Balzac, Ursule Mirouët 2, Frans leren, vertalingen

 

 

Ursule Mirouët

 

Deel II

(pag. 72-78)

 

Het weerzien met zijn vrienden, het gedag zeggen en de aanloop van de jeugd rond Désiré, alle gebeurtenissen rondom zijn aankomst en het vertellen van zijn pech aan de wagen waardoor hij te laat was aangekomen namen zoveel tijd in beslag dat de kudde erfgenamen met hun groeiende groep vrienden en kennissen met aanhang op het plein aankwam bij het uitgaan van de mis. Het toeval dat zich altijd alles mag veroorloven zorgde ervoor dat Désiré Ursule onder de boog van de kerkdeur zag uitkomen toen hij daar net langskwam en hij stond perplex van haar schoonheid. Dit gebaar van de jonge advocaat maakte dat ook zijn familieleden hun passen inhielden. Ursule had haar peetvader aan de arm, in haar rechterhand hield zij haar Parochiaan vast en in de andere had zij haar parasolletje, Odilon Redon La Naissance de Venus, 1912 Honoré de Balzac, Ursule Mirouët 2, Frans leren, vertalingenen dit dwong haar om zo de aangeboren gratie ten toon te spreiden die charmante vrouwen beginnen te ontplooien bij de moeilijke omstandigheden van hun knappe beroep van vrouw zijn. En als het zo is dat de gedachte in alles naar buiten komt, dan mogen wij zeggen dat deze houding een goddelijke eenvoud uitdrukte.

Ursule was gekleed in een jurk van witte mousseline die als een peignoir gewikkeld moest worden, en was her en der versierd met blauwe geknoopte linten. Daar overheen een vestje met een zelfde lint had dat door een brede omslag liep en dat vastzat met dezelfde knopen als die van de jurk, waardoor haar mooie lijfje goed zichtbaar was. Haar hals was bleekwit maar wel mooi van kleur die ook goed uitkwam bij al dat blauw, de kleur van blondines. Haar blauwe ceintuur met fladderende lange uiteinden tekende een slanke platte taille af die heel flexibel leek, wat de verleidelijkste gratie van de vrouw is. Ze droeg een hoedje van rijststro dat bescheiden versierd was met dezelfde linten als die van de jurk en die met bandjes onder haar kin waren vastgeknoopt en met de spierwitte kleur van het hoedje kwam haar eigen mooie blonde gelaatskleur goed uit.

Ursule deed zelf haar eigen haar à la Berthe, aan beide kanten van haar gezicht hing haar fijne blonde haar overvloedig in dikke vlechten die de aandacht trokken omdat de lokken duizenden kleine glanzende bobbeltjes hadden. Haar grijze ogen waren zacht en trots tegelijk, en pasten perfect bij haar mooi gevormde voorhoofd. Over haar wangen lag een roze zweem, als een wolkje dat fleur gaf aan haar regelmatige gezicht dat toch niet saai was, want de natuur had haar via een zeldzaam privilege een puurheid in lijnen en uitstraling gegeven.

Haar nobele leven vertaalde zich in een perfecte harmonie van haar gelaatstrekken, haar bewegingen en de algemene uitdrukking van haar hele persoonlijkheid die als model kon dienen voor het Vertrouwen of de Bescheidenheid. Hoewel zij in perfecte gezondheid was kon je dat er niet direct van af zien, waardoor zij er heel gedistingeerd uitzag. Je kon wel raden dat er onder haar lichtgekleurde handschoentjes mooie handen zaten. Haar gewelfde smalle voeten zaten prachtig verpakt in bronskleurige lederen rijglaarsjes die versierd waren met een franje van bruine zijde. Onder haar blauwe ceintuur zaten een klein plat klokje en een blauw beursje met gouden eikeltjes, en alle vrouwen werden daar met hun ogen naar toegetrokken.

 

“Ze heeft een nieuw klokje van hem gehad !” zei mevrouw Crémière en ze kneep in de arm van haar man. “Hoezo, is dat Ursule?” vroeg Désiré verbaasd. “Ik herkende haar niet.”

“Zo, waarde oom van me, u bent de gebeurtenis van de dag,” zei de postmeester toen hij op de hele stad wees die in een haag van twee bogen de grijsaard op zijn weg stond op te wachten, “iedereen wil u zien.”

“Heeft pastoor Chaperon u bekeerd, oom, of komt dat door mejuffrouw Ursule ?” zei Massin met een Jezuïtische kruiperigheid bij wijze van begroeting voor de dokter en zijn protégee.

“Dat komt door Ursule,” zei de oude man kortaf terwijl hij bleef doorlopen, als een man die lastig gevallen werd. De vorige dag nog, aan het eind van zijn spelletje whist met Ursule, de dokter uit Nemours en met Bongrand, als de oude man toen gezegd had : “Morgen ga ik naar de mis !”, dan had de kantonrechter niet geantwoord : “Dan slapen die erfgenamen van u vannacht niet !” , maar dan had de scherpzinnige en helderziende dokter aan één oogopslag genoeg gehad om te zien wat de bedoelingen van zijn erfgenamen waren bij het zien van hun gezichten. Zélie die de kerk was binnengestormd, de manier waarop ze keek en die de dokter had gezien, al die belanghebbenden die bijeengekomen waren op het plein en de uitdrukking van hun ogen toen zij Ursule uit de kerk zagen komen, alles wees op een haat die recentelijk tot leven was gewekt en op smerige misplaatste angsten.

“Dat zijn uw ijzer zaken (uw eigen zaken), mejuffrouw !” ging mevrouw Crémière door terwijl ze tussenbeiden kwam met een nederige revérence. “Een wonder kost u niet veel.”

“Dat behoort God toe, mevrouw,” antwoordde Ursule.

“O, God, nou,” riep Minoret-Levrault, “mijn schoonvader zei altijd dat die altijd als een mooie dekmantel voor veel paarden diende.”

“Die had denkbeelden van een sjoemelende paardenkoopman,” zei de dokter streng.

“Zeg jullie,” zei Minoret tegen zijn vrouw en zoon, “komen jullie mijn oom niet begroeten ?”

“Ik weet niet of ik mezelf in bedwang kan houden als ik in de buurt van dat heilig boontje kom hoor,” riep Zélie terwijl ze haar zon meetrok.

“Oom, u zou er beter aan doen wanneer u naar de kerk gaat om een zwart fluwelen mutsje op te doen, want de parochie is best vochtig,” zei mevrouw Massin.

 

“Och, nicht toch,” zei de man terwijl hij naar de mensen keek die met hem opliepen, “hoe eerder ik plat kom te liggen, hoe eerder jullie kunnen feestvieren.”

Hij bleef doorlopen en sleepte Ursule mee aan zijn arm, en hij zag er zo gehaast uit, dat men hem alleen liet doorlopen. “Waarom praat u zo nors tegen hen ? Dat is niet goed hoor,” zei Ursule tegen hem en ze schudde opstandig aan zijn arm. “Of ik nou wel of niet godsdienstig ben, ervoor of erna, mijn haat blijft even groot tegen hypocrieten. Ik ben voor hen allemaal goed geweest, en ik heb hen nergens om gevraagd, ze hoefde geen dankjewel te zeggen ; maar niemand heeft jou ook maar een bloempje gestuurd voor je verjaardag, de enige feestdag die ik vier. Op een grote afstand van de dokter en van Ursule sleepte mevrouw de Portenduère zich voort en zag eruit alsof zij helse pijnen leed. Zij hoorde bij het slag oude vrouwen dat kostuums draagt waarin nog de tijdsgeest van de vorige eeuw zit, in vioolkleurige jurken met platte mouwen en waarvan je de modellen alleen nog maar in de portretten van madame Lebrun ziet ; zij hebben manteltjes van zwart kant en hun hoeden hebben een vorm die in harmonie is gekomen met hun langzame en plechtige loopje : het lijkt of zij nog steeds met hun boodschappenmanden lopen, het lijkt alsof ze die nog steeds aan hun arm voelen hangen, net als bij mensen bij wie een arm is afgezet en die nog met hun hand willen wapperen die zij niet meer hebben ; hun lange bleke gezichten met grote gekwetste ogen en een verwelkt voorhoofd, maar bij wie toch nog een zekere verdrietige gratie te bespeuren is ondanks de kronkelingen in hun haren waarvan de krullen platgedrukt blijven; die zitten om het gezicht heen als oud kant dat niet meer gekscherend langs de wangen wil lopen ; maar al die ruines worden gedomineerd door een ongelooflijke waardigheid in hun manier van doen en inde uitdrukking van hun ogen. De gerimpelde en rode ogen van deze oude vrouw zeiden genoeg over het feit dat zij gehuild had tijdens de mis. Ze liep daar als iemand die het moeilijk had, en zij leek op iemand te wachten, want ze draaide zich om. Maar, als mevrouw de Portenduère zich omdraaide betekende dat net zoiets ergs als de bekering van dokter Minoret.

“Aan wie heeft mevrouw de Portenduère nou een hekel, wie zoekt ze ?” zei mevrouw Massin toen ze bij de andere erfgenamen aankwam die als aan de grond genageld stonden door de antwoorden van de oude dokter.

“Ze zoekt de pastoor,” zei notaris Dionis, die tegen zijn voorhoofd tikte als iemand die zich ineens weer iets herinnert of door een gedachte die hij vergeten was. “Ik heb die hele affaire van jullie in de hand, en de nalatenschap is gered ! Laten we vrolijk gaan eten bij mevrouw Minoret.” Een ieder kan zich voorstellen hoe snel de erfgenamen zich achter de notaris aan haastten naar het postbedrijf toe.

Ursule Mirouët, Honoré de Balzac