baudelaire1847

Charles Baudelaire 1847

AAN MADAME AUPICK
                                1847.


Alleen wanneer ik tot het laatste uiterste gedreven ben, dat wil zeggen wanneer ik erg honger heb, dat ik naar jullie ga, zozeer walg ik daarvan en vind ik het vervelend. En als toppunt van ongeluk, wil mijnheer Ancelle uw toestemming; dus ben ik gekomen ondanks het weer, mijn vermoeidheid […] om u om toestemming te vragen om in Neuilly genoeg op te halen om […] te kopen en een fontein en een paar dagen te kunnen leven. Het meest onontbeerlijke is […]. Ik kom niet binnen bij u, omdat ik weet met welke beledigingen, gemeenheden en vernederingen ik betalen moet wat ik nodig heb . Ik ga onmiddellijk terug naar Neuilly om uw toestemming daarheen te brengen. Ik wacht beneden in het rijtuig op het antwoord.
Vernietig dit briefje, want het zou een schande zijn voor u als men dit mocht vinden.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, zaterdag 4 december 1847.


Ondanks de wrede brief waarmee u mijn laatste verzoek beantwoord heeft, meende ik dat ik me nog eenmaal mocht richten tot u, niet omdat ik heel goed weet wat voor een slecht humeur dat bij u veroorzaakt, evenmin de moeite die het me kost om u de rechtvaardigheid van dit verzoek te laten begrijpen, maar omdat ik in mij zo’n overtuiging voel dat het me oneindig en definitief tot nut zal zijn, dat ik heb gehoopt het met u te delen. Let wel, ik zeg nog eenmaal, wat in mijn heel oprechte gedachte betekent: de laatste keer. Ongetwijfeld ben ik u bedankjes schuldig voor de welwillendheid die u er van uw kant in heeft willen steken mij enkele onmisbare voorwerpen te laten bezorgen voor een redelijker leven dan het leven wat ik al heel lang moet ondergaan, dat wil zeggen een paar meubels. Maar toen die meubels eenmaal gekocht waren, had ik geen stuiver meer over, en zat ik zonder die paar voorwerpen die niet minder onmisbaar zijn, en die makkelijk te raden zijn zoals een lamp, een wastafel, etc.

Dat het voldoende mogen zijn als u weet dat ik verplicht was om een lange discussie aan te gaan met mijnheer Ancelle om hout en kolen van hem los te krijgen. Als u eens wist wat een moeite het me gekost heeft om mijn pen te pakken en me nogmaals tot u te moeten richten, wanhopend als ik was om het u te laten begrijpen, aan u, voor wie het leven altijd zo makkelijk en regelmatig is, dat ik me in zulke problemen bevond! Stel u een voortdurend nietsdoen voor, bevolen door een voortdurende malaise, met een diepgewortelde haat tegen dat nietsdoen, en de absolute onmogelijkheid daar uit te komen, vanwege het voortdurende gebrek aan geld. Voor zeker, is het beter om in dergelijke gevallen me nog tot u te richten, dan aan onverschillige mensen bij wie ik niet dezelfde sympathie zou vinden. Voor het moment overkomt mij het volgende. Ik was heel blij dat ik een woning en meubels had gevonden, maar ik zat zonder geld, ik was er al twee of drie dagen naar op zoek geweest, en toen ik afgelopen maandag uitgeput van vermoeidheid, problemen en honger, ben ik het eerste het beste hotel binnengegaan, en sindsdien ben ik daar gebleven, en daar was ook alle reden voor. Ik had het adres van dit hotel aan een vriend gegeven, aan wie ik geld had geleend vier jaar geleden, in een tijd dat ik nog geld had, maar hij heeft zijn woord niet gehouden. Verder heb ik weinig uitgegeven, 30 of 35 frank in een week; maar dar zit het grootste probleem niet. Want als ik er van uitga dat u, door een helaas altijd onvoldoende welwillendheid, mij wel uit die ongelukkige domheid wilt halen, maar wat moet ik morgen doen?

Want het niets kunnen doen doodt me, vreet me aan,verorbert me. Ik weet werkelijk niet hoe het komt dat ik nog genoeg kracht heb om het desastreuze effect van dat nietsdoen te beheersen, en dat ik nog een absolute helderheid van geest bezit en een voortdurende hoop op geld verdienen, gelukkig te worden en kalm te zijn. Dus nu vraag ik u het volgende met samengevouwen handen, omdat ik zó sterk voel dat ik mijn laatste grens bereikt heb, niet alleen voor wat betreft het geduld van anderen, maar ook dat van mij. Stuur me niet alleen het bedrag in kwestie, maar ook iets om twintig dagen van te leven, ook al kost dat u duizend maal moeite, en zelfs als u niet gelooft in het werkelijke nut van deze laatste gunst. U stelt de zaak maar vast zoals u dat wilt. Ik geloof zo volkomen in de tijdsbesteding en de sterkte van mijn wilskracht, dat ik zeker weet dat als ik twee weken of drie weken achterelkaar een regelmatig leven kon leiden,  mijn intelligentie gered zou zijn. Het is een laatste poging, het is een spel. Neem het risico van het onbekende, moeder, alstublieft. De uitleg van die zes jaar die zo vreemd en zo rampzalig verstreken zijn, als ik niet profijt had kunnen hebben van een gezonde geest en een gezond lichaam die door niets gedood hebben kunnen worden – is heel eenvoudig; - dat kan als volgt samengevat worden: verdoofdheid, het uitstellen tot morgen van de meest gewoon redelijke plannen, resulterend in misère, en altijd maar misère. Wilt u er soms een tipje van de sluier van: het is me gebeurd dat ik drie dagen op bed heb moeten blijven, de ene keer door gebrek aan ondergoed, de andere keer aan hout. Echt, laudanum en wijn zijn slechte redmiddelen tegen verdriet. Ze verdrijven de tijd, maar herstellen niet het leven. Zelfs om jezelf stom te maken heb je nog geld nodig. De laatste keer dat u mij nog zo aardig 15 frank heeft willen geven had ik twee dagen niet gegeten – achtenveertig uur. – Ik liep voortdurend op de weg naar Neuilly, ik durfde mijnheer Ancelle mijn gebrek niet te vertellen, en ik hield me alleen wakker en overeind met brandewijn dat ik gekregen had, terwijl ik juist gruw van brandewijn, waar mijn maag van in de knoop raakt. Dat dergelijke bekentenissen – zowel voor u als voor mij – nooit gekend mogen worden bij levende mensen en het nageslacht! Want ik geloof nog steeds dat het nageslacht me aangaat.

Men zou niet willen geloven dat een verstandig iemand, en geboren uit een lieve en gevoelige moeder in zo’n toestand terecht was gekomen. Dus dat deze brief, die alleen aan u is gericht, u de eerste persoon aan wie ik zulke dingen toevertrouw - , niet in andermans handen mag komen. U zult in uw hart voldoende redenen kunnen vinden om te begrijpen dat zulke jammerklachten alleen maar tot u gericht kunnen worden, en ook niet aan derden verteld mogen worden. Voor de rest heb ik voordat ik u ging schrijven aan alles gedacht, en ik heb besloten om mijnheer Ancelle niet meer te zien, - met wie ik al twee onaangename gesprekken heb gehad, - mocht u de fout begaan deze laatste poging als een gewone en gelijkend op alle anderen te beschouwen, en hem deze brief te laten lezen of gewoon het hem gewoon te vertellen. Ik heb net deze twee pagina’s overgelezen en ze lijken mij heel vreemd. Nog nooit heb ik zo luid durven klagen. Ik hoop dat u deze opwinding graag op de rekening wilt zetten van de lijdenswegen die u onbekend zijn die ik moet ondergaan. De absolute lusteloosheid van mijn uiterlijke bestaan, in contrast met de voortdurende activiteit van mijn ideeën, brengt me in ongehoorde woedes. Ik neem me mezelf mijn fouten zo kwalijk, en ik neem het u kwalijk dat u niet gelooft in de oprechtheid van mijn bedoelingen. De waarheid is dat ik sinds enkele maanden in een bovennatuurlijke toestand zit. Maar – om terug te komen op het principe van hetgeen ik u wilde aantonen – mijn absurde leven kan meestal als volgt worden uitgelegd: verstrooid uitgeven van geld dat bestemd is voor het werk. De tijd verstrijkt, de levensbehoeften blijven. Voor de laatste keer, omdat ik er een einde aan wilde maken en omdat ik in mijn wilskracht geloof, heb ik me tot u gewend, om een poging te doen, een laatste inzet voor het spel, zoals ik dat straks al zei, ook al zou u dat – nogmaals – exorbitant lijken en uw zaken verstoren. Ik kan vermoeden en ik kan heel goed begrijpen dat elke onregelmatigheid van uitgaven onverdraaglijk moet zijn en een gelegenheid tot problemen is in het leven van een bourgeoisvrouw die thuis zit, vooral voor u bij wie ik vlak in de buurt heb geleefd; maar ik zit in een uitzonderlijke geestelijke toestand; ik wilde nog een laatste keer zien of het geld van mijn moeder me tot nut zou zijn – en ik denk dat dat zeker is en definitief; ik lijd teveel om er niet voor de laatste keer een einde aan te maken. Dit woord is geloof ik al meerdere malen langsgekomen.


En inderdaad, ondanks de vreselijke pijn die ik heb om Parijs te verlaten en om zoveel mooie dromen vaarwel te zeggen, heb ik het oprechte en heftige besluit genomen het te doen, als ik het niet voor elkaar kan krijgen om een tijd een werkzaam leven te leiden met het geld dat ik aan u vraag. Want het zou zijn om ver te komen. Mensen die ik gekend heb in L’Ile de France waren zo aardig zich mij te herinneren; daar zal ik makkelijk een plek vinden om op te vullen, een mooi salaris voor een land waar men makkelijk kan leven wanneer men daar eenmaal zit, en de verveling, de afschuwelijke verveling en de intellectuele verslapping van warme en blauwe landen. Maar dat zal ik als straf nemen en boetedoening voor mijn hoogmoed, als ik aan mijn laatste voornemens niet mocht voldoen. Ga niet bij de officiële functies zoekn wat dat dan voor werk kan zijn. Want het is bijna een dienstbodebetrekking. Het gaat erom om alles behalve scheikunde, natuurkunde en wiskunde te leren aan de kinderen van een vriend van me. Maar laten we het daar maar niet meer over hebben, want de mogelijke noodzaak van deze beslissing geeft me de rillingen. Alleen wil ik er wel aan toevoegen dat in het geval ik mocht oordelen dat het goed is om mezelf zo te straffen voor het niet uitvoeren van al mijn dromen, dan eis ik wel omdat me daar een makkelijk en verzekerd leven wacht, dat alles achter me betaald wordt. Alleen al de gedachte aan deze decadentie en deze afzwering geeft me de rillingen over mijn rug. Daarom bezweer ik je ook om deze brief niet eens vertrouwelijk aan mijnheer Ancelle te laten zien, zo schandelijk vind ik het voor een man om tw twijfelen aan een succes. Ik heb tot februari om het te accepteren of het te weigeren, en ik beweer dat ik met Nieuwjaar de bewijzen heb dat uw geld goed besteed is.
Want dit is mijn plan: het is uiterst simpel. Ongeveer acht maanden geleden kreeg ik de opdracht om twee grote artikelen te schrijven die nog steeds slepen, de ene een geschiedenis van de karikatuur, de andere een geschiedenis van het beeldhouwen. Dat is 600 frank, en zal alleen de urgente behoeften dekken. Maar, die dingen zijn voor mij een spel.


Vanaf het nieuwe jaar begin ik met een nieuw beroep, - dat wil zeggen het creëren van pure verbeeldingsverhalen, - de Roman. Het is niet nodig dat ik u hier de ernst, de schoonheid, en de oneindige kant van die kunst toon. Omdat wij in materiële kwesties zitten, en het voor u genoeg is om te weten dat of het nu goed of slecht is, alles verkoopt; het gaat alleen om nauwgezetheid.
En dus heb ik berekend dat ik door de buitensporige ontmoediging van de meeste van mijn schuldeisers die hun schuldeis als betreurenswaardig beschouwen, en daarbij ook het diepe bewustzijn dat zij voor het merendeel hebben door mij onwaardig te hebben bestolen, het totale aantal van mijn schulden kan verminderen tot 6000 of hoogstens 8000 frank. Dat bedrag is makkelijk bij elkaar te krijgen met wat aandacht en doorzettingsvermogen, geloof mijn ervaring maar die ik heb opgedaan in al dat gedoe met kranten en de boekhandel. Wie zal ik de moeilijke taak opdragen om met hen te spreken, mezelf, mijnheer Ancelle, of een ander? Ik weet het nog niet. Maar ik eis wel van u de belofte dat deze eerste daad volbracht wordt, en ten tweede een paar maanden voorbij te laten gaan, om te bewijzen dat ik niet alleen mijn schulden kan betalen, maar ook dat ik geen nieuwe meer maak, dan zult u me met uw medewerking en tevens de eerste van uw inspanningen helpen om me de vrije beschikking over mijn geld terug te geven. Dan geeft u mij ook die wrede brieven terug waarover u het heeft gehad, en waartegen u zich zo streng opstelt. Maar als u eens wist uit wat voor gecompliceerdheid van kleine en grote lijdenswegen mijn gewoonlijke lijdensweg is samengesteld! Maar ik heb nu tenminste wel mijn best gedaan om u een nette brief te schrijven, die kan getuigen van de absolute luciditeit van mijn geest in mijn goede momenten; maar de pech is dat ik u nodig heb, en dat ik jegens u geen enkele stap kan zetten die niet op eigenbelang lijkt.


 Ik ben erg moe. Het is alsof ik een rad in mijn hoofd heb - voor de laatste keer, lieve moeder, smeek ik u in naam van mijn heil. – Ik geloof dat het de eerste keer is dat ik u zo lang tot vertrouwenspersoon maak van zoveel gekoesterde en voor mij belangrijke plannen. Moge dit u er van overtuigen dat ik af en toe afstand doe van mijn trots tegenover mijn moeder!
Praat me niet meer over mijn leeftijd. U weet toch dat niet elke opvoeding dezelfde is, en de kwestie kan zo worden samengevat. Hoe meer tijd er is verstreken tussen de dag van de geboorte en het moment dat aangewezen is voor het succes, hoe sneller het moet gaan en hoe meer er van de rest geprofiteerd moet worden.


Maar nogmaals, ik voel me nu zo goedgeluimd, dat het jammer zou zijn als ik niet begrepen zou worden. De tijd vliegt, en nog meer dagen van nietsdoen kunnen me doden. Ik heb het u al gezegd, ik heb zoveel misbruik gemaakt van mijn krachten, dat ik aan de grenzen van mijn eigen geduld ben aangekomen, en dat ik een laatste grote krachtsinspanning niet kan opbrengen als ik daar niet een beetje bij geholpen word.
Mocht er per toeval de gedachte bij u opkomen om geld aan mijnheer Ancelle te vragen, vertel hem dan niet waarom, en aangezien ik me tot u heb gericht, laat ik dan op zijn minst het plezier hebben deze gunst van u alleen te mogen ontvangen. Schrijf me onmiddellijk terug: ik moedig mezelf al drie dagen aan om u te schrijven en ik durf maar niet. U kunt vertrouwen op de koerier. – Nog een ding. U probeert me al heel lang volledig uit te sluiten van uw aanwezigheid. U hoopt waarschijnlijk dat dat uitsluiten het einde betekent van mijn problemen. Hoewel ik wel enkele gebreken heb gehad, dat is geen fout, en denkt u dat mijn ziel zo sterk is om een oneindige eenzaamheid te kunnen verdragen? Ik doe de belofte dat ik u voor het eerst pas weer ga zien om u goed nieuws te brengen. Maar vanaf dat moment zal ik vragen of ik u mag zien, en dan wil ik ook correct verwelkomd worden, en wel op een zodanige manier dat uw houding, uw ogen en uw woorden mij bij u thuis beschermen tegen iedereen.
Adieu. Ik ben blij dat ik u geschreven heb.

                            Charles.

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, zondag 5 december 1847.

Ik dank u heel hartelijk. Nog nooit was een zending zo op tijd. Weet dat ik heel goed de prijs van dit geld weet. Uw brief deed mij niet minder pijn, en daar ben ik zeker van, dan de mijne u wellicht heeft gedaan. Dit weet ik allemaal, en ik heb alles geraden. Maar ik hoop dat ik u op een dag alles  kan terugbetalen; denk niet dat ik daarmee uitsluitend en grofweg geld bedoel; ik wil u beter terugbetalen dan uw geld. – Als u mij gaarne terug wilt schrijven, zoals u mij liet doorschemeren, mijn adres weet u misschien niet dat is rue de Baylone 36. – Wat u mij stuurt zal voldoende zijn, -  dat moet wel. Ik begrijp de waarde van dit bedrag, en ik moet daar gebruik van weten te maken.

                        Charles Baudelaire Dufaÿs .

Geef mijn adres aan niemand.

AAN MADAME AUPICK
                            Parijs, 16 december 1847.

Je zit vast midden in de verhuisproblemen, en wat ik je wil vragen zal je misschien een beetje lastig vinden. Ik heb je veel te vertellen en uit te leggen. Een brief schrijven kost me meer moeite dan een boek schrijven. Aan de ene kant vind ik alles bij jou thuis vreselijk, vooral je huispersoneel. Ik wilde je vragen vandaag naar het Louvre te komen, in de grote Salon carré, en jij mag aangeven hoe laat, maar zo vroeg als je kunt. Het museum gaat overigens pas om 11 uur open. Het is de plek van Parijs waar je het beste kunt praten; het is verwarmd, je mag er wachten zonder je te vervelen, en daarbij is het de meest gepaste plaats voor een vrouw voor een afspraak. Maar als het je toch teveel stoort, zoek dan maar een andere manier. Ik zou bijna vergeten je te vertellen, omdat je geen kaartje hebt, dat je bij de conciërge mijn naam moet noemen, en dat je je zoon komt ophalen. Hij zal daarvan weten.
Snel een antwoord alsjeblieft.
                    C.B.
Ik zal er voor zorgen dat ik er het eerst ben. Ik wil je bedanken voor je laatste brief, die toon had je al lang geleden niet meer. Door die brief ben ik aangezet om je om die afspraak te vragen.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact