de dood van Racine zijn erfgenamen de auteursrechten over de herdruk van zijn tragedies hadden gekregen, kun je je dan voorstellen wat voor enorme sommen geld zij dan zouden hebben gekregen, zelfs wanneer we er van uitgaan dat het uiterst minieme rechten zijn? Eigenaar blijven van je eigen werk (als enkele van die werken lange tijd achterelkaar goed verkocht worden), dat is bijna rijk zijn.
- Een imbeciel had daarstraks het slechte idee om me op te komen zoeken. Na zijn vertrek kreeg ik weer sprongen van zenuwpijnen in mijn hoofd. Ik onderbreek mijn brief. Er bestaan pillen met een speciale samenstelling tegen zenuwpijnen, ik geloof met kinine, codeïne  en morfine. Omdat ik al heel lang een afschuw jegens opium heb, ben ik het nooit gaan gebruiken. maar als het over twee of drie dagen nog niet over is, ga ik het proberen.

                Zaterdag 23 december 1865.

Met betrekking tot de voortdurende pech waarover ik klaag (en waarop ik wraak zal nemen als ik dat kan) , kan ik toch niet, lieve moeder van me, jouw mening delen, ondanks alle eerbied die ik voor je heb. ik ken mijn slechte eigenschappen, mij fouten en mijn lafheid net zo goed als jij; ik zou mijn fouten graag nog vergroten, en ondanks dat, houd ik vol dat Parijs nooit erg eerlijk voor me is geweest; - dat men mij nooit heeft gegeven wat ik verdien, niet alleen in geld maar men heeft mij ook nooit op mijn waarde geschat. En het beste bewijs dat er een soort van pech boven mij hangt, is wel dat mijn eigen moeder zich in menige omstandigheid zelf ook tegen me keert.  - Over drieën een halve maand word ik vijfenveertig. Het is te laat voor me om nog een klein kapitaaltje op te bouwen, vooral met mijn onaangename en onpopulaire talent. Het is misschien te laat al zelfs om al mijn schulden nog te kunnen betalen, en het zeker te stellen dat ik een vrije en eervolle oude dag kan onderhouden? Maar als ik ooit weer de groene jeugdigheid en de energie te pakken kan krijgen zoals ik zie vroeger ooit had, dan zal ik mijn woede met afschuwelijke boeken bekoelen. Ik zou de hele mensheid wel tegen me op willen zetten. Ik zie daar een genot in dat me voor alles zou troosten.
In afwachting daarvan slapen mijn boeken, gemiste waardes voor dit moment. En daarbij, men is mij aan het vergeten.
Een jongeman uit mijn vriendenkring die uit Parijs kwam en door Brussel reisde, zei tegen me dat hij Julien Lemer was tegengekomen toen die net bij Garnier vandaan kwam. En die beweerde nog steeds dat de zaak goed kwam. Hij had het niet meer over 4000 frank, maar over 5000 of 6000 frank.
Maar wat een geheimzinnigheid al dat getreuzel! Nou ja, ik zal zelf dan maar naar Parijs gaan, na de drukte van Nieuwjaar, om over dat alles dingen te weten te komen, en dan zal ik vast ook wel tot aan Honfleur doorreizen.
Julien Lemer heeft me laten weten dat hij graag de opzet en wat fragmenten uit het boek over België zou zullen zien. Nu is België ineens in de mode, door de dood van die oude beer van een koning, en door een massa aan kleine omstandigheden. Ik verdenk Lemer ervan dat hij het voor zichzelf wil hebben. Maar als ik er van uitga dat wanneer het boek af is, dan zijn die 800 frank (dat is alles wat hij me ervoor zou kunnen geven) niet genoeg om me uit de ellende te halen; en om redenen die jij wel makkelijk kunt raden, kan ik het boek niet laten drukken en publiceren zolang ik niet hier vandaan ben. - En dus moet ik wéér terug naar die affaire Garnier, aangezien hij zich daarin wil vastbijten. Maar wel een half jaar kwijt! Wat een mysterie!
Maar goed, lieve moeder, ik verveel me dood; mijn grote afleiding is aan jou te denken. Mijn gedachten zijn altijd bij jou. Ik zie je in je kamer of in je huiskamer, werken, heen en weer lopen, gesticuleren, mopperen, en me van een afstand verwijten maken. En ik zie ook mijn kindertijd die ik in jouw nabijheid heb doorgebracht, en de rue Hautefeuille, en de rue Saint-André-des-Arcs;  maar dan ontwaak ik soms uit mijn dromerijen, en dan denk ik met een soort van terreurangst: "Wat belangrijk is, is een werkritme te krijgen, en van die onaangename compagnon mijn enige pleziertje te maken. Want er komt een tijd dat ik niets anders meer heb."
Je wordt er moe van hè, me te schrijven? Dat liet je me merken in je laatste brief. Schrijf me dan van tijd tot tijd een paar regels, om me te zeggen dat het goed met je gaat, als dat waar is tenminste. Want ik wil wel de waarheid voor alles.

Ik zou graag jouw portret willen hebben. Dat is een idee dat ik heb opgevat en me maar niet loslaat. Er zit een uitstekende fotograaf in Le Havre. Maar ik vrees dat dat nu niet kan. Ik zou erbij moeten zijn. Jij hebt er geen verstand van, en alle fotografen zelfs de beste, hebben belachelijke manies; zij vinden een foto goed waarop alle wratten, alle rimpels, alle gebreken en foutjes, alle grove trekken van het gezicht heel goed en heel overdreven te zien zijn; hoe HARDER het beeld, hoe leuker ze het vinden. Daarbij zou ik graag willen dat het gezicht op zijn minst twee duim van afmeting is. Wat ik wil is alleen maar in Parijs te krijgen, dat wil zeggen een precies portret, maar dat het vage van een tekening heeft. Maar goed, we denken er nog over, goed ?

Lange tijd geleden alweer had ik een keer twee snuisterijtjes voor je op de kop getikt die je wel leuk zult vinden, hoop ik. Zodra ik genoeg heb om het in te pakken en de port te betalen, stuur ik het je op. Als je het niet leuk vindt, moet je het me eerlijk zeggen, maar neem dan in ieder geval de intentie aan van een zoon die heel gelukkig zou zijn indien hij jou iedere dag nieuwjaarsgeschenken zou kunnen geven, en die zelfs wel de Duivel zou willen spelen om vergeving te krijgen voor al het verdriet dat hij je gedaan heeft. - Schrijf me hoe het met je gaat.
Deze brief gaat vanochtend weg. Dan krijg je hem zondagochtend als er in Honfleur ook op zondagochtend post wordt rondgebracht.
                         Charles.

AAN NARCISSE ANCELLE                Brussel, dinsdag 26 december 1865.
Beste vriend,

Ik dank u zeer. Vanochtend ben ik naar buiten gegaan naar het postkantoor en ook om een inpakker te zoeken voor de spullen die ik naar mijn moeder wil sturen.
Ik ben een beetje nevelig in mijn hoofd, mistig, en afgeleid. Dit komt door een lange reeks aanvallen, en ook door het gebruik van opium, digitalis, belladonna en kinine. - Ik had een dokter laten komen en die wist niet dat ik vroeger al eens lange tijd opium had gebruikt. Daarom had hij me gespaard, en daarom moest ik de doses eerst verdubbelen en daarna verviervoudigen. Het is me gelukt om de tijdstippen van de aanvallen te verplaatsen; dat is al heel wat. Maar ik ben wel erg moe.
Daarom wil ik u ook bedanken voor de 100 frank. Maar voor het horloge vergist u zich door te denken dat het niet dringend is. - De oorspronkelijke verpanding vond plaats in september 1863. - De laatste termijn was oktober 1864. - U heeft de verpanding verlengd; - laatste termijn, november 1865. En nu zitten we al eind december; en dus is de wettelijke termijn voorbij. Als het fout gegaan is (want, nu de dertiende maand voorbij is, beschouwt de lommerd de voorwerpen als hun eigendom) moeten de verkoopregisters doorgekeken worden (zeer vermoeiend) en de naam van de koopman die het horloge heeft gekocht, en die zal het me herverkopen voor wat hij maar wil, als hij het nog heeft tenminste. - Maar denkt u ook eens aan hoe vermoeiend het voor mij is dat ik het vage klokgelui van de stadklokken maar op moet zien te vangen vanuit mijn vervloekte kamer.
Ik moet het nog even met u hebben over Julien Lemer. Al die vertragingen zijn voor mij erg geheimzinnig. Komen die door een afname van de wilskracht of een gebrek in het karakter van Lemer, of zou het niet een teken zijn van een buitensporige voorzichtigheid van die brave jongen, die me al twee of drie keer schreef: geduld! geduld! En, misschien, omdat hij elke vorm van salaris van mij geweigerd heeft, heeft hij hoop gehouden dat hij door de gebroeders Garnier uitbetaald zou worden, onder het mom hen een uitstekende overeenkomst te bieden?  Wat ik zeg is misschien fijnzinnig, maar is geen onzin.
Als gevolg van de affaire Malassis bent u in de gelegenheid geweest om Lemer te ontmoeten een half jaar geleden, en nu weet hij dat u een vriend van de familie bent en dat ik soms geld van u krijg. Ik heb er dus geen enkel bezwaar tegen dat u bij hem langs gaat en dat u met uw gebruikelijke tact , zachtaardig, lichtjes, zonder hem te kwetsen, met hem gaat praten over mijn ongerustheid en de hindernissen die hij ondervindt voor het realiseren van zijn beloftes.
Als dat zou plaatsvinden, denk dan aan vier punten.
1. Dat ik niet op zijn uitnodiging ben ingegaan die hij me via een gemeenschappelijke vriend, commandant Lejosne, heeft doorgegeven (om een opzet en fragmenten van het boek over België), omdat ik heel ernstig ziek ben geweest, vooral sinds het bezoek van mijnheer de Massenet de Marancour.
2. Mijn problemen en zorgen. De kleine bedragen die u me allemaal heeft gestuurd halen het niet bij mijn uitgaven. Gedwongen en oneindig groeiende schulden.
3. Mijn echte behoefte om mijn moeder en mijn thuis weer te zien.
4. En dan als vierde het gevaar dat er is dat ik vergeten ga worden en dat mijn boeken slapen. Dat tart me het meest.
Nu de grote poppenkast van de Belgische Rouw voorbij is, beginnen de zure over Léopold I te komen. Het was echt een regelrechte treurige schurk. Geloof me. Ik heb de Franse kranten gelezen. Over het algemeen zijn ze idioot; behalve een artikel van La Patrie, ondertekend door Casimir Delamarre, begrijpen de Franse kranten niets van de Belgische kwestie.
Zie ook in Le Figaro een artikel over Léopold - een goed artikel ondertekend door  Yvan Woestyne - wat betekent Van de Woestyne, - officier van de Belgische artillerie die ik in Parijs heb gekend. De Belgische officiers vinden hem een schoft, dat spreekt voor zich.
De artikelen van Sainte-Beuve, het zijn er drie of vier, zijn verschenen in La Revue contemporaine; het zijn kleine wondertjes van intelligentie en elasticiteit.
Al uw liberalen zijn verdoemd.

AAN MADAME AUPICK                    Brussel, 27 december 1865.
Lieve moeder,

Hierbij de kleinigheidjes waar ik het over had. De karafjes voor olie en azijn, met het houdertje. Je moet er misschien om lachen. Ik geloof dat het oud plateel is uit Rouen. Maar ik weet het niet zeker. Om je de waarheid te zeggen, eigenlijk vind ik de scherf en het glazuur middelmatig. Er zit een klein foutje in (een schilfertje, een rondje glazuur dat eraf is gesprongen) dat ik maar niet heb laten repareren, omdat ik vond dat het de moeite niet was en omdat ik ook niet wist bij wie ik dat kon laten doen.
Die jardinières (dat zijn plantenbakken waar water in kan en waarin je bloemen in waaiervorm kan zetten of als een scherm kan opstellen) , die zijn zoals je kunt zien nogal fijn en glanzend. Delfts aardewerk.
Je vindt dit allemaal misschien wat bijzonder armzalig. Maar je zult me toch kunnen bedanken dat ik op zijn minst getracht heb je te een plezier te doen.
De port is betaald.
Hoe gaat het met je? Schrijf me daar een beetje over, maar wel kort want anders word je moe toch, van het schrijven.
                        Charles.

Ik krijg net je briefje. Wat een vreemd idee om mijn snuisterijen te weigeren! Wat oneerlijk. Ik heb die jardinières maandenlang met mijn ogen zitten bekijken alsof ik ze uitbroedde! - Aangezien ik de hamerslagen en die onhandigheid van Aimée niet vertrouw, heb ik de kist met schroeven en niet met nagels laten dichtmaken. Hij moet dus open geschroefd worden en niet die planken laten openspringen. En aan de binnenkant moet ze ook uitkijken: er zullen wel latten in zitten die de voorwerpen bijeen houden. Die spijkers van die latten moeten er voorzichtig uitgehaald worden.
De dokter heeft me opium, digitalis, belladonna en kinine voorgeschreven.
Het is me gelukt om de tijdstippen van de aanvallen te verschuiven. Ze zeggen dat dat al een heel goede vooruitgang is. En de aanvallen zijn ook veel minder pijnlijk. Maar ik ben wel heel moe.
Schrijf je me of de voorwerpen goed zijn aangekomen.

                        C.B.

Uiteindelijk heeft de inpakker toch besloten om nagels te gebruiken en geen schroeven. Dus pas op! - Er zitten ook geen latten in, en ik denk dat het heel slecht is ingepakt.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact