Baudelaire 1853

Charles Baudelaire 1853

 AAN ARMAND DUTACQ
                            Parijs, zondag 6 februari 1853.


Vanochtend heb ik dan eindelijk mijnheer La Guéronnière gezien, uw raad opvolgend. Hij heeft mijn verzoek volledig goedgekeurd, - plaatsing in de rubriek: Variétés, VAN TWEE OF DRIE STUKKEN, TEN HOOGSTE. – Ik was heel discreet. – hij zal het er ongetwijfeld nog met u over hebben. – De stukken zijn geweldig; - ik heb nu dus alleen nog maar uw welwillendheid nodig, die mij, en dat denk ik, niet zal ontbreken. – Het eerste stuk dat ik u ga geven, morgen of overmorgen, heet L’Homme des foules. –
Met de meeste hoogachting,                        Ch. Baudelaire

P.S. – Ik heb het meest gepraat met mijnheer La Guéronnière over een serie korte novellen, getiteld: La Vie militaire, die ik over twee of drie maanden bij u zou willen publiceren, dat wil zeggen in april of in mei, - hij zei tegen me dat dit van u afhing. – Zou u dat willen?
Uw geheel toegewijde,
                            C.B.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, zaterdag 26 maart 1853.

Ik weet dat ik je hevig verdriet ga doen, het is onmogelijk dat de pijnlijke toestand van mijn geest niet in mijn brief gevoeld wordt, buiten de bekentenissen die ik je moet doen. Maar ik kan het niet anders doen. Ondanks de vermenigvuldiging van brieven die ik je in mijn verbeelding geschreven heb, want sinds een jaar beeldde ik me elke maand in dat ik je zou gaan schrijven – is mijn brief kort. Ik zit in zulke problemen en in zulke ingewikkelde zaken dat ik amper een uur heb om deze brief af te geven, en dat zou eigenlijk een plezier moeten zijn maar het is juist het tegenovergestelde. – Sinds lange tijd heb ik mijn leven zodanig door de war gegooid dat ik niet eens tijd heb om te werken.
- Ik zal bij het moeilijkste beginnen en het lastigste.
Ik schrijf je met mijn laatste twee houtblokken, en met bevroren handen van de kou. Ik zal vervolgd worden voor een betaling die ik gisteren moest doen. Aan het einde van de maand zal ik voor een andere worden vervolgd. Dit jaar, dat wil zeggen vanaf vorig jaar april tot nu, is een regelrecht rampjaar voor me geweest, ondanks het feit dat ik de middelen in handen heb gehad om het heel anders te doen. Ik heb het meeste vertrouwen in jou; door je geweldige inschikkelijkheid die je voor me had toen je in Parijs was denk ik dat ik je alles kan vertellen, en ik hoop dat je niet denkt dat ik volledig gek ben, ik ken mijn gekte zelf immers. Trouwens, waarom zou ik het ook verbergen en een vrolijke brief voor je in elkaar zetten met een gelogen vertrouwen, terwijl mijn geest zo vol zit met zorgen dat ik bijna niet meer slaap, en vaak met onverdraaglijke dromen, en koorts?
Waarom ik je niet eerder geschreven heb, is het niet?
Maar jij weet niet wat is het is om je te schamen. En trouwens, wat me tegenhield was die afspraak die ik met mezelf had om je alleen maar te schrijven als ik leuke dingen te vertellen had. En ook de afspraak dat ik je nooit meer een stuiver zou vragen. Nu is dat niet meer mogelijk.
Toen ik een jaar geleden je geld had gekregen, - en zelfs als gevolg van een geheel onschuldig misverstand van mij – kreeg ik meer dan jij wilde, en ik heb het onmiddellijk gebruikt voor datgene wat ik je had aangekondigd. Ik heb het tekort van dat jaar betaald, en ik heb alleen gewoond. Hier begint het ongeluk opnieuw. Ik leefde in een huis waar de huisbazin me zoveel pijn deed, met haar listen, haar geschreeuw, haar bedrog, en ik voelde me er zo slecht, dat ik er weg ben gegaan, volgens mijn gewoonte, zonder iets te zeggen. Ik was haar niets schuldig, maar ik was zo dom om de huur te laten doorlopen, terwijl ik er al helemaal niet meer woonde; daardoor is het bedrag dat ik haar schuldig ben de huur van de tijd dat ik er niet meer woonde. Ik ben te weten gekomen dat het laaghartige mens de moed heeft gehad om je een brief te schrijven. Maar, denkend dat ik mijn spullen weldra zou kunnen ophalen, had ik daar al mijn boeken, al mijn manuscripten, sommige in hun geheel af, andere waaraan ik net begonnen was, dozen vol papier, BRIEVEN, TEKENINGEN, enfin ALLES, achtergelaten - alles wat me het liefst is: papieren. – Ondertussen was er een uitgever, - een rijke en aardige uitgever - , verzot van mij geworden en had me om een boek gevraagd. Een gedeelte van de bruikbare manuscripten waren toen daar. Ik heb geprobeerd om weer opnieuw te beginnen, ik heb opnieuw boeken aangeschaft, en ik had me vast voorgenomen je niet te schrijven. Volgens mijn contract moest ik op 10 januari het boek inleveren, ik kreeg mijn geld, en ik heb bij de drukker een manuscript ingeleverd dat zo onnauwkeurig was, dat ik er na het zetten van de eerste vellen achter kwam dat de correcties en het herstelwerk zo enorm veel werk zou zijn dat het beter was om de zetsels weer uit elkaar te halen, en opnieuw te gaan zetten. Al deze vaktermen zijn je niet bekend; het betekent dat het gedeelte dat de arbeiders hadden gezet gewoon nihil was, - door mijn schuld, - en dat mijn eer me verplichtte dat ik de schade moest betalen. De drukker die geen drukproeven ontving werd boos; de uitgever dacht dat ik gek was geworden en was woedend! – En hij had me nog wel zo duidelijk gezegd: u hoeft u nergens druk om te maken. U zoekt al jaren een uitgever; ik zal uw zaken regelen, en ik zal alles drukken wat u schrijft. – De arme, ik heb hem zijn verkoop van de winter laten mislopen, en ik durf hem nu al drie maanden niet te schrijven, noch op te zoeken. Het boek ligt nog steeds op mijn tafel, onderbroken. Ik heb de helft van de drukkosten betaald. Er gaat ongetwijfeld een boekhandelsovereenkomst komen tussen Frankrijk en de Verenigde Staten waardoor de publicatie van ons boek onmogelijk wordt, of er moet opnieuw geld aan worden uitgegeven. Om de waarheid te zeggen, ik word er gek van. Dit boek was een nieuwe start voor een nieuw leven. Het zou gevolgd worden door de publicatie van mijn gedichten, de herdruk van mijn Salons die bij mijn werk over de Caricaturistes zou worden gevoegd, en dat was bij dat afzichtelijke schepsel waar ik het over had achtergebleven, en ik had daar meer dan 200 frank voor gekregen bij La Revue de Paris, waardoor ik er nu geen stuiver voor kan vangen.
Die man dacht dat ik gek was geworden, en hij kan niets begrijpen van het feit dat ik zo laat was, en zijn goede wil betekende voor mij het begin van mijn literaire reputatie, die moet nu denken dat ik een afzetter ben. Zal ik me ooit nog kunnen verzoenen met hem?
Dit is nog niet alles. L’Opéra – de directeur van L’Opéra vroeg me om een libretto in een nieuw genre te schrijven, om het door een opkomend beroemd musicus in muziek te laten zetten. Ik geloof zelfs dat men het misschien ook door Meyerbeer had laten doen. Dat was een goede gelukkige omstandigheid, misschien wel een voortdurende vorm van rente-inkomsten geweest. Er zijn mensen van vijftig die hun reputatie al bereikt hebben, maar die nooit zo’n voordeeltje hebben gekregen. Maar armoede en wanorde zorgen voor zo’n futloosheid, zo’n melancholie, dat ik alle afspraken ben misgelopen. Gelukkig, heb ik geen cent gekregen!
Het is nog niet klaar. De partner van een directeur van Le Théâtre du Boulevard vraagt me om een dramatoneelstuk. Dat moest deze maand gelezen worden. Het is niet af. Uit respect voor mijn relatie met die mijnheer heeft een chef van een hoerenkast me 300 frank geleend om een andere ramp van de vorige maand te sussen. Als het toneelstuk af was geweest, dan was er niets aan de hand geweest; dan zou ik de schuld laten betalen door de partner van die directeur, of dan zou ik het laten wegen op de toekomstige winst op het toneelstuk of op de verkoop van mijn kaartjes. Maar het toneelstuk is niet af; er liggen nog stukken van bij de vrouw van dat hotel in kwestie, en over zes dagen loopt de termijn af, aan het einde van de maand; wat moet er van mij worden? Wat gaat er met me gebeuren?
Soms heb ik momenten dat ik zin heb om voor altijd te gaan slapen; maar ik kan niet meer slapen, omdat ik de hele tijd aan het denken ben.
Ik hoef je niet te vertellen dat ik de hele winter zonder haardvuur heb gezeten. Maar dat is een kleinigheid.
En zo, om het samen te vatten, is me dit jaar aangetoond, dat ik echt geld kon verdienen, en met toewijding en vervolg, veel geld. Maar de voorafgegane wanorde, een niet aflatende armoede, een nieuw tekort dat aangevuld moest worden, de afname van mijn energie door kleine probleempjes, en ten slotte, om kort te gaan, mijn neiging tot dromen, dat alles heeft het allemaal afgezegd.
Ik moet je nog iets vertellen. Ik vind je zo goed en intelligent, dat ik het een plicht vind om je alles te zeggen. Ik heb nog niet al mijn kwellingen opgesomd.
Een jaar geleden ben ik bij Jeanne weggegaan, zoals ik je verteld had, waar jij toen nog aan twijfelde, wat me gekwetst had; waarom denk je dat ik je iets wil of moet verbergen? Gedurende een paar maanden ben ik twee of drie keer per maand bij haar langs geweest, om haar wat geld te brengen.
Maar, nu is zij ernstig ziek, en zij zit in een grote armoede. Ik praat daar nooit over met mijnheer Ancelle, de ellendeling zou dat veel te vreugdevol vinden. Moge duidelijk zijn dat een klein gedeelte van wat je mij zult opsturen haar ten deel valt. Ik ben nu boos dat ik je dat verteld heb, want jij bent in staat om met je grove moederlijke geregel haar geld te laten sturen, zonder mij te waarschuwen, via mijnheer Ancelle. Dat zou een hoogst zeldzame ongepastheid zijn. Je wilt me geen nieuwe kwetsuur toebrengen, toch? Dit idee gaat groeien, en zich vastpinnen in mijn hoofd, en me achtervolgen. Enfin, ik zal je uitleggen wat ik aan die kant te lijden heb: ze heeft me heel wat pijn gedaan,nietwaar? Hoe vaak heb ik me daar niet over beklaagd, en tegen jou nog recentelijk, een jaar geleden. Maar bij het zien van zo’n ruïne, van zo’n diepe melancholie, voel ik mijn ogen vol tranen, en om je de waarheid te zeggen, zit mijn hart vol verwijten. Ik heb twee maal haar sieraden en meubels verkocht, ik heb haar schulden laten maken voor mij, wissels laten tekenen, ik heb haar bewusteloos geslagen, en aan het eind, in plaats van haar te laten zien hoe een man als ik zich gedraagt, heb ik haar altijd het voorbeeld gegeven van zedeloosheid en het zwerversleven. Ze heeft pijn –  ze kan niet praten. Is dat dan geen reden om wroeging te hebben? En ben ik daar niet schuldig aan net als aan alle kanten?
Aan jou was ik schuldig je voor je oude dag de vreugde te geven waar mijn talent jou op kon laten hopen, - dat heb ik niet gedaan. –
Ik ben schuldig ten opzichte van mezelf; die disproportie tussen mijn willen en kunnen is iets dat onbegrijpelijk is voor me.- Waarom, als ik een idee heb dat zo juist en zo duidelijk is voor de plicht en het nuttige, doe ik altijd het tegenovergestelde?
Zei die idioot van een Ancelle een tijdje geleden niet tegen me dat hij je had geschreven dat het goed met me ging. Die imbeciel merkt niets, begrijpt niets, niet méér in het ene systeem der dingen dan in het andere. Ik wil je niet ongerust maken, daar is geen reden voor. Trouwens, ik heb zo’n robuuste gezondheid dat die alles kan overheersen. Maar dit verwerpelijke leven en die brandewijn, - waar ik mee ga stoppen – hebben in mijn maag voor een paar maanden schade aangericht, en bovendien heb ik ook nog onverdraaglijke zenuwpijnen, - precies zoals vrouwen dat hebben. – Maar, dat was onvermijdelijk.
Begrijp je nu, waarom ik, midden in die afschuwelijke eenzaamheid die mij omringt, zo goed het genie van Edgar Poe heb begrepen, en waarom ik zijn vreselijke leven zo goed heb kunnen beschrijven?
Over dit onderwerp kan ik je nog vertellen dat dit vervloekte boek en het verlies van het vertrouwen van mijn uitgever, en het feit dat ik steeds te laat was, en de onheil waar ik voor vrees, - zoals die internationale overeenkomst waarover ik je straks schreef, - en ten slotte dat positieve zaakje van drie maanden geleden wat met de dag vager en meer onbestemd werd, - dat alles kwelt me om een andere reden. Ik verheugde me erop je een heel aparte verrassing te kunnen geven. – Ik wilde namelijk mijnheer Aupick een mooi exemplaar geven, gedrukt op excellent kwaliteitspapier en met een mooie band. – Ik weet heel goed dat iedere vorm van affectie-uitwisseling tussen hem en mij onmogelijk is, maar hij zou begrepen hebben dat het opsturen van een boek, dat uiteindelijk een apart boek zal zijn, een bewijs zou zijn van waardering (als ik er ooit uit kom) en een bewijs dat ik ook aan die van hem hecht. Je zou het te weten zijn gekomen, en je zou er enige voldoening uit hebben gehaald. Dat was mijn enige doel.  Ik gebied je daar met geen woord over te spreken.
Ik weet niet of ik je moet feliciteren met zijn recente benoeming. Want ik weet niet of je niet liever in Madrid was gebleven.
Ik heb onlangs om informatie gevraagd omtrent je terugkeer bij Mijnheer Ancelle, Mevrouw Olivier, en bij Buitenlandse Zaken, omdat ik bang was dat mijn brief niet bij je aan zou komen in Madrid. Daar wisten ze me niets te vertellen. Dus ik doe hem maar op de bonnefooi op de post. Vanavond de 26e zal hij verzonden worden, en als je me met je gewoonlijke punctualiteit kan antwoorden, dan kan ik het antwoord op 7 april hebben, net een dag voor een nieuwe crisis. Tot die tijd, hoe ik het zal klaarspelen om die duivelse schokken die ik verwacht te kunnen weerstaan, ik weet het niet. – Ik zal proberen heel zachtjes met mijn boek vooruit te komen, heel langzaam, als een man die geen cent heeft, die zijn verstand kwijt is.
Ik zou bijna vergeten het met je te hebben over getallen; maar echt, dat is zo vreselijk dat het me pijn doet om dat op te schrijven. Ik heb het zover gebracht dat ik het een jaar heb uitgehouden zonder jouw beurs te hulp te roepen; het is vanzelfsprekend dat ik constant het plan heb om daar nooit meer een beroep op te doen, maar echt, als ik dat nog een keer nodig heb, dan zal dat niet eerder zijn dan over een jaar.
- mijn boeken en manuscripten ophalen.
- het restant van de drukkosten betalen.
- de twee leningen waarvan de uiterste termijn van de één vandaag afloopt, en de andere (de lener van die theaterzaken) aan het einde van de maand.
- een massa aan kleine schulden, heel klein, maar die samen wel één grote vormen.
- mijn huur en een traiteur –
- die ongelukkige Jeanne tegemoet te komen.
Dit alles maakt net, net één jaarinkomen, 2400 frank. Dat heb jij uiteraard niet voor me opzij gezet – dat is volgens mij onmogelijk. Het grote geluk is dat er rek zit in die kleine schulden, en ik zal voor de belangrijkste de minder belangrijkere opofferen. Misschien, heel misschien kan ik vanaf nu tot de 7e nog wat geld verdienen met de laatste fragmenten van E.A. Poe die ik nog in het boek wil plaatsen.
Ik zou je nog wel miljoenen dingen willen vertellen; maar de tijd dringt vreselijk; Bijvoorbeeld: - dat je je geen zorgen moet maken, zoals ik weet dat jij dat doet, - over de oude rekening met mijnheer Ancelle.
Dat is iets onbeduidends voor hem; het is een schuld die te miniem is om niet gemakkelijk teniet te kunnen doen, als ik die andere oude schulden kan gaan verminderen.
- dat ik een plan heb waarvan ik denk dat het goed is, ik denk daar al bijna twee jaar aan, - en dat ligt volkomen buiten de literatuur, om een enorme som geld te verdienen. Dat zou ik na een verzoening met mijn uitgever moeten doen, en ook het publiceren van twee of drie boeken. Als ik er op deze manier niet in slaag om die verschrikkelijke achterstand te repareren, - denk er dan eens aan dat de rente wel doorloopt – dan zal ik me wel met alle geweld op het theater moeten werpen.
- dat ik heel erg veel te klagen heb gehad over jouw vrienden, - mijnheer Olivier, een jaar geleden; - ik dacht echt dat hij wartaal uitsloeg.  – Ik had je het verslag van deze fantastische scène geschreven, maar ik was voor jou een paar keer aan een brief begonnen die een paar maanden geleden toen bij al mijn andere papieren zijn gebleven.
- over mijnheer Émon, die me heel grof beledigd heeft, zonder enige provocatie van mijn kant. Ik had wel lichamelijk willen corrigeren, maar net als bij mijnheer Olivier heb ik me ook bij hem ingehouden; ik had mijnheer Olivier een brief geschreven, maar ik heb die brief weggedaan, ik zeg je, ik heb me ingehouden, alleen maar door jou.
Etc., etc………..
Mijnheer Ancelle vermoeit me zo, en ik zie hem zo min mogelijk. Zeg eens, heb jij hem soms opgedragen dat hij jou verslag moet doen van mijn gevoelens en mijn ideeën ? Je weet toch heel goed dat alleen de gedachte daaraan me helemaal van slag maakt, en de zedenleer van de Bourgeoisie boezemt me zo al afschuw in.
Ik las een paar dagen geleden in een krant een uittreksel van een Spaanse krant, waarin werd gezegd dat de armen van Madrid je zouden gaan missen. Ik moet je bekennen dat mijn eerste gedachte heel slecht was. Maar daarna moest ik alleen maar lachend denken aan wat ik had gedacht. Ik heb begrepen dat jij eigenlijk altijd op zoek bent naar een manier om je man te eren, wat heel normaal is.
Schrijf me rechtstreeks naar mijnheer Charles Baudelaire, rue Pigalle 60 te Parijs, en maak je niet druk om de port die betaald moet worden. Ik denk dat er niet gefrankeerd kan worden.
Ik doe bij deze brief een paar stukjes uit dat arme onderbroken boek. Een van de meest opmerkelijke daarvan heeft in het oktobernummer gestaan van La Revue de Paris, vertaald door mij ; in hetzelfde nummer stond een gedichtstuk van mij, dat heel gevaarlijk was, en waarvoor ik bijna ben vervolgd. Als je die twee stukjes niet hebt gelezen, en je hebt er tijd voor, vraag ze dan in de leeszaal. Is dat niet een man genaamd Monier, in Madrid *? Het heet Le Puits et le Pendule, oktobernummer.
Maar, alsjeblieft, antwoord me, voordat je dat allemaal gaat lezen, wat je overigens ongetwijfeld later in boekvorm zult kunnen lezen.
Arme lieve moeder, er is maar weinig plaats voor tederheid in deze vreselijke brief. Als ik je zal zeggen dat ik wel tien keer het plan heb gehad om ergens geld vandaan te halen en naar Madrid te komen, alleen maar om je de hand  te schudden, dan zou je me niet geloven, nietwaar? Als ik je zou zeggen dat ik wanneer ik met mijn hoofd gedoken zit in die afschuwelijke melancholie, ik dan heel zachtjes met jou praat, dan zou je me niet geloven. Jij denkt dat dat van die verzinsels zijn van beleefdheden van een zoon voor zijn moeder. Ik heb zo’n vreemde ziel dat ik mezelf er bijna niet in kan herkennen.
Enfin, ik zal je binnenkort vast een keer zien; en net zoals we ons mooi maken bij plechtige gelegenheden, zal ik mijn arme intelligentie mooi maken om je waardig te verwelkomen. Ik heb vaak aan verschillende personen gevraagd hoe het met je ging, en altijd zei men tegen me: goed. Is dat waar?
Nog iets. Stuur me zoveel mogelijk geld, ik bedoel zoveel als je kunt, zonder dat je daardoor in de problemen komt, want al met al is het heel terecht dat ik zo moet lijden. En als jij geen geld hebt, geef me dan toestemming om het bij mijnheer Ancelle op te halen, zelfs als je hem geen geld hebt opgestuurd sinds april.
Maak me niet teveel verwijten; als deze lastige crisis voorbij is, dan sta ik weer op. Ik omhels je en schud je de hand.

                                Charles.
                                Rue Pigalle, 60.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, 20 april1853.
Die 25 frank die ik aan die roddelaarster heb gegeven dienden nergens anders toe dan me nog drie ruzies op te leveren. Ze eiste bij hoog en bij laag die 40 frank die zij volgens mij pas de 9e van de volgende maand mocht krijgen. Ze weigerde me zelfs de kwitanties en de reçu’s te geven van het geld dat ik haar onlangs heb gegeven. Dit zijn de reçu’s:
5 frank, 50 frank, en als laatste JOUW 25 frank. Totaal80 frank. En dus omdat zij zo gek was me de reçu’s te geven waar ik recht op had, verklaarde ik dat zij die 40 frank niet zou krijgen. Daarop werd de ruzie heviger, en toen heeft ze me de dienst opgezegd voor vanaf de 9e. Vandaar dat ik graag de doorgelopen huur wil betalen met die 40 frank die bestemd waren voor de betaling van de doorgelopen huur van de 9e ; - stuur me die op; - en dan ga ik vanaf de 9e elders wonen, ik heb nu maar net twee weken de tijd om al mijn problemen het hoofd te bieden. – Morgen stuur ik je de kwitantie van die 40 frank. – Maar goed, je ziet dat ik dat gekke mens de kwitanties heb ontfutseld die ze me schuldig was.

                                Charles.

Je moet die 40 frank naar mij toesturen. Het zou te absurd zijn als ik niet zelf de mensen zou gaan betalen die me beledigen.
Je vindt het misschien vreemd dat ik die 40 frank niet meteen heb betaald van die 65 frank die over zouden moeten zijn; maar behalve het feit dat ik ze in geen enkel geval kon geven aan een persoon die me als een dwaas de reçu’s weigerde te geven waar ik recht op had, had ik het geld ook niet;want omdat ik deze scène niet verwachtte, had ik een groot gedeelte van dat geld al uitgegeven.
In die zaak met die boeken is me iets nogal ernstigs overkomen. Ik heb van te voren betaald, en toen ik het thuis ging controleren, zag ik dat er twee aantekenschriften ontbraken. Als die vrouw niet wil gaan zoeken of ze die nog kan terugvinden, dan weet ik niet of ik haar kan laten vervolgen en veroordelen tot het terugbetalen van minstens een of andere schadevergoeding. Wat een oplichters en gemene mensen! Wat vermoeiend om zo te leven!

                                    C.B.

Dat lelijke mens heeft bovendien toiletartikelen en mooi linnengoed gestolen, stropdassen, etc…
Ik heb dat mens beloofd dat ze haar geld morgenochtend zal krijgen, als ze mij die kwitanties gelijk meegaf. Ik wacht daar nu dus al anderhalf uur op.

Eindelijk, ze heeft ze me zojuist gegeven op het moment dat ik een brief wilde schrijven naar de politiecommissaris. Ik weet niet hoe laat je deze brief krijgt; het is nu zes uur ’s avonds. Zodra je hem hebt gekregen, stuur het dan naar mijn huis. Ik ga niet voor etenstijd naar buiten.

Ik heb geen plaats noch tijd genoeg om je te vertellen hoe dankbaar ik ben en hoe ik me schaam voor de grote dienst die je me hebt bewezen. Ik zit in verschrikkelijke problemen, maar ik kom er wel uit, ook al was het om je te behagen. Je hebt me je affectie al zo vaak bewezen op zo’n formele manier dat ik je echt een beetje vreugde moet gaan geven.

                                    C.B.

Ik zal je de laatste kwitantie terugsturen. Ik sta trouwens op een zodanige voet met dat mens dat ik geen enkele inschikkelijkheid van haar mag verwachten.

AAN MAXIME DU CAMP
                        Parijs, vrijdag 22 april 1853.
Beste Du Camp,

Philoxène heeft me opgedragen dat hij niemand uitnodigingsbrieven heeft kunnen opsturen omdat het niet was aangekondigd, en dat die nu niet meer nodig zijn. Zijn tweede lezing begint vanavond half negen of kwart voor negen, - in L’Athénée, place Vendôme 12. Ik denk dat hij het heel fijn zou vinden indien u kon komen.                       

Uw toegewijde,                     

    Ch. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, april 1853.

Ik moest vannacht mijn huis uit, en heb – voor twee dagen waarschijnlijk, totdat iemand het zaakje voor me heeft geregeld – in een onvindbaar en geblindeerd hotelletje moeten slapen, want ik was thuis omsingeld en ik werd bespioneerd, zodat ik me niet meer kon verroeren. Ik ben zonder geld van huis weggegaan om de doodeenvoudige reden dat er geen geld was. Deze brief vraagt 10 frank van je, om tot de 15e die twee dagen door te komen. Ik lig nog op bed, en wacht vol ongerustheid af.
Jouw 60 frank hebben nochtans hun vruchten afgeworpen, maar ik kan dat geld (900) pas aan het eind van de maand krijgen.

                                                C.B.

AAN MADAME SABATIER
                            Versailles,  3 mei 1853.
AAN A.

Engel vol vrolijkheid, kent u angst,
Schaamte, wroeging, snikken, verveling,
En de vage angstvrezen van die afschuwelijke nachten
Die je hart samenpersen als een stuk papier dat men frommelt?
Engel vol vrolijkheid, kent u angst?

Engel vol goedheid, kent u haat,
Gebalde vuisten in de schaduw en galbittere tranen,
Als de Wraak zijn helse rappel slaat
En kapitein wordt met onze talenten?
Engel vol goedheid, kent u haat?

Engel vol gezondheid, kent u Koortsen,
Die langs de grote muren van het vale rusthuis,
Net als gevangenen hun voeten slepend weggaan,
Op zoek naar de zeldzame zon en hun lippen bewegend?
engel vol gezondheid, kent u de Koortsen?

Engel vol schoonheid, kent u de rimpels,
En de angst om oud te worden, en de schandelijke kwelling
De geheime afschuw van de Toewijding te lezen
In de ogen waaruit lange tijd onze inhalige ogen dronken?
Engel vol schoonheid, kent u de rimpels?

Engel vol geluk, vreugde en lichten,
Stervende David zou om gezondheid hebben gevraagd
Aan de uitwasemingen van je betoverde lichaam;
Maar van jou vraag ik, Engel, enkel je gebeden,
Engel vol geluk, vreugde en lichten *.

Ange plein de gaîté, connaissez-vous l’angoisse,
La honte, les remords, les sanglots, les ennuis,
Et les vagues terreurs de ces affreuses nuits
Qui compriment le coeur comme un papier qu’on froisse ?
Ange plein de gaîté, connaissez-vous l’angoisse ?

Ange plein de bonté, connaissez-vous la haine,
Les poings crispés dans l’ombre et les larmes de fiel,
Quand la Vengeance bat son infernal rappel
Et de nos facultés se fait le capitaine ?
Ange plein de bonté, connaissez-vous la haine ?

Ange plein de santé, connaissez-vous les Fièvres,
Qui le long des grands murs de l’hospice blafard,
Comme des prisonniers, s’en vont d’un pas traînard,
Cherchant le soleil rare et remuant les lèvres ?
Ange plein de santé, connaissez-vous les Fièvres ?

Ange plein de beauté, connaissez-vous les rides,
Et la peur de veillir, et le honteux tourment
De lire la secrète horreur du Dévouement
Dans les yeux où longtemps burent nos yeux avides ?
Ange plein debeauté, connaissez-vous les rides ?

Ange plein de bonheur, de joie et de lumières,
David mourant aurait demandé la santé
Aux émanations de ton corps enchanté ;
Mais de toi je n’implore, Ange, que tes prières,
Ange plein de bonheur, de joie et de lumières.



AAN MADAME SABATIER
                    Parijs, mei 1853.

After a night of pleasure and desolation, all my soul belongs to you.

Quand chez les débauchés l’Aube blanche et vermeille
Entre en société de l’Idéal rongeur,
Par l’opération d’un mystère vengeur
Dans la bête assoupie un ange se réveille ;

Des Cieux Spirituels l’inaccessible azur
Pour l’homme terrassé qui rêve encore et souffre
S’ouvre, et s’enfonce avec l’attirance du gouffre,
- Ainsi, Forme divine, Être lucide et pur,

Sur les débris fumeux des stupides orgies
Ton souvenir plus clair, plus rose et plus charmant,
Pour mes yeux agrandis voltige incessamment.

- Le Soleil a noirci la flamme des bougies ;
- Ainsi, toujours vainqueur, ton Fantôme est pareil,
- Âme resplendissante, - à l’éternel soleil.


Wanneer bij de losbandigen de Dageraad blank en verguld
Verbinding maakt met het knagende Ideaal,
Door het werk van een wraakachtig mysterie
Ontwaakt in het ingeslapen beest een Engel;

Uit de Spirituele Hemelen zal het ontoegankelijke azuur
Voor de gevloerde man die nog droomt en lijdt
Zich openen, en stort zich met de aantrekkingskracht van de afgrond.
- En zo, goddelijke Vorm, lucide en puur Schepsel,

Op de walmende brokstukken van stupide orgieën,
Dwarrelt jouw herinnering, lichter,  meer roze en nog charmanter,
Onophoudelijk in het rond voor mijn vergrote ogen.

- De Zon heeft de kaarsvlam zwartgeblakerd;
- en zo, immer winnaar, is jouw Fantoom gelijk,
- Schitterende Ziel, - aan de eeuwige Zon.

* * * * * *

AAN MADAME SABATIER
                    Versailles, maandag 9 mei 1853.
Werkelijk, Madame, ik vraag u duizend maal pardon voor deze imbeciele anonieme rijmelarij, die verschrikkelijk riekt naar kinderachtigheid; maar wat kan ik er aan doen? Ik ben net zo egoïstisch als kinderen en zieken. Als ik lijd dan denk ik aan mensen die geliefd zijn. Meestal denk ik in verzen aan u, en wanneer die verzen af zijn, dan kan ik de zin niet weerstaan om ze aan de persoon te laten zien die er het onderwerp van is.
Tegelijkertijd verstop ik me, als iemand die extreem bang is om belachelijk te zijn. Zit er niet iets wezenlijks komisch in de liefde? – En wel in het bijzonder voor diegenen die er niet door aangetast zijn.
Maar ik zweer u dat het echt de laatste keer is dat ik me blootstel; en als mijn hartstochtelijke vriendschap voor u nog net zo lang duurt zoals die nu al duurt, dan zijn wij voordat ik er ook nog maar een woord over heb gezegd beiden oud.
Hoe absurd dit u allemaal ook mag lijken, beeld uzelf in dat er een hart bestaat waarmee u niet zonder wreedheid zou mogen spotten, en waarin uw beeld altijd leeft.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, maandag 27 juni 1853.

Ik voel me vanochtend zo verdrietig, zo slecht op mijn gemak en zo ontevreden, dat ik de moed niet kan opbrengen om je een afscheidsbezoekje te brengen, - ik verzeker je dat ik geen enkele andere reden heb. Je weet dat ik onverklaarbare grillen in mijn hoofd heb. – Maar een bezoek bij jou thuis bezorgt me echt altijd een akelig gevoel. Ik neem niet aan dat je morgen al weggaat. Zou je me niet (bij mevrouw Trolley, rue Rameau 13, aan mijnheer Baudelaire, - dat is de zuster van mijnheer Ancelle) een brief kunnen laten bezorgen met daarin een plaats voor een afspraak waar we een uur of twee zouden kunnen praten. – Het zou heel charmant zijn als dat een diner zou kunnen zijn of een lunch, of een wandeling. Maar dit is wel een luxe die niet verplicht is. Ik zal vandaag om 5 uur bij die dame langsgaan. Omdat ik niet weet waar ik al mijn brieven, papieren etc. kan ontvangen die nuttig voor me zijn om te krijgen, is zij zo aardig geweest om me haar adres als postadres te geven.
                    Charles.
Ik moest erg lachen om jouw 21 frank en dat heeft me erg geraakt. – Het is waar, er bestaan fijnzinnigheden waar ik zelf niet aan zou denken.
                                    C.B.

AAN NADAR
                            Parijs, zondag 18 September 1853.
Beste Nadar,

Probeer, probeer om voor mij voor morgen als ik naar je toekom een klein geldbedragje te vinden, zelfs het meest ordinaire. Je weet dat ik alleen maar hele vermoeiende dagen heb. Ik vraag je om excuus dat ik je zo vaak lastig val. Over enkele dagen zal het niet meer gebeuren.

Je toegewijde,
                        Ch. Baudelaire

AAN NARCISSE ANCELLE
                        Parijs, 24 september 1853.
Deze artikelen zijn betreurenswaardig.
Zou u mij de volgende dienst kunnen bewijzen? Ik heb wat onderzoek te doen dat te maken heeft met bepaalde gedeelten van de Wronskidoctrine. U weet dat zijn boeken nergens te krijgen zijn.
Zou u ze misschien kunnen lenen bij mevrouw Wronski voor een week of twee? U zou dan kunnen zeggen dat het voor een vriend van u is die zeer nieuwsgierig is naar die gebieden;  en in het geval dat mevrouw Wronski ze niet zou willen uitlenen, vraag haar dan of zij ze wil verkopen. Omdat ik zelf geen cent heb, zou u, in dat geval zo vriendelijk kunnen zijn om mijn kredietwaardigheid te kunnen waarborgen.
De boeken waar het om gaat zijn:
Réforme du savoir humain
2 delen in-4º.
Een van de boeken bevat een mathematisch gedeelte en het andere een filosofisch gedeelte.
Ten tweede
La Théorie mathématique de l’ économie politique.
Let goed op, want dit is niet de titel van het boek. Ik weet alleen dat die betreffende Théorie in een van de boeken van Wronski staat. Ik geloof dat het in een brochure in-4º is samengevat. Maar volgens mij weet mevrouw Wronski wel welk boek ik nodig heb.
En ten slotte vraag dan ook aan mevrouw Wronski hoe men meestal te werk moet gaan om aan boeken van haar man te komen, zoals bijvoorbeeld: Le Secret politique de Napoléon,  en Le Faux Napoléonisme.
Ik ga om de dag naar place Louvois. Wilt u een briefje naar uw zuster schrijven *, indien u mij niet over twee of drie dagen ziet.
Uw toegewijde.
                            Ch. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, 19 november 1853.

Ik dank je uit de grond van mijn hart. Wat ik gisterenochtend gedaan heb, ik heb de 50 frank meteen naar de burgemeester van Belleville gestuurd, die voor mij borg had gestaan, en die 50 frank had ik nu in handen, en ik heb tegen hem gezegd dat ik hem die ontbrekende 10 frank vandaag zou sturen. Voor wat betreft die toevoeging van 10 frank extra, dat was een heel mooi idee dat je daar had; daarmee kan ik drie dagen binnenblijven – alleen kan ik je niet garanderen dat ik je die 70 frank op 1 december terugstuur. Ik kan maar voor 50 frank garanderen.
De drie stukken die ik je stuur zul je misschien amusant vinden. Verkreukel mijn kranten niet te erg, en raak ze niet kwijt; ik heb ze nog nodig om ze naar de drukkerij terug te sturen als ik een herdruk laat maken, en bij de krant zijn ze zo vrekkig dat ze geen gratis proefdrukken aan de auteurs geven.
                                    C.B.

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, 1 december 1853, half elf.
Lieve moeder,

Ik zou heel erg graag en heel verstandig mijn huur vandaag willen betalen. Gisteren was ik eerst nog vastbesloten om je ten eerste je 70 frank terug te geven, en ten tweede om je deze maand te verlossen van de last van 40 frank. Maar aan de ene kant weigert mijnheer Ancelle me heel stellig geld en aan de andere kant ben ik vastbesloten om geen geld te vragen aan Le Moniteur voordat mijn eerste nummer uitkomt.
Dus zou ik vandaag graag willen – als dat niet onmogelijk is, die 40 frank aan vrouw Gély te geven, en ik blijf er hard in geloven dat ik je in een tijdsbestek van twee, drie, vier dagen misschien je jouw 70 frank kan terugsturen. Dat doe ik met een heel sterke eigenliefde.
Waarschijnlijk vind je het niet erg belangrijk om te weten waarom ik er zo op sta om vandaag te betalen. Je hoeft alleen maar te weten dat telkens wanneer een man onthutst is door schulden en zorgen, hij dan beschermd is tegen iedereen door zijn huisbazin, wanneer deze tevreden over hem is. En die vrouw heeft net vandaag geld nodig. Bovendien had ik je niet verteld dat ik een dag of tien ernstig ziek ben geweest; wel, al die vrouwtjes hebben zich heel goed gedragen en hebben me heel goed verzorgd. Dat was ook wel nodig. Want je weet dat ik al een lange tijd helemaal alleen ben.
Tussen al deze problemen heb ik je toch ook nog wat vrolijke dingen te vertellen; 1. en dat is heel erg voor mij, kan ik mijn verzoening met mijn uitgever als gedaan beschouwen. 2. van de ene dag op de andere zul je in Le Moniteur , die jij vast ook krijgt, een serie hele grote stukken gaan zien, en die gaan me deze maand 500 tot 700 frank opleveren! Wat weinig!
Geef niets aan de loopjongen.
Ik vind het onnodig om 20 stuivers te besteden voor het terug sturen van de kwitantie aan jou. Ik doe hem meteen op de post voor je.
Over een paar dagen zul je me vrolijker gaan zien, dankzij het geld, en dankzij het literaire gescharrel… Ik ben nog teveel gemelancholieerd om je te vragen naar me toe te komen.
Serieus gezegd, kan ik je de 3e of de 4e geld terugsturen.
Het is bijna 11 uur nu; ik had mevrouw Gély beloofd dat zij haar 40 frank rond het middaguur zou krijgen. Ik rekende op mijnheer Ancelle.
Houd mijn feuilletons nog maar; ik ga het pakket pas naar mijn uitgever sturen zodra de laatste stukken zijn verschenen.
Veel liefs en bedankt.
                            Charles.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
                        Parijs, vrijdag 16 december 1853.
Beste Malassis,

Ik verzoek u, ik zal niet zeggen met klem, want dat zou beledigend zijn voor u, - ik vraag u alleen maar – als dat mogelijk is - , zodra u mijn brief heeft gekregen, om voor mij – in de vorm van een postwissel – een WILLEKEURIG welk bedrag op de post te doen. Ik stel u best gerust zoals u ziet, want het spreekt voor zich dat het niet om een grote som geld kan gaan. Het gaat er alleen maar om dat ik een paar dagen rust kan vinden, en daarvan te profiteren om de belangrijke dingen af te maken die een positief resultaat zullen hebben volgende maand.
Toen ik de beslissing nam om u om wat geld te vragen, moest ik wat rommelen in mijn papieren om te kijken hoeveel ik u al schuldig was. Ik heb het getal 36 gevonden. Als ik me vergis, zeg het dan tegen me, en ik neem aan dat u me dat zelf dan vertelt; want Champfleury zei gisteren tegen me dat u naar ons toe zou komen in januari.
Ik kan u echt niet alle werkelijke ongelukkige dingen vertellen die dit jaar in mijn leven zijn gekomen, zowel door mijn eigen schuld als buiten mijn schuld. Steriel jaar. Al dat groteske gedicht gaat u niet aan en dat zou u ook niet interesseren. U leeft nu ook zo kalm! Mijn eigen leven, en dat zult u ook wel vermoeden, zal altijd bestaan uit woedeaanvallen, uit doden, beledigingen, en vooral uit ontevredenheid over mezelf. Dit is geen hoogdravende taal, dat verzeker ik u; ik schrijf u zonder enige vorm van nerveuze opwinding. Alles wat ik weet, alles wat ik voel, is dat ik als gevolg van een serie tegenslagen waarin mijn eigen domheid ook zijn deel heeft, een heel jaar verloren ben, en dat ik vier boeken en drie komedies moet maken; dat die werken niet af zijn, niet helemaal althans, dat ik al geld heb ontvangen voor enkele daarvan, en dat ik GEEN CENT HEB om te werken, niet twee weken, maar zelfs niet voor een dag. U zult het dan zeker ook niet verbazingwekkend vinden da tik aan u heb gedacht, omdat u zo aardig voor me bent geweest, en nog altijd bent.

P.S. WEL OF GEEN GELD, antwoord me meteen alstublieft; maar vooral, vriend, gen grote redenen die voor de beesten zijn; ik zou er heilig van overtuigd zijn dat u mij niet kunt verplichten vanwege het simpele feit dat u dat niet doet.
En ook, beste vriend, niet teveel esprit, dat zou slecht aankomen in mijn huidige leven.
Aangezien u dus hier komt in januari reken ik er op dat u ook naar mij komt, dat spreekt voor zich. Ik zal trachten om zo vooruitziend te zijn dat ik uw geld opzij zet. Ik laat een serie stukken bij Le Moniteur uitkomen, zodra ik het kleine verzetje heb waar ik om smeek, en dat zal me een aardige som opleveren.

 Nog een P.S. Christophe gaf me een paar maanden geleden een nummer van Le Journal d’Alençon, waarin u duidelijk maakte dat het met de vertaler en de enthousiaste net zo zou aflopen als het model. Dat is nu de strekking. Ik heb de krant nog tussen mijn papieren liggen.
U zegt tevens dat mijn categorieën en psychologische verklaringen onbegrijpelijk zijn, en zelfs, voor zover ik me kan herinneren, dat ik geen enkel filosofisch denkvermogen heb. Het is heel goed mogelijk dat ik een beetje duister ben in werk dat haastig gedaan moet worden,onder de druk van geldnood, en gehinderd door romantische bruten; maar mijn nieuwe werk, - vermeerderd met het tweede exemplaar – verschijnt in januari, en zal u aantonen dat ik mezelf heel goed begrepen heb. – Ik weet zelf zeker dat u het genie in kwestie niet begrepen heeft. U hebt met een opzichtig genot van geest over een man gesproken met wie u niet bent omgegaan. Bovendien, die vertaling die u er tussen heeft gestopt verbeeldt niet precies de betekenis en de poëtische stijl van de CORBEAU. Moge mijn lichte rancune u er niet van weerhouden om voor me te doen wat u kunt. Als uw minnares nog bij u is, en als zij me niet al te zeer haat, - en indien u het gepast vindt, doet u haar dan de groeten van mij.
Ik dank u voor uw geld, als u dat opstuurt; voor uw snelheid mij te antwoorden, indien u me alleen een brief stuurt.
Uw toegewijde,
                            Ch. Baudelaire
                            Rue Pigalle 60.

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, maandag 26 december 1853.
Als deze jongen je thuis treft, schrijf me dan een briefje terug, en geef hem dan iets, want ik heb niets om hem te betalen. Als je niet thuis bent, dan heeft hij de opdracht deze brief achter te laten, - en in dat geval hoop ik dat je, als je hem gelezen hebt, zo lief wilt zijn om me vandaag nog een antwoord te sturen; want een brief op de post doen zou niet snel genoeg gaan.
Neem het me maar niet kwalijk als ik je beken dat jouw brief twee dagen op mijn bureau heeft gelegen zonder dat ik hem open had gemaakt; in de toestand van krachteloosheid waarin ik nu ben is het wel voorgekomen dat ik brieven pas na drie maanden openmaakte, en jouw handschrift begint nu dezelfde angst bij me te veroorzaken als die van de mensen die mijn vijanden zijn vanwege hun rechten en omdat hun onophoudelijke invorderingen me moedeloos maken.
En toch heb ik je brief nog gelezen, en ik verzeker je dat ik nog nooit iets had gelezen dat zo vreemd excentriek was. Die woede van je moederinstinct dreef je er laatst nog toe om me per post grammaticale aantekeningen te sturen van een auteur die jij nog nooit gelezen hebt ; en dreef je er laatst ook nog toe om te denken dat al mijn pijn bestond uit het feit dat het me aan caoutchouc schoenen ontbrak. – En dan nog God en de Hemel waar ik niets mee te maken heb. – Om je de waarheid te zeggen, het gaat om iets heel anders. – Ik vraag je om vergeving dat ik zo’n toon tegen je aansla; niets ontgaat me; jij ziet het kinderlijke van die moederlijkheid niet; en als ik de schattige kant van die kinderlijkheid niet zag, dan zou ik je niet meer schrijven; verder, dat was mijn bedoeling ook, want jouw voorlaatste brief was zo wreed en zo bitter, het kwam bij grofheid in de buurt – en dat komt zo slecht uit als je in de ellende zit – dat als ik jouw honderd tien frank twee dagen later had gehad dan had ik ze onmiddellijk teruggestuurd met de post, zonder nog iets voor mezelf te reserveren; maar nogmaals, er zit in die eigenaardigheden die je me schrijft iets goeds waardoor ik mezelf toch opleg om je op de hoogte te houden van mijn treurige zaken, en om je te gebruiken. Daarbij, schrijf jij zelf niet tegen me – en dat is het enige wat me hevig gefrappeerd heeft -  Verberg me niets.
Ik hoef je waarschijnlijk ook niet te vertellen dat ik jouw buitengewone aanbiedingen niet heb aangenomen. Ik heb, zoals men dat plat zegt, wel andere varkentjes te wassen. En voor wat betreft je angsten over het verval van mij in misère, weet dat ik mijn hele leven, of ik nu haveloos in lompen leef of fatsoenlijk en netjes, - ik altijd twee uur aan mijn uiterlijk besteed heb. Vervuil je brieven niet meer met dat soort stomme dingen.
Wat je eeuwige, heel terechte maar ook heel onredelijke verwijten over mijn boek betreft: Dat boek! – wanneer komt dat boek? – Die artikelen, - wanneer komen die artikelen nu? Daar heb ik maar één woord over te zeggen; en iedereen die net als mij heeft geleefd zou me begrijpen: - er is net een maand voorbij, dat wil zeggen dat het dubbele van de tijd die er nodig is om het boek af te krijgen, - wel! Ik heb in die maand niet één uur rust gehad.
En dus heb ik je het volgende te vertellen, - want je welwillendheid is nog niet uitgedoofd, - en wees gerust, het gaat vandaag niet over je beurs, - trouwens ik weet dat je geen stuiver hebt. –
Als ik vandaag een nogal groot geldbedrag had, 100 frank bijvoorbeeld, - dan kocht ik geen schoenen, noch overhemden, ik zou niet naar een kleermaker gaan, noch naar de lommerd. Gisteren was namelijk de laatste toegestane termijn voor het vervullen van wat ik beschouw als een gedwongen Plicht, dat wil zeggen het opgraven en herbegraven van een vrouw die me haar laatste geld heeft gegeven, zonder te mummelen, zonder te zuchten, en met name zonder om raad te vragen. Ik moet naar een burgemeester schrijven, en daarna naar een politieprefect. Het stuk grond zal me 86 frank kosten, en het moge duidelijk zijn dat er natuurlijk nog een fooi vanaf moet, en wat gesjoemel met de grafdelver. Dit komt nog vóór de schoenen; - trouwens ik ben zo gewend aan lichamelijk lijden, ik kan zo goed twee hemden aan elkaar passen onder een gescheurde pantalon en jas waar de wind doorheen blaast; ik kan zo handig strooien of zelfs papieren zolen in schoenen met gaten maken, dat ik bijna alleen maar geestelijk lijden voel.
En toch moet ik toegeven dat ik nu zo ver ben gekomen dat ik geen bruuske bewegingen meer durf te maken noch teveel te lopen uit angst nog meer scheuren te maken.
IK WIL GEEN STUIVER AAN SCHULDEN BETALEN. Ik ga mijn schuldeisers aan het lijntje houden totdat mijn boek af is. Ik heb alle reden om te geloven dat ik bij Le Moniteur dezelfde vriendelijkheid zal terugvinden als toen ik er drie maanden geleden naartoe ben gegaan; mijn leven is zo ontsteld dat ik me de exacte datum niet meer herinner.
Ik bedoel dit: niet te hoeven bevriezen, kunnen lopen zonder mijn bewegingen in de gaten te moeten houden, genoeg geld te hebben om zonder onderbreking noch verslapping minstens zestien dagen te kunnen werken, - dat is mijn vaste beslissing, - en dat is al heel lang zo. En, in de veronderstelling dat zelfs als mijn kleren verkocht zijn, en dat ik andere moet gaan kopen, zou 150 frank genoeg zijn om al die problemen op te lossen. Maar ik wil gewoon niet bij mijnheer Ancelle komen die ik al zo moe heb gemaakt met die reçuutjes van 20 frank, hij is er zo aan gewend dat ik alleen maar hele kleine geldsommetjes vraag zonder een woord van goedkeuring van jou. In plaats van het hem over de post op te sturen, wat heel lang zou duren, - want deze zaak van die begrafenis heeft haast – zou je het niet – onverzegeld en in eerbare woorden opgeschreven, - aan mijn boodschappenjongen kunnen geven – als hij je ziet? – Ik zou het dan naar Neuilly sturen, want, nogmaals, behalve het feit dat ik bij mijnheer Ancelle altijd enorm veel tijd kwijt ben, kan ik met mijn toilet echt niet meer lange reizen maken.
Het zou dus 100 frank zijn die gebruikt zal gaan worden voor dat wat ik je net gezegd heb, 100 frank voor kleding en de rest, - 50 frank om stuiver voor stuiver op te maken. Dit geld zal natuurlijk over enkele maanden door Ancelle herkregen worden, zes, zeven maanden, misschien meer, maar wat maakt dat uit?
Als de volgende maand, - wat een verschrikkelijk Nieuwjaar! – mijn zaken wat beter gaan, dan zal ik kijken of ik je kan verlossen van die huurkwestie. – Nu beschouw ik mezelf als iemand die zijn plicht heeft vervuld door je dit allemaal te vertellen.  Ik wacht vredig je antwoord af voordat ik over een nieuw besluit ga nadenken. – Ik houd er niet van om je het trieste en het wrede te vertellen, maar dan nog, zou het niet nog beter zijn geweest om je een beetje van slag te maken? – Ik heb een goedkeuring van jou nodig om een gesprek van drie uur met mijnheer Ancelle te vermijden; als je me het niet opstuurt, dan weet ik nog niet wat ik ga doen; maar wat ik wel zeker weet is dat ik het geval dan niet je hart aanreken, maar je helderziendheid.

                                    Charles.

AAN MADAME AUPICK
                            Parijs, 31 december 1853.
                            Half acht ’s ochtends.

Ik stuur je twee brieven die ik voor mijnheer Ancelle heb voorbereid; zodra je mijn brief hebt gelezen, zul je begrijpen waarom. Jij moet de versie en het gedeelte maar uitkiezen die jou het beste bevallen, en dan moet je degene die niet nodig is maar weggooien.

Dus dinsdag heb ik uit Neuilly 1e. iets meer geld dan nodig ontvangen voor het gemeentehuis van Belleville, en 2e. een soort van kredietbrief voor de kleermaker van mijnheer Ancelle. Ik heb de uitingen van jouw wantrouwen herkend en toen kwam ik heel erg in de problemen. Ik had van te voren een reçu van 250 frank naar mijnheer Ancelle gestuurd en toen had ik me voorgenomen om voor die resterende 100 frank nog wat  – op een paar minuten lopen bij mij vandaan in de rue Labruyère – voor 15 frank een inschrijvingswaardepapier te halen van heel mooie effecten die ik een paar maanden geleden had gekocht en waarvoor 40 frank was geleend. Zodoende had ik met 55 frank alles wat ik, behalve dan schoenen en een hoed, alles wat ik nodig had. Ik had een enorme tegenstand om naar zijn kleermaker te gaan; behalve het feit dat ik er heen moest, en dat was al een heel werk voor mij omdat ik door mijn toestand van armoede meer dan een week binnen had moeten blijven, - waardoor ik overigens wel weer de smaak van het huiselijk leven en werken terug heb – moest ik behalve dat zoals ik zei, - die armoede ten toon spreiden die je niet kunt bedenken in het bijzijn van magazijnjongens, en ook liefdadigheid van Ancelle lijken te moeten aannemen, en dan ook nog dat ellendige stuk papier bij de toonbank uitstallen bij het weggaan. Zo’n klein dingetje als dit wekt bij mij altijd weer de herinnering op aan al die vernederingen die ik al heb moeten ondergaan. Als je eens wist wat hij mij heeft laten lijden in een paar jaar. Er was een tijd dat mijn verschijning, mijn meningen en mijn aandoeningen een voortdurend mikpunt van spot waren voor dat vrouwmens van hem, zijn afzichtelijke dochter en haar afgrijselijke schalken van kinderen. Maar rijke en gelukkige mensen voelen nooit iets aan en kennen geen enkele vorm van fijnzinnigheid.
Maar goed, ik heb de kosten van het opgraven en het herbegraven betaald en dat was duurder dan ik dacht: 86 frank voor het perceel, 10 frank voor de arbeiders, 25 voor het timmerwerk van de omheining: 121 frank. Toen ik daarna mijn wasvrouw en mijn conciërge had betaald en nog wat hout had gekocht, had ik niets meer over.
Toen wilde ik niet naar de kleermaker van mijnheer Ancelle gaan en ik kon ook niet naar mijn mannetje gaan zonder geld. Maar, omdat ik de dooi van die avond niet verwachtte en ik aan een vriend moest vragen om bij hem te kunnen eten, ben ik gisteren toch naar die bewuste man gegaan. Hij zei tegen me dat hij omdat hij me niet op de afgesproken tijd had zien komen, hij de voorwerpen had weggehaald en twee van de drie had verkocht. Ik had geen recht om een klacht in te dienen. Vandaag stuur ik iemand om het resterende voorwerp bij hem op te halen. Het is juist het meest onmisbare, een pantalon. Hij herverkoopt het me voor 20 frank. Een paar maanden geleden kostte het geheel me 120 frank. Ik herinnerde me toen ook dat ik in de wijk waar ik eerst woonde, in Château-d’eau, een heel mooi gemaakte overjas had achtergelaten. Als die er nog is, dan kost me dat 15 frank. Vandaag laat ik hier thuis een schoenmaker komen, 12 frank – en een hoed 17 frank. Vandaag betaal ik mijn huisbazin 40 frank met MIJN GELD waarvan jij de 8e de rekening inhoudt na inzage van de kwitantie, als ik nog net zo in geldnood zit.

20
15
12
17
40
104

Zie je nu wel dat er geen enkele vorm van overdrijving van mij zit in het feit dat ik vandaag 150 frank aan mijnheer Ancelle vraag, 100 waarvan hij het reçu heeft, en 50 waarvan ik het reçu voeg bij elk van de twee brieven die voor hem bestemd zijn.

Uiteraard ontbreken er nog een aantal dingen, onder anderen een winterjas, en een gewoon vest. Ik kan zonder vest als ik mijn jas terugvind. Voor het andere voorwerp, dat ga ik misschien wel bij de bewuste kleermaker halen. En daarom alles welbeschouwd, houd ik de brief van mijnheer Ancelle hier. Maar als ik hem wel gebruik,  DAN ZAL DAT ALLEEN MAAR IN VEEL MINDERE MATE ZIJN DAN DEGENE DIE HIJ HEEFT AANGEGEVEN, en dan hoef ik tenminste geen lompen op die plek daar uit te stallen. Dan ga ik er wel heen, maar al beter gekleed. MAAR HET KAN OOK HEEL GOED DAT IK HEM HELEMAAL NIET GEBRUIK, EN DAAR GA IK OOK MIJN BEST VOOR DOEN.
Door zo te rekenen, zou er dus 46 frank overblijven om stuiver voor stuiver op te maken, en dan te proberen om mijn duivelse boek in acht of tien dagen af te krijgen. Gisteravond, toen ik weg was om informatie in te winnen over mijn kleren en om bij die vriend te gaan eten, is mijnheer Ancelle langs geweest en hij heeft laten weten dat ik vanochtend bij hem moest komen. Wat wil hij me nu weer aankondigen? Een vreselijk nieuwtje? Weer een oude affaire van een schuldeiser? Maar hoe wil hij dan dat ik – zonder de tijd die ik verlies op zo’n dag mee te tellen – 10 of 12 frank voor een rijtuig besteed, - of in de modder en de sneeuw te gaan schuiven?
Als jij versie no. 1 neemt, dan moet je er zelf wel iets bijschrijven. Als je versie no. 2 neemt, dan moet je me alleen maar de loopjongen met het geld sturen, en de brief voor mijnheer Ancelle op de post doen nadat je hem verzegeld hebt.
In het eerste geval moet je de loopjongen uitleggen dat hij daarheen moet gaan.
Jij was tenminste wel zo slim om je te herinneren dat er iets van de lommerd in mijn zaakje zat. Weet je wel dat mijnheer Ancelle zo’n probleem voor me is en zo’n grote angst, dat toen hij twee of drie keer bij me thuis is gekomen, ik toen zin had om te verhuizen om mijn adres voor hem te verbergen. Ik beeld me in dat hij me schaadt, en dat hij roddelt met inferieure mensen door wie je onvermijdelijk omringd wordt in je leven.
Je hebt me wel een hele treurige en charmante brief geschreven, maar toch nog altijd doordrenkt met jouw ongeneeslijke overdrijvingen. Die dode vrouw heb ik bijna gehaat. Maar ik heb haar ook laten sterven in een allerergste misère. Ik heb de vooroordelen en het respect voor de doden toch niet uitgevonden? Het is dus gewoon zuiver een kwestie van fatsoen.
Als je dat wilt, dan stuur ik de kwitantie morgen naar jouw huis. Ik zal je niet zoals die dommen een goed nieuwjaar wensen, want dan zou je me antwoorden dat ik je die moet bezorgen.
                            C.B.
P.S. Voor wat betreft die laatste zin uit je brief, ik denk het zelfde als jij; ik zou zelfs nog verder willen gaan dan dat, en niet alleen minder opnemen, maar zelfs helemaal niets meer opnemen. Zou dat mogelijk zijn?
Verder heb ik nog nooit een voorschot laten opsturen zonder jouw goedkeuring.

                            C.B.

Ik verzeker je dat ik enorm verlost ben nu, en dat ik me als gelukkig beschouw – betrekkelijk – voor een dag of tien.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact