Baudelaire 1852

Charles Baudelaire 1852

De volgende brief is gericht aan "Marie", echter niemand heeft ooit exact geweten wie de persoon was die deze boodschap kreeg.

AAN MADAME MARIE
                Parijs, cité d’Orléans [begin 1852?]
Madame,

Is het goed mogelijk dat ik u niet meer mag zien? Dat is voor mij een heel belangrijke vraag, want ik ben nu alweer zover dat uw afwezigheid voor mijn hart reeds een enorm gemis is.
Toen ik hoorde dat u het poseren afzegde en dat ik daar ongewild de oorzaak van was, werd ik heel vreemd verdrietig. Ik wilde u toen schrijven, hoewel ik niet erg voorstander van schrijven ben. Men krijgt daar bijna altijd spijt van. Maar ik loop geen enkel gevaar want ik ben vastbesloten om me voor altijd aan u te geven. Wist u dat ons lange gesprek van donderdag heel erg vreemd was? Door dit zelfde gesprek ben ik in een nieuwe toestand gekomen die de gelegenheid voor deze brief gaf.
Een man die zegt: “Ik houd van u!” en die smeekt – en een vrouw die antwoordt: Van u houden? Ik! Nooit! Er is er maar één die mijn liefde heeft. Onheil voor degene die na hem komt; die zal dan alleen maar mijn onverschilligheid en mijn misprijzen krijgen!” En diezelfde man wilde het plezier hebben om wat langer in uw ogen te mogen kijken, en liet u tegen hem praten over een ander, u sprak alleen maar over hem, u ontvlamde alleen voor hem, en u dacht alleen maar aan hem . Uit al die bekentenissen bleef een heel vreemd feit over, en dat is dat u voor mij niet alleen maar meer een vrouw bent waar men naar verlangt, maar een vrouw waar men van houdt om haar oprechtheid, om haar passie, om haar frisheid, om haar jeugdigheid en om haar dwaasheid!...
Ik heb veel verloren door die verklaringen van u want u was zo vastbesloten dat ik me meteen daarna wel moest onderwerpen; maar u, mevrouw, u hebt er wel heel veel bij gewonnen. U hebt een groot respect en een diepe waardering bij mij opgewekt. Blijf altijd zo en bewaar dat goed, die passie die u zo mooi en zo gelukkig maakt.
Komt u alstublieft terug, ik smeek het u, dan zal ik me heel lief en bescheiden gedragen met mijn verlangens. Ik verdiende het om geminacht te worden door u toen ik u had geantwoord dat ik ook blij was met de kruimels. Ik loog toen. Oh! Als u eens wist hoe mooi u toen was die avond!... Ik durf u geen complimenten te maken, dat is zo banaal! Maar uw ogen, uw mond, uw hele levendige en geanimeerde wezen komt langs, nu, voor mijn gesloten ogen, - en ik voel heel goed dat het definitief is. Komt u alstublieft terug, ik vraag het u op mijn knieën; ik zeg niet dat u mij zonder liefde zult vinden, maar toch kunt u ook mijn geest niet tegenhouden om rond uw armen, om uw mooie handen te dwalen, om uw ogen, waar uw hele leven in zetelt, om uw hele aanbiddelijke zinnelijke persoon. Nee, ik weet dat u dat niet kunt; maar wees gerust, u bent voor mij een aanbiddelijke verering, en het is onmogelijk dat ik u bezoedel ; ik zal u altijd net zo stralend zien als daarvoor. Uw hele persoonlijkheid is zo goed, zo mooi en zo lief om in te ademen! U bent voor mij het leven en de beweging, niet zozeer juist vanwege de snelheid van uw gebaren en de gewelddadige kant van uw karakter, als wel vanwege uw ogen, die de dichter alleen maar een onsterfelijke liefde kunnen inspireren.
Hoe moet ik u vertellen hoezeer ik van uw ogen houd, en hoezeer ik uw schoonheid waardeer? Zij bevat twee tegenstrijdige charmes, maar bij u spreken die elkaar niet tegen: de charme van het kind en de charme van de vrouw. Oh! Geloof me, ik zeg het uit de grond van mijn hart, u bent een aanbiddelijk wezen en ik houd heel erg veel van u. Dat is een deugdzaam gevoel waardoor ik voor altijd aan u verbonden ben. Ondanks uw wil zult u voortaan mijn talisman en mijn kracht zijn. Ik houd van u, Marie, dat is ontegenzeggelijk, maar de liefde die ik voor u koester is de liefde van een Christen voor zijn God. Geef daarom ook nooit een aardse naam, die zo vaak schandelijk is, aan deze onlichamelijke en mysterieuze verering, aan deze lieflijke en kuise aantrekkingskracht, waardoor mijn ziel aan de uwe is verbonden, ondanks uw wil. Dat zou heiligschennis zijn!


Ik was dood, u heeft me weer geboren laten worden. Oh! U weet niet wat ik u allemaal schuldig ben! Ik heb uit uw engelenogen onbekende vreugden gehaald; uw ogen hebben me geïnitieerd in het geluk van de ziel in alles wat zij aan het meest perfecte en delicate bezit. Voortaan bent u mijn enige koningin, mijn passie en mijn schoonheid, u bent het gedeelte van mij dat gevormd is door een spirituele streling.
Door u, Marie, zal ik groot en sterk zijn. Als Petrarca zal ik mijn Laura onsterfelijk maken. Wees mijn beschermengel, mijn Muze en mijn Madonna, en begeleid mij op de weg naar de Schoonheid.
Wilt u me antwoorden met één woord, alstublieft, eentje maar. In het leven van iedereen zijn er van die twijfelachtige en beslissende dagen waarop een getuigenis van een vriendschap, een blik, een klein krabbeltje u tot een stommiteit kunnen brengen. Ik zweer u dat ik daar nu ben aanbeland. Een woord van u zal het gezegende iets zijn waar men naar kan kijken en dat men uit het hoofd leert. Als u eens wist hoezeer u bemind wordt! Kijk, hier, ik leg me aan uw voeten; een woord, zeg me een woord… Nee, u zult dat niet zeggen!
Gelukkig, duizend maal gelukkig is degene die u uit al die anderen gekozen heeft, u zo vol wijsheid en schoonheid, u zo aantrekkelijk, met talent, geest en hart!Welke vrouw zal u ooit nog kunnen vervangen? Ik durf niet om een bezoekje te vragen, u zou me dat weigeren. Ik wacht liever. Ik zal jaren wachten, en wanneer u zult zien dat u koppig bemind wordt met respect, met absoluut zonder enig eigenbelang, dan zult u zich herinneren dat u begonnen was met me te mishandelen, en dan zult u toegeven dat het een slechte daad was.
Enfin, ik ben niet vrij om de klappen te weigeren die het idool behaagt me te geven. Het behaagde u me de deur te wijzen, het behaagt mij u te aanbidden, dat is een uitgemaakte zaak.

                            Ch. Baudelaire.

AAN DE VOORZITTER VAN LA SOCIÉTÉ DES GENS DE LETTRES
                                    Parijs, 1851- 1852.
Geachte mijnheer de Voorzitter,

Vanwege een onvoorziene urgentie ben ik genoodzaakt de hulp in te roepen van de kas van La Société voor een bedrag van 85 frank. Mijnheer Godefroy zal u mijn relatie ten opzichte van La Société uitleggen. Ik heb geen schulden, en dit is de eerste keer dat ik u een dergelijk verzoek doe. Over enkele dagen zal ik hier een novelle afgeven voor Le Bulletin.
Geachte Voorzitter en gewaardeerde collega,
Met de meeste hoogachting,
                        Charles Baudelaire-Dufaÿs.
                        Rue des Marais-du-Temple.

AAN ACHILLE RICOURT
                                [1852].
[Baudelaire zendt hem :]
DE WIJN VAN EEN VODDENMAN



Vaak, bij het sombere licht van de lantaarns
Door de nachtwind getergd in hun glazen,
Diep in die sombere en slinkse wijken
Waar kouwelijke huwelijken bij duizenden wemelen,

Ziet men een voddenman met knikkend hoofd aankomen,
Botsend en stotend tegen de muren als een poëet,
Zonder zich zorgen te maken over duistere kijkgaatjes,
Stort hij zijn hart uit in de stille lucht.Honoré Daumier

Ja, die mensen opgejaagd door echtelijk verdriet,
Geradbraakt door het werk, en gekweld door de leeftijd,
Hun rug laag, en geplet onder het gewicht van de resten
En de smerige mest die Parijs weggooit,

Komen terug, geparfumeerd met een vatengeur,
Zij commanderen een leger en winnen gevechten;
Zij zweren dat zij hun volk altijd gelukkig zullen maken,
En volgen als op een paard hun glorieuze lotsbestemmingen.

En zo laat door de frivole mensheid heen
De wijn het goud rollen als een nieuwe Goudmijn;
Door de keel van de mens zingt hij zijn heldendaden;
En regeert door zijn weldaden als de goede koningen.

Om hun hart te bedaren en hun lijden te kalmeren
Van al die onschuldigen die in stilte sterven,
Had God hen al de zachte slaap gegeven,
Maar voegde hij de Wijn daarbij, heilige zoon van de Zon.

                                Charles Baudelaire

AAN EEN CORRECTOR VAN DRUKKERIJ PILLET

                        Parijs, zondag 22 februari 1852.
Mijnheer de Corrector,

Ik meen dat ik u beter vandaag dan morgen verwittig van twee zaken die ik vergeten ben.
Boven het artikel moet tussen de titel en de eerste regel het Romeinse cijfer I komen.
Wilt u ook zo vriendelijk zijn om te zoeken naar de passage waar sprake is van de dood van Poe, ongeveer drie of vier pagina’s voor het eind, en na het volgende:

En het was in een van deze bedden dat de auteur van De Zwarte Kat en van Eureka  stierf, moet staan :

, op 7 oktober 1849 in de leeftijd van zevendertig jaar.

Wilt u zo vriendelijk zijn om al deze correcties te verifiëren met de drukproef die ik al gecorrigeerd heb.
Mijn oprechte excuses voor al deze ophef.
                        Charles Baudelaire

 

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, zaterdag 27 maart 1852.  2 uur ’s middags.


Het is 2 uur; als ik wil dat deze brief vandaag nog weggaat, dan heb ik maar tweeëneenhalf uur om je te schrijven, en ik heb je heel wat te vertellen. Ik schrijf je vanuit een café tegenover het grote postkantoor, tussen de herrie, het triktrak en het biljarten, zodat ik wat meer kalmte en gemak tot nadenken heb. Dat zul je straks wel begrijpen.
Hoe komt het dat ik in negen maanden geen dag kan vinden om mijn moeder een brief te schrijven, zelfs niet om haar te bedanken? Dat is echt een heel raar verschijnsel. En elke dag eraan denken, en elke dag zeggen: ik ga een brief schrijven. En alle dagen vliegen voorbij in de drukte van een massa aan steriele dingen, of in het maken van ziekelijke artikelen die in alle haast gemaakt zijn om maar wat geld te verdienen. Je zult in deze brief dingen vinden die je vast leuk zult vinden en die je zullen bewijzen dat hoewel ik nog veel te lijden heb door bepaalde gebreken, mijn geest, in plaats van af te stompen, groter wordt; je zult andere dingen tegenkomen die je zullen bedroeven. Maar heb jij me niet aangemoedigd om alles te vertellen, en aan wie wil je eigenlijk dat ik me beklaag? Er zijn dagen dat de eenzaamheid me radeloos maakt.
Mijn brief zal heel erg wanordelijk zijn. Dat is het onvermijdelijke gevolg van de spirituele toestand waarin ik zit en van de weinige tijd waarover ik beschik. Ik verdeel mijn brief om het zo te noemen in paragrafen, afhankelijk van wat ik me herinner van de belangrijkste dingen die ik je te vertellen heb, en die ik al heel lang iedere dag in mijn hoofd koester.

Ik doe bij deze brief ook een paar artikelen van mij die ik uit de krant geknipt heb, zodat de brief niet te vol wordt. Ik zal niet boos worden als je ze alleen maar leest als je er tijd voor hebt. Ik betwijfel of je ze wel helemaal zult begrijpen; hier zit geen enkele onbeleefdheid in. Maar ze zijn wel heel speciaal op de Parijse manier, en ik denk niet dat ze begrepen kunnen worden buiten de kringen waarvoor en waarover ze geschreven zijn.

Les drames et les romans honnêtes, genummerd met potlood: 0, 2, 3, 4, 5, 6.

L’école païenne: 6.

Les deux crépuscules : 7, 8.
Ik heb nog iets anders gedaan wat je nog leuker zult vinden, en waar ik best tevreden over ben. Omdat ik geen boeken in een brief kan doen, moet je zo aardig willen zijn om het nummer bij mijnheer Monier, die in Madrid de correspondent is voor La Revue de Paris, te lenen, of te kopen, dat weet ik niet (leeszaal of boekhandel?), het nummer dat in Parijs op 1 maart is verschenen, en ook het nummer dat in Parijs op 31 maart uit gaat komen en dat in Madrid waarschijnlijk 5 of 6 april uitkomt. Ik heb een Amerikaans schrijver gevonden die in mij een ongelooflijke sympathie heeft opgewekt, en ik heb twee artikelen geschreven over zijn leven en werk. Het is met verve geschreven; maar je zult er vast ook wel een paar zinnen in vinden met een heel buitengewone opwinding. Dat is het gevolg van het pijnlijke en gekke leven dat ik leid; bovendien is het ’s nachts geschreven; soms werkte ik van 10 uur tot 10 uur. Ik moet wel ’s nachts werken om wat kalmte te hebben en om de onverdraaglijke pesterijen te vermijden van de vrouw met wie ik samenwoon. Soms vlucht ik van huis weg, zodat ik kan schrijven, en dan ga ik naar de bibliotheek, of naar een leeszaal, of naar een wijnhandelaar, of een café in, zoals vandaag. Daardoor ben ik in een voortdurende staat van woede. Zo kan ik zeer zeker geen grote werken maken. – Ik was veel van het Engels vergeten, waardoor het werk nog moeilijker werd. Maar nu ken ik het weer heel goed. Ik denk wel dat ik het in goede banen heb geleid.
Wees niet van plan om je te buiten te gaan aan je moederlijke pleziertje om alles eerst te lezen voordat je me terug gaat schrijven. Schrijf me eerst terug, ook al zijn het maar drie zinnen; en stel die adviezen of gedachten die in deze brief voor je staan maar uit tot morgen of zelfs tot overmorgen.


Deze brief gaat vanavond weg 27, 28, dan is die de 29e in Bayonne.
Ik neem aan dat hij de 1e in Madrid aankomt, wat ongelooflijk is, en dat jij me 2 april terugschrijft.
Dan kan ik je antwoord pas de 7e hebben.
Ik heb niets begrepen wat je schreef in een brief over de post. – Die vier armzalige brieven, en die drie incomplete boeken van Racine, dat zijn alle schatten die ik van jou heb bewaard, en je hebt je nog wel zo opgeofferd, en je hebt geen hekel aan je zoon gekregen ondanks alles. Maar goed, ik ben naar de Post gegaan en daar zeiden ze dat de post van de ambassades pas de 10e kwam. Dus dan heb ik daar niets aan, en jij ook niet; je moet je brief dus adresseren aan mevrouw Olivier – ik zal de port wel betalen -  en niet naar mijnheer Ancelle; want hij zou me pas twee dagen later kunnen waarschuwen, misschien nog later. Ik zeg je geen brief naar mijn huis te sturen. Buiten het feit dat Jeanne jouw handschrift kent, - heb ik geen enkele lade met een slot! En weet ik ooit welke wind er nu weer door mijn geest waait, en waar ik zal slapen? Ik ben mijn huis al eens gedurende twee weken ontvlucht, om mijn geest te kunnen opfrissen. Bij de post konden ze me geen precieze informatie geven over de snelheid of traagheid van de dienst van Bayonne naar Madrid, en ze zeiden tegen me dat ik mijn brief niet kon frankeren, en dat de ambassade hem tegelijkertijd ook kon weigeren als ongefrankeerd; ik begrijp daar helemaal niets van. Om zeker te weten dat je hem krijgt schrijf ik dan ook op de enveloppe: persoonlijk en bijzonder met mijn letters C.B. Mocht mijnheer Aupick het vermoeden, dan kan hij dat niet als een brutaliteit  beschouwen. - Ik kom terug op mijn zaken. Ik zal het heel snel uitleggen; maar ik zal het zo doen dat die paar woorden voor jou die me kent veel ideeën bevatten.

Jeanne is een obstakel geworden voor me, niet alleen voor mijn geluk, want dat zou nog niet zo erg zijn; ik kan mijn pleziertjes ook opofferen, en dat heb ik bewezen; - maar ook voor het perfectioneren van mijn geest. De afgelopen negen maanden zijn een beslissende ervaring geweest. Nooit kunnen de grote plichten die ik te vervullen heb, te weten het betalen van mijn schulden, de verovering van mijn vermogensaanspraak, het verwerven van beroemdheid, de verlichting van de pijn die ik je veroorzaakt heb, bereikt worden in dergelijke omstandigheden. Vroeger had zij wel enkele goede eigenschappen, maar die is zij kwijt, en ik heb aan helderziendheid gewonnen. Leven met iemand die je voor geen enkele van je inspanningen dankbaar is, die deze tegenwerkt door onhandigheid of een permanente gemeenheid, die je alleen maar als je bediende beschouwt en als haar eigendom, met wie het onmogelijk is om een politiek of literair gesprek te voeren, een schepsel dat niets wil leren, ook al heb je haar zelf voorgesteld om haar les te geven, een schepsel dat mij niet bewondert, en die zich niet eens interesseert voor mijn studie, die mijn manuscripten in de open haard zou gooien indien dat meer geld zou opleveren dan wanneer zij gepubliceerd zouden worden, die mijn kat wegdoet die mijn enige afleiding was hier in huis, die honden neemt, omdat het zien van een hond mij pijn doet, die niet weet, of niet wil begrijpen dat ik door maar één maand zeer gierig te zijn dankzij die tijdelijke rust een dik boek zou kunnen afmaken, - hemel, is zoiets mogelijk? Is dat mogelijk? Ik krijg tranen van schaamte en woede in mijn ogen terwijl ik je dit schrijf; en om eerlijk te zijn ben ik blij dat er geen enkel wapen bij mij in huis is; ik denk aan die keren dat ik gewoonweg niet kan gehoorzamen aan mijn verstand, en aan de vreselijke nacht toen ik haar een gat in haar schedel sloeg met een console.

Dat is nu wat ik tegenkwam waar ik tien maanden geleden verlichting en rust dacht te vinden. Om al mijn gedachten in één enkele samen te vatten, en om je een idee te geven van al mijn gedachten, denk ik voor altijd dat de vrouw die geleden heeft en die een kind krijgt de enige is die gelijk is aan de man. Een kind krijgen is het enige dat aan de vrouw de morele intelligentie geeft. Jonge vrouwen zonder status en zonder kinderen, dat is enkel maar koketterie, meedogenloosheid en elegant schoelje. – Toch moest ik een beslissing nemen. Ik denk daar nu al vier maanden aan. Maar wat moest ik doen? Boven mijn lijdensweg troonde nog een ongelooflijke ijdelheid: die vrouw niet ve rlaten zonder haar een tamelijk groot bedrag te geven. Maar waar kon ik die vandaan halen, want het geld dat ik verdiende verdween met de dag, had ik het bij elkaar moeten rapen, en mijn moeder dan uiteindelijk, die ik geen brief meer durfde te schrijven omdat ik niets goeds had te berichten, kon zo’n grote som geld ook niet geven, om dat zij die zelf niet eens had. Zie je wel dat ik goed heb nagedacht. En toch moet ik weg. Maar weggaan voor altijd.

Ik heb dus het volgende besloten: ik zal bij het begin beginnen; dat wil zeggen weggaan. Aangezien ik haar geen groot bedrag kan geven, zal ik haar nog een paar keer geld geven, wat makkelijk is voor me, omdat ik het makkelijk verdien; en als ik hard doorwerk, kan ik nog meer verdienen. Maar ik zal haar nooit zien. Zij doet maar wat ze wil. Ze mag naar de Hel gaan, als ze daar heen wil. Ik heb tien jaar van mijn leven verbruikt in deze strijd. Al mijn illusies uit mijn jonge jaren zijn verdwenen. Er is alleen maar een bitterheid over die wellicht voor altijd is.
En hoe moet het met mij verder? Ik wil niet een klein appartement laten inrichten, want dat zou, hoewel ik wel veranderd ben, teveel gevaar lopen. Een gemeubileerd hotel maakt me bang. In afwachting van wat beters heb ik besloten mijn toevlucht te zoeken bij een arts van mijn vrienden die mij voor 150 frank, in plaats van 240 wat hij aan anderen vraagt, een mooie kamer aanbiedt, een mooie tuin, een prachtige tafel, en een koud bad en twee douches per dag. Dat is een Duitse behandeling die goed past bij de hete toestand waarin ik nu zit.
Ik ga dus van de termijn afloop profiteren, en van de verhuizing op 7 april – ons appartement is alweer verhuurd aan onze opvolgers - , om me eruit te redden. Maar ik heb geen geld. Ik heb wel een aantal dingen gemaakt maar die worden pas volgende maand gedrukt, maar pas na de 8e. Begrijp je het drama nu? Wat moet ik doen? Ik dacht nog: mijnheer Ancelle heeft misschien geen cent gehad van mijn moeder. Misschien heeft zij helemaal niets, want toen zij wegging uit Parijs heeft ze nog tegen me gezegd dat ze meer uitgaven zou hebben dan vroeger. Maar zou ze niet naar mij een brief kunnen sturen waarmee mijnheer Ancelle me een tamelijk groot bedrag mag geven om in één dag al deze ophef te kunnen uitvoeren. Als het mogelijk is zal zij het beetje bij beetje terugbetalen. – Behalve het tekort, dat je al kende voordat je vertrok, ben ik met mijnheer Ancelle binnen de precieze en regelmatige termijnen gebleven. – Lieve moeder, dit durf  ik van je te eisen, in een omstandigheid die ZO BESLISSEND is. – Er zijn twee achterstallige termijnen, en alle rekeningen die men wel moet betalen wanneer men een buurt uitgaat, zoals de slager, wijn, kruidenier, etc. – Oftewel 400. Nu zou het netjes zijn als ik met 150 frank bij mijn dokter zou kunnen aankomen om de eerste maand vooruit te voldoen. Ik zou ook eindelijk eens wat boeken willen kopen, dat gemis van boeken wordt nu echt onverdraaglijk, en wat kleding. Ondanks mijn smartelijk leven moet ik toch ook lachen om als ik denk aan de preek die je me in je laatste brief gaf over het verband dat er bestaat tussen de menselijke waardigheid en het kostuum, omdat het enige kledingstuk dat je voor me hebt gekocht negen maanden geleden nog alleen het dier bedekt dat jou nu aan het schrijven is.  – En tenslotte zou ik nog graag een heel oude schuldeiser  willen sussen omdat hij me een heel ernstige zaak kan bezorgen. Dit alles is vast wel heel veel, maar toch, lieve moeder van me, je moet weten dat maakt niet uit hoeveel het meest urgent is. Desnoods zou ik nog kunnen doen wat ik al zo vaak heb gedaan, dan onthoud ik me wel van de dingen die niet onmiddellijk onmisbaar zijn.


Het is nu tien voor half vijf. Ik heb haast. Op 7 april ga ik bij mevrouw Olivier langs. Alsjeblieft, ik smeek je, vertrouw niet toe aan mijnheer Ancelle wat er met dat geld gedaan wordt. Ik geef de geheimen prijs die ik zelf wil. Maar jij maakt van mijnheer Ancelle iets broederlijks of vaderlijks, en dat bevalt me helemaal niets. Ik mag aannemen dat deze brief ernstig genoeg is om je een goede garantie te geven voor het feit dat het geld goed gebruikt wordt. Desnoods zou 1000 frank genoeg zijn. Maar met slechts 400 zou ik het ook kunnen redden. Maar dan zou er alleen nog geen frank overblijven voor mijn eigen benodigdheden, en dan zou ik op mijn kleine opbrengsten van april moeten wachten, om ze beetje bij beetje bij mijn eigen inkopen te leggen en voor het herstellingsoord.


Ik schrijf je morgen nog een keer; want ik heb nog wel twintig pagina’s aan ideeën in mijn hoofd. Maar wacht niet op mijn tweede brief om me terug te schrijven, en als je niet anders kunt, stel dan zelfs maar de ideeën of de adviezen uit die bij je opkomen; denk eerst aan de brief die ik aan mijnheer Ancelle wil laten zien. Morgen of overmorgen zal ik je proberen wat meer opbeurende en vrolijker dingen te schrijven. Nog één ding: mijnheer Ancelle had het tegen me over je vlinders. Die brave man begreep niet wat dat betekende. Maar ik heb het wel begrepen. Zorg dus maar voor je ogen, ga naar de dokter, ga maar vaak naar de dokter. Denk er dan maar aan dat ik misschien ooit een keer bij je ga wonen, en dat ik bij het verhogen van mijn plichten mijn blinde moeder moet aanzien, wat niets zou zijn, maar dat het wel een dagelijkse lijdensweg voor mij zou zijn.
Ik zal je een andere keer vertellen over de politieke gebeurtenissen en de invloed die deze op mij hebben gehad.
Adieu, heb medelijden met me door te denken aan de onacceptabele straffen die ik voor mezelf in petto heb.
Ik raad je wel aan om aan de boekhandel mijn twee stukken over Edgar Allan Poe te vragen.


                            Charles.

AAN THÉODORE OLIVIER
                    Parijs, zondag 18 april 1852.


Geachte heer,
Werkelijk, hoe meer ik er aan denk, hoe meer ik vind dat oude mensen een arrogantie hebben die karakteristiek voor hen is, en zij maken misbruik van de welwillendheid die wij voor hen hebben. Gisteren luisterde ik volkomen kalm naar wat mevrouw Olivier tegen me zei. Haar scrupules verbaasden me, maar ik respecteerde die, als de gewoontes van een ultra - punctueel persoon. Ik had nog geen woord gezegd, en alles ging uitstekend, toen u in woede ontstak, heel onnodig en heel ongepast, om een preek te houden. Als u mij er ook een woord tussen had laten plaatsen, dan had ik u verteld dat ik in mijn cahier een brief van mijn moeder had waarmee ik de toestemming had om 500 frank hier en 600 frank elders op te halen, wat volgens haar eigen berekening op 1100 frank neerkomt; maar u wilde mij liever glorieus aantonen dat u niet wilde hebben dat ik me zoveel vrijheden veroorloofde, en dat ik al 500 frank bij mijnheer Ancelle vandaan had gehaald, dat u dat wist, dat de gelukkigste situaties tijdelijk waren, dat het mijn plicht was om er een grote discretie op na te houden (ik ken mijn plichten tegenover mijn moeder, en zij spreekt niet maar zij handelt, zij adviseert niet, maar offert zich op), - dat de arme senatoren maar 40 000 frank hadden, en paarden, - dat u de vertrouweling was van familiegeheimen, en ten slotte, geachte heer, als iemand die zijn verstand helemaal kwijtraakt, heeft u het over God gehad, en u heeft mij op een autoritaire manier verklaard dat ik niet een volledig ontaarde geest was. Mijnheer, ik heb uw lofuitingen niet nodig om mezelf te kennen.


U kunt gerust zijn, voor wat betreft uw verantwoordelijkheid. U hoeft er geen enkele meer van te dragen, zelfs niet die van een boodschapper, of van een brievenbus. U zult nog één keer met mijn leven te maken hebben, bij een plechtige omstandigheid waarbij ik durf te geloven dat u zult getuigen van die rechtschapenheid en die verlichte geest, die u zo belangrijk vindt, maar die door een afschrikwekkende verwaandheid in u verduisterd wordt en vernietigd. – Gisteren las ik in een voorwoord van Éléments de géométrie uit de XVIIe eeuw dat de exacte wetenschappen maar een opstapje zijn naar verhevener bekwaamheden, en dat het niets voorstelt om je hoofd vol te stoppen met cirkels, figuren, vasten, sinussen en cosinussen, als men niet, en dat is veel belangrijker, een christen en een aardig man is . – Ik laat dit voorwoord misschien wel voor uw gebruik herdrukken.
Dit alles zou slechts grotesk en koddig zijn, indien u in mijn hersenpan niet een schadelijke opschudding had veroorzaakt. Toch zult u, ongetwijfeld uit ervaring, weten hoezeer men vergevingsgezind wordt wanneer men gewend is aan boeken en hard werken: u zult dus ook niet verbaasd zijn dat ik u uw kinderlijke en seniele gewelddadigheid vergeef. Maar voor de oude pijn die u in mij heeft wakker gemaakt moeten anderen misschien boeten.
Ondertussen denk ik niet dat liefdadigheid mij opnieuw zal willen blootstellen aan uw schoolmeesterachtige brutaliteiten. Daarom zal ik geen voet meer bij u over de drempel zetten, en wanneer u een brief van mijn moeder mocht ontvangen, die naar alle waarschijnlijkheid of in ieder geval misschíen het geld terug zal sturen, dan stuurt u het geld of de brief naar mijnheer Ancelle die ik regelmatig zie; dan hoef ik niet de minste geschreven regel van u te ontvangen.
Mijnheer, met de exacte hoeveelheid hoogachting die het fatsoen mij beveelt u te verlenen,

                                        C.B.

Vanaf nu behoud ik de kopieën van al mijn brieven, als een ordentelijk man, die weet wat hij doet.

AAN MAXIME DU CAMP
                            Parijs, donderdag 16 september 1852.

Omdat ik zeker weet dat u vanavond bij het langskomen op de drukkerij kwaad bent of op zijn minst verbaasd over het ontbreken van mijn manuscript, en omdat ik niet wil dat u ongerust bent, schrijf ik u om u te vertellen dat ik verhinderd ben geweest om het manuscript bij de drukkerij in te leveren van The Pit and the Pendulum. De interpretatie van een lacune en van enkele passages die gewoonweg letterlijk ONVERTAALBAAR zijn omdat ze volgens mij verdraaid zijn, hangt af van ene mijnheer Mann die ik moest zien te vinden. Maar nu is het klaar, en zelfs als ik vandaag mijn Engelse editie niet met de oude Amerikaanse versie van mijnheer Mann kan collationeren, zal ik mijn werk toch op een of andere zekere manier morgen opsturen, behalve dan nog de kleine lacune bij de correctie van de drukproeven. – Alles wat u eergisteren tegen me gezegd heeft, zeer heftig overigens, heeft me erg door mijn hoofd gespookt, en ik peins over ofwel vals spelen ofwel over mijn onafhankelijkheid. Met andere woorden, ik ga dan misschien wel uiteindelijk de mening delen die ik eerst bestreed.
Uw zeer toegewijde vriend,

                            Charles Baudelaire

AAN VICTOR LECOU
                        Parijs, 13 oktober 1852.
U herinnert zich vast nog wel hoe u hebt aangedrongen op het feit dat wij pas met de herdruk van mijn boek zouden beginnen nadat ik u de toestemming had getoond van de erfgename van mijnheer Poe; - en mijn aandringen dat ik u er van wilde overtuigen dat het onnodig was. – Mijnheer Lévy publiceert De Hut van oom Tom. – Ik hoorde dat u daar ook een vertaling van publiceert. – U beschouwt de kwestie nu dus als beslecht?
Verder heb ik me nog tot het Consulaat gericht, en ik heb nog geen antwoord ontvangen.
En Barba maakt er ook al een!
                    Uw toegewijde.
                    C. Baudelaire
Rue Pigalle 60.
Geef mijn adres niet door.
Een drukproef à la brosse van Edgar Poe (Le Corbeau).

AAN DOKTER VÉRON
                    Parijs, vrijdag 19 oktober 1852.
Geachte heer Véron,

Wat overkomt mij nu: mijn uitgever WIL dat zijn boek (Edgar A. Poe) op 10 januari wordt gemaakt, zoals de rest van onze overeenkomst dat oplegt. Het boek zal pas rond die tijd ook worden uitbetaald. Ik heb dus heel weinig tijd voor mezelf. Maar al mijn boeken, manuscripten en meubels zijn voor het grootste gedeelte in onderpand gebleven voor de laatste termijn  (en die boeken en manuscripten, plus mijn correspondentie met de mensen die de auteur hebben gekend, zijn onmisbaar voor het maken van het boek). Als la Revue britannique me niet die gemene loer had gedraaid waar u van weet, en als ik het grote plezier had mogen hebben om een novelle van mij te kunnen publiceren  en van tien of twaalf kronieken in uw krant, waarop ik recht had ervan te dromen, dan had alles op rolletjes gelopen. Dan had ik mijn boek afgemaakt met het geld dat ik rechtmatig bij Le Constitutionnel had gekregen, en dan zou ik niet gedwongen zijn om u dit genante probleem op te biechten. Wilt u me uit de problemen halen? Het gaat om 500 frank en nog iets. Ik heb mijn geval, niet zonder schaamte, ook aan Roqueplan  verteld, evenals mijn plan om u te schrijven. Hij heeft me aangeraden om u alles te vertellen. Maar hemel, ik had daar de moed niet voor en toen wilde ik u liever schrijven. Als u mij de eer had gegeven en me een overeenkomst had aangeboden, dan had ik dat misschien kunnen gebruiken om aan wat geld te komen, maar ik had het in ieder geval dan niet meteen kunnen uitvoeren voor mijnheer La Guéronnière, want ik heb teveel haast door mijn nieuwe werk. Daarom vind ik het ook maar beter dat de dingen er nu zo voor staan. Ik heb geen tijd om kennis met hem te maken, en ik schaam me minder om u te schrijven dan om aan hem te vragen of hij er een novelle tussen wil stoppen. Over vier of vijf dagen stuur ik u het werk waarover ik u heb verteld. Ik neem aan dat uw geest dan vrij is en dat u zult kunnen beoordelen of het enige waarde heeft.

P.S. - Ik denk, - ik weet niet zo goed te vertellen waarom, - dat het onbeleefd en onnozel zou zijn indien ik u zou vertellen dat ik u dat geld binnenkort weer terug kan sturen. U zult nu wel heel weinig vertrouwen in mij hebben, - financieel dan – en ik moet u overigens wel bekennen dat ik wel steeds moet geloven dat het onvermijdelijk is dat ik later met u gelukkiger literaire contacten zal hebben.
Met de meeste hoogachting en met grote dankbaarheid,

                    Charles Baudelaire

Nog een P.S. – Ik hoef u niet te vertellen dat de laatste keer dat ik in de gelegenheid was u te zien, ik nog niet wist in welke onverdraaglijk vicieuze cirkel ik opgesloten zou raken: geld zien te vinden om het te kunnen verdienen.

                                C.B.
                                Rue Pigalle 60.

Ik loop nu al drie dagen met deze brief rond in mijn zak. Indien u vindt dat u mij dit verzoek moet weigeren, zou u dan zo vriendelijk willen zijn om als u mij ziet me het zelf te vertellen, zodat de weigering niet al te wreed voor me zal zijn.

AAN MADAME SABATIER
                    Parijs, donderdag 9 december 1852.mme-sabatier.jpg

De persoon voor wie deze verzen zijn gemaakt, of zij ze nu mooi vindt of niet, zelfs als zij ze volkomen belachelijk vindt, wordt heel nederig gesmeekt deze aan niemand te laten zien. Diepe gevoelens hebben een schroom die niet geschonden mag worden. De afwezigheid van een ondertekening is dat niet een symptoom van een onoverwinnelijke schaamte? Degene die deze verzen heeft gemaakt, heeft deze gemaakt in zo’n staat van dromerijen waarin het beeld van het onderwerp van zijn gedichten hem zo vaak werpt, heeft haar heftig bemind, zonder het haar ooit te zeggen, en hij zal voor haar altijd de meest tedere sympathie behouden.

(À une femme trop gaie)
AAN EEN TE VROLIJKE VROUW

Je hoofd, je gebaar en je houding
Zijn mooi als een mooi landschap,
De lach speelt in jouw gezicht
Als een frisse wind in een heldere hemel. Madame Sabatier, Auguste Clésinger

Het voorbijkomende verdriet dat jij licht aanraakt
Wordt verlicht door je gezondheid,
Die als een licht opwelt
Uit je armen en je schouders.

De weerklinkende kleuren
Waar je je kleding mee bestrooit
Werpen in de ziel van poëten
Het beeld van een bloemenballet.

Die dwaze jurken zijn het symbool
Van je bonte geest;
Dwaas waar ik dwaas van word,
 Ik haat je net zoveel als ik je bemin.

Soms in een mooie tuin
Waar ik sleepte met mijn agonie,LE BESTIAIRE
Voelde ik als een ironie
De zon mijn borst verscheuren.

En de lente en het groen
Hebben mijn hart zo vernederd
Dat ik bestrafte op een bloem
De brutaliteit van de Natuur.

Zo zou ik, op een nacht, eens willen,
Wanneer het uur der wellusten klinkt,
Naar de schatten van jouw persoon,
Als een lafaard sluipen zonder geluid,

Om je vrolijke vlees te straffen,
Om je vergeven borst te kneuzen,
En aanbrengen aan je verbaasde flank
Een wond, breed en diep,

En, heerlijke zachtheid,
Door die nieuwe lippen heen,
Opvallender en mooier,
Je mijn bloed infuseren, ô mijn Zuster.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact