Baudelaire 1855

Charles Baudelaire 1855

Baudelaire regelde soms ook een aanbeveling voor een betrekking:

AAN ARMAND DUTACQ
                        Parijs, vrijdag 12 januari 1855.
Beste mijnheer Dutacq,
U bent zo goed en zo aardig dat u aanvragen aanmoedigt. Mijnheer Albert zal u deze brief overhandigen, en hij zou zo graag bij u in dienst komen als werknemer, zodra u uw boekhandel gaat organiseren. Volgens mij zult u, hoe u die ook gaat opzetten, altijd wel een paar werknemers nodig hebben. Indien mogelijk, regel dan een plaats voor hem. Mijnheer Albert is al een aantal malen in de boekhandel geweest. Trouwens, bij u zou iedereen een goed soldaat worden.
Heel hartelijk dank,
                            Ch. Baudelaire

AAN ARMAND DUTACQ
                        Parijs, zaterdag 13 januari 1855.
Beste Dutacq,

Ik weet zeker dat er geen enkele onbeleefdheid schuilt in het feit dat ik u vraag om mij via mijnheer Albert de 25 frank te sturen waar ik u om vroeg de laatste keer dat wij elkaar zagen. Mijnheer Albert zal voor mij tekenen. – Als ik zelf naar u toe had kunnen komen, dan had ik dat gedaan.
Mijn zenuwen zijn blijkbaar erg aangedaan door het getreuzel van Le Pays, en daarom zal ik, indien deze heren het werk binnen een week niet hebben hervat, het in zijn geheel aan u leveren, de ene helft gedrukt, de andere helft in manuscript. Ik ga beginnen met het voorwoord *. Maar wat ik u nu hier zeg is alleen voor u bestemd, want als u het verder zou vertellen, zouden ze in staat zijn om me op mijn woorden te pakken. Ik wacht nu al heel braaf zeven maanden, en ik ga door voor iemand met een slecht karakter.
Uw toegewijde,
                            Charles Baudelaire

Parijs, 5 april 1855.
Lieve moeder,

Ik kan niet anders dan je deze brief ongezegeld te sturen, omdat je me een paar maanden geleden twee excuusbrieven ongeopend hebt teruggestuurd.
Omdat ik echt niet meer het vreselijke leven dat ik leid kon verdragen, heb ik een paar dagen geleden mijnheer Ancelle gevraagd me 1000 frank te lenen om een redelijke inrichting voor mijn huis voor elkaar te krijgen. Nadat hij er eerst mee in leek te stemmen veranderde hij later van gedachten. Ik heb er dus van afgezien en voorgesteld om zelf een gedeelte van dat meubilair te betalen met de opbrengst van mijn boek . Maar vanochtend vroeg ik hem of hij me het simpele bedragje van 350 frank wilde voorschieten waarbij ik hem de veiligste manieren bood om het hem terug te betalen. Ik ben uiteraard verplicht om me maar provisorisch te installeren. Sinds EEN MAAND moest ik ZES keer verhuizen, ik heb in het gips gezeten, tussen de vlooien geslapen; mijn brieven (de belangrijkste) werden geweigerd en van het ene hotel naar het andere geslingerd ; ik had een groot besluit genomen, ik woonde en werkte in de drukkerij, omdat ik niet meer thuis kon werken. Hoe mijn boek verder heeft kunnen komen, hoe het komt dat ik niet ziek ben geworden, ik weet het niet. Maar verder kan ik niet gaan, te meer omdat het werk heel actief weer hervat moet worden; het is onmogelijk om mijn ongelukken nog langer te laten duren. En de uitgever en ik, wij hebben haast. Het werk voor Le Pays houdt over drie dagen op, en dan moet ik ergens anders beginnen; en ik heb geen woning; want zo kan ik het gat niet noemen zonder meubels waar mijn boeken op de grond liggen. Daarbij moet ik, in afwachting van mijn definitieve verhuizing, heel fijn en heel rustig wonen, in vergelijking; want mijn hoofd kan niet zoveel laaghartige en vulgaire problemen verdragen tegelijkertijd met de constante druk van een werk dat goed gemaakt dient te worden. Ik vraag hem dus 350 frank (maar nu is het zo dat hij, volgens zijn kleinzielige gewoonte, me vanochtend 100 frank heeft gegeven, maar daar heb ik helemaal niets aan). Als hij dat wil, kan hij (en ik twijfel of hij dat wel wil) , een van die volmachten gebruiken, het laten registreren en het tekenen. Het is eigenlijk een waardepapier. Ik zou graag willen dat hij de meest verre zou nemen, die overdracht van Dutacq, omdat ik er op rekende dat ik La Revue de Paris  kon gebruiken om de hele maand van te leven.
En als toppunt van het belachelijke, MOET IK midden in al die onverdraaglijke schokken die me afmatten, gedichten schrijven, wat de meest vermoeiende bezigheid voor mij is *.

AAN VICTOR DE MARS
                                    Parijs, 7 april 1855.
Geachte mijnheer de Mars,

Ik ben bezig met de voorbereiding, en ik hoop dat het op tijd af is, van een heel mooie Épilogue  van Les Fleurs du mal. Ik wilde u het volgende vertellen, - namelijk dat ik er grote waarde aan hecht dat welke stukken u ook uitkiest, ik die met u  in orde breng, op zo’n manier dat ze, om het zo te zeggen, een vervolg vormen, - net zoals wij dat gedaan hadden voor het eerste deel.
Ik zal met mijn Épilogue de 9e ’s avonds bij u zijn, of uiterlijk de 10e.
Het Epiloog (gericht aan een dame ) vertelt ongeveer dit *:
Laat mij rusten in de liefde. – Welnee, de liefde zal me niet laten rusten. – Onschuld en goedheid zijn weerzinwekkend. – Als u mij wilt behagen en de verlangens wil verjongen, wees dan wreed, leugenachtig, losbandig, laag en gemeen, en een dievegge; - en als u dat niet wilt zijn, dan zal ik u neerslaan, zonder woede. Want ik ben de echte vertegenwoordiger van de ironie, en mijn ziekte is van een absoluut ongeneeslijk genre. Zoals u ziet maakt dat een mooi vuurwerk van monsterlijkheden *, een echte Épilogue, een proloog voor de lezer waard, een echte Conclusie *.
Uw toegewijde,
                                Ch. Baudelaire

AAN FRANÇOIS BULOZ
                Parijs, woensdag 13 juni 1855.
Zeer geachte mijnheer Buloz,

Toen ik u zo onbeleefd kwam storen op 30 mei, was ik op diezelfde dag gebrouilleerd geraakt met de heer Dutacq, en omdat ik me zonder uitgever voelde, ben ik u komen vragen of u zich een beetje over mijn zaken wilde buigen, en me van de invloed laten profiteren die u op enkele boekhandelaren kunt hebben. Maar vandaag is mijn geval verslechterd, het is grover en ernstiger geworden. Sinds zondag heeft Le Pays me bedankt. Ik heb daar twaalf maanden beledigingen en pesterijen moeten ondergaan. Nu ben ik dus verlost van mijn onverdraaglijke Salon; nu ben ik vrij, maar zonder centen. Ik weet dat het de gewoonte is wanneer men bij u binnenkomt om je verwelkoming dan te betalen middels een soort van literair cadeau. U bent wel eens afgeweken van dit gebruik. Als u het niet voor mij kunt doen, (wat ik heel logisch zou vinden, want u heeft me ook eigenlijk al een heel grote dienst bewezen) wilt u dan zo vriendelijk zijn om me alleen maar de prijs van een pagina voor te schieten, of iets meer als u kunt, voor een roman die veel eerder komt dan u denkt *. Want als ik het eens ga worden met Hachette of Michel Lévy voor mijn Edgar Poe, dan heb ik een maand werk te doen voor de correcties van de drukproeven – en meteen daarna sta ik helemaal tot uw beschikking. Als dit niet geschiedt, dan ben ik onmiddellijk de uwe. Ik ben echt heel moe van dat heen en weer zwerven dat al twaalf jaar duurt. Dat kleine briefje *, bizar en vaderlijk, dat ik onlangs pas te zien kreeg, vond ik niet onaangenaam, wat men mij er ook over verteld heeft, en het had een vreemd effect op mijn geest. Hierdoor kwamen alle oude paperassen weer voorbij, een massa aan stramienen en opgestapelde plannen. Helaas, mijnheer, moet ik bekennen, is dat tot mijn schaamte? Is het tot mijn roem? Dat ik er niet veel menselijke gevoelens in heb gevonden, of gevoelens die daar voor door gaan*? Ik heb er alleen maar, en is dat niet belachelijk om te moeten bekennen, een bezorgdheid in gezien om verbazing of afschrikking te veroorzaken. Toch beschik ik over drie of vier gegevens die met wat handigheid u zouden kunnen behagen. Maar wel eerder iets in het fantastische dan een zedenroman. Want in dat laatste genre zou ik u onvrijwillig kwetsen; terwijl het genre van de fantasie een solide gebied voor mij wordt.
Voor wat betreft het onmiddellijke onderwerp van mijn huidige brief, een onderwerp dat toch heel belangrijk is, daarin is alles wat u beslist goed. Heeft u niet stukken van mij gepubliceerd die andere dichtbundels naar de achtergrond zouden hebben gedrukt en heeft u mij sindsdien zelfs niet heel fijn verdedigd? Dit heb ik ook pas onlangs vernomen. Hoewel ik me er heel waardig om voel, zou ik u ervoor moeten bedanken; ik zal u nog iets beters zeggen: ik verwachtte dat al.
Hoewel u bij de dagen van de maand zit waarin u het het drukst hebt, ga ik er van uit dat een bezoekje van mij om 6 uur u niet zal storen.
Uw toegewijde,
                        Ch. Baudelaire
Mijnheer V. de Mars is mijn adres dus kwijt? Ik heb het nummer van 1 juni niet ontvangen.

P.S. u moet wel weten dat ik hoopte en ik zeker wist dat ik u deze brief niet hoefde te schrijven en dat ik de serieuze bedoeling had om u alleen maar om gunsten te vragen als ik u een mooie en echte Nouvelle zou kunnen aanbieden. Maar de Duivel die aan het hoofd staat van het literaire zwerversbestaan heeft er anders over besloten.
                                C.B.

AAN DE VOORZITTER VAN LA SOCIÉTÉ DES GENS DE LETTRES
                        Parijs, 29 juni 1855.
Geachte mijnheer de Voorzitter,

Ik ben uitgezet bij de krant waar ik van leefde; ik kom u nu om wat geld vragen. De laatste keer dat ik me tot het Comité van onze Société heb gericht – dat was geloof ik achttien maanden geleden, is mijn verzoek duidelijk afgewezen. Er is ongetwijfeld geargumenteerd dat ik nog een bedrag van 180 frank had openstaan – en dat ik geen romans schrijf die geschikt zijn voor reproductie. Deze reden zou nog steeds heel gerechtelijk als argument kunnen worden gebruikt, als reproductie het enige middel was om terug te betalen. Maar er is niets dat zegt dat ik niet ooit, of misschien wel zeer binnenkort, de heer Godefroy toestemming geef om geld in mijn plaats te innen bij een boekhandelaar of een Revue. Het kan iedereen overkomen vandaag geld nodig te hebben en morgen een gunstige verkoop te doen. Daarbij denk ik dat ik de Société definitief terugbetaal, en ik kan niets beters aanbieden, ik behoor immers niet tot de orde van schrijvers van wie het inkomen is gebaseerd op de feuilletonroman.
Mijn kleine schuld is misschien kleiner geworden; maar ik moet u bekennen dat me dat stug lijkt.
Geachte heer, evenals de heren leden van het Comité, met de meeste hoogachting en collegialiteit,
                        Ch. Baudelaire
Ah! Ik vergat het bedrag. 100 frank zou ik echt heel erg nodig hebben. Maar ik weet dat u verplicht kunt zijn om me minder aan te bieden, en ik zal u altijs dankbaar zijn voor het feit dat u uw best doet.
                            C.B.

CONTRACT                            3 augustus 1855.
Tussen mijnheer Charles Baudelaire, wonende te Parijs, rue de Seine-Saint-Germain 27,
enerzijds,
En de heren Gebroeders Michel Lévy, tevens wonende te Parijs, rue Vivienne 2 bis, anderzijds
Is overeengekomen het navolgende:

Mijnheer Charles Baudelaire verkoopt aan de heren gebroeders Michel Lévy die dit aanvaarden, het volledige en gehele eigendomsrecht van het recht op drukken, publicatie en verkoop van zijn volledige vertaling van Histoires extraordinaires van Edgar Poe.
Het werk zal bestaan uit twee delen dat het materiaal bevat van tien of elf vel druks op imperiaalpapier; deze zullen verschijnen op de volgende manier: de ene met de titel Histoires extraordinaires, de andere met de titel Nouvelles histoires extraordinaires.
Als beloning voor deze verkoop zal mijnheer Charles Baudelaire voor iedere oplage per deel, ongeacht verkoop, een twaalfde van de prijs ontvangen zoals die op de catalogus van de heren gebroeders Michel Lévy staat .
Voor het geval de gebroeders Michel Lévy het boek gedurende een jaar lang uitverkocht zouden laten zijn, krijgt mijnheer Charles Baudelaire zijn eigendom weer terug.
De heren gebroeders Michel Lévy behouden zich uitdrukkelijk het recht voor om in hun uitgaven in-4º, ook wel de twintig cent genoemd, op zijn minst de helft van de inhoud te publiceren van de twee delen die mijnheer Charles Baudelaire hen vandaag verkoopt , en dit zonder enige bezoldiging voor deze laatstgenoemde.
De heren gebroeders Michel Lévy komen overeen om een eerste oplage te maken van vijftienhonderd exemplaren.
Mijnheer Charles Baudelaire zal nooit vertalingen van werken van Edgar Allan Poe mogen publiceren zonder deze eerst aan de heren gebroeders Michel Lévy aan te bieden die het recht zullen hebben dit te weigeren of te aanvaarden en dit onder de dezelfde voorwaarden als die van deze huidige overeenkomst.

In tweevoud opgemaakt te Parijs d.d. drie augustus achttienhonderd vijfenvijftig.

Akte goed bevonden.
        Charles Baudelaire.
                        Akte goed bevonden.
                            Gebroeders Michel Lévy.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, 4 oktober 1855.
Lieve moeder,

Ik ken uw adres niet, ik moet Ancelle vragen om u deze brief te overhandigen. Ik zou u zeer erkentelijk zijn indien u de brief die ik bij deze doe naar mijnheer Ancelle terug te sturen, en deze brief zal dienen om de mijne op te helderen en te verklaren. Deze maand is zoals elke derde maand van elk trimester echt verschrikkelijk, maar des te erger omdat ik opnieuw moet gaan verhuizen, en wel op de 8e. Ondanks dat mijnheer Ancelle geweigerd heeft me geld voor te schieten, sliep ik nog aardig rustig, omdat de meest urgente uitgaven naar mijn mening betaald moesten worden met het geld dat ik nog krijg van Michel Lévy. Michel heeft twee boeken van me gekocht, en heeft me ze van te voren bijna in zijn geheel betaald. Er blijft nog 300 frank over en ik dacht dat ik die de 6e bij hem kon ophalen. Maar nu krijg ik gisteren ineens een brief van hem waarin hij klaagt over mijn traagheid, mijn manier van werken, en over de talrijke correcties waardoor de drukkerij veel kosten maakt, en tenslotte dreigt hij me die kosten te laten betalen. Onder die omstandigheden lijkt het me niet mogelijk om dat geld de 7e bij hem op te halen, want hij heeft het er over dat hij het wil houden als vergoeding voor de kosten die mijn manier van werken met zich mee brengen. Bovendien wil hij, en hij heeft gelijk, dat beide delen in november uitkomen, - dat is het hoogseizoen – en hij stuurt soms tot twee maal toe per dag een loopjongen naar me toe om ofwel drukproeven, ofwel manuscript op te halen. Uiteraard ben ik met zo’n verschrikkelijk procédé op tijd klaar. Maar ik kan de 7e toch zeker niet op straat komen te staan, tot over mijn oren in de problemen, met mijn boeken in mijn armen, en een woedende uitgever. Wat er nog het meest onaangenaam aan is, is dat die noodzaak om die twee boeken op tijd te laten verschijnen me verhindert om geld te verdienen; er van uitgaande dat ik geen tijd heb om me met iets anders bezig te houden. Zonder dat zou ik het makkelijk vinden om iets voor La Rvue des Deux Mondes  te maken, waar ik nogal regelmatig aan kan werken, zodra ik dit onvermijdelijke werk af heb. La Revue des Deux Mondes heeft overigens het begin van een boek van mij, en zij zouden mij heel comfortabel laten leven. Leven, alleen. Want die schulden, daar denk ik nog niet aan. De schulden zullen door Het Théâtre betaald worden. Maar goed, ik zie dat ik in dit verhaal van mijn problemen u vergeten ben te vertellen waar het nu precies om gaat, zou ik graag willen dat Ancelle, voor de 8e me niet dat grote bedrag dat ik nodig heb voorschiet want dat is te hoog, maar gewoon 300 frank; zelfs 200 zou genoeg zijn om de ergste problemen af te weren, en waarmee ik tamelijk snel kan werken om de ziel van een ongeruste uitgever te kalmeren. Hoewel u geen direct contact meer met mij wilt hebben, zult u het vast best heel logisch vinden dat ik u het eerste boek opstuur zodra het uitkomt. Een vriend van mij heeft me geweldig papier cadeau gegeven waarop ik een aantal luxe uitgaven zal laten drukken.
Het is heel zwaar en heel moeilijk om te werken onder zulke wrede en triviale ongerustheden. En Ancelle had me dat kleine voorschot best uit eigen beweging kunnen geven. Het is niet dat ik het moeilijk vind om u te schrijven. Wat ik moeilijk vind, is dat ik nooit een antwoord van uw eigen hand krijg.
Sta mij toe u veel liefs te wensen.
                        Charles.

Michel Lévy zal ook (maar wanneer?) mijn boek Poésies publiceren, en mijn kritiekartikelen.
Waarschijnlijk zal La Revue des Deux Mondes een roman van mij publiceren.

AAN MADAME AUPICK
                            Parijs, donderdag 20 december 1855.
Lieve moeder,

Ik heb u veel te vertellen, en mijnheer Ancelle die u deze brief zal overhandigen, is overal van op de hoogte. Hemel zij dank, hij en ik, wij hebben er vaak genoeg over gepraat en gedebatteerd, niet alleen altijd, maar vooral sinds twee maanden.
Maar eerst zou ik u willen zien. U weigert dat nu al meer dan een jaar, en ik denk echt dat uw gerechtvaardigde woedeaanvallen tevreden gesteld moeten worden. Er zit in mijn situatie ten opzichte van u iets absoluut abnormaals, iets volkomen vernederends voor mij, dat u dat echt niet kan willen volhouden. Als u zich door deze smeekbede niet tevreden gesteld voelt, geef dan tenminste akte van enige vrijgevigheid. Ik ben niet echt oud, maar dat kan ik binnenkort wel worden. Het lijkt me onmogelijk dat u deze situatie echt wilt volhouden; ik ben al voorzien van allerlei soorten vernederingen, het is toch het minste dat ik dat dan niet van u hoef te ondergaan. En zoals ik het u al zei, als het zonder plezier is en zonder vertrouwen dat u mij toestaat deze verzoening te bewerkstelligen, laat het dan tenminste door een of ander liefdadigheidsgevoel zijn. Gisteren, toen ik me op het punt voelde staan te vertrekken (dat is morgen) , ben ik begonnen om een massa papieren op volgorde te leggen. Ik vond een hele stapel brieven van u, uit verschillende periodes, en in verschillende omstandigheden geschreven. Ik heb geprobeerd om er een paar over te lezen; ze waren allemaal doordrongen van een diep zuiver materieel belang, dat is zo, alsof er alleen maar schulden bestonden, alsof het spirituele genot en de spirituele tevredenheid niet mee telden. Maar goed, omdat ze nu eenmaal allemaal vooraleerst van een moeder afkwamen, brachten ze me op een helling van gedachten die het meest pijnlijk waren van allemaal. Al die brieven waren voorbijgegane jaren, en slecht voorbijgegane jaren. Dat lezen werd me al snel onverdraaglijk. Niets is in sommige gevallen verfoeilijker dan het verleden. En al piekerend, dacht ik bij mezelf dat deze situatie niet alleen monsterlijk en choquerend was, maar zelfs gevaarlijk. Dat mijn geest op een bepaalde manier gevormd is die u uiteraard als excentriek overkomt, daaruit mag niet geconcludeerd worden dat ik een ziekelijk plezier put uit dat absolute alleen zijn en uit die verwijdering van mijn moeder. Ik zei u al daarnet dat ik vroeg oud kan worden; maar er is nog erger. Één van ons kan sterven, en echt het is zeer pijnlijk te denken dat we blootgesteld zijn aan het kunnen sterven zonder dat we elkaar zien. U weet wat een hekel ik heb aan iedere vorm van gewichtigheid. Ik ken mijn fouten jegens u; en iedere keer dat ik iets heel heftig voel, ben ik zo bang dat ik me te overdreven uitdruk dat ik mezelf dwing om dat dan zo koel als ik kan te zeggen. U vergist u zich dus niet wanneer u denkt dat er onder mijn woorden ook enige vorm van warmte zit en een intens verlangen, die ik er misschien niet in zijn geheel inleg door mijn gewoonte me over het algemeen in te houden. Maar voor alles, zoals ik daarnet al zei, sta mij het volgende toe: zou u mij de rest geven, dat wil zeggen een materiële voldoening, dan zou ik niet eens volledig tevreden zijn. Ik ben al een hele tijd nogal ziek van lichaam en geest, en ik wil alles, alles in één keer, een complete verjonging, een onmiddellijke voldoening van lichaam en geest. De jaren stapelen zich op zonder het één noch het ander, en dat is echt veel te zwaar.
Ancelle zal u over mijn wens praten, sterker nog, over mijn vaste besluit me definitief te vestigen in een woning die ik al twee maanden geleden heb uitgekozen *. Zo zal ik dus al bijna bij het intrekken al een huur te betalen hebben, immers de woning wordt al twee en een halve maand vastgehouden, en ik heb er niet in kunnen wonen, uit gebrek aan geld.
Ik ben het leven van de gaarkeuken en het gemeubileerd hotel meer dan zat; dat doodt me en vergiftigt me. Ik weet echt niet hoe ik er tegen heb gekund.
Ik ben de verkoudheden en de migraine zat, en de koortsen, maar vooral de verplichting twee maal per dag naar buiten te moeten, en de sneeuw, de modder, en de regen. Dat zeg ik steeds tegen hem; maar hij wil uw toestemming voordat hij mijn wens inwilligt.
Het ontbreekt me aan alles; het gaat dus om een opoffering of voorschot dat veel groter is dan gewoonlijk. Maar ik zal er dan ook enorme voordelen aan overhouden, en bijna onmiddellijk; ten eerste al geen tijdverlies meer. Dat is mijn wond, mijn grote wond; want er bestaat nog een ergere toestand dan die van lichamelijke pijnen, dat is de angst om in dit vreselijke bestaan vol schokken het prachtige poëtische talent te zien slijten en afglijden en te zien verdwijnen, en de duidelijkheid van ideeën, en de kracht van mijn hoop die in werkelijkheid mijn echte kapitaal vormen.

Lieve moeder, u weet zo vreselijk weinig af van hoe het is om het leven van een poëet te leiden, dat u vast niet veel van dit argument zult begrijpen; en toch zit daar mijn voornaamste angst; ik wil niet onbekend creperen, ik wil niet de ouderdom zien komen zonder een geregeld leven, NOOIT zal ik me daarbij neerleggen; en ik denk dat ik zelf als mens heel kostbaar ben, ik zeg niet dat het meer waard is dan een ander, maar voldoende kostbaar voor mezelf.
Om terug te komen op mijn verhuizing, ik moet van alles hebben; meubels, linnengoed, kleding, zelfs pannen, matrassen, en mijn boeken die bij verschillende boekbinders liggen, ik moet alles hebben, alles en meteen. Ancelle kan zich niet met zulke gecompliceerde dingen bezighouden, dat heb ik tegen hem gezegd. Trouwens alle uitgaven hebben met elkaar te maken. Mijn verhuizing hangt af van de mogelijkheid om gelijk te vertrekken van de plek waar ik nu zit. Mijn rust hangt af van het volledige karakter van deze verhuizing. Sommige van deze voorwerpen zijn al besteld. Over drie dagen is alles voorbij. Omdat ik morgen moet vertrekken uit de rue de Seine, of dat ik er al mijn spullen achterlaat (en het boek waarmee ik bezig ben? En de drukker! En de boekhandelaar!); aangenomen dat ik het geld vandaag al heb, dan zal ik twee of drie dagen op de grond moeten slapen, en dan zal ik werken waar ik kan; want ik mag er niet mee ophouden.
Ik heb deze woning genomen in de wijk van de boulevard du Temple, rue d’Angoulême 18; het huis is mooi en vooral erg rustig; ik ga dus als een eerlijk man wonen; eindelijk! Zoals ik u al zei, zal dat een echte verjonging zijn, ik heb een leven nodig dat volkomen heimelijk is, en volledige kuisheid en soberheid.
Mijn twee boeken * gaan eindelijk binnenkort uitkomen, en in het nieuwe jaar, door La Revue des Deux Mondes, en door Ancelle zal ik redelijk kunnen leven. Ik ben daar niet ongerust over. Eindelijk een eigen huis. U hoeft voortaan niet meer vergelijkbare lastigheden te ondergaan. Daar zal geen reden meer voor zijn. Ik heb alle voorzorgsmaatregelen genomen om deze nieuwe verhuizing te beschermen tegen alle soorten van ongeluk.
Ah! Mijn hemel! Ik vergat het bedrag te noemen. Met 1500 frank zal alles in drie dagen * gedaan zijn. Het leven van een poëet is dat toch wel waard op zijn minst: het is niet meer noch minder; ik heb het vijftig keer berekend en berekend. Het is weinig, maar het is net genoeg. Ik heb er heel erg op aangedrongen bij Ancelle dat hij me geen problemen gaat bezorgen met zijn ingehouden karakter, zijn angsten, en weer manieren gaat verzinnen om me dat geld in een paar keer te willen gaan geven, waardoor het al zijn waarde en nut verliest; ik moet het allemaal zo snel doen, zo snel! Daarbij, zoals ik het u al eerder zei, al die uitgaven zijn nauw met elkaar verbonden, als een reeks opeenvolgende handelingen. Voor wat betreft de zo eenvoudige kwestie van eigenliefde en fatsoen, dat is overduidelijk.
Wanneer ik denk aan alles wat ik verplicht moet uitgeven, nutteloos, onvermijdelijk, zonder plezier, zonder er van te profiteren, radeloos word ik er van. Ik heb net zitten tellen wat ik allemaal heb ontvangen van u, van Ancelle, van Le Pays, van de boekhandel Lévy, dit jaar; enorm veel, maar ik heb als een wild dier geleefd, als een natte hond. En dat zal eeuwig duren, totdat mijn verbeelding gelijk met mijn gezondheid weg zal sterven, of ik moet onmiddellijk dat grote besluit in kwestie nemen.
Ik zei vanochtend nog iets tegen Ancelle dat ik nogal redelijk vind. Ik zei tegen hem: zou u liever hebben dat ik hetzelfde ga doen als zoveel schrijvers doen, die minder trots zijn dan ik, en wat ik nog nooit bij geen enkel ministerie heb gedaan, bij geen enkele regering? Geld aan een minister vragen verafschuw ik, en toch wordt dat bijna overal gedaan; daar zijn fondsen voor. Maar ik heb altijd een trots gehad en ik ben altijd verstandig geweest waardoor ik altijd ver van die middelen ben afgedreven. Mijn naam zal nooit verschijnen in die vreselijke paperassen van een regering. Ik ben nog liever geld schuldig aan iedereen; ik maak liever ruzie met u, en kwel liever mijn moeder, hoe vervelend dat ook is.
U zult het hopelijk niet erg vinden dat u mijn boek na alle anderen pas ontvangt. Ik wilde u namelijk een mooie uitvoering geven. En ik zal een speciale oplage van drie exemplaren laten maken.
Wat mijn literaire plannen betreft, - maar dat interesseert u ook zo weinig – daar zal ik u een andere keer over vertellen. Trouwens voor het nieuwe jaar zijn het dezelfde plannen als voor het jaar dat net is afgelopen, en mijn vreselijke leven heeft er voor gezorgd dat ik die niet uit kon voeren. – Een boek met kritieken, (af) , poésies (af), en bijna verkocht, - een roman en een groot toneelstuk. – Veel liefs – ik zeg niet: alstublieft, - ik zal u zeggen: wees een beetje moedig en heb vertrouwen.
                                    Charles.
Morgen moet ik hier weg; ik had vandaag mijn wijk al uit moeten zijn.
In totaal, alles welbeschouwd, heb ik mijnheer Ancelle zo weinige keren dingen verzwegen van mijn leven, dat ik dacht dat het goed zou zijn als ik hem deze brief zou geven, voordat ik hem die zou geven en hij hem aan u zou geven. Ik ga er van uit dat u geen enkele reden heeft om iets beledigends te zien in deze manier van doen. Hij heeft me erop gewezen dat mijn vurige wens die ik u kenbaar had gemaakt om u weer te zien, misschien niet van voldoende excuses was vergezeld. Maar die spijt, die excuses, dat laat zich toch wel raden, dat is toch zo te zien; die heb ik u al twee maal kenbaar gemaakt in twee brieven die u niet gelezen heeft. Er zijn dingen die je zichtbaar kunt denken bij wijze van spreken. Zou u dan dus kunnen veronderstellen dat ik blij was dat ik u beledigd had, en dat ik het werkelijk onware beeld dat u van me had erger had gemaakt? Ik vraag het u met klem opnieuw, wees gul, en u zult er tevreden over zijn. Wie zal ons verhinderen, als ik eenmaal een geregeld leven zal leiden, om elkaar minstens een keer per week te ontmoeten?  Op deze manier kan ik u op de hoogte houden van mijn leven, en dankzij de nieuwe welwillendheid die ik aan Ancelle ga vragen, zal er geen sprake meer zijn van roerigheid.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact