baudelaire 1854

Charles Baudelaire 1854

AAN CHAMPFLEURY
                                Parijs, zaterdag 14 januari 1854.
Beste vriend,

Toen ik gisteravond uw prospectus bij mij thuis aantrof heb ik u onmiddellijk een brief teruggeschreven maar die heb ik vanochtend verbrand, uit ik weet niet wat voor een menselijk respect, en uit angst dat mijn in een heftige opwinding geschreven brief u niet een beetje aan het lachen zou maken, zowel vanwege de expansieve vriendschap die ik hierin voor u toonde als voor de paar maniakale of pietluttige opmerkingen – uit dankbaarheid voor u – die ik u oplegde. En uiteindelijk ziet u dat ik toch weer opnieuw begin.
Ik vind uw titel uiteindelijk toch heel mooi. De prospectus is over het algemeen van groot formaat. Het is waarschijnlijk heel belangrijk voor u om uit kleine kaders te treden, en u hebt er geen idee van hoezeer ik me op dit gebied verheugen kan over zo’n  publicatie van u. Maar, - en hier begint de pietluttigheid,  Ne reculait pas de vivre, Deinsde niet om te leven, is een hele grote taalfout in het Frans. Vreesde niet om te leven, - legde zich er bij neer om te leven, - veroordeelde zichzelf om te leven, - deinsde niet achteruit voor de noodzaak om te leven, - maar niet Deinsde om iets!!!
L’auteur n’a qu’une croyance: le Roman.
Dat is alsof Dupont zou zeggen : ik maar één geloof : la Chanson.
De Roman is een nuttiger en mooiere kunst dan de anderen, maar is geen geloof, niet meer dan De Kunst zelf. Het is een romantische brabbeltaal. Kunt u zich de tijd nog herinneren waarin men dingen schreef als: Ik, ik heb geloof in de kunst, - of – ik heb geloof in het Schone, dat is mijn enige Geloof?  - Wat een geloof is, is het Boeddhisme, het Christendom, de Verlossing, etc…
Vindt u echt dat het op uw leeftijd en met uw huidige kracht wel nuttig is om de complimenten van Victor Hugo op te graven die er de meest ordinaire schepsels mee heeft overspoeld?
En zit er in het geheel van uw prospectus ook niet soort ongewilde jaloerse preoccupatie voor Dickens en grote werken van Eugène Sue?
… Titel , ironisch, van Les Contes is niet alleen wat u bedoelde. Voor de rest geef ik toe dat ik niet weet of er een uitdrukking bestaat die gelijk is aan uw gedachte.

…eerste publicaties die uitkomen, behalve de publicaties van 1853, op het gebeid van de Novelle.
Hoe wilt u dat op het gebied van de Retoriek die openbaar en algemeen geaccepteerd is, Mlle Mariette, Delteil, etc, iets anders kan zijn dan novellen? Of ik heb er helemaal niets van begrepen? En in dat geval zou het weer door de zinsbouw komen.

Nog iets. – Toen ik aan uw zaken dacht, heb ik uitgerekend net als u natuurlijk, dat 6 boeken, verkocht voor tien jaar voor een prijs van 25000 frank, u per jaar nog geen 420 frank per boek op zouden leveren. En dan offert u ook nog alle verschillende genres van uitgaven op.
Zo, ik ben klaar, - u mag met me spotten, als u dat plezier doet. Over twee of drie dagen schrijf ik u iets over datgene waar wij het over gehad hebben.
Ik wil graag mijn maatregelen nemen om zeker te weten dat ik Turgan terugvind.
Uw toegewijde,
                    Ch. Baudelaire

AAN JEAN WALLON
                    Parijs, 30 januari 1854.
Toen ik gisteren uit eten was gevraagd bij Rosier, vond ik uw charmante boek. Charmant, tot nu toe, wordt door mij alleen toegepast voor materiele vervaardiging; want ik heb het niet gelezen. Het zou bovendien een beledigend woord zijn voor een dergelijk boek. U mag er van overtuigd zijn dat ik het met de grootste aandacht zal lezen. Maar toen ik het gisteravond doorbladerde, vond ik een vreemde woordgrap: u citeert de parabool van de meester die weggaat nadat hij bij zijn dienaars Talenten (munten) heeft achtergelaten die zij moeten laten fructifiëren, en u zegt: en zo zal God ons straffen voor het feit dat wij de Talenten (gaven) die hij ons geleend heeft, niet gefructifieerd hebben. Dat is een goede filosofische escapade.
Ik had uw boek al eens bij een paar mensen gezien, en ik had me voorgenomen u verwijten te maken voor het feit dat u mij vergeten bent bij uw distributie. Rosier bewees me dat ik me compleet vergist heb. Aangezien ik nu toch kinderachtig bezig ben, zal ik u eraan herinneren dat mijn naam niet Beaudelaire is, maar
                            Ch. Baudelaire    

Wilt u de hartelijke groeten doen aan mevrouw Wallon en aan haar vader. Duizend maal dank.
                        Rue Pigalle, 60.

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, 6 februari 1854.
Lieve moeder,

Zonder enige vorm van discussie, moet ik koste wat kost – koste wat kost – hoor je dat goed? Koste wat kost, - vandaag nog, een bedrag van tweehonderd frank; ik heb dat net aan meneer Ancelle gevraagd; het ging er niet om om deze op jou te hypothekeren, het ging erom die door een krant aan hem terug te betalen aan het einde van de maand. Hij is bang, hij twijfelt; maar met een briefje van jou zal hij niet twijfelen. Geef me dus een briefje voor hem, snel, snel, en ga niet twijfelen, en schrijf me geen jeremiades. Ik ben al twee dagen op pad in een rijtuig op jacht naar dat geld, en ik heb die kwitantie niet bij me die ik je vier dagen geleden zou opsturen. Nogmaals, het terugbetalen van dat geld gaat je niet aan; mijnheer Ancelle krijgt dat geld voor mij op 5 maart. Maar ik heb alleen wel jouw goedkeuring nodig, niet iets anders.
Ik schrijf deze brief aan zijn tafel, en ik ga zo direct deze brief naar de wijk brengen. Als ik dat geld niet krijg, dan weet ik helemaal niet wat er gaat gebeuren met me, dan moet ik al mijn boeken maar verbranden, en me nergens meer mee bezig houden, en mijn ogen sluiten voor de gevolgen. Ik weet dat ik je hart openscheur, en dat ik je met dit soort brieven schrik aanjaag; maar met de zorgen waarin ik zit, kan ik je de uitleg niet schrijven die ik je wilde sturen een paar dagen geleden. Ik wacht op je antwoord zodat ik terug kan naar Neuilly.

                    C. Baudelaire

Alles wat ik aan het begin van de maand ontvangen heb is gebruikt voor het betalen van schulden: ik heb mijnheer Ancelle er het bewijs van gegeven.
Ik heb net in het rijtuig nagedacht, en ten eerste was het vandaag jouw maandag; ik smeek je om desalniettemin toch te denken aan mijn urgentie, en al je conversaties te staken.
Zie je nu wel dat het om iets heel ergs gaat.
Ten tweede desnoods, in het uiterste geval, kan ik vandaag misschien wel mijn zaken regelen, niet met 200 frank, maar met het ordinaire bedrag van 120 frank. Je brief aan mijnheer Ancelle moet wel verzegeld zijn, of anders, als hij aan mij is gericht, moet hij zo gemaakt zijn dat ik hem zelf naar hem toe kan sturen, zonder dat ik in zijn bijzin weer allerlei persoonlijke verwijten moet aanhoren.
Mijn andere brief zal je voorlopig voldoende verklaringen geven. Red mij eerst voor alles.

                            C.B.

AAN EUGÈNE PELLETAN
                                Parijs, vrijdag 17 maart 1854.
Geachte heer,

Ik heb u nog nooit ontmoet en ik heb nog nooit de eer gehad met u te spreken. Men heeft mij verteld dat u mijn naam heeft willen citeren in één van uw recente artikelen (Revue de Paris) en dat is de enige reden waarom ik aangemoedigd word om me tot u te richten.
Het gaat om het volgende: al een hele lange tijd, sinds 1847, houd ik me bezig met de roem van een man die tegelijkertijd poëet was, wijsgeer en metafysicus: hij is dit alles samen, zelfs terwijl hij ook romanschrijver is. Ik ben degene geweest die de reputatie van Edgar Poe in Parijs in beweging heeft gezet; wat daar zo fijn aan is, is dat anderen geraakt werden door mijn biografie- en kritiekartikelen, en ook door mijn vertalingen, en dat zij er ook mee bezig gingen, maar dat er niemand was, behalve u, die zo goed wilde zijn om mijn naam te noemen. De wereld is geplaveid met zotheid. En dan zijn die arme fragmenten ook nog alleen maar verschenen door een ware obsessie. Weldra – het is te bizar – te excentriek, - te erg, - te subtiel (en waarom ook niet te mooi?). Omdat La Belle Librairie, die in onze Bon Temps bestaat, mij verplicht om verschillende zaken samen te nemen, dacht ik aan het Musée littéraire van de eeuw, het tweede feuilleton. Mijnheer de Tramont, die me officieel zijn concours beloofd heeft, heeft acht monsters in handen. Het spreekt voor zich dat ik om het onderhandelen makkelijker te maken de zuiver filosofische of wetenschappelijke stukken weghaal. U zou de meest aangename uitzondering zijn in de journalistiek indien u een blij woord ten gunste van mij zou willen zeggen tegen mijnheer de Tramont en mijnheer Tillot. Uw positie en uw beroemdheid geven uw woorden ongetwijfeld een grote importantie.
Alleen, - volgens mij kan ik tegen een confrère alles zeggen – zou ik het heel fijn vinden als ik in deze zaak het gezicht en de stem van de heer Desnoyers niet hoef te zien of te horen. Ik zweer u dat ik geen enkele blaam tegen hem heb; zijn haat voor het Schone is onschuldig want het is onbewust, dierlijk en instinctief; en ook al zou hij de beste man van de wereld zijn, dan nog zal hij altijd kwaad in literaire zin doen. De waardering die uw werk me gaf voor uw karakter raadde me deze misschien wat vreemde brief aan.
Met mijn grootst mogelijke oprechte erkentelijkheid, en weet dat deze aan u gerichte formule niet de banaliteit van vergelijkbare zinnen heeft die gericht worden aan grootheden.

                    Ch. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, donderdag 13 april 1854.

Je zou me de gelukkigste man op aarde maken indien je me morgen zou komen opzoeken; je hoeft niets te vrezen van mijn huisbazin.
Ik moet wel echt weg om half tien, of om tien uur voor iets onvermijdelijks; maar het is zeker dat ik dan weer om 2 uur terug ben.
Heb je 9 april aan mij gedacht; die fatale dag die me zo wreed tot de orde roept, de dag van drieëndertig jaar? Ik wilde je daar een mooie brief over schrijven, maar wat? Je zult wel zo moe zijn van hoop geven. Ik hoopte je ook gisteren je waaier terug te sturen, maar een onverwachte tegenvaller verhinderde me dat.
Veel liefs.
                    Charles.
De rit is betaald.

AAN MADAME SABATIER
                                Parijs, maandag 8 mei 1854.
Al een hele tijd geleden, madame, een hele tijd geleden zijn deze verzen geschreven. Altijd weer diezelfde betreurenswaardige gewoonte, dromerij en anoniem. Komt het door de schaamte voor dat belachelijke anonieme, of door angst dat deze verzen slecht zijn, en dat de behendigheid niet goed aansloot op de hoogte van de gevoelens, dat ik dit keer zo twijfelend en verlegen ben? Ik heb er totaal geen idee van. Ik ben zo bang voor u, dat ik altijd mijn naam voor u verborgen heb gehouden, omdat ik dacht dat een anonieme adoratie – die uiteraard ridicuul is voor al die mondaine materiële bruten die wij over dit onderwerp zouden kunnen raadplegen – uiteindelijk toch wel bijna onschuldig was; en niets kon verstoren, niets in de war brengen, en was oneindig meer superieur in moraliteit dan een onnozele, ijdele rokkenjacht, dan een directe aanval op een vrouw die haar affectie al geplaatst heeft, en wellicht ook haar plichten. Is het niet zo dat u – en ik zeg dat met een beetje hoogmoed – niet alleen een van de meest geliefde schepsels, maar ook de meest gerespecteerde van allen bent? Ik wil u daar graag een bewijs van geven. U mag er om lachen, heel hard, als u dat leuk vindt, maar praat er niet over. Zult u het niet heel logisch, gewoon en menselijk vinden dat een man, die erg verliefd is, de gelukkige minnaar haat, de bezitter? Dat hij die inferieur vindt, en choquerend? Welnu, enige tijd geleden wilde het toeval dat ik nu juist diegene tegenkwam; hoe kan ik het u duidelijk maken, - zonder humor, zonder uw gemene gezicht, dat altijd vol zit met vrolijkheid, aan het lachen te maken – hoe gelukkig ik was een man te zien die aardig was, een man die u zou kunnen behagen. Mijn hemel! Benadrukken zoveel subtiliteiten de dwaasheid niet? Om het af te maken, om u mijn stiltes te verklaren, mijn hartstochten, hartstochten die bijna godsdienstig zijn, zal ik u vertellen dat wanneer mijn wezen gerold zit in het duister van zijn natuurlijke gemeenheid en dwaasheid, hij dan serieus over u droomt. Uit die opwindende en zuiverende dromerij wordt meestal een gelukkig incident geboren. U bent voor mij niet alleen de meest aantrekkelijke vrouw van alle vrouwen, maar ook het liefste en meest kostbare bijgeloof. Ik ben een egoïst, ik gebruik u. Dan nu mijn armzalige prul. Wat zou ik gelukkig zijn indien deze hoge opvattingen van de liefde een kansje hadden om goed ontvangen te worden in een geheim plekje van uw adorabele gedachten! Dat zal ik nooit te weten komen.


Aan de zeer Geliefde, aan de zeer Schone
Die mijn hart met licht vult,
Aan de Engel, aan het onsterfelijke Idool,
Saluut aan de Onsterfelijkheid!

Zij verspreidt zich in mijn leven
Als met zout doordrenkte lucht,
En in mijn onverzadigde ziel
De smaak der Eeuwigheid giet.

Een altijd fris zakje dat parfumeert
De sfeer van een verkleinde lieve,
Een altijd gevuld wierookvat dat rookt
In het geheim doorheen de nacht,

Hoe, integere geliefde,
Kun je je uiten met waarheid?
- Muskuskorrel die onzichtbaar ligt,
Diep in mijn Eeuwigheid!

Aan de zeer Goede, aan de zeer Schone,
Die mij vreugde en gezondheid schonk,
Saluut in het Eeuwige Leven,
In de Eeuwige Wellust!

Vergeef mij, meer vraag ik niet.

AAN MADAME AUPICK
                Parijs, vrijdag 21 juli 1854.

Eigenlijk maak je me treurig met je sterke verbeeldingvermogen. Je moet de dingen zonder uitvergrotingen zien. Ik heb je brief vanochtend pas gelezen. Als ik daar op zou antwoorden, dan had ik tien pagina’s nodig. Mijnheer Ancelle maakt me treurig met zijn ongeneeslijke ongeïnteresseerdheid, Jeanne, het toneelstuk dat ik nog moet maken, het werk waar ik aan vastgebonden zit, Arondel met zijn slijmerige stem die elke ochtend tegen me zegt: “Zo! Dus u slaapt nog?” en dat al sinds twee en een halve maand – alsof de wereld niet weet dat ik altijd ’s ochtends naar bed ga; dat alles draait rondjes in mijn hoofd. Een brief schrijven wordt een heel werk, en momenteel heb ik niet het recht om twee uur aan een brief te besteden. Meerdere ziekelijke dromerijen van je zijn niet waar. – Goud, goud,  dat is het enige uit je brief dat goed aansluit op mijn gedachte. Dat verhaal van Le Constitutionnel is een kinderlijke aanstellerij; ik heb zelf mijn eigen fragmenten weer opgehaald en dat zal gecompenseerd worden met een voordeliger overeenkomst. Naar het schijnt lees jij de kranten niet, en heb je dus ook niet de definitieve aankondiging gezien van Le Pays, een advertentie die de oorzaak is van mijn gedwongen activiteit. Jouw veronderstellingen en je eigenliefde met betrekking tot mijn hotelbaas zijn misplaatst. Dit huis is een huis van wanorde en ik wil hier zo snel mogelijk weg; maar die man vraagt me steeds maar weer om geld, omdat hij dat zelf steeds nodig heeft, en hij is mij grote waardering schuldig; ik heb hem trouwens al 235 frank gegeven.
Dus, bespaar me een lange brief, kom naar me toe, en betaal deze loopjongen, zonder angst voor die man, meteen, als je kunt, als je thuis bent. Als je er niet bent, kom dan na het eten, ik ga alleen het huis uit na 9 uur om naar le Pays  te gaan, soms om 11 uur om naar Le Gaîté te gaan. Probeer een beetje geld mee te nemen; ik zal je uitleggen waarom.
Ik ben niet meer bij de plannen, en je zegt dat alleen een gewone uitleg ervan je plezier zou doen, -  ik ben nu bij het gedwongen dagelijks uitvoeren ervan, en ik ben verplicht om ineens de gewoonte aan te nemen van het regelmatige werken.
Mijn brief wordt langer, en zoals ik al zei, ik vertel je liever vol vuur wat er gebeurd is sinds ik je heb gezien, en ook alle aankomende hoop en alle huidige angsten.

                        Charles.

AAN ARSÈNE HOUSSAYE
                    Parijs, 24 juli 1854 (?).
Beste vriend,

Ik zou u zonder schaamte een nogal belangrijke gunst willen vragen. Het gaat hierom: morgen begin ik met een nogal belangrijke publicatie in Le Pays, erg lang overigens. Om verschillende redenen waarvoor ik nu niet genoeg tijd heb om die u hier uit te leggen, wil ik Le Pays voorlopig twee weken nog geen geld vragen; ik heb daarbij evenwel geen enkele aanbetaling gekregen. Ik heb het aangedurfd, ik weet ook niet precies waarom, te hopen dat u mij voor enkele dagen 250 frank zou kunnen lenen. Indien u een kleine beurs heeft, beknibbel dan maar wat u wilt, want ik zit zonder een cent, en ik heb geen tijd om de deur uit te gaan. Het eerste wat ik over enkele dagen ga zeggen bij het Bestuur is dat zij het geld dat mijnheer Arsène Houssaye me heeft geleend naar hem moeten sturen. Duizend maal pardon dat het zo kort en bondig is, maar ik kan niet anders. De brenger van deze brief zal u uitleggen dat dit briefje iets bizars heeft of ambigue is.

Uw toegewijde,
                    Ch. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, 28 juli 1854.
Arondel gaat net de deur uit. Het is een echt spook; gelukkig zat ik verstopt in het toilet. Hij heeft eerst even gewacht, en mijnheer Lepage is helemaal zelf op het idee gekomen om tegen hem te zeggen dat men mij had opgehaald om naar de drukkerij te gaan. Ik kan je onmogelijk, of het moet heel beknopt zijn, antwoorden op je lange brief; ja, ja, alles komt goed. Ja, die verzoening zal er komen, en eervol ook, zodra je echtgenoot bij zijn verstand is; ja, ik weet wel wat ik je allemaal heb aangedaan.
Voor dit moment ben ik zeer onthutst. Er zijn een massa aan luilakken en gemeneriken aan wie ik mijn dagen kwijt ben door hun bezoekjes – ik ga me hermetisch laten opsluiten. – ’s Avonds ben ik op de drukkerij – ik kan geen tijd meer verliezen nu want de drukkerij zou me inhalen, dat gaat zo snel. Je hebt het absurde ongeluk wat me is overkomen zeker al geraden. Die dieren daar hadden zich voorgenomen om de 24e om 4 uur met het publiceren te beginnen zonder me daarvan op de hoogte te brengen. Waaruit volgt dat de uitgave van de delen een regelrecht vod was, een gedrocht. Zelfs in de editie van Parijs, waar men het kwaad in de nacht heeft gematigd, - want het toeval leidde me naar de drukkerij – bleven er ernstige fouten over, met name in het gedeelte dat aan Maria Clemm is op gedragen, waar ik veel waarde aan hechtte; en dus: zal hij, uw naam met ZIJN ROEM balsemen.
Ik zal binnen twee dagen je een briefje in tweevoud proberen te schrijven, een voor jou, en één voor Ancelle; probeer ervoor te zorgen dat hij die van hem niet kwijt raakt, en die jullie een dienst kan bewijzen door jullie argumenten aan te leveren voor een discussie, die jullie tegelijkertijd zal aantonen dat er iets gedaan moet worden in afwachting van gelukkiger gebeurtenissen in mijn leven.  Ik wil absoluut door die onverdraaglijke vermoeidheid van het vertalen heen de tij d vinden om toneelscenario’s te maken.
O ja, trouwens! Die 40 frank? Kan dat vandaag? Dan gaan ze naar de hotelbaas, kleine aanbetaling. Kan het 1 of 5 augustus?
Ten hoogste drie dagen voor het briefje in kwestie.
                            Charles.
Ik betaal de loopjongen niet.

AAN MADAME AUPICK
                    Parijs, 14 augustus 1854.
Hoe is het mogelijk, wanneer men dergelijke directe brieven krijgt, dat men dan nog rustig verzen kan schrijven, artikelen over schilderkunst, toneelprojecten, of zelfs vertalingen kan maken? Ik heb deze vreemde brief gisterochtend gekregen, en ik had dat nog liever dan dat wrede bezoek dat elke ochtend mijn slaap verstoort om 8 uur. Het onderhoud tussen hem en mijnheer Ancelle was heel hard, en ik moet daar de straf voor dragen. Geef deze brief meteen aan mijnheer Ancelle, bij wie ik trouwens bij mijn terugkeer uit Marly langs ga, voordat ik naar Parijs terugga.
Ik ga weer terug naar La Revue de Paris. Om er zekerder van te zijn dat ik veel mensen tegelijk tevreden te stellen, ga ik elke dag werken aan het geval van Le Pays, en aan het geval van La Revue de Parijs.
Je hebt mijn brief niet goed gelezen: ik schreef je dat de publicatie die onderbroken was over twee of drie weken weer zou beginnen, vanaf 5 augustus, en dankzij deze onderbreking kan ik me een beetje bezighouden met andere dingen.
Omdat ik vorige maand in Neuilly maar 80 frank had gehaald, heb ik deze maand 230 opgehaald, vooral vanwege die onderbreking; van de krant heb ik maar een voorschot van 240 gehad, twee dagen geleden heb ik 100 frank gegeven.
Ik heb alles wat je schreef over je hinder en je problemen heel aandachtig gelezen. Toch heb ik uitgerekend dat jij me zonder woede vandaag wel zo’n 20 frank zou kunnen sturen (20) , waarvan ik er 5 bewaar om naar Marly te gaan, geld kwestie; maar ik zweer je dat het niet voor Arondel is dat ik zoveel moeite doe. Voor die 15 anderen kan ik je zeggen wat het is; tegen een vrouw kun je over vrouwen praten. Er zijn zielen die zo delicaat zijn, zo gevoelig, zo lijdend en zo eerlijk, dat je er maar een heel zachte streling over hoeft te geven om hen hun stilte te laten lijden. Vandaag is het de verjaardag van Amrie. De persoon over wie ik het met je had gehad zit elke nacht bij haar stervende ouders te waken, nadat ze haar stomme vijf toneelbedrijven heeft gespeeld. Ik ben niet rijk genoeg om cadeaus te geven, maar vanavond een paar bloemen sturen zou voldoende bewijs zijn van sympathie. Ik hoef je 40 frank niet meer, daar heb ik niets aan. Ik behoud liever het recht om in bepaalde gevallen zoals deze jou om hulp te vragen, op voorwaarde dat de grenzen van het discretie nooit overschreden zullen worden. Je ziet hoe druk ik ben. Ik weet zeker dat er komende winter een geldexplosie komt, op voorwaarde dat alles van te voren wordt voorbereid. Vandaag is je vervloekte maandag, vergeef me.
Ik omhels je met heel mijn hart.

                            Charles.

REÇU
[19 augustus 1854. Ontvangen van Le Pays:  15 frank, “als redactiesupplement (augustus).” Getekend: CH. Baudelaire.]

AAN NADAR
                    Parijs, dinsdag 17 oktober 1854.
Beste Nadar,

Ik weet niet of het wel waardig is van me om je in je nieuwe leven te storen om met je te praten over ellendige problemen. De waarheid is, of je me, als je zou kunnen, dan niet in het groot, want ik denk niet dat je dat kunt, - maar kleinschalig – zou willen helpen, en dat je dan een schitterende daad zou doen. Ah! Grootschalig, dat zou te mooi zijn; maar om je goed op je gemak te brengen, vergeet niet hoe het is om grote sommen geld te moeten vinden -  en dat je dan niet eens geld hebt om ernaar te kunnen zoeken. – ik weet niet of je nog op dezelfde plek woont, ik zet er in ieder geval hetzelfde adres op.
Alsjeblieft, doe wat je kunt, en neem het me niet kwalijk als ik op een slecht moment aankom.

                            Ch. Baudelaire

AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, maandag 4 december 1854.
Lieve moeder,

Je zult het vast niet verrassend vinden dat ik je zo lang niet bedankt heb voor de plotselinge hulp, volkomen onverwacht, die je me gebracht hebt, je kent mijn vreemde leven, en je weet ook dat elke dag zijn lading woede met zich mee brengt, ruzies, problemen, heen en weer gereis en werk, en daardoor is het dan ook niet verbazend dat ik vaak wel twee weken de brieven die ik als een plicht beschouw uitstel.  Maar vandaag kom ik je spontaan om hulp vragen. Dan moet ik dat wel heel erg nodig hebben, want als dankzij het bizarre leven dat mij gegeven is, MIJN GELD vragen altijd het pijnlijke effect op me heeft van een bedelarij, dan kun je misschien wel nagaan wat voor een effect om een gunst smeken op me heeft. Die ellendige 100 frank hebben me geraakt; daar heb ik van kunnen leven, en meer niet; als ik ze had gebruikt voor een van de belangrijke dingen waar ik me zorgen om maak, dan had ik niets overgehouden. Daarmee zijn de vijf of zes kleine schulden betaald die wij altijd om ons heen hebben in de wijk waarin we wonen. Wat ik het meest onaangenaam vond toen ik naar dat ongelukkige biljet keek waarvan jij dacht dat het een enorme hulp was, was de gedachte dat het voor jou een hele onthouding was.
Vandaag gaat het voor mij om precies dezelfde behoeften als van de vorige maand. Kan ik me JA of NEE kleden? Ik zal niet zeggen: kan ik over straat lopen zonder dat er naar me gekeken wordt, want dat kan me niet schelen, maar wel of ik me er bij neer moet leggen naar bed te gaan, en op bed te moeten blijven liggen bij gebrek aan kleren? Mag ik eindelijk, op het moment dat het onontbeerlijk is dat ik een beetje kalmte en vrijheid heb – want ik kan me van het ene op het nadere moment zomaar ineens alleen maar bezig moeten gaan houden met de krant, ik verwacht iedere ochtend de proefdrukken, - mag ik hopen dat ik die rust krijg die afhangt van een paar kleine schulden? Maar goed, die mevrouw Trolley, die net zo dom is als al die andere vrouwen in dat kringetje, die kiest net het goede moment uit om me heel droogjes zoals je ziet het geld terug te vragen dat ze me geleend heeft. Dat geld heeft heel lang in Neuilly tot haar beschikking gestaan; maar mijnheer Ancelle die altijd alleen maar zijn eigen zin doet, vond het beter om haar net zolang te laten wachten tot ze er genoeg van had. En ik heb op een mooie ochtend vol ongeduld heel lang geleden dat geld gepakt en heb het uitgegeven.


Ik heb mijnheer Ancelle gezien, twee of drie dagen geleden; hij ging naar jou toe; ik heb hem nadrukkelijk gevraagd om jou een gedeelte van dit alles uit te leggen, en erop te staan dat het hem geoorloofd was (dat het hem geoorloofd was!) om voor mij hetzelfde te doen als de vorige maand; maar ik weet zeker dat hij je helemaal niets verteld heeft daarover. Ik heb hem over onze jaarrekeningen verteld, over de noodzaak om een grote definitieve rekening op te maken, over de onbeduidendheid van zo’n rekening, hoe groot die ook was, op voorwaarde dat deze niet groter wordt met het nieuwe jaar; ik heb hem verweten dat hij je had bang gemaakt,  en tenslotte heb ik hem mijn boodschap voor jou opgedragen. Ik heb nog een kredietbrief van hem losgekregen voor zijn kleermaker. Omdat ik geen geld van hem kon loskrijgen, wilde ik op zijn minst toch een garantie van een middel hebben om gekleed te gaan […]
Goede God, aan welke vernederingen heeft Gij mij onderworpen, en welke vreugde ondervindt men aan het martelen van een man als ik met zulke triestheden ?


Hoe het ook zij, ik heb nog geen gebruik gemaakt van die brief; ik zou die heel graag niet willen gebruiken; want het is toch uiteindelijk wel volslagen absurd om altijd nieuwe voorwerpen te kopen, terwijl je er veel betere kunt krijgen met hetzelfde geld. Het gaat voor mij alleen maar om een aanbetaling voor mijn kleermaker, en de voorwerpen die al af zijn weg te halen.
Over het geld dat ik van mijnheer Ancelle wilde hebben, net zoveel als vorige maand (350 frank), zal ik ook een aanbetaling geven aan mijn hotelbazin, en ik zal ook van deze gelegenheid gebruik maken om de vereffening van mijn rekening los te krijgen, te eisen, af te dwingen waar ik al zo lang om vraag, en een reçu van al het geld dat ik al gegeven heb.
Al het geld dat ik bij Le Pays ga krijgen, ofwel de voorschotten van deze maand, ofwel de definitieve betaling met nieuwjaar, zal uiteraard ook daar naartoe gaan; want die vrouw heeft me de dienst opgezegd vanaf 9 januari, en ik heb gezworen dat ik vanaf dat moment nooit meer in de klauwen van een hotelbaas wil zitten.


Ik ga samenwonen, en als ik op 9 januari niet bij mejuffrouw Lemer kan intrekken, dan ga ik naar die andere. Ik moet koste wat kost een gezinshuishouden; dat is de enige manier om te werken en minder uit te geven.
Mijnheer Ancelle zegt dat hij maar al te blij zou zijn, als ik volgend jaar maar 2400 frank zou opnemen. Je weet dat mijn bedoeling was om maar 1200 frank te nemen. Maar dat gelooft hij niet.
Ik heb duizend zorgen; ik wacht op een drukproef alsof ik op een Messias wacht. Bij Le Pays hebben ze al een paar keer om me gevraagd. Ze vrezen, voordat ik verder ga met mijn boek, dat ik de krant een aantal keren in de problemen laat zitten. Hoe zou men ook de nauwgezetheid van een man niet vertrouwen die zo’n deplorabel leven heeft als het mijne?
Vrienden van me hebben me doorgegeven dat als ik me niet haast met die toneelplannen waarvoor men heel open staat, mij een paar ongelukken kunnen overkomen waardoor ik al zo vaak triest ben geweest, en die een voortdurende spijt achterlaten.
En daarbij ben ik ook nog te laat, - al heel lang, met la Revue de Paris.
Het hamert op mijn hersenen.
Ik herinner me nu ineens iets dat me geraakt had tijdens ons laatste gesprek – een bepaalde ongerustheid die je kreeg toen het ging over het feit dat je dacht dat ik in staat zou zijn de stappen te nemen om naar het civiele tribunaal te gaan. Inderdaad, daartoe ben ik in staat, - maar ik ben niet zo dom om wel eerst enkele rechten op succes te kunnen hebben. En helaas moet ik opbiechten dat daar momenteel geen enkele kans op zou zijn. – Samengevat , denk ik dat mijn leven veroordeeld is geweest vanaf het begin, en dat het dat ook voor altijd zal blijven.
Ik vergat nog iets. Gisteren had ik, vanochtend moest ik een zeer ernstige, zeer urgente schuld betalen; een brief van jou aan mij voor mijnheer Ancelle zou me pas op z’n vroegst morgen geld kunnen opleveren – en dan nog denk ik met verdriet aan mijn verloren dag door de reis want ook al is mijnheer Ancelle een beste kerel, hij is wel de meest indiscrete op het gebied van conversatie en tijd; - dus dan zou ik je willen vragen, als het mogelijk is, voor alles, zelfs voordat je me die brief voor mijnheer Ancelle stuurt, als je het goed vindt om dat te doen – want soms maak je hele lange brieven – me 60 frank te sturen die ik je morgen terugstuur als ik bij hem vandaan kom; een loopjongen zal me op willekeurig welk uur kunnen vinden, want ik heb officieel beloofd een artikel af te leveren om 9 uur  ’s avonds, en daar ga ik nu aan beginnen.
Ik weet dat het vandaag maandag is, je visitedag, dus ik vraag je duizend maal excuus. Maar om je zenuwen te sparen zal ik tegen de loopjongen zeggen dat hij niet hoeft te wachten op je antwoord, maar de brief alleen maar af te geven.
Veel liefs.
                                Charles.
Je beweert dat ik je vaak en veel pijn doe; - maar zelfs als mijn straf alleen maar uit de plicht bestond om deze onverdraaglijke brieven te schrijven – uitleggen, uitleggen, - altijd maar weer uitleggen - , dan was die straf al genoeg voor mij.

Hier schrijft Charles Baudelaire aan zijn halfbroer Alphonse, die hij al een aantal jaren niet gezien heeft, over diens onheil dat hem is overkomen, namelijk de dood van hun enige zoontje Edmond:

AAN ALPHONSE BAUDELAIRE
                        Parijs, 29 december 1854.
Beste broer,

Gisteravond vond ik thuis deze brief waarin de wrede gebeurtenis die jou nu overkomt stond aangekondigd en waardoor ik om 3 uur naar Fontainebleau werd geroepen.
Die brief was uiteraard op tijd bezorgd – hij kwam om 11 uur aan – maar ik kwam pas ’s avonds thuis.
Ik weet niet hoe groot het ongeluk is dat je treft. Ik kan alleen maar raden dat het immens is. Troost, ik weet absoluut niet wat ik je kan bieden.  Wij zien elkaar al jaren niet, en ik weet niet waarom het idee van het ongeluk dat jou nu overkomt, en het idee van onze verwijdering mij nu tegelijkertijd bestoken.
Ik kan niets beters bedenken dan je te beloven dat ik je hand kom drukken, en je kom omhelzen over een paar dagen, want ik zit nu tot over mijn oren in het werk.
Ik denk niet dat ik je hoef te vragen dat ik je vrouw alle sympathie toedraag die ik voel voor haar verdriet.
                    Charles Baudelaire

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact