1846

Aan zijn schoonzuster, de vrouw van zijn broer ALphonse
AAN MADAME ALPHONSE BAUDELAIRE
                        Parijs, ongeveer 3 maart 1846 *.
Geachte mevrouw,

U bent misschien nieuwsgierig naar de reden waarom Baudelaire – Dufaÿs een onderwerp behandelt dat zo moeilijk is en tegelijkertijd ook zo logisch is als De Liefde: ik draag dit opusculum * dat zojuist uit mijn pen gevloeid is op aan u. Ik kan geen betere rechter uitkiezen dan u, ik onderwerp me en word met volledig vertrouwen uw justitiabele.
Wat zou ik graag willen dat mijn broer mijn eigen zaak zag pleiten, of liever die van het menselijke ras, in De rechtbank van de Liefde, zoals ik het noem in het feuilleton dat ik u opstuur, dan zou hij mijn roeping kunnen begrijpen die mij naar de Muzen toetrekt, zoals ik ook zijn enthousiasme kan begrijpen waarmee hij zich overlevert aan de harde en slaapverwekkende werken van Themis. Ieder zijn bestemming in deze wereld. Het mijne is dat ik mijn gelijken onderricht over het gedrag dat zij zich moeten aanmeten om het geluk te vinden: daarom ook, mevrouw, zal ik weldra de eer mogen hebben u te mogen doen toekomen, met de hoop gelezen en becommentarieerd te worden, mijn Catechismus van de beminde vrouw*. Daarin zult u kunnen lezen hoe ik de sympathie heb gedefinieerd. Mijn debuut in de Carrière kondigt een partizaan van de liefde van Anthony* aan; maar u oordeelt dat dit een liefde is die geen waardigheid heeft.
Wat zult u zeggen over mijn principes, en de adviezen die ik aan dit bedrieglijke geslacht geef dat vaak alleen maar liefde weet te veinzen. Ik wil dat de minnaar die echt bemint constant is, en u hebt er het bewijs van middels deze ene zin *: “Bemin degene die u lief hebt goed, krachtig, kordaat, orientaals en woest; dat uw liefde de liefde van een ander niet kwelt.”
Dit kleine stukje zal u ongetwijfeld zin geven om het hele artikel te lezen en ook Le Catéchisme dat binnenkort uitkomt.

Madame, zou u zo vriendelijk willen zijn  
Mijn voorzienigheid te zijn, in de carrière die zich voor mij gaat openen via het kanaal van de liefde… ik heb bijna gesproken onder invloed van de vrouw.
Met de meeste hoogachting, gemaakt met de haast en het enthousiasme van een poëet die in de sporen van een Petrarca of een Parny * wil treden.
Uw nederige dienaar,
                        Baudelaire Dufaÿs.
AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, tweede helft maart 1846 *.
Bedankt voor de lieve en aardige brief die je bij mij hebt achtergelaten.
Ik zou graag willen dat je morgenochtend bij mij komt. Ik wil het met je over geld hebben. Wees nergens bang voor - . Het gaat niet er niet om dat ik dat van je wil lenen, maar om een bijzondere regeling, korter om uit te leggen dan om  op te schrijven.
Ik zit in een situatie waarin ik middels een serie stappen die gunstig en tegelijkertijd ook ongelegen komen, - op dreef ben om veel te verdienen in korte tijd, - maar in de greep van de schulden waarvan jij weet, en die worden met de dag steeds schandelijker. – Ik moet vijf artikelen schrijven voor L’Esprit public *, in opdracht – twee voor L’Époque, twee voor La Presse, - en een artikel voor La Revue Nouvelle *. – Alles bij elkaar een enorm bedrag. – Ik heb nog nooit zoveel heldere hoop bij elkaar gehad. – Maar ik zit tegelijkertijd ook met mijn Salon opgescheept, dat wil zeggen een boek af te maken in een week.
Zie je nu hoe druk ik ben, en hoe ik excusabel ben voor het feit dat ik je het je niet allemaal zelf ga uitleggen; - ik moet deze dagen zelfs mijn boodschappen door een vriend van me laten doen.

                        Baudelaire Dufaÿs

Breng mijn artikelen mee van L’Esprit public *.
AAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN DE SOCIETEIT VAN SCHRIJVERS
                        Parijs, april 1846 *.
Geachte heren,

Gezien het feit dat ik de wens koester deel te nemen aan de voordelen die La Société des gens de lettres haar leden kan verschaffen voor de reproductie van hun werk, zou ik u gaarne willen verzoeken of u zo vriendelijk zou willen zijn mij als deelnemer aan te nemen.
Met de meeste hoogachting,
                        Baudelaire Dufaÿs .
Redacteur van L’Esprit public  en van Le Corsaire-Satan, auteur van twee brochures over de Salons van 1845 en 1846 *.
                                Rue Coquenard, 33 *.
AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, april1846 *.

Als je ondanks al je hindernissen kan doen wat ik van je vraag, des te beter. – Anders wacht ik wel, en ik bedank je voor alles wat je al voor me gedaan hebt.
Jij veronderstelde dat je me 60 frank kon voorschieten op de eerste van de volgende maand. – Over die 60 frank, kun je daar de huidige voorwerpen bij de lommerd van afhalen? In dat geval moet je er zelf heengaan, en die zelf naar me toebrengen. -  Bovendien moet je me ook nog het restant toesturen, meteen als je kan. Wees niet beschaamd om het me te weigeren als je het niet kunt, maar stuur me vooral geen preken.
Het supplement dat ik nog aan het hotel schuldig ben zal betaald worden door Le Corsaire in de eerste dagen van de volgende maand. En Joissans, Meurice *, Blanchard, Siméon, die krijgen geld van L’Esprit public, LA Revue Nouvelle, etc.... – zodra mijn Salon af is. – Het geld zal, in het geval van vertraging, voorgeschoten worden door La Société des gens de lettres, waar ik vanaf nu lid van ben.
Vertel me over je gesprekken met de schuldeisers.

                        B.D.

Bij de lommerd zal er rente betaald moeten worden, maar niet veel.
AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, oktober 1846 (?) *.
Wees zo vriendelijk om meteen mijnheer Ancelle te schrijven om hem te vragen om me 60 of 70 frank maximum voor te schieten buiten mijn gewoonlijke rekeningen. Want u weet dat hij in dergelijke gevallen gewoontegetrouw een goedkeuring van uw kant wenst te hebben. Een paar dagen geleden al ben ik naar hem toegegaan – omdat ik boeken nodig had en ik me ziek voelde – de zweren in mijn keel en op mijn larynx waren weer teruggekomen - . Hij heeft me niet genoeg gegeven, en uit de dokter, de apotheek en de boeken heb ik de boeken gekozen. Vandaag is de pijn weer toegenomen, en ik ging er van uit dat u hem wel een briefje zou willen schrijven opdat dat geen problemen zou geven.
Bij mijn verhuizing van la Place Vendôme heb ik tussen mijn tekeningen en mijn portretten het uwe  * niet gevonden. Ondanks onze ruzies en alle bittere zaken die ons uit elkaar hebben gedreven, mag u best weten dat ik erg aan dat portret ben gehecht. Praat erover met Julien * en hij moet het maar tot mijn beschikking stellen; ik zal het een dezer dagen laten ophalen; want de 15e van de volgende maand laat ik een klein appartement meubileren.

                        Charles.