Baudelaire 1857

Charles Baudelaire 1857

AAN MADAME AUPICK
Parijs, zondag 8 februari 1857.
Lieve moeder,   
Het feuilleton over Australië is sinds vanochtend af in Le Moniteur. Dus dan gaat mijn beurt komen. – Van de 18 feuilletons heb ik er 10 af, er ontbreken er nog maar 8. – Alles zal zaterdag af zijn. – Morgen, maandag, zal ik een voorschot vragen van 500 frank.  – Dat zal me waarschijnlijk geweigerd worden. – Ik wens dat Ancelle me die leent voor een week. Volgende week zal ik 1000 halen, en die 500 zal ik hem dan onmiddellijk teruggeven. Dit is nog nooit voorgevallen tussen ons, want dat wilde hij nooit, omdat hij dom is, en kinderlijk, en koppiger dan mogelijk is. Want in werkelijkheid is er niets eenvoudiger noch makkelijker. – Omdat het mogelijk is dat hij die 500 frank niet onmiddellijk kan missen, laat hem dan sturen wat hij kan, en me dan alleen de dag noemen waarop hij de rest zal sturen.
U moet begrijpen dat als ik zelfs niet een week op die 500 frank kan wachten, ik dan in ernstige problemen zit. Morgen, maandag, moet ik echt van twee of drie belangrijke schulden af.
Ik heb een duivels ongeduld om weg te gaan om ergens anders te gaan wonen. Maar omdat ik hier alleen ben gaan wonen om makkelijker voor Le Moniteur  te kunnen werken, wil ik pas weggaan nadat ik het laatste feuilleton af heb, en dat zal, zoals ik u al eerder zie, plaatsvinden volgende week zondag.
U heeft me zes weken geleden gezegd dat u wilde dat ik u nooit om geld zou vragen. Dat is heel terecht, en ik weet wat ik heb beloofd; - bovendien heb ik mezelf beloofd om dit jaar 1500 frank bij Ancelle te laten, om uw schuld te verminderen. – Maar dit is iets heel anders. Dit is een welwillendheid om mijn hersens op te frissen.
U nam het me kwalijk dat ik u niet heb teruggeschreven. Maar hoe kunt u nu eigenlijk zo weinig mededogen hebben? U hebt dus niet door in wat voor problemen en schokken ik leef, - dat ik om het zo te zeggen niet eens mijn hoofd op orde heb, - en dat ik echt niet vrij over mijn tijd kan beschikken?
Sinds ik u voor het laatst gezien heb (dat is alweer lang geleden, en ik wist niet waar uw verdwijning aan te wijten was, mocht ik uw mokken noemen) heb ik de Nouvelles Histoires extraordinaires af, helemaal. Ik weet niet waarom Michel het niet meteen in de verkoop brengt. Ik moest aan het eind van de vorige mand zelf de Province in om de drukker te pressen en te kwellen want hij maakte het maar niet af.
Nadat ik een hele dag in een heel heet atelier had doorgebracht werd ik ’s avonds om tien uur bevangen door de kou op straat en in de trein, en toen ben ik heel beroerd thuisgekomen.
Ik heb eergisteren aan een andere drukker het complete manuscript van Les Fleurs du mal geleverd. – Voor de nieuwe taken (roman en theater) hoef ik alleen nog maar de roman voor Le Moniteur af te maken, en vier stukken Variétés om de reeks af te maken van mijn études d’art, die, zoals u weet, verkocht is aan dezelfde uitgever die Les Fleurs du mal heeft betaald. – Alles zal eind maart af zijn; dus dan kan ik schoon beginnen; zal ik gelukkiger zijn, helaas!
Voor wat betreft mijn budget voor deze twee maanden, dat is erg mager, beoordeel het zelf maar:

Moniteur                                        1800 F
4 artikelen Variétés
Waarvan 2 voor L’Artiste,
1 voor Le Moniteur,
1 voor een revue,
Geschat op, alles bij  elkaar, 150 F     600 F
                          totaal                        2400 F
Echter, ik moet nu 2000 frank meteen betalen. Ik houd dus maar 400 frank over om voor twee maanden in mijn onderhoud te voorzien. Dat is afschuwelijk.
Ik ga de hele avond en nacht werken; ik zal dus uitgebreid morgenochtend uitslapen in afwachting van uw bezoek of uw antwoord.
Ik zou bijna iets heel banaals maar heel belangrijks vergeten. Ik zit zonder linnengoed en ben verkouden. Zou u drie of vier grote zakdoeken voor me kunnen vinden, ik stuur ze u schoongewassen weer terug.
Als ik zeg dat ik morgenochtend zal slapen, dan weet u wel welke slaap ik bedoel.
Ik wil pas gaan denken over grote opbrengsten en mijn schulden terugbetalen als ik af ben van dat geheel aan oude zaakjes wat uit vijf grote delen bestaat. – Welke goddelijkheid zal mij gunstig zijn? Moge mijn verbeeldingsvermogen dat zo vermoeid is door al die problemen, dan maar niet gedoofd zijn! Ik wil de sterkste zijn! Dit is wat ik herhaaldelijk tegen mezelf zeg, maar wel machinaal. Zijn er geen krachtiger mannen geweest dan ik die toch ook hun zwaktes hebben gehad? – Ach, toch! Ik hoop dat het begin van mijn brief u niet gaat verhinderen om me te komen opzoeken. – Ik omhels u zeer verdrietig.
CHARLES.

AAN FRANÇOIS BULOZ
Parijs, woensdag 11 februari 1857.
Geachte heer,

Ik hoop dat ik niet zal treffen. U zou me weer een scène schoppen. Praat me niet meer over mijn plichten jegens u; - ik heb teveel problemen om over plichten te horen praten. Ik zal een dag bij u komen met veel lawaai van vreugde, als een man die blij is over zichzelf; - alleen dan zult u dat scherp bekritiseren.
In afwachting daarvan, probeer dan uit dit nieuwe VOORWOORD een paar pagina’s te nemen die bij u passen. Knip, snoei, knaag erin. Michel zal u er geen geld voor vragen.
Ik heb zojuist twee exemplaren gekregen van goede vellen. Ik neem aan dat u het me wel in dank zou afnemen om er een voor u apart te houden.
Hoogachtend
CH. Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK
Parijs, vrijdag 13 februari 1857.
Helaas! Lieve moeder, nu ben ik degene die u verzoekt niet te komen, zelfs een paar dagen niet. Men wil me bij Le Moniteur geen cent uitbetalen voordat de laatste zin van het laatste hoofdstuk geschreven is. Ik heb nog maar tot woensdag – vijf dagen voor een taak die twee weken vergt – daar word je toch gek van. In dergelijke omstandigheden neemt u het me vast niet kwalijk dat ik me opsluit  - echt u zit vol zorgen en het spijt me dat ik u er altijd weer meer breng.
CHARLES.
Wees zo goed om deze man te betalen; hij komt van de rue du Four.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
Parijs, 9 maart 1857.
Beste vriend,

Hier is uw balsem, in de vorm van:
Drie strokenproeven, waarvan er één stuk uit moet,
Twee stukken die er tussen moeten,
Uw eerste vel dat u niet had herlezen, want ik vond er een aantal bizarre fouten in;
La nouvelle dédicace, besproken, overeengekomen en goedgekeurd samen met de tovenaar die heel goed heeft uitgelegd dat een opdracht geen geloofswerk moest zijn, die trouwens als nadeel had om de aandacht te trekken naar de scabreuze kant van het boek en het aan de kaak te stellen.
Besloten toch: CURIOSITÉS ESTHÉTIQUES.
Ik hoef nog maar zes feuilletons te maken. U weet wat dat betekent. – Die vreselijke kolommen die om 11 uur ’s ochtends klaar moeten zijn, daar krijg ik zenuwpijnen van.
Geheel de uwe.
CH. Baudelaire.

AAN EUGÈNE DE BROISE
Parijs,  zondag 15 maart 1857.
Mijnheer,

Ik weet dat het niet gebruikelijk is om te antwoorden op een brief die men niet gekregen heeft, maar ik denk dat het mij is toegestaan om deze wet te overtreden gezien de huidige toestand. Mijnheer Poulet-Malassis, mijn goede oude vriend, is volkomen vrij om aan la Société de prijs terug te betalen die ik heb ontvangen van hem voor twee boeken en indien mijnheer Malassis op zijn beurt eist dat ik hem weer terugbetaal, dan zal ik hem ook terugbetalen. Voor wat betreft de manier van vertrouwen waarmee hij met mij heeft gehandeld, en die een onophoudelijk onderwerp van verwijt is van uw kant, daarover kan ik u mededelen, mijnheer, dat ALLE CONTRACTEN OP BASIS VAN VERTROUWEN WORDEN GEMAAKT, en dat indien zij niet op basis van vertrouwen werden gemaakt, wij die dan ook niet tot stand zouden brengen.
Auguste Malassis heeft me aangeboden om me eerst mijn HELE boek in strokenproeven te geven. Dat vroeg ik hem niet; dat had ik niet gedurfd; maar ik heb het wel aangenomen; en dus, ú bent te laat.
U bent waarschijnlijk niet op de hoogte van het feit, mijnheer, wat het betekent om zorg en onvermijdelijke vertragingen te hebben voor werk waaraan men veel belang hecht.
Voor wat betreft het tweede deel, ik heb MIJN VRIEND Malassis gezegd dat het absurd was als ik drie dingen tegelijk deed, omdat het dan wel zeker was dat er fouten in het werk zouden sluipen. Over een aantal dagen ben ik geheel en al beschikbaar voor dat tweede deel.
Ik denk dat ik voldoende antwoord heb gegeven op het eerste onophoudelijke verwijt. Malassis wist, of had geraden wellicht dat ik het nodig kon hebben om aan een grote hoeveelheid materie te moeten werken, en hij heeft me meer dan veel geboden, hij heeft me alles geboden. Hij had gelijk, want, omdat hij inderdaad veel materiaal kreeg, zal ik er ook veel van terugsturen, en TEGELIJKERTIJD (verklaring voor de verrtaging).
Welnu, mijnheer, nu kom ik bij het onderwerp van uw tweede onophoudelijke verwijt: de overdaad van mijnheer Baudelaire! Als u geen overdaad wilt, mijnheer, dan moet u ook geen vodjes van drukproeven  sturen zoals u die naar ons heeft gestuurd, terwijl mijnheer Malassis in Parijs was. Deze verantwoordingen en de termen warmee ik ze moet uitdrukken, zijn verschrikkelijk moeilijk voor me om te doen; maar ik zou graag uw aandacht op dit punt willen vestigen: als u meer activiteit had ontplooid en minder verwaarlozing, dan had u minder problemen gehad, en dan had u niet de noodzaak gevoeld (altijd makkelijk te vinden) onophoudelijk verwijten te maken.
Mijnheer, mijn meeste hoogachting voor madame Malassis en hartelijke groeten aan mijn vriend Auguste,

Hoogachtend,
Ch. Baudelaire

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS
 Parijs, woensdag 18 maart 1857.
 Beste vriend,

Ik schrijf uw terug op uw brief van vanochtend:
Ten eerste is het absurd dat u boos wordt. Kom aan, beste vriend, ik heb u nooit gezegd dat ik egyptiennes wilde, of vetgedrukte, Engelse, dunne letters etc…. Ik weet wat eenheid is, ik heb daar altijd hetzelfde over gedacht als u, en ik ken het belang van harmonie in de letters; u heeft het over TITEL, en ik antwoord u met OPDRACHT.
U zegt: HET IS GEDRUKT,
U bedoelt: OPLAGE GEMAAKT.
Deze opdracht kan zo niet, en omdat mijn smaak verschilt van die van u, - (ik blijf bij het inkrimpen van de lengte, de hoogte, of zo u wilt, alle letters te verkleinen, met een minder dik  oog te drukken) – bied ik u aan om (en word daar nu niet boos om) DE PRIJS VAN HET PAPIER EN DE OPLAGE VAN DIT VEL terug te betalen. – Maar druk voortaan niet meer zonder de bon à tirer.  -  Laat me de prijs weten van wat dit avontuur u kost, en u ontvangt het de eerste van de maand.
Bij de nieuwe oplage, rectificeer alle fouten die op de drukproef staan (feuille imprimée), dat ik u teruggestuurd heb (behalve poète en uw aanhalingstekens, als u daar op staat). (Voor wat betreft mijn interpunctie, vergeet niet dat die dient om niet alleen de betekenis op te schrijven, maar ook de DECLAMATIE.)
Voor wat betreft de slecht uitgevoerde letterstijl, u heeft gelijk; maar ik kan het ook niet helpen als mijn oog daarvoor te scherp is.
Dus dat is dan afgesproken; dat vel moet over; ik betaal de kosten, en u drukt niets meer zonder GOEDKEURING TOT DRUKKEN. – Ik Zal u vanavond uw twee volgende vellen toesturen.

 Uw toegewijde
CH. Baudelaire.
Antwoord snel, snel snel.
Nee, geen Crébillon, het is al genoeg met die andere voor wie ik al de grootste moeite heb.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 4 april 1857.
1.    Beste vriend, ik heb zojuist mijn eerste vel ontvangen. Ik hoop maar dat die nog niet gedrukt is, want uw werknemers hebben er weer nieuwe fouten in gemaakt, zoals points voor poigns, etc.
2.    U heeft alweer vergeten me te sturen wat ik met zoveel nadruk had gevraagd: hetzelfde eerste vel omgewerkt door mij als laatst en dat te laat was aangekomen.
3.    Ik heb u eergisteren geschreven over uw strokenproeven. Ik wil Le Moniteur beëindigen, en u heeft me mijn hoofd al vaker op hol gebracht; ik kan niet meer bij die krant aankomen.
4.    Heeft u de twee vellen ontvangen die u van me vraagt?
Ch. Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, maandag 27 april 1857.
Beste vriend,
Ik wilde u heel hartelijk danken voor uw brief van vanochtend ; maar in werkelijkheid is het te mooi; en omdat ik u geen gelegenheid meer wil geven om boos te worden, krijgt u ook niet meer de gelegenheid om er de sporen van uit te wissen.
Dan nu de vraag:
Vanavond doe ik uw strokenproeven (al uw strokenproeven) op de post, omgewerkt met zoveel zorg dat het herlezen van de drukproeven maar een miniem werkje zal zijn.
Ik vanaf vanmiddag dus beginnen met Les Curiosités. Het echte werk van Les Curiosités bestaat uit het herzien van het eerste stuk (Salon de 45); herstelwerk van het artikel Caricaturistes (die moeten in La Revue Française komen) en het maken van twee nieuwe stukken (Peintres raisonneurs; - Excitations artificielles), die – gelukkig maar, bijna klaar zullen zijn.
Al met al is er dus niets dat me kan verhinderen om u per dag alles op te sturen wat ik zal maken; maar als u wilt weten hoe groot het boek wordt, dan moet ik u eerst een rekensom van letters geven.
De kwestie Alençon:
Het laatste feuilleton is af, en ik had vijf dagen nodig om bij te komen, en toen heb ik al mijn geld opgemaakt.
- Ik moet niet alleen naar Alençon, maar ook naar Lyon; de geldkwestie is miniem, want ik kan op alle lijnen gratis reizen; maar ik zou het erg vinden als ik ongerustheden achter me zou laten, en ik wil dat dit manuscript voor alles volledig is.
Dus, ga ik wel naar Alençon, maar later, over twee weken misschien; en terwijl ik dan naar Lyon ga, kunt u de eerste vellen opzetten. Maar let op, ook al weet ik dat het manuscript niet in twee weken af kan zijn, ik kan u er daarom nog wel de eerste stukken van  opsturen voor de 15e, als u dat wilt.
De affaire van Le Roman de la momie baart me zorgen, en wel hierom : ik ben bang dat u er een ijver van uw eigen ijdelheid in gaat stoppen; het is waar dat het een goede zaak is, en dat de prijs zo dicht bij de uwe komt dat het bijna dezelfde is; maar Théophile is gewend om op zijn boekhandelaren te rekenen, die voldoen aan een gedwongen verkoop van 4000 exemplaren.  -  U weet dat de oplage wat hoger kan zijn. Adieu; ik ga werken aan La Révolte, Vin  en La Mort.
Ch. Baudelaire.

Ik heb de goede vellen van Les Cariatides doorgenomen. Er zitten vreselijke fouten in. U zou er echt beter op moeten letten.
Ik heb geen cent meer om deze brief te frankeren, en daarom wacht ik ook tot vanavond om het einde van Le Spleen et l´Idéal op te sturen, waarbij ik dan ook uiteraard de rest doe.
Kijk goed naar mijn laatste vel.

Aan Édouard Thierry
Parijs, 12 juli 1857.
Geachte Heer,

Een paar dagen geleden ontmoette ik (bij toeval) Turgan, en ik vroeg hem of er een artikel over Les Fleurs du mal zou verschijnen. Hij antwoordde me: Ja, vast wel.
Ten eerste, is hij daar wel zeker van?
En als dat zo is, dan richt ik me persoonlijk tot u om dat artikel zo snel mogelijk te krijgen. Is dat mogelijk op dinsdag, dat wil zeggen overmorgen ? Ik verzeker u, daarmee bewijst u mij een zeldzame dienst, want ik word uiterst belasterd, en ik heb heel snel een spirituele en geletterde man nodig die zegt dat er in Les Fleurs du mal een paar verzen in goed Frans staan.
Geheel de uwe en hartelijke groet,
Ch. Baudelaire.

Aan Alfred Delvau

Parijs, 12 juli 1857.
Beste Delvau,

Een aantal dagen geleden heeft mijnheer Sédixier me om een exemplaar laten vragen van Les Fleurs du mal om er verslag van te doen. Ik richt me tot uw vriendschap om dit artikel te verhinderen, indien dit, uit onhandigheid of anderszins, (want ik ken de naam van de redacteur niet) opnieuw aanleiding zou geven tot beslaglegging.
Formaliseert u zich niet over de botte manier waarop ik u mijn vrees tentoonspreid.  Met veel vriendschappelijkheid hoeft u geen gevaar te zien daar waar er werkelijk gevaar is.

Geheel de uwe,
Ch. Baudelaire.

Aan Édouard Thierry
Parijs, 14 juli 1857.

Ik kan u (vandaag) om mijn dankbaarheid te tonen slechts dit laatste exemplaar op kwaliteitspapier schenken. Asselineau heeft het uit een lade opgevist. Ah! U heeft me eindelijk gewraakt voor de schurkenstreken!
Voordat ik u kende, had ik nooit goed begrepen wat voor een kracht er in die soepele en golvende methode zat die verbergt en laat zien, en die alleen voor intelligente mensen schittert!
Uw artikel zit vol met zowel spiritualiteit als politiek.  Wat ben ik u dankbaar dat u die immense triestheid zo benadrukt hebt, die inderdaad de enige moraliteit van het boek is!
Zonder u zou misschien niemand hebben durven praten over mijn literaire kwaliteit, en iedereen zou hebben gesproken over de verschrikkingen van de onderwerpen.
Uw lofuitingen zijn groots; maar u heeft die ongetwijfeld noodzakelijk geacht.
Ik druk u de hand met al het vuur van een man die weet wat hij u schuldig is.
 Ch. Baudelaire.

Aan Achille Fould

Kopie van mijn brief aan mijnheer de Minister van Staat nadat ik vernomen had dat er beslaglegging werd gelegd op Les Fleurs du mal.
Parijs, ongeveer 20 juli 1857.
Mijnheer de Minister,

De brief waarvoor ik de eer had die te schrijven aan Uwe Excellentie heeft geen ander doel dan deze te bedanken voor alle goede diensten die ik heb mogen ontvangen van U en van Le Moniteur; ik vervul slechts een nederige plicht, op een moment waarop naar aanleiding van een onbegrijpelijk onheil ik voor u misschien een gelegenheid van een lichte tegenslag ben geweest, wat voor mij een onderwerp van een regelrechte smart zou zijn.
Le Moniteur heeft een uitmuntend artikel gepubliceerd over het tweede deel van de werken van Edgar Poe, waarvan ik de zeer trotse vertaler ben. Mijnheer Turgan heeft het derde deel (Arthur Gordon Pym) in het voetlicht gezet, een bewonderenswaardig boek. En als laatst heeft Le Moniteur een prachtig artikel gedrukt van mijnheer Édouard Thierry over een boek van mij, dat momenteel veroordeeld wordt: Les Fleurs du mal. De heer Édouard Thierry heeft, met een werkelijk lovenswaardige voorzichtigheid, heel goed laten zien dat dit boek zich slechts richt tot een klein aantal lezers; hij heeft het alleen geprezen om de literaire kwaliteiten die hij erin heeft willen erkennen, en hij heeft prachtig geconcludeerd dat de wanhoop en de triestheid de enige maar voldoende moraal van het boek in kwestie was.
Wat ben ik u wel niet schuldig, mijnheer de Minister? Ik ben u meer nodig nog dan al die inferieure voldoeningen van de literaire wijsheid. Ik heb lang getwijfeld om u te gaan bedanken, omdat ik niet wist hoe ik dat moest aanpakken. Misschien heeft mijnheer Pelletier u verteld dat madame Aupick, die door haar man zonder geld was achtergelaten, mij voordat zij Parijs had verlaten had verteld welke beslissing Uwe Excellentie had genomen tijdens het debat in de Raad van State. Mijn moeder heeft in mijn bijzijn u een brief geschreven in het bijzonder met dankbetuigingen, waarin ik me niet heb durven mengen vanwege een absurde verlegenheid. Heden grijp ik de gelegenheid aan om u mijn dankbaarheid te tonen voor deze echt  persoonlijke grote dienst.
Gisteren had ik de bedoeling om een soort pleidooi te richten tot Mijnheer de Minister van Binnenlandse Zaken maar ik dacht toen dat een dergelijke daad bijna een schuldbekentenis zou impliceren, en ik voel me helemaal niet schuldig. Ik ben daarentegen juist heel trots dat ik een boek heb gemaakt dat alleen maar de angst en de afschuw voor het Kwaad uitstraalt. Ik heb dus van dat plan afgezien. Als ik me moet verdedigen, dan zal ik me op passende wijze kunnen verdedigen.
En waarom ook, mijnheer de Minister, zou ik u niet openhartig vragen om uw bescherming, binnen de mogelijkheden om die te verkrijgen, van u, u bent, nietwaar, vanwege uw intelligentie, meer nog dan vanwege uw positie, de natuurlijke beschermheer der Letteren en Kunsten?  En de Letteren en de Kunsten voelen zich helaas nooit beschermd. Maar weet wel dat indien het u niet mogelijk is dit mij toe te kennen, ik niet zal verzaken om mezelf als uw dankbare te beschouwen.
Met de meeste hoogachting, Uwe Excellentie Mijnheer de Minister, met dankbaarheid en respect, verblijf ik,
 Uw nederige en gehoorzame dienaar.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 20 juli 1857.
Serieus, ik moet echt meteen weten welke dag u in Parijs bent.
Hier, geen beslaglegging – wat is die beslaglegging van Alençon?
Hier, een conflict tussen de twee ministers, Le Moniteur en Binnenlandse Zaken. Mijnheer Abbatucci zei: U wilt dus de aanval belemmeren.
Ik smeek u om niet weg te gaan en geen enkele stap zonder mij te ondernemen; u zou mij kunnen tegenwerken.
Ik neem het u zeer kwalijk. – De hele uitgave had als verkocht moeten zijn.
De Uwe.
Ch. Baudelaire.
Houd dit allemaal voor u.

Aan Madame Aupick
Parijs, 27 juli 1857.
Lieve moeder,
Je moet me nooit beschuldigen voor mijn late reacties, vooral voor wat er momenteel gebeurt.
Vraag aan uw leeszaal van Honfleur het nummer van Le Moniteur van dinsdag 14 juli , daarin staat een luisterrijke lofuiting over mij; daarna zal ik u, als ik u zal hebben geïnstrueerd dat mijnheer Abbatucci problemen is gaan zoeken bij mijnheer Fould over dit artikel, toen hij tegen hem zei: waarom maakt u een lofuiting over een werk dat ik wil laten vervolgen?, dan zult u begrijpen dat ik het onderwerp ben van een conflict tussen drie ministers.
Mijnheer Fould voelt zich verplicht om me te verdedigen. Zal hij me opgeven? Dat is de grote vraag.
Mijnheer Billault is zo woest dat hij verboden heeft dat er over mij gesproken wordt bij Le Pays. Dat is absoluut illegaal; want ik ben niet veroordeeld, ik ben alleen verdacht. – Ik ga het artikel inzien dat mijnheer Billault illegaal verhindert te drukken; ik zal het in strokenproeven laten drukken bij een drukkerij van een vriend van me ; dan zal ik er een naar Mijnheer Fould sturen, een naar Mijnheer Pietri, een naar de onderzoeksrechter, een naar mijn advocaat (ik heb er nog geen een) en een naar mijnheer Billault zelf.
Ik heb degenen die voor me zijn: Mijnheer Fould, Mijnheer Sainte-Beuve, en mijnheer Mérimée (die is niet alleen een beroemd litterator maar ook de enige die de literatuur vertegenwoordigt in de Senaat), mijnheer Pietri, een machtig man, en, net als Mijnheer Mérimée, een zeer goede vriend van de keizer.
Er ontbreekt nog een vrouw; het zou misschien mogelijk zijn om prinses Mathilde in deze affaire aan te stellen; maar ik pijnig tevergeefs mijn hoofd af om te bedenken hoe.
Ik ben voor de onderzoeksrechter verschenen . Mijn verhoor duurde drie uur. Ik heb overigens een heel welwillende magistraat gevonden.
Uw exemplaar is gebonden; ik kan hem u zonder gevaar toesturen (want de beslaglegging wordt uitgevoerd). Net als voor uw misboek, daarvan kan ik de omslag niet aan de post toevertrouwen. Maak u niet ongerust. Ik heb al geld gegeven aan de boekbinder.
Ik wilde dit alles eigenlijk voor u verbergen; maar echt, dat zou toch absurd geweest zijn. Maakt u zich niet nodeloos druk om van alles, zoals u dat altijd doet; trouwens, ik heb stevige schouders. – En geen woord toevertrouwen aan mijnheer Émon.
U begrijpt dat de reis naar Honfleur bijzonder is uitgesteld. Daarbij, ondanks alle tijd die deze affaire vergt, moet ik nog vier boeken afmaken; derde deel van Edgar Poe,  de Poèmes nocturnes (van mij), Les Curiosités esthétiques (van mij), en Le Mangeur d’opium (vertaling van een werk van De Quincy). Bovendien, voor het einde van dit jaar, zou ik in Honfleur mijn drama en een roman moeten schrijven.
Iedereen raadt me aan om geen woord bij de zitting te zeggen, uit angst dat ik ontaard in een van mijn woede-uitbarstingen.
Men raadt me ook aan een beroemd advocaat te nemen en die moet ook in goede relatie staan met de minister van Staat, mijnheer Chaix d’Est-Ange bijvoorbeeld.
Ik omhels u, en vraag u om dit schandaal (dat in Parijs de gemoederen doet opschudden) als slechts een grondslag van mijn toekomstige rijkdom.
Charles.
Ik hoef u niet te vertellen dat het boek nog steeds verkocht wordt, maar in het geheim, en voor de dubbele prijs.

Aan zijn advocaat:

Aan Meester Gustave Chaix D’Est-Ange
Parijs, eind juli of begin augustus 1857.
Geachte heer,

Ik verzoek u om de monsterlijkheden van La Chute d’un Ange niet te verwaarlozen. Als u wilt, dan zoek ik met u de passages.
En citeer maar wel (met walging en afschuw) flinke vuilpraat van Béranger:
Le Bon Dieu
Margot
Jeanneton (of  Jeannette).
Geheel de uwe
Charles Baudelaire.

Aan madame Sabatier
Parijs, dinsdag 18 augustus 1857.
 Geachte mevrouw,

U heeft niet één ogenblik gedacht, nietwaar, dat ik u zou kunnen vergeten. Bij de publicatie heb ik direct een van de mooiste exemplaren voor u gereserveerd, en als die gehuld is in een kleed dat u niet waardig is, dan is dat niet mijn fout, maar die van mijn boekbinder, bij wie ik iets meer spiritueels had besteld.
Zou u geloven dat de miserabelen (ik heb het nu over de onderzoeksrechter, de procureur, etc.) behalve nog andere stukken, de twee stukken hebben durven aanklagen die speciaal gemaakt waren voor mijn geliefde Idole (Toute entière et À Celle qui est trop gaie)? Die laatste is het stuk dat door de eerbiedwaardige Sainte-Beuve als beste van het boek is verklaard.
Dit is de eerste keer dat ik u schrijf met mijn echte handschrift. Als ik niet bedolven was onder vele zaken en brieven (de zitting is overmorgen), dan zou ik van de gelegenheid gebruik maken om u om vergeving te vragen voor zoveel domme en kinderachtige zaken. Maar, u heeft daarvoor toch al voldoende wraak genomen, net uw zusje samen? Ah, wat een draakje! Ze had me aan de grond genageld die dag dat wij elkaar tegenkwamen en zij me hard in mijn gezicht uitlachte toen ze wegliep, en ook toen ze me zei: bent u nog steeds verliefd op mijn zuster, en schrijft u haar nog steeds van die geweldige brieven? Ik begreep ten eerste dat ik toen ik me wilde verbergen, ik dat heel slecht deed, en daarna dat u onder uw charmante gezicht een niet zo’n liefdadige geest verborg. Ondeugende mensen zijn verliefd, maar poëten zijn idolaat, en uw zus is denk ik niet echt gemaakt om eeuwigdurende zaken te begrijpen.
Sta mij dan dus ook toe, met het risico dat ik u vermaak, dat ik mijn protesten verleng die dat gekke meisje zo hebben vermaakt. Beeld u eens een ensemble in van dromerijen, sympathie, respect, met duizenden kinderlijkheden vol ernst dan hebt u zo ongeveer iets van dat volkomen oprechte dat ik niet beter zou kunnen definiëren.
U vergeten is niet mogelijk. Men zegt dat er poëten hebben bestaan die hun hele leven hebben geleefd met hun ogen gericht op één gekoesterde beeldvoorstelling. Ik denk ook wel (maar ik ben er teveel door geïnteresseerd) dat trouw een van de tekenen is van het genie.
U bent meer dan een gedroomd en gekoesterd beeld, u bent mijn bijgeloof. Wanneer ik iets heel doms doe, dan denk ik: Mijn Hemel! Als zij dat wist! Wanneer ik iets goeds doe, denk ik:  dit is iets dat me dichter tot haar brengt, - geestelijk.
En de laatste keer dat ik zo gezegend was (en ondanks mezelf) dat ik u mocht ontmoeten! Want u weet niet hoe zorgvuldig ik u ontwijk! – toen dacht ik: het zou wel vreemd zijn indien dit rijtuig op haar wacht, het is misschien beter dat ik een andere weg neem. – En toen: Bonsoir, Monsieur! Met die geliefde stem waarvan het timbre betovert en verscheurt. Ik ben weggegaan, de hele weg herhalend: Bonsoir, Monsieur! En ik probeerde uw stem na te doen. Ik heb mijn rechters gezien afgelopen donderdag. Ik zeg niet dat ze niet mooi zijn: ze zijn abominabel lelijk; en hun ziel zal vast op hun gezicht lijken.
Flaubert had zelf de keizerin voor zich. Ik mis ook een vrouw. En een paar dagen geleden kwam de bizarre gedachte bij me op dat u misschien via uw relaties en wellicht complexe kanalen een goed opgestelde brief bij een van die grote breinen zou kunnen laten aankomen.
De rechtszitting is overmorgen, donderdag.
De monsters hebben de volgende namen:
President            DUPATY
Procureur-generaal        PINARD (gevreesd)

                DELESVEAUX
Rechters            DE PONTON D’AMÉCOURT
                NACQUART

Van de 6e Chambre correctionnelle.
Ik wil al die trivialiteiten terzijde leggen.
Vergeet niet dat er iemand is die aan u denkt, dat zijn gedachten nooit triviaal zijn en dat hij u uw gemene vrolijkheid een beetje kwalijk neemt.
Ik verzoek u vurig om voortaan alles wat ik u zou kunnen toevertrouwen voor u te houden. U bent mijn gewone Compagnie, en mijn Geheim. En door deze intimiteit, waarin ik mezelf al zo lang van repliek geef, heb ik de moed om op zo’n familiare toon te spreken.
Adieu, geliefde Madame, ik kus uw handen met al mijn Devotie.
Charles Baudelaire.
Alle verzen tussen pagina 84 en 105 behoren u toe.

Aan madame Sabatier
Parijs, zondag 13 september 1857.
Geachte mevrouw,

Ik zal het plezier om bij u thuis te dineren moeten afzeggen. Ik ben overstelpt door zaken die zo zwaar zijn dat ze zelfs de zondagavond zullen aantasten. Bovendien hebben een aantal slechte gebeurtenissen  die ik helemaal niet verdiend heb zoveel zwart in mijn hoofd gestopt dat het van mij een erbarmelijke tafelgenoot maakt, - erbarmelijker dan normaal- , en ik ben al nooit echt vrolijk.
Toch zal ik u een kort goedenavond kunnen wensen, en ook aan onze uitmuntende vrienden. Ik verzoek u mijn nederige excuses niet slecht te interpreteren.
Doet u de groeten aan iedereen.
Charles Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 9 oktober 1857.
Beste vriend,
Ik was wat laat met het toesturen van dit briefje omdat ik tegelijkertijd u een lange brief schrijven met al mijn grieven die ik heb jegens u. U krijgt hem wel, die brief, zodra ik twee uur voor mezelf heb. Mijn belang is het uwe ook! U spot met me, beste vriend, en u gebruikt met name uw betreurenswaardige talent van brutaliteit tegen uw intimi.
Als u eens kon begrijpen wat voor schade u uzelf heeft aangebracht met uw belachelijke chirurgische operatie! De aanklachten zijn een tijdje gestopt. En uiteindelijk zijn ze geëxplodeerd. Natuurlijk, heb ik, want dat recht had ik, alle schuld op Malassis gegooid.
Alles wat ik u nu vraag voor dit moment, maar dat doe ik wel met nadruk, als een soort van verzoek (want welke formule moet ik anders aanwenden voor een temperament zo licht als het uwe!) is geen nieuwe verbeteringen in de druk aan te brengen voordat wij samen zijn overeengekomen over de manier waarop dat gedaan moet worden. Het zal misschien noodzakelijk zijn om met een redelijk exemplaar een paar mensen uit die honderd imbecielen die erin getrapt zijn schadeloos te stellen.
De uwe.
Groeten aan uw moeder, en aan onze vrienden.
Ch. Baudelaire.

Aan de keizerin
Parijs, 6 november 1857.
Mevrouw,
Alle wonderbaarlijke vergenoegzaamheid van een poëet is nodig om de aandacht van Hare Majesteit te durven bezetten voor een geval dat zo klein is als het mijne. Ik heb het ongeluk veroordeeld te worden voor een poëziebundel met de titel: Les Fleurs du mal, en de enorme oprechtheid van mijn titel heeft me niet voldoende beschermd. Ik had gedacht dat ik een mooi en groots werk zou maken, vooral een duidelijk werk: maar het werd beoordeeld als obscuur waardoor ik veroordeeld ben tot het veranderen van het boek en het weghalen van enkele stukken (zes van de honderd). Ik moet zeggen dat ik met een bewonderenswaardige hoffelijkheid ben behandeld door Justitie, en dat de betreffende termen uit het vonnis een erkenning van mijn hoogste en zuiverste bedoelingen impliceert. Maar de boete die verhoogd is met voor mij onbegrijpelijke kosten, overstijgen de mogelijkheden van de spreekwoordelijke armoede van poëten, en, aangemoedigd door zoveel waardebetuigingen die ik van zo hooggeplaatste vrienden heb mogen ontvangen, en tegelijkertijd overtuigd van het feit dat het Hart van de Keizerin open staat voor de genade van alle soorten van tegenspoed, zowel spirituele als  materiële, heb ik, na een besluiteloosheid en een verlegenheid van tien dagen, het plan opgevat om te dingen naar de gracieuze goedheid van Hare Majesteit en haar te vragen om tussenbeide te komen voor mij bij de Minster en Justitie.

Aanvaard, Uwe Excellentie, Mevrouw Hare Majesteit , mijn nederige groet.

Uw toegewijde, nederige dienaar en onderdaan,
Charles Baudelaire.
Quai Voltaire 19.

Aan Julien Turgan
Parijs, woensdag 9 december 1857.
Bestre vriend,
Hier is dan het begin van die delicate ragout. Als u erop staat om het te lezen, dan kunt u het zo makkelijker lezen, dat wil zeggen beetje bij beetje. De pakketjes die u iedere dag zult ontvangen zullen dik zijn, en ik denk dat alles rond de 15e klaar zal zijn. Ik nam aan dat het niet boven de 10 à 11 feuilletons zou moeten uitkomen, want de Engelse tekst telde al 188.392 letters; maar u weet dat een Franse tekst, die veel minder eenlettergrepige woorden kent, altijd veel langer is.
Geheel de uwe, en bedankt voor uw vriendschap.

Ch. Baudelaire.
Ik heb nog niet naar de binder kunnen gaan waar de laatste vellen van Les Fleurs du mal zijn heen gevlucht

Aan madame Aupick
Parijs, 25 december 1857. Kerstdag.
Lieve moeder,
Ik ga vanavond of vannacht (helaas! Als ik tijd heb) u een lange brief schrijven en u een pakje sturen dat ik al heel lang voor u heb voorbereid. Ik zeg: als ik tijd heb, want ik ben sinds een aantal maanden terecht gekomen in weer zo’n afgrijselijke neerslachtigheid die alles onderbreekt; mijn tafel ligt sinds het begin van de maand vol met drukproeven waar ik de moed niet voor had om er aan te beginnen, en er komt altijd een moment waarop ik, met grote pijn, uit die afgrond van apathie moet komen.
Deze vervloekte feesten hebben het voorrecht om je er wreed aan te herinneren hoe snel de tijd heengaat, en hoe slecht die tijd gevuld is, en hoe vol met smarten die zit! Ik zal u vanavond uitleggen hoe ik er toe ben gekomen, nadat ik het besluit had genomen me onophoudelijk met u bezig te houden, om bruusk met alle vertrouwelijkheden te stoppen, en ook al word ik niet helemaal begrepen, u zult op zijn minst dan toch kunnen toegeven dat ik in zekere zin te vergeven was.
Eenzaamheid, zonder affectie, en zonder werk, is zeker iets verschrikkelijks; maar ik weet zeker, want u heeft meer moed dan ik, dat u de uwe beter verdraagt dan ik de mijne. Ik zit nu geestelijk en lichamelijk in een dusdanige deerniswekkende toestand, dat ik het lot van ieder ander benijd.
Het pakketje dat ik voor u heb gemaakt bevat uit ten eerste uit enkele artikelen over mij die in de tweede helft van dit jaar zijn verschenen (ik ben nog een keer bij de magistraten van het Openbaar Ministerie geroepen en ik was bijna vervolgd voor het artikel over Madame Bovary, boek dat ook vervolgd was maar vrijgesproken); vervolgens uit een aantal artikelen die gepubliceerd zijn over Les Fleurs du mal; en door dat aantal artikelen (want er waren er zoveel dat ik op het laatst zo moe was van zowel de lofuitingen als de belachelijke beledigingen, dat ik ze niet meer hoefde te lezen) kunt u zelf oordelen over de sinistere glans die dat boek heeft uitgeworpen, waarin ik alleen maar iets van mijn woede en melancholie heb willen zetten; en ten slotte uit het boek zelf, dat u zo merkwaardig geweigerd had toen u het goed vond om uw verwijten bij de beledigingen te voegen waaronder ik gebukt ging aan alle kanten.
Ik wilde u voor Kerst het derde deel van Edgar Poe geven, maar, ik heb het u net toegegeven, de drukproeven slingeren hier nu al een maand op mijn tafel, zonder dat ik mijn pijnlijke lafheid van me af kan schudden. Dit exemplaar van Les Fleurs  is het mijne* ;  ik ben het u schuldig, immers ik heb het uwe aan mijnheer Fould gegeven. Het waren de twee laatste op Hollands papier. Ik kan er nog wel een gewone van krijgen. Ik ril van traagheid als ik eraan denk dat als het boek weer legaal verkocht mag gaan worden, het weer helemaal opnieuw gedrukt moet worden, en dat ik zes nieuwe gedichten moet gaan samenstellen om de zes veroordeelde te vervangen.
Ik verstuur dus, met een meer gedetailleerde brief, het pakje vanavond op of op zijn laatst morgenochtend.
Ik omhels u, en ik smeek u vol welwillendheid te zijn voortaan; want dat heb ik, ik zweer het u, ten zeerste hard nodig. Als er ooit een man ziek was, waarvoor de geneeskunst niets kan doen, dan ben ik dat wel.
Charles..

Aan madame Aupick
Parijs, 30 december 1857.
Zeker, ik heb veel te klagen over mezelf en ik ben heel verbaasd en in paniek over deze toestand. Moet ik even ergens anders heengaan, ik weet het niet. Komt het door het zieke lichaam dat de geest en de wilskracht vermindert, of is het spirituele lafheid die het lichaam vermoeit, ik weet het niet. Maar wat ik voel, is een immense ontmoediging, een gevoel van onverdraaglijk isolement, een voortdurende angst voor een vaag ongeluk, een volledige uitval van mijn krachten, een totale afwezigheid van wensen, en de onmogelijkheid om wat voor amusement dan ook te vinden. Het bizarre succes van mijn boek en de haat die het heeft opgewekt interesseerden me een tijdje, en daarna is het begonnen. Ziet u nu mijn lieve moeder, dit is een tamelijk ernstige situatie voor een man wiens beroep het is om ficties te produceren en aan te kleden. Ik vraag me steeds af: waar is dit goed voor? Waar is dat goed voor? Dat is de werkelijke gedachte van spleen. Omdat ik me herinner dat ik al eens analoge situaties heb moeten ondergaan en dat ik er toen ook uit ben gekomen, zou ik geneigd zijn te denken dat ik me niet al te ongerust moet maken; maar ik herinner me ook dat ik nooit zo diep ben gezonken en zolang in verveling heb gedraald. Voeg daarbij de permanente wanhoop van mijn armoede, het onderbreken van en getrek aan mijn werk veroorzaakt door oude schulden (wees gerust, dit is geen alarmoproep voor uw zwakheid. Daar is het nog geen tijd voor,VANWEGE VERSCHILLENDE REDENEN, waarvan de voornaamste mijn zwakheid is die ik zelf toegeef), het beledigende, afstotelijke contrast van mijn spirituele eerbaarheid met dit leven vol armoede en onzekerheid, en als laatste, om alles maar te vertellen, een vreemde benauwdheid en maag- en darmproblemen die nu al een maand duren. Alles wat ik eet maakt me benauwd of daarvan krijg ik diarree. Als de geest het lichaam kan genezen, dan zal een gewelddadig hard werken me genezen, maar dat moet je willen, met een verzwakte wilskracht: een vicieuze cirkel.
Als we er van uitgaan dat ik de hele maand januari werk en genoeg is om alles af te maken wat alleen maar in Parijs gedaan kan worden, en ik dan in februari bij u kom werken aan nieuwe dingen, zou ik dan in Honfleur of ergens in Le Havre een schermleraar kunnen vinden? Als ik aan het schermen ga voldoe ik ook aan de noodzakelijke lichamelijke oefening; en zal ik ook, niet in Honfleur maar in Le Havre, een badhuis vinden waar je douches kan nemen en koude stralen kunt krijgen?
Ik ga u heel in het kort vertellen waardoor ik verhinderd was, niet om u daar te treffen (ik kon niet), maar om u terug te schrijven. Ik was tegelijkertijd bang om u lastig te vallen en niet begrepen te worden. De dag na de dood van mijn stiefvader zei u tegen me dat ik u onteerde, en u verbood me (voordat ik er ook maar aan had gedacht om u dat te vragen) om nooit een plan te hebben om bij u te komen wonen. En toen dwong u mij om vernederend aanstalten te maken om vriendschap te sluiten met mijnheer Émon. Doe mij deze gerechtigheid aan, lieve moeder, dat ik dat heb verdragen met de nederigheid en zachtheid die uw zielige situatie mij opdroeg. Maar daarna, nadat u mij brieven schreef vol met verwijten en bitterheid, nadat u me dat vervloekte boek had verweten, dat alles wel beschouwd niet meer is dan een kunstwerk dat heel goed verdedigd kan worden, toen heeft u me uitgenodigd te komen, en me verteld dat dat ik door de afwezigheid van mijnheer Émon een verblijf in Honfleur kon krijgen, alsof mijnheer Émon het talent had om de deur van mijn moeder geopend of gesloten te houden voor me, en u heeft me ook op het hart gedrukt om maar gen schulden in Honfleur te maken, en toen, toen was ik zo van slag, zo verbaasd dat het aannemelijk is dat ik onrechtvaardig ben geworden. Ziet u nu wat een duurzaam spoor die brief in mijn geheugen heeft achtergelaten. Ik wist niet hoe ik het moest oplossen noch wat ik moest antwoorden; ik ben nadat ik hem had gelezen in een onbeschrijflijke onrust terecht gekomen, en uiteindelijk na twee weken wist ik nog niet welk besluit ik moest nemen, en toen nam ik maar het besluit om maar helemaal geen besluit te nemen.
Ik denk, moeder, dat u nooit mijn onverdraaglijke gevoeligheid heeft gezien. We zijn nu momenteel heel eenzaam en heel zwak, want ik denk dat mijn broer hier helemaal niet in meetelt. Als we nu eens proberen voor eens en voor altijd om gelukkig voor elkaar te zijn?

Ik moet u iets onaangenaams vertellen, en ik zou het graag voor u verborgen hebben gehouden, als het niet een aanwijzing was voor het feit dat er nog andere dergelijke fouten begaan hebben kunnen zijn. De eer komt ongetwijfeld mijnheer Émon toe.
Een paar maanden geleden heb ik bij een handelaar op de Passage des Panoramas een schilderij van mijn vader ontdekt (een naaktfiguur, van een liggende vrouw die twee figuren in haar droom ziet). Ik had helemaal geen geld, en de onverdraaglijke aanval van dagelijkse futiliteiten heeft met het sindsdien doen vergeten. Denkt u dat er nog meer van dat soort blunders gemaakt kunnen zijn? Mijn vader was een verwerpelijk kunstenaar; maar al dat soort oude snuisterijen hebben een morele waarde.
Adieu, moeder; vertel me hoe u uw gezondheid voorspelt, of het verblijf daar goed voor u is; en of u uzelf geïnteresseerd vindt om lang te leven voor mij.
Ik omhels u, en ik beeld me in dat u dat ook doet.
Charles.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact