baudelaire 1833-1834

Charles Baudelaire 1833-1834

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                    Lyon, 25 maart 1833.
Beste broer,

Grote opschudding op college. Een meester heeft een leerling zo hard geslagen dat deze pijn in zijn borstkas heeft. Hij is heel erg ziek en kan niet opstaan. Ik zal je alles vertellen. Tijdens de huiswerkklas begreep die leerling zijn huiswerk niet en na een half Auguste Rodin, illustration pour les fleurs du maluur had hij briefjes rondgestuurd om het te weten te komen. De surveillant ontdekte het en zei zoals gewoonlijk zijn domme dingen tegen hem. De leerling begon daarna weer met briefjes waarvoor hij een aframmeling kreeg waarop de leerling terugschopte. De surveillant wilde dit gevecht in één keer beëindigen en gaf hem een schop in zijn lendenen. Het tromgeroffel klonk toen voor het eten.

De leerling ging in zijn eigen rij staan, de surveillant zegt dat hij achter aan moet sluiten omdat hij het niet waard was om bij de anderen te horen. Bij het terugkomen van het eten zet hij hem in het kolenhok om dezelfde reden. Van tijd tot tijd kwam hij hem slagen geven; de leerling had zijn hele rug gekneusd en kon geen weerstand bieden. Bedtijd. Twee dagen later vrij. Ik kom ’s avonds thuis en ik hoor dat die leerling in de ziekenboeg ligt, omdat hij niet meer kon staan en hij flauwgevallen is in de rij. De verpleegster is vastbesloten om er alles aan te doen om die surveillant weg te krijgen, maar dat is nog niet zo zeker gezien het feit dat hij het lievelingetje  is van de rector.


We hebben zo’n tumult gemaakt voor hem op de speelplaats dat de rector het hoorde vanuit zijn woning. En die surveillant  lachte ons wel uit om wat we om hem deden, maar hij lachte wel als een boer met kiespijn. Ik ben bij de muiters. Ik wil niet bij die hielenlikkers zitten die bang zijn dat de oppassers hen niet mogen.
Wraak op degenen die hun macht misbruiken. Dat was een opschrift op de barricades van Parijs. Als hij niet weggaat, laten we een artikel plaatsen in Le Courrier de Lyon. Adieu. Goedenavond. Groeten van papa, mama, en van mij, aan iedereen en in het bijzonder voor jou.

                        De jonge muiterbroer.
                            Charles.

Omdat de brieven die jij geschreven hebt bij mama thuis liggen, ben ik alweer je huisnummer vergeten.

 

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                        Lyon, 12 juli 1833.
Beste broer,

Misschien schrijf ik je een beetje laat om me te verantwoorden voor de verwijten die ik je heb gemaakt omdat je, zoals ik zei, jij me niet terugschreef. Nou, je weet dat ik je gezegd had dat je jouw brieven naar de rue d’Auvergne moest sturen, nummer 4, en niet naar het college. Nou, en toen ik weg mocht was mama vergeten me je brief te geven. Ik heb nog een excuus: ik wachtte op een goed cijfer, en ik ben nu tweede in vertalen. Ik heb het hele jaar niets uitgevoerd; maar ik heb goede cijfers gehaald, dat bewijst dat ik het wel kan. Ik ben aan het blokken en ik hoop dat ik het goed maak. We hebben net een andere rector gekregen. Er wordt een militair muziekstuk gemaakt op het college, en dat gaat nu al helemaal niet slecht. Je moet weten dat die leerlingen die militaire muziek spelen leerlingen waren die al op instrumenten leerden spelen, zoals fluit, klarinet en viool; daardoor waren ze al gewend om muziek te spelen.
Adresseer je brieven altijd naar mama. Geef me dan toch eens je huisnummer. Ik weet de straat, de stad, het departement maar niet het nummer, daardoor weet ik niet of mijn brieven wel bij jou aankomen. Vertel me of je nog steeds waarnemend rechter bent. Als je weer je nummer vergeet te vertellen, dan weet ik tenminste wel of je nog plaatsvervangend rechter bent, en als je dat naast mijn adres zet, denk ik dat de brief makkelijker zal aankomen. Geef me in je antwoord een beschrijving van heel Fontainebleau. Want je weet dat ik van geografie houd. Vertel me over je jachtpartijen. Wat mij betreft, ik zou graag van te voren willen weten of ik in de prijzen ben gevallen. Ik zou graag een manier willen weten. Weten of ik er een heb… Ik ben er een beetje laat mee begonnen. Kom op, vooruit!! Dat zeg ik steeds tegen mezelf.
Vertel me hoe het met mijn zuster, met Théodore en de heer en mevrouw Ducessois gaat.
Nou, adieu. Daar is de jongen die het brood komt brengen.

Je broer.

 AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                        Lyon, 22 november 1833.

Veel te vertellen, maar primo mijn excuses aanbieden. In mijn luiheid heeft zich een beetje eigenliefde gemengd; omdat je niet terugschreef, dacht ik dat het voor mijn eigen eer beter was om niet twee keer achter elkaar te schrijven. Maar ik moest toegeven dat het belachelijk was; daarbij ben je mijn oudere broer, ik heb respect voor je, je bent mijn broer, ik houd van je. Veel dingen te vertellen aan je, ik beloof het je aan het begin van deze brief, wel, ik ga nu mijn belofte nakomen. Ik heb mijn voet verstuikt, en het is verband op verband (of bindsel), en ik heb net zo’n hekel aan verband als aan dokters.
In Lyon wordt een hangbrug gebouwd, helemaal van ijzerdraad. Alle winkels krijgen verlichting op gas; in alle straten wordt nu gegraven. De Rhône, de snelle rivier met dat plotse wassende water, is alweer buiten zijn oevers getreden. Want het regent hard nu in Lyon. De glasfabriek die op het schiereiland staat vlakbij de stad (want wij wandelen daar, scholieren), nou, de Rhône dringt steeds dieper die landengte in; hij knaagt, hij vreet hem aan. Vannacht heeft hij dan eindelijk de landengte weggespoeld. Dat zijn dingen die vaak gebeuren in de Rhône. Een ongelijkheid wordt een inham, de landtong wordt een eiland; want de rivier is heel snel.
Mijn brief is heel slordig neergekrabbeld, maar ik heb een hele slechte veer, ik maak me daar nooit zo druk om. Ik verlang er naar om me te excuseren voor mijn luiheid met een lange brief. Maar ga eens na wat een wrede kwelling het is, door dat kneuzinkje kan ik niet gaan dansen, en ik sla nooit een contradans over.
En dan ook nog dit! Tijdens mijn vakantie, nou toen heb ik toneel gespeeld, en ik ga ook nog een spreekwoordenblijspel spelen.
Er staan misschien wat gekke dingen in mijn brief; de gedachten zijn misschien net zo onregelmatig als mijn handschrift. God zij dank, onze correspondentie was zo lang onderbroken, dat het niet moeilijk was om onderwerpen te vinden voor deze epistelconversatie. Het is trouwens beter om amicaal te kletsen dan om onzin en pathos te vertellen.
Maar zeg, Théodore heeft prijzen gewonnen! En… Charles heeft niets gehad. Wat drommel! Ik zal ze ook krijgen. Zeg maar tegen Théodore dat ik gekroond zal worden door zijn toedoen. Een eervolle vermelding van excellentie (de vierde) en een voor vertalen (de vijfde) ! Dat is echt erbarmelijk: maar ik wil en zal dat ook krijgen. Niettemin toch gelukwensen voor Théodore, en voor mij schande, schande. Vertel hem maar dat hij me daar mooi belachelijk maakt.
En mijn zuster, hoe is het met haar? Is ze er weer bovenop? Veel groeten van mama. Van mij ook. Vertel me of liever schrijf me alles over allen en over jou.

                    Carlos.
Je nummer, je huisnummer.

AAN LUITENANT-KOLONEL EN AAN MADAME AUPICK

                        LYON, 25 februari 1834.
Papa en mama,

Ik schrijf u om te trachten u te overtuigen, dat er nog hoop is om uit de toestand te komen die u zoveel verdriet doet. Ik weet dat zodra mama het begin van deze brief leest zal zeggen: ik geloof er niet meer in, en dat papa hetzelfde zal zeggen; maar ik laat mijn moed niet zinken, jullie willen me niet meer komen bezoeken op school als straf voor mijn streken; maar kom dan voor de laatste keer om me goede raad te geven, om me aan te moedigen. Al die streken komen door mijn verstrooidheid en mijn getreuzel. Toen ik jullie de laatste keer nog beloofde om jullie geen verdriet meer te doen, sprak ik uit goede wil, toen had ik het voornemen om hard te werken en hard te werken opdat jullie konden zeggen: wij hebben een zoon die ons bedankt voor onze goede zorgen; maar mijn verstrooidheid en mijn luiheid deden mij de gevoelens vergeten die bezit van me namen toen ik beloofde. Mijn hart hoeft niet gecorrigeerd te worden, dat is geen goed hart, maar het is mijn geest die gefixeerd moet worden, die moet zo sterk nadenken dat de gedachten erin gegraveerd blijven. Jullie beginnen te denken dat ik ondankbaar ben, jullie zijn daar misschien al van overtuigd. Hoe kan ik jullie het tegenovergestelde bewijzen? Ik weet al op welke manier; dat is zonder dralen hard gaan werken; maar wat ik ook mag doen, die tijd die ik lui en vergeetachtig heb doorgebracht voor wat ik jullie schuldig was, zal altijd een smet blijven. Hoe kan ik jullie in één ogenblik drie maanden slecht gedrag laten vergeten? Dat weet ik niet en toch is het juist dat wat ik wil. Schenk mij meteen weer uw vertrouwen en uw vriendschap, kom naar school om me te vertellen dat jullie me dat weer hebben teruggegeven. Dat is de beste manier om mij ook in één ogenblik te laten veranderen.


U heeft om mij gewanhoopt als een zoon met kwaad waar hij niet vanaf komt en voor wie alles onverschillig is geworden, die alleen maar lui zijn tijd doorbrengt, die willoos is, laf en geen moed heeft om op te staan. Ik was willoos, laf, lui, ik heb een tijdje nergens aan gedacht; maar omdat niets het hart kan veranderen, is mijn hart, dat ondanks zijn fouten ook zijn goede kant heeft, wel het mijne gebleven. Het heeft me laten voelen dat ik niet moest wanhopen over mezelf. Ik dacht dat ik jullie kon schrijven en u duidelijk kon maken wat ik voor gedachten had die ik door de verveling had gekregen van een leven in luiheid en straf. En alleen al het idee dat jullie me zouden kunnen beschouwen als ondankbaar gaf me al wat moed. Als u zelf de moed niet meer heeft om naar school te komen, schrijf me dan terug, en geef me dan in een brief raad en aanmoedigingen die u in de ontvangstkamer mij persoonlijk zou hebben gegeven. Donderdagochtend worden de cijfers voor natuurwetenschappen gegeven, ik hoop dat ik een goed cijfer heb. De hoop die ik heb kan die u soms aanzetten om naar me te luisteren?

Laatst heb ik er nog een heel slecht cijfer voor gehaald, een heel slecht cijfer, maar door de zin om deze smaad goed te maken heb ik vanaf vanochtend heel hard mijn best gedaan voor mijn proefwerk. Als u dus echt het besluit hebt genomen om niet meer naar school te komen voordat ander gedrag u heeft bewezen dat ik volledig veranderd ben, schrijf me dan, ik zal al uw brieven bewaren, ik zal ze vaak lezen om te strijden tegen mijn verstrooidheid, om me tranen van berouw te laten plengen, opdat mijn luiheid en mijn verstrooidheid me niet laten vergeten dat ik fouten heb die goedgemaakt moeten worden. Enfin, zoals ik het u al zei aan het begin van mijn brief, het komt niet door mijn hart. Ik heb al deze fouten gemaakt door mijn lichtzinnige aard, mijn onoverwinnelijke neiging tot luiheid.

Wees daarvan overtuigd. U zult niet vergeten dat u een zoon op school hebt, dat weet ik zeker, maar vergeet ook niet dat die zoon nog een hart heeft. Dat is wat ik u wilde schrijven. Het doel is heel simpel, ik wil u overtuigen dat u niet moet wanhopen om mij. En, bij de gedachte dat zijn ouders hem niet meer willen komen bezoeken en daarvoor op het punt staan om harde middelen te gaan gebruiken, wie zou daar nu niet snel over hebben geschreven om hen hun vergissing te doen inzien? Het zijn niet de harde maatregelen waardoor ik geraakt ben. Het is de schaamte dat ik u heb verplicht ze te gebruiken. Het is niet het huis waaraan ik zo gehecht ben, noch aan de plezierige voorzieningen die ik daar aantref zodra ik verlof heb, maar ik ben gevoelig voor het plezier dat ik heb om u te zien, voor het plezier om een dag met jullie te praten, en voor de lofuitingen die u mij over mijn werk geeft. Ik beloof u dat ik verander, maar verlies de hoop niet over mij en vertrouw nog op mijn beloftes.

                        Charles.

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                        Lyon, 20 oktober 1834.

Mijn broer, ik heb je brief gekregen; ik zie dat je klaagt over mijn luiheid je niet te schrijven. Ik schrijf je vandaag wel, maar dat is om je op mijn beurt verwijten te maken. Hoezo! Sinds drie maanden geen woord! Wat zeg ik, meer nog zelfs! Maar, Mijnheer de Jongere Broer, houd uw mond maar, het is niet aan u om uw oudere broer berispingen te geven, zelfs al maakt hij veel grotere fouten.
En dus ga ik je verplichten om me te schrijven, en me op de hoogte te houden van wat je allemaal doet; want jij hebt mooi een jachtgeweer, en je zult je dus wel goed vermaken; ik val mama al heel lang lastig om mij er ook een te geven. Ze zegt tegen mij dat het gevaarlijk is. Ik heb diegene nog die je mij hebt gegeven, die onderhoud ik met veel zorg, ik haal hem altijd uit elkaar en ik maak hem altijd schoon als ik vrij mag; maar ik heb ingezien dat het heel lastig is om er goed mee te kunnen richten omdat de kolf te laag zit. Ik hoop volgend jaar prijzen te winnen, en ondanks het vermeende gevaar zal mijn vader het me toch niet kunnen weigeren. Het was niet genoeg voor een geweer dit jaar met een
1e eervolle vermelding voor vertalen Grieks,
1e eervolle vermelding voor anatomie,
3e eervolle vermelding voor Latijnse verzen,
5e eervolle vermelding voor vertalen,
5e eervolle vermelding voor de eerste prijs.

Misschien gaat het volgend jaar beter, en krijg ik dan het geweer. Dan ga ik met jou jagen. Want over een jaar stuurt mama me naar Parijs voor het voortgezet om daar mijn school af te maken.
Schrijf me vaak.

                        Je broer.
                        Charles.

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                            Lyon, 23 november 1834.
Beste broer,

Wees niet verbaasd over de lange tijd die ik er over gedaan heb om je te bedanken voor de mooie uitgave van Juvénal die je me hebt opgestuurd. Dat is de schuld van mijn moeder en niet van mij. Toen papa thuiskwam, zei hij tegen me dat jij hem een brief had gegeven voor mij. Die zelfde avond moest ik weer naar het college terug. De hele dag is besteed aan het uitpakken van koffers, zodat mama vergat me je brief te geven, en tot vandaag aan toe heeft ze die vergeten te geven; maar op mijn beurt wil ik je een cadeau geven voor nieuwjaar; je zult al wel raden dat het het hoogste of tweede cijfer is. Precies, dat is het ook. Ik ga mijn uiterste best doen en ik weet zeker dat het me zal lukken, want vorig jaar was ik immers tweede in alle vakken en had ik de vierde eervolle vermelding van uitmuntendheid. Tot mijn grote schaamte moet ik bekennen dat ik die voordelen heb gehaald zonder er al te veel moeite voor te doen. Maar dit jaar wil ik hard blokken zodat ik, als ik niet slaag, mezelf niets te verwijten kan hebben.

Het is echt mooi om je naam te horen roepen voor een prijs waar men dan de volgende zin aan toevoegt: Zeven maal benoemd! Benoemd in alle vakken! En dan bekroont of je vader of je moeder je! Ik herinner me nog de blijdschap van een leerling die geen enkele prijs had gemist. Een ander had er zoveel dat hij helemaal geen tijd had om met het boek naar zijn stoel te gaan. Wees gerust, als ik een prijs krijg, dan zal ik niet zo lang wachten om het je te schrijven als ik nu gedaan heb, en naast al die prijzen krijg je stapels en stapels boeken, en dan nog de cadeaus van je ouders en van je broer ook. Want die zijn mooi. Die Juvénal is prachtig, ik dank je daarvoor heel heel hartelijk. Op dit moment denk ik nog eens aan al jouw cadeaus, en ik denk aan het mooie mes. Vanaf nu moet ik je gaan bedanken voor de smaak die je daarvoor hebt. Alles wat je me tot nu toe hebt gegeven was heel goed uitgekozen. Papa heeft me ook iets cadeau gedaan: ik heb van hem een kindercinematograaf (phénakistikope) gekregen. Dat woord is net zo bizar als de uitvinding zelf.

Jij zult wel weten wat dat is, want je woont in Parijs. Want er zijn er al heel veel van. Hoewel ik denk dat je wel weet wat het is, wil ik je er toch een beschrijving van geven, zodat je later niet kunt zeggen: “Wat kan mij die phénakisticope schelen, als ik niet weet wat het is!” Het is van karton, en er zit een spiegeltje bij en dat zet je op een tafel tussen twee kaarsen in. Er zit ook een handvat op, waarop een rond stuk karton gezet moet worden dat rondom helemaal vol gaatjes zit. Daar  bovenop zet je een ander stuk karton met een tekening erop, met de tekening naar het spiegeltje toe. Dat moet je dan laten draaien, en dan door de gaatjes heen in de spiegel kijken, en daarin zie je dan heel mooie tekeningen. Is het te volgen, eigenlijk? Veel groeten aan mijn zuster. Veel liefs, goedenavond.

                        Carlos.

AAN MADAME AUPICK
                        Lyon, 21 Xber ’s avonds 1834.
Lieve moeder,

Je bent zeer geïrriteerd weggegaan van school, ik weet het, maar je bent te streng en zelfs te oneerlijk door me ondankbaar te noemen. Ik heb heel goed nagedacht over alle verplichtingen die ik jegens mijn moeder heb, om niet op te merken dat ik in mijn positie als scholier haar veel tevredenheid en verheuging geef.
Je hebt me ondankbaar genoemd; ik, ondankbaar. En, lieve moeder van me, toen je me dat woord zei, heb je gedacht dat een verstrooidheid van één dag zo lang zou duren? Ja dus! Het is mijn schuld, ik biecht het op. Maar ik heb nu genoeg verstand, ik heb voldoende verstand opgedaan tijdens mijn vakantie bij jou om die beroering van een dag niet te laten verstikken. Ik, ondankbaar. Zelfs als ik niet al vanaf het begin van het schooljaar uitmuntende voornemens had gemaakt, dan had dit ene woord me al bekeerd. Ik heb je deze brief geschreven om je te smeken me op te komen zoeken vandaag al. Dat zal heel goed voor me zijn en me veel plezier doen, want ik ben heel erg verdrietig om die belediging die je me maakt.
Kom naar me toe, alsjeblieft.

                        Charles.

Vraag mijn vader voor mij om vergeving.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact