Baudelaire 1858

Charles Baudelaire 1858

Aan Alphonse de Calonne
Parijs, januari-februari 1858

Notitie van artikelen die
Ik kan maken voor
Mijnheer de Calonne

Le haschisch (dat was overeengekomen)
Peintres philosophiques (dat wil zeggen de schilders die de kunst ondergeschikt maken aan de redenering, aan het denken. Als Janmot, Chenavard, Alfred Rethel).

Musées disparus
Musées à créer     } musées espagnol, anglais, etc.


Eureka of filosofie van Edgar Poe (minutieuze analyse, voorstel per voorstel).

(Het werk over de hasjiesj vordert, en u zult er tevreden over zijn. Ik heb het boek van Mijnheer Moreau over het toepassen van hasjiesj bij Waanzin niet ontvangen.)

Aan madame Aupick
Parijs, vrijdag 19 februari 1858.
Lieve moeder,
Je hebt me twintig dagen geleden alweer een hele aardige brief geschreven (de eerste sinds jaren) en ik heb je nog steeds niet teruggeschreven. Je zult er wel pijnlijk verrast door zijn geweest. Toen ik die brief las, begreep ik dat er nog van me gehouden werd, meer dan ik had gedacht, en dat er nog veel dingen gerepareerd konden worden en dat er nog geluk zou mogen zijn.
Tussen de verschillende manieren waarop je ongetwijfeld de oorzaak van mijn stilzwijgen zocht, heb je misschien die van welwillendheid vergeten. De waarheid is dat die zo goede en moederlijke brief me bijna pijn heeft gedaan. Ik had er verdriet van toen ik zag hoe graag je oprecht wilde dat ik bij je zou komen wonen, en ook toen ik er daarna aan dacht hoe zeer ik je wel niet zou moeten kwetsen, want ik ben nog niet klaar.
Ten eerste heb ik niet genoeg vertrouwen in Michel Lévy om Parijs te kunnen verlaten terwijl ik een boek  achter moet laten dat nog afgemaakt moet worden bij een van zijn drukkers. Je kent mijn vreselijke precisie die ik bij alles wat ik doe toepas. Ik zou dan maar ongerust zijn, en daar is ook alle reden toe. (het boek in acht vellen, daarvan ben ik al bij de vijfde, en de rest kan, door snel te werken, in tien dagen af zijn.)
Daarbij, denk eens aan het verschrikkelijke bestaan dat ik lijd, en hoe weinig tijd ik daardoor overhoud om te werken; en aan de veelheid aan problemen die ik moet op zien te lossen voordat ik vertrekken kan (zo moest ik aan het begin van deze maand zes dagen verliezen  omdat ik me moest verstoppen, uit angst dat ik zou worden aangehouden. Maar, ik had mijn boeken en al mijn manuscripten waaraan ik bezig was thuis laten liggen. Dit is een van die duizend details uit mijn leven).
Het geluk dichtbij hebben, bijna binnen handbereik, en het niet kunnen pakken! En niet alleen weten dat men gelukkig gaat worden, maar ook dat men iemand anders gelukkig maakt aan wie men dat schuldig is1
Voeg aan deze lijdensweg nog de volgende toe die jij misschien niet begrijpt: wanneer de zenuwen van een mens heel erg verzwakt zijn door een grote hoeveelheid onrust en lijdensweg, dan komt ondanks alle voornemens, de Duivel iedere ochtend zijn hoofd binnen glippen in de vorm van de volgende gedachte: waarom zou ik nu niet eens één dag uitrusten en al die dingen eens vergeten? Ik zal vannacht in één keer, alle urgente dingen gaan doen. – En dan komt de nacht, en zijn geest is verpletterd van angst voor al die zaken die achter lopen; dan neemt een zwaardrukkend verdriet een onmacht mee, en de volgende morgen wordt dezelfde komedie weer opgevoerd met goede zin, met hetzelfde vertrouwen, met hetzelfde bewustzijn.
Ik kan eerlijk gezegd niet wachten om weg te zijn uit deze stad waar ik zoveel geleden heb en waar ik zoveel tijd verloren ben. Wie weet verjongt mijn geest zich daar wel, in rust en geluk?
Ik draag in mijn hoofd een twintigtal romans en twee toneelstukken mee. Ik hoef geen eerlijke en gewone reputatie; ik wil het denken van de mens verpletteren, ik wil verbazen, zoals Byron, Balzac en Chateaubriand. Is er nog tijd voor, mijn God? Ah, als ik had geweten toen ik jong was, wat de waarde van tijd, van gezondheid, en van geld is! – En dan die vervloekte Les Fleurs du mal  die weer overnieuw moeten! Daar is rust voor nodig. Weer poëet worden, kunstmatig, uit vrije wil, in het karrenspoor gaan lopen, waarvan men dacht dat het reeds definitief uitgehold was, weer opnieuw een onderwerp gaan behandelen waarvan men dacht dat het al uitgeput was, en dat allemaal om te gehoorzamen aan de wil van drie onnozele magistraten, waarvan er een Nacquart is!
Ik denk serieus, zonder hoogdravendheid, en zonder illusies, dat ik door hard oor te werken daar, al mijn schulden in twee jaar kan afbetalen, dat wil zeggen dat ik dan drie keer meer kan verdienen dan hier; wat een ramp dat je me die geweldige regeling niet hebt aangeboden, bijna een jaar geleden, terwijl ik toen niet in monsterlijke problemen zat!
(Over Les Fleurs du mal, daar wil ik geen complimenten meer over horen, je hebt me er al vier keer van meer gegeven dan ik je vroeg) – Men heeft me om een nieuwe volledige uitgave gevraagd in België. Dat is een ernstige kwestie, en war ik geen oplossing voor kan bedenken, het zou kunnen dat er nadelen aan zitten. Er is hier – in La Revue contemporaine - een nieuw artikel verschenen, verschrikkelijk. Ik zal het je laten lezen. Ik vrees dat ik een enorme schurkenstreek heb geleverd. La Revue contemporaine, officiële bundel, beging een ernstige daad door hiermee de lofuitingen van Le Moniteur tegen te spreken. Ik heb een klacht ingediend bij de minister van Staat, en om mijn wraak compleet te maken, heb ik een paar honderd frank geleend bij La Revue contemporaine, voor werk dat ik nu aan het maken ben. Ik voel dat mijn geweten niet helemaal schoon is. Het is de eerste keer dat het gebeurt dat ik een gunst vraag aan iemand die ik kwaad wilde doen. Maar mijn excuus zit in mijn verschrikkelijke schaamte.
En dan als laatste, om mijn verhaal over mijn geluksplannen te vervolgen, dan kan ik dus lezen, lezen en nog eens lezen! , zonder mijn productie schade aan te doen. Al mijn dagen kunnen worden gebruikt om mijn geest te herstellen! Want ik moet het je bekennen lieve moeder, mijn ongelukkige opvoeding is wreed verstoord geweest door al mijn dommigheden en al mijn beproevingen; en de jeugd gaat voorbij, en ik denk soms met angst aan het vliegen der jaren; en ze bestaan toch alleen maar uit uren en minuten; maar door de tijd te verliezen denkt men alleen maar aan de fracties van de tijd, en niet aan de totale som der tijd.
Dit zijn dus goede plannen; en ik denk niet dat die niet te realiseren zijn, want in Honfleur zal ik geen enkelexcuus hebben om ze niet te realiseren.
Ik wil niet dat je als je dit leest denkt dat ik alleen door mijn egoïsme word gedreven. Een groot gedeelte van mijn gedachten bestaat hieruit: mijn moeder kent me niet, ze heeft me amper gekend; we hebben geen tijd gehad om samen te leven. Maar we moeten toch samen een aantal jaren geluk kunnen vinden.
Je vertelde me weer over Valère . De eerste keer, een paar maanden geleden, dat moet ik je bekennen, toen was ik geneigd om te lachen om mijn moeder, die iets van adel zocht in het huispersoneel, maar echt, ik wist toen dit walgelijke detail nog niet: de diefstal van de juwelen. Je moet geen buitensporige gevoeligheid hebben waardoor de kwetsuren vanaf de grond gevoeld worden. Je moet slachtoffer weten te zijn, je ogen sluiten en vergeten.
Adieu: het is half vijf; ik omhels je van harte. Deze brief is vreselijk slordig. Maar ik heb hem in grove letters geklad, omdat ik dacht dat je ogen dan minder vermoeid zouden worden.

Charles.

Aan Antoine Jaquotot
Parijs, zaterdag 20 februari 1858.
Geachte Heer,

Eindelijk wint de beslissing en de noodzaak het van de verlegenheid; het is nu al twee weken geleden dat u mij aanbood om op uw interventie te mogen rekenen, en ik ben nu twee weken verder zonder op ervan te profiteren. Dat bewijst de lijdensweg die ik onderga om mijn geweldige moeder lastig te vallen.
Ik kom dus terug op onze voorgaande gesprekken, en ik zal mijn situatie kort samenvatten. Toen mijnheer Aupick overleed, voelde ik dat er nog een verantwoordelijkheid, een zware en grote verantwoordelijkheid op mijn schouders terecht kwam. Zolang mijn moeder niet alleen was, had ik het recht mijn gang te gaan met lijden; maar toen ze alleen kwam te staan, had ik me niet alleen bezig te houden met mijn onophoudelijke problemen, met mijn naam, de eer van mijn naam, maar ik werd toen ook de beste vriend, en, om het zo maar eens te zeggen, de enige vriend van mijn moeder. Ik heb dit allemaal gevoeld, en, kijk of ik een goed geheugen heb, - toen heb ik u als tussenpersoon gekozen omdat u bij onze ontmoeting te midden van die massa mensen op de begrafenis van mijn stiefvader waar ik, om het even terzijde te vermelden, voor mezelf geen respect noch sympathie kreeg waar ik volgens mij toch recht op heb, me op heel amicale en vertrouwelijke manier zei: U zult nu toch, naar ik hoop, bij u moeder gaan wonen. Helaas is dat niet gebeurd. Mijn moeder verklaarde dat ze nooit met mij zou willen wonen. Feit is dat ik eigenlijk een voorstel verwachtte. Maar de vreselijke toestand van mijn geest maakte dat het een plicht werd voor mij om deze vernedering te moeten verdragen en me in zo’n mate onbemind te voelen. – Ik heb toen gewoon besloten te wachten, en nooit om geld aan mijn moeder te vragen, - en dat was overigens, voortaan ook mijn strikte plicht.
Sindsdien is er een klein wolkje tussen mij en mijn moeder gekomen, over mijn proces, maar dat is zo licht dat het niet de moeite is om daarover te praten.
Recentelijk heeft mijn moeder me spontaan haar wens om me dicht bij haar te hebben uitgesproken. U raadt wel met wat voor immense en oprechte vreugde ik dat voorstel ter harte heb genomen. Ik heb haar alleen maar gevraagd om me wat tijd te gunnen om een paar taken af temaken waaraan ik al begonnen ben en die niet in Honfleur afgemaakt kunnen worden (dat is de waarheid) en zelf had ik het besluit genomen om heel fel geld te gaan verdienen om enkele problemen op te lossen die me in Parijs hielden (en die ik voor haar verborgen hield, haar betreurenswaardige felheid van reacties kennende). Die taken zijn bijna af, de geldproblemen nog niet opgelost.
Twintig dagen geleden (ik had als datum 1 februari gesteld), kreeg ik van mijn moeder een hele aardige brief, - zo aardig dat ik er van moest huilen – ik had al zolang niet zulke brieven gehad! – Ze wachtte, zei ze me, - en combineer mijn ongeduld met dat beeld dat ik van haar had – en beoordeel wat ik heb moeten doorstaan!
Ancelle is een hele goede vriend, en ik moet mezelf maar prijzen met hem, dat wil zeggen met zijn hart, niet met zijn intelligentie. (Dit blijft tussen ons, hoop ik.) Als ik hem iets heel braafs zou vragen uit mezelf, dan zou hij het steevast weigeren; als ik hem iets absurds zou vragen uit naam van mijn moeder, dan zou hij het gelijk goed vinden.
Er was een heel delicate kwestie die geleegd moest worden: ik verdien een beetje geld door al mijn problemen heen. Ik wilde weten wat ik aan mijn moeder zou kunnen geven als jaarlijkse, driemaandelijkse of maandelijkse vergoeding. Ze heeft alles geweigerd gezien mijn huidige armoede; ze heeft alles geweigerd voor het moment, en ik heb heel goed begrepen dat ze HEEL TROTS zou zijn om later wat geld van mij te ontvangen, in een wat vruchtbaardere tijd. U begrijpt me wel, toch?
Ik vraag u nu dus, geachte heer, om uw welsprekendheid aan te wenden om mijn moeder te overtuigen me in één keer een heel jaar aan inkomen bij Ancelle te nemen, die hij terugkrijgt OP ZIJN LAATST binnen een jaar, omdat ik absoluut niets bij hem zou gaan halen, en dat ik al mijn andere inkomsten voor mezelf houd, terwijl ik dan uit mijn dagelijks leven op zijn minst 6000 frank aan uitgaven weghaal.
Die 2400 frank zullen in een paar dagen, ten hoogste tien dagen, gebruikt worden om alle schulden te betalen waarvoor ik niet in Honfleur achtervolgd wil worden, en om onvermijdelijke uitgaven te doen (het huis waarin ik woon * en waarvoor ik brand van verlangen om het te verlaten, de boekhandelaren, de boekbinders, aankopen van boeken, en een massa aan andere boodschappen die niet de moeite van het specificeren waard zijn, en uiteindelijk mijn advocaat, wiens honorarium nog niet betaald is) .
In eerste instantie, ik zei het u al, had ik de intentie om meer te vragen; maar ik wil heel bescheiden zijn, ik wil dat inkomen niet voor langer dan een jaar en uiteindelijk kan ik voor mijn vertrek nog een aanvullend bedrag vragen aan één van mijn uitgevers en aan La Revue contemporaine.
Zal ik uiteindelijk die verschrikkelijke en enige kwestie, de enige belangrijke, van werken en rust, kunnen oplossen – en die ik nog niet heb opgelost? Mijn moeder heeft, om het even en passant te zeggen, nooit geraden, ook niet bij benadering, wat het voor tegenstelling is tussen die grote plannen en zo’n hopeloze armoede van het dagelijks leven.
Nu komen er twee andere ernstige kwesties.
De eerste en meest wrede is de volgende: in werkelijkheid – want ik wil het gewoon het cru vertellen - lijkt het alsof ik de gevoeligheid van mijn moeder uitbuit, het lijkt of ik een sentimentele chantage uitoefen op haar. – Dat is de echte reden die me zo lang heeft doen aarzelen, de reden waarom ik het meer dan twee weken vooruit heb geschoven. De vrees om verdacht te worden van een gebrek aan nobel gedrag was in werkelijkheid genoeg om me tegen te houden.
Hierover heb ik het volgende te zeggen: hoewel mijn reële belang me beveelt om naar Honfleur te gaan en daar te gaan wonen – en zo snel mogelijk - , is het niet alleen mijn belang dat me daar naartoe drijft. Zelfs als ik er geen persoonlijke voordelen als geld, rust, en werk in zou zien, wil ik toch, lees het goed, wil ik toch bij mijn moeder verblijven.
De tweede vraag, waarvoor u het recht heeft die me te stellen, omdat u de verantwoordelijkheid neemt van de interventie, is de volgende: (en die is nogal ernstig):
Weet u zeker dat u dan ook in Honfleur blijven zult?Als er zich een plotseling probleem voordoet, of wanneer u door een ingeving ineens weer naar Parijs terugmoet, moet ik mezelf dan niet verwijten, omdat ik degene ben die denkt u een dienst te verlenen door als uw tussenpersoon op te treden, dat ik uw problemen alleen maar heb vergroot, omdat u later in Parijs de problemen terugvindt die u wilde ontvluchten, en die problemen die zijn groter geworden vanwege die lening?
Ziet u dat ik aan alles denk.
Ik antwoord dan: Ik heb een hekel aan Parijs en aan het wrede leven dat ik er nu al zestien jaar leid, en dat het enige obstakel is voor het kunnen uitvoeren van mijn plannen. Ik ben zo vastbesloten om daar te gaan blijven, ten eerste voor  mijn moeder, en ook voor mijn eigen belang, dat niets me voortaan in Parijs kan laten wonen; zelfs als al mijn schulden waren betaald, wat binnekort gebeurd zal zijn,  zelfs als er een massa aan geneugten als ijdelheid en roem me zou opwachten in Parijs, zelfs als ik bij machte zou worden om geld te gaan verdienen (wat tussen haakjes, absurd is), tenslotte als ik (en dat is niet minder absurd om te veronderstellen) in mijn moeder in haar karakter dissonanties en problemen zou vinden, dan weet ik zeker dat ik met haar een liefdevol bestaan als zoon met haar zou kunnen verdragen. Ik zal in mijn cel blijven.
Geachte heer, er is niet veel meer om nog toe te voegen: ik ben vastbesloten om dat teruggetrokken leven te leiden zoals een van mijn vrienden dat doet die ik niet bij name zal noemen, die door het leven met zijn moeder een geestelijke rust heeft gevonden die voldoende was om een heel mooi werk af te leveren en waarmee hij in één keer beroemd is geworden.
Mijn moeder heeft een groot talent waar ik luid mee spot, en die ik van binnen bewonder. Dat is haar ORDELIJKHEID, de orde in het hoofd die vrijheid schept. Ik heb redenen om aan te nemen dat ik dat ook oploop door het contact met haar.
Ancelle heeft een andere gave, dat is besluiteloosheid, wantrouwen, draaierij. Ik laat het aantal frank dat hij me liet verliezen oplopen tot ongeveer HONDERD DUIZEND, omdat hij me nooit op tijd weet te helpen omdat hij niet goed kan besluiten. Ik wens dus dat hij niet op me gaat mopperen, dat hij het niet laat slepen, dat hij me niet in de weg staat door me te beroven van mijn vrijheid om over dat bedrag te beschikken zoals ik dat wens, en dat ik zo snel mogelijk naar mijn definitieve terugtrekking kan vluchten.
Als hij door zijn wantrouwen niet wil geloven dat het totaal van mijn inkomen bij hem zal worden achtergelaten gedurende een jaar, dan zal ik stipuleren dat ik er dan een DERDE van neem om te voorzien in onverwachte reiskosten. Maar ik WEET dat ik Alles zal achterlaten.
Nu zal ik u met een absolute oprechtheid bekennen dat mijn ongeduld en mijn wilskracht zo groot zijn dat ik vastbesloten ben, indien u niet slaagt in uw amicale missie, de kwestie op woekerachtige wijze te bewerkstelligen. Dat is zwaar, dat is moeilijk. Het zal veel kosten. Maar ik zal slagen, want men slaagt altijd in alles wat men hartstochtelijk wil. Maak voor mij de noodzaak om deze domheid te begaan ongedaan.
Geachte heer, sta mij toe, ik die u om een gunst vraagt, om nog een advies te geven. Deze brief is geloof ik wel zo geschreven, dat hij in handen van mijn moeder zal komen, en zij zal alles waar ik geen tijd voor had om het te beschrijven, kunnen raden. U mag hem dus voegen bij alle andere uitmuntende redenen die uw ruimdenkende geest en uw gezag als oude vriend van de familie u zal geven ten gunste van mij. En het lijkt me ook dat uw vriendschap voor mijn moeder u ertoe zal brengen om mijn plan te laten slagen.
Neemt u mijn oprechte erkenning aan, ondanks alle stupiditeiten omtrent mij die u ongetwijfeld ter ore zijn gekomen, en die mij als ze me niet aan het lachen maken (op mijn goede dagen), me zo woedend maken op de slechte dagen. Ik ben de minst vergeetachtige man voor gunsten die hem gedaan zijn.
Doet u de hartelijke groeten aan madame Jaquotot.
Charles Baudelaire.

[Jaquotot schreef gelijk de volgende dag een brief naar Madame Aupick 21 februari 1858:]

Madame en vriendin,
 Ik stuur u de brief door die ik zojuist van Mijnheer Charles uw zoon heb ontvangen.
Het is een zeer uitgebreide samenvatting van de gesprekken die hij met mij heeft gevoerd tijdens 5 of 6 bezoeken die hij bij mij heeft afgelegd, en waarin ik zo goed als mogelijk zijn bedoelingen heb gepeild. Ik denk dat deze net zo oprecht zijn als zijn echte liefde als zoon voor zijn moeder en ik denk dat hij een gezonde waardering heeft voor zijn positie.
U moet zelf inzien of u op zijn verzoeken ingaat.
Omdat ik hem al twintig jaar niet heb gezien, vind ik het moeilijk om hem tot op het bot te beoordelen. Zijn werk is wel van een zeer hekelende en ophitsende aard.
Caroline klaagt een beetje over uw stilte van 1858; ze doet u zoals gewoonlijk de groeten en hiermee groet ik u respectvol en vol vriendschap,
Jaquotot de Changie.]

Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 27 februari 1858 [tegen de middag].

Ik schrijf gedicteerd door mijnheer Denneval, huismeester van waar ik woon.
Mijnheer Ancelle is gekomen om een geheim bezoek af te leggen, twee dagen geleden, en hij heeft gezegd dat u me niet zou betalen, dat als u me had gezegd dat u me wel zou betalen, dat u dan aan het liegen was, zoals u tegen hemzelf ook steeds liegt, dat hij u 500 frank had gegeven voor mij  (sinds achttien maanden heb ik nooit 500 frank van mijnheer Ancelle gehad).
Ontvangt Mijnheer Baudelaire nooit vrouwen? – EN nog heel veel meer van dat soort afschuwelijke vragen (komt hij laat thuis? ….etc……)
Dus mijnheer Ancelle is een miserabele lafaard, en terwijl ik je schreef vanochtend om elke interventie af te wijzen omdat ik het gevaar al zag aankomen, ging hij al zijn gangetje zoals gewoonlijk.
Hij verklaarde bovendien dat hij niets zou betalen, en dat ik niets zou betalen, volgens zijn gewoonte.
Ancelle is een ellendeling die ik een klap in zijn gezicht ga geven in het bijzijn van zijn vrouw en van zijn kinderen, ik ga hem klappen geven om 4 uur (het is nu half drie) en als ik hem niet thuis tref, dan zal ik op hem wachten. Ik zweer dat dit afgelopen moet zijn, en wel op een verschrikkelijke manier.
Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 27 februari 1858.
4 uur ’s middags.

De huismeester was zo bang geworden voor de consequenties van zijn onthulling, hij is net bij me gekomen en heeft me gesmeekt om geen geweld aan te wenden (uiteraard is hij bang dat hij zijn geld niet krijgt. Hij weet niet dat ik het geld heb geweigerd dat voor mij bestemd was.)
Naar het schijnt had Ancelle eraan toegevoegd, omdat die man hem had geantwoord: maar mijnheer Baudelaire heeft me altijd grote bedragen gegeven. – Ach, hoe kan dat dan, want mijnheer Baudelaire betaalt nooit iets, en heeft niets?
En toch ga ik vandaag niet naar Neuilly vandaag.
Ik stem erin toe dat ik wacht voordat ik wraak ga nemen.
Heb je hem opdracht gegeven om je zoon – mijnheer CH. Baudelaire te schande te maken en te beledigen, wiens naam aldus, zuiver en intact is?
Ik wil excuses.
Ik wil gemeende excuses.
Ik wil dat hij een strenge reprimande krijgt.
Hij vertelde me bovendien ook nog een boel leugens (waaronder die van die 500 frank).
Aan wat voor vreemde vogel heb je me toch overgeleverd buiten mij om, zonder me ervan te verwittigen?
Het spijt me voor al die kwellingen die ik je veroorzaak, maar ik wil me wreken.

Charles.
Als ik geen kristalheldere schadeloosstelling krijg, dan ga ik Ancelle slaan, dan krijgt zijn zoon ook klappen, en dan zullen we een gerechtelijk raadsman bij de rechtbank zien die mijnheer Ch. Baudelaire aanklaagt voor toegebracht lichamelijk letsel.
Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 27 februari 1858.
5 uur ’s avonds.
Ik ga je morgenochtend heel wat portokosten geven. Ik heb vandaag geen geld.
Lieve moeder, je moet mijn situatie heel goed begrijpen. Als ik eraan denk dat ik rustig op één oor sliep!
Serieus, heb jij echt die imbeciel de opdracht gegeven om de verklikker te spelen (dat was eergisteren, en ik heb het net gehoord), om informatie in te winnen over mijn gewoonten, of ik wel eens elders sliep, om bij het huispersoneel en de bedienden te gaan zitten, met de kans om zichzelf zwaar belachelijk te maken, om me te lasteren (terwijl ik zevenendertig jaar ben, naam heb gemaakt, en ik al heel lang zo gelukkig had kunnen zijn als een misverstand niet al mijn plannen had gedwarsboomd), om te komen zeggen (en jij had hem verteld me te betalen) dat ik nooit zou betalen en dat hij mij dus ook niets zou geven……… etc……….?
Ik ben echt niet blij met het verdriet dat ik je aandoe. Ik heb werk te doen, en nu moet ik ineens weer op zoek naar getuigen in het geval van een eventuele ruzie tussen Ancelle en mij of tussen zijn zoon en mij. Dat mannetje is groot genoeg daarvoor. Ik eis echte excuses, een duidelijke spijtbetuiging; ik wil dat dit plaatsvindt in het bijzijn van twee if drie personen die ik uitkies. Als dat niet plaatsvindt, dan zal ik wreed optreden. En wat voor getuigen heb ik nodig! Discreet en toegewijd! Het moeten mensen zijn aan wie ik, ik, kan bekennen dat ik door onvrijwillige ophitsing van mijn moeder, beledigd ben door mijn raadsman die in een voorvertrek een walgelijk beroep is komen uitoefenen. En als ik er aan denk dat de mesten van mijn vrienden getrouwd zijn, vrouw en kinderen hebben, en dat zij me zo’n lastige missie kunnen weigeren! Toch ben ik vastbesloten om de zaken tot het uiterste te drijven, zoals ik altijd doe in zo’n woedeaanval die ik één keer in de tien jaar heb. Het moet nu maar eens afgelopen zijn. Is het begrijpelijk, dat ik om een gunst vraag, dat die gunst me wordt toegewezen, maar dat die gunst me niet wordt gegeven, en dat ik letterlijk word lamgeslagen, end at in plaats van dat men me die gunst verleent, me pijn wordt gedaan, zo veel mogelijk?
Niet alleen zijn taalgebruik was walgelijk en vulgair, maar er zijn ook leugens bijgekomen. Sinds lange tijd (en dat weet jij heus wel) betaal ik mijn uitgaven met mijn werk; wat is dan dat hoog van de toren blazen dat er 500 frank aan mij is gegeven? Heb ik ooit zomaar zonder reden 500 frank van Ancelle kunnen krijgen? Is dat überhaupt mogelijk? Ik heb vorig jaar 11000 frank verdiend waarvan maar 300 van Ancelle kwamen, de rest kwam van mijn eigen werk, of van leningen van mijn vrienden.
Dit is allemaal walgelijk. Ik wil excuses. Die 3000 frank die mijn rust moesten waarborgen kunnen me niet schelen. Ik wil excuses. Ik heb tranen van woede in mijn ogen en ik voel mijn gal opkomen alsof ik moet overgeven. Hier moet een einde aan komen. Voel jij je zelf dan niet beledigd? Heb jij nu die schurk opdracht gegeven om zich zo te gedragen? Of is hij geboren, hoe is hij geboren? Ben ik dan voorbestemd om mijn hele leven lang beledigd te worden? Ik wil wraak nemen, als jij van hem een redelijke schadeloosstelling van de fouten  gedaan krijgt, die aan mij persoonlijk gericht moet worden, in het bijzijn van drie personen, waarvan één mijnheer Jaquotot zal zijn, omdat hij hier ook allemaal mee te maken heeft. Met zijn lichtvaardig voorkomen, en zijn liefde voor plezier, komt hij op me over als een wijs man. Hij weet tenminste hoe het hoort, en dat heeft hij mooi bewezen tijdens die vele ondervragingen, waaraan hij me onderworpen heeft, maar die toch vriendelijk waren.
Arme moeder van me, ik ken je zenuwen, je zult gaan lijden. Maar serieus, is dat nu mijn fout? Ik heb niets opgenomen, ik wil niets; wat wil men nu van me? Ik wil excuses, en die zal ik krijgen ook.
Charles.

Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 27 februari 1858.

Ik wil absoluut dat je weet aan wat voor man je me hebt overgeleverd; die affaire van vanochtend is heel erg. Maar hier is er nog een:
Een paar maanden geleden heb ik hem gevraagd om een brief voor iemand van wie ik iets moest krijgen. Hij stuurde me toen een verzegelde brief. Omdat ik zijn lompheid ken, heb ik de verzegeling met warm water nat gemaakt, en de brief gelezen, en daarin las ik (met wat een walging!), dat hij mooi aan die persoon opdroeg niet te doen wat ik hem vroeg. Ik verzegelde die brief netjes opnieuw, en ik stuurde hem terug, en ik schreef hem dat wanneer ik een brief met referentie aan mijn vrienden stuurde, ik die dan altijd niet verzegeld stuurde, dat het mijn gewoonte was, - en dat ik me daarbij excuseerde om hem een dergelijke les te lezen. Dit gemene verhaal kwam net weer bij me boven in mijn geheugen.
Ik moet echt een voldoening hebben: mijn woede laat me alleen maar een beetje los zodra ik die voldoening heb gekregen.
Ik omhels je.
Charles.

Ik ga dit walgelijke avontuur aan mijnheer Jaquotot vertellen, want hij is immers bij deze zaak betrokken. Ik wil die imbeciel onteren, en ik wil dat iedereen weet van wie ik al zolang het slachtoffer ben.

 

Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 27 februari 1858.

Nog een brief: maar sinds vanochtend pleit ik alleen nog voor mijn eer.
Ik vrees dat je niet goed het belang van de volgorde van mijn brieven zult begrijpen.
De brief die ik je gisteravond heb geschreven en die jij ’s avonds op zaterdag hebt gekregen, was een antwoord op de brief die ik dinsdagavond heb gekregen; in die brief (die van mij dus) zette ik me af tegen de interventie van die ongelukkige, alsof ik een voorgevoel had, onbedoeld, van het kwaad dat hij kon gaan aanrichten.
In mijn eerste brief van vanochtend, die jij morgenochtend op zondag krijgt (antwoord op je brief die ik vanochtend kreeg) weigerde ik helemaal alles, in het vooruitzicht van de warboel die die imbeciel kon aanrichten.
Twee uur later hoorde ik dat de warboel al was aangericht, en dat ging tot aan laster, en ging ver buiten alle vooruitzicht.
Mijn latere brieven hadden alleen maar tot doel je deze schandelijke daad te doen begrijpen.
Ik heb al twee personen om raad gevraagd over wat ik moet doen. Een oude man slaan, bij zijn gezin, is heel gemeen. Toch moet ik een schadeloosstelling hebben; wat moet ik, als die schadeloosstelling niet plaatsvindt; ik moet dan op zijn minst, hem gaan vertellen, in het bijzijn van zijn vrouw en gezin wat ik van zijn gedrag vind.
En als ik op mijn beurt dan weer beledigd word, wat moet ik dan doen?
Waar heb je me nu weer aangedaan, mijn God! Ik moet echt nu rust hebben, dat is alles wat ik vraag. Wat heb ik gedaan om zo te ontberen wat de eerste de beste gewoon mag vragen?
Ik zeg het nogmaals, het spijt me zeer voor de kwellingen die ik je bezorg met al die brieven; maar echt, wat heb ik die ongelukkige aangedaan, en wat heb ik jou aangedaan dat je me hem zo op me afstuurt?
Het is een man zonder trouw, zonder tact, zonder eer, die me mijn leven heeft afgepakt, en jij zoekt hém uit als vertrouwenspersoon voor je moederlijke angsten en om me te helpen in een zaak waarin discretie vereist is, in een zaak waarin ik volledig op jou heb vertrouwd.
Ik omhels je.
Charles.
Als toppunt van domheid heeft hij die man nog gevraagd om me niets te vertellen van dat gesprek. Mijn God, hoe dom kun je zijn!

Aan madame Aupick
Parijs, zondag 28 februari 1858.

Lieve moeder, hier is de laatste brief die ik je zal schrijven over dit vreselijke verhaal. Want ik zal je wel vermoeien met mijn woede.
Voor alles, ben jij uiteraard onschuldig hierin. Hoe had ik kunnen denken dat jij dergelijke monsterdaden had gewenst? Je hebt je vergist; je bent bedrogen. En je was natuurlijk zo opgetogen over mijn besluit dat ik zou komen, dat je me niet in de weg zou willen staan. Alleen blijft het allemaal zo onverklaarbaar voor mij.  Na mijn eerste brief die ik gisterochtend had geschreven, die brief waarin ik weigerde, had ik me er al helemaal bij neergelegd, ik had besloten voor moed en geduld te kiezen, ondanks de vreselijke week die morgen begint, toen ik ineens hoorde dat de schurk trouw was gebleven aan zijn afzichtelijke gewoontes.
Als hij me nu nog was komen bezoeken, en me had gezegd: Ik heb geld voor u, maar behalve de schulden die onvermijdelijk door u betaald moeten worden, wens ik de rest zelf te betalen; we zullen het er over eens kunnen worden; dat zou onaangenaam geweest zijn, maar wel loyaal. In plaats daarvan – wat gaat hij doen! Ach nee, ik kan niet doorgaan zonder dat walging en de woede weer bij me naar boven komen.
En dat hij zich dan compromitteren en mij compromitteren jegens mensen die onder zijn rang en stand staan. En die walgelijke dialoog! En die bedreiging dat hij niets zou betalen! En dan verzoeken om mij niets daarover te vertellen!
Dit moet je gaan doen: dat heb je vast al gedaan op het moment dat ik dit schrijf. Je moet hem niets meer schrijven, behalve een klein briefje om hem te vertellen dat we zijn geld niet meer nodig hebben. Zijn geld! En ik was in mijn brieven nog wel vergeten om het met je te hebben over de kwestie van de rente, omdat ik dacht dat zoiets automatisch vaststond! De fout was dat ik rekende op een huursoldaat alsof het een vriend was, - hetzelfde verhaal als met Valère.
Nu ga ik met gelatenheid een nieuwe periode van martelaarschap in, die wel verergerd is door dit alles, en door de verloren hoop. Zal het me lukken om het benodigde geld bij elkaar te krijgen, - en wanneer? Zodra ik weer een beetje rust heb (relatief dan) dan zal ik er aan denken om mijn persoonlijke ruzie met hem uit te spreken, en dat zal ernst zijn, dat zweer ik je.
Mijn God! Hij zal ook wel bij Mijnheer Chaix d’Est-Ange zijn gaan zitten, om al zijn afzichtelijke geroddel kwijt te kunnen, - en vooral om kennis te maken; wat een dienstbode laagheid.
Wat een jammerlijke dag gisteren, die ik van plan was te vullen met werk en veel correctiewerk van drukproeven! Want voordat ik vertrek ik wilde af zijn van mijn ongerustheid over het derde deel van mijnheer Lévy. Nou, mooie dag was dat! Net als mijn ingebeelde reis naar Honfleur, die me heel wat gekost heeft nu. En hoe gaat dat nu aflopen?
Ah, het is geen verwijt, moeder; maar ondanks alles wat ik je de afgelopen jaren heb geschreven, ben je toch doorgegaan met vertrouwen in die man te hebben, en nooit vertrouwen te hebben in mij. Begrijp je nu wat voor gevaar die onhandige geesten en slechte zielen ons doen lopen?
En dan die grove beledigingen tegen mij! Heb ik zelf ooit gelogen soms? Besteed ik soms moeite aan liegen, ik die eerder cynisch ben? En wie kiest hij uit als vertrouwenspersoon voor zijn beschuldigingen?
Gisteravond sloot ik de dag af met koorts en een zenuwaanval die de hele macht duurden. En uiteindelijk moest ik ’s ochtends heel erg overgeven en dat luchtte een beetje op. En omdat het vandaag iets minder koud was ben ik naar buiten gegaan om een luchtje te scheppen.
Wat zijn al die mensen die kunnen werken allemaal gelukkig! Ik benijd hen zo.
Adieu. Schrijf me.
Charles.

Aan madame Aupick
Parijs, 8 maart 1858.


Alles is over, alles is betaald.
Ik vertrek de 14e, of op zijn laatst de 15e.
Ik ben dronken van schaamte, woede en vernedering. Sinds twintig jaar zou ik toch al blasé moeten zijn. Vanochtend ben ik dan toch naar Neuilly gegaan. Maar gisteravond voordat ik ging slapen had ik besloten om Ancelle te laten boeten voor zestien jaar marteling.
Vanuit Neuilly ben ik naar een wisselagent gegaan met een wissel. Ik zal me mijn hele leven de toon herinneren waarop de beambte me zei: bent u die mijnheer CH. Baudelaire? (op de wissel stond achter mijn naam: Ancelle, raadsman). Men vertelde me dat indien ik het geld morgenavond wilde (morgen, de 9e) dat ik dan de handtekeningen van Ancelle vandaag moest hebben. Dus nu moet ik weer terug naar Neuilly om Ancelle te ontvoeren. Wat vermoeiend! Nou ja, het komt wel net op tijd nu. De geldwisselaar gaf me een voorschot en alles is vandaag betaald. De twee reçu’s zijn bij Ancelle.
Bij het naar buiten gaan liep ik met hem mee naar café Foy. Daar zag ik Michel Lévy met een oud-gedeputeerde van onze vrienden. Ik moest Lévy spreken over een belangrijke zaak, een grote uitgave van Edgar Poe. Ancelle was zeer geïntrigeerd en omdat hij het idee niet kon verdragen geen kennis te kunnen maken met die imbeciele (maar zeer rijke) Jood kwam hij er ook bij en heeft hem begroet. Michel zei tegen hem dat hij hem niet kende. Toen heb ik mijn hoed gepakt en ben gevlucht. Hij zal Lévy gezegd hebben: IK BEN DE BURGEMEESTER VAN Neuilly EN DE RAADSMAN VAN MIJNHEER Baudelaire!
Zo gaat hij zich ook opdringen bij Gautier; en zo gaat hij zich ook opdringen bij Jeanne. Wat de duivel heeft hij te zoeken bij dat arme zieke mens? Zo had hij mij ook een keer gezien met een vrouw bij een concert en hij had pas rust toen hij er alles aan had gedaan om naast ons te kunnen komen zitten. Ik word rood als de mensen mij vragen: wie is die man?
Ah! Ik lijd daar onder! Ik zou wel wraak willen nemen. Ik heb hem al duizend maal mijn minachting voor hem duidelijk te maken, maar hij merkt het niet.
Ik voel me echt heel ongelukkig. Schrijf me.
Charles.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, dinsdag 13 april 1858.
Beste vriend,

Ik ben weer terug in Parijs sinds een week, en ik ben meteen begonnen aan mijn Confessions du mangeur.
Ik zou graag dat u me terugschrijft vanavond woensdag vóór de post komt, om me te zeggen op welke dag u naar Parijs komt, omdat ik het manuscript af wil hebben bij uw aankomst. Dan zullen we gelijk dat domme gedoe over de overdracht, waarmee ik naar Honfleur kan vertrekken, en dan kunt u tegelijkertijd, als u dat leuk lijkt, het betreffende meesterwerk leren kennen.
Ik heb uw brief in Corbeil gekregen. Ik heb in Parijs geen enkele ets gevonden; dat is een pakje dat kwijt is geraakt op een station. Voor die handtekeningen, ik heb me al een tijdje oorgenomen om al mijn papieren op orde te maken, en dan zal ik u alles kunnen geven wat u wilt.
Hebt u gratie kunnen krijgen voor een verlaging van de boete? Heeft Rapetti zich daar niet mee bezig gehouden?
Geheel de uwe, en de hartelijke groeten aan uw moeder.
Groeten ook aan de Broise.

Charles.
De Arthur Gordon Pym is bij het brocheren, mocht u zich nog interesseren voor boeken die niet van u zijn.
Gisteren heb ik bij L’Intérieur een gesprek gehad over tweehonderd zeventig exemplaren. Dat ziet er niet goed uit. Ik vertel het u nog.

Aan Ernest Feydeau
Parijs, maandag 14 juni 1858.
Geachte heer,

Toen ik uw boek ontving, heb ik hem diezelfde avond nog uitgelezen en voordat de ochtend kwam had ik hem nog een tweede keer gelezen. Dit is nu echt een goed boek, compact, sterk, waarvan alle onderdelen goed in elkaar zitten, en dat zal ook zo blijven. De indruk die ik er an kreeg was zo sterk da tik gelijk begon met u te schrijven, en zonder me zorgen te maken of het plezier van die ene keer dat ik u toen heb ontmoet bij een gezamenlijke vriend van ons me wel het recht gaf aan zoveel vrijpostigheid, ben ik begonnen met een brief vol met indrukken van het moment, een regelrecht artikel was het, dat had kunnen uitgroeien tot wel veertig pagina’s, als ik me niet had ingehouden bij tien pagina’s, omdat ik het uiteindelijk gepaster en discreter vond u simpelweg te bedanken voor dit werkelijke cadeau en het plezier dat u me heeft gegeven. En de dagen stapelden zich maar op, dagen vol zorgen, en toen stelde ik mijn plicht maar steeds uit tot de volgende dag.
Ik heb mijn exemplaar uitgeleend, ik heb het rond laten gaan. Ik heb kinderachtige discussies gehoord, laatdunkend, bitter, en ondanks de schitterende waardigheid van uw boek heb ik weer de kreet van de schending van de hypocrisie gehoord. (Bij de enthousiaste mensen waren er een paar die vroegen of er ook een aparte oplage was, van enkele exemplaren op beter papier)
Kortom, u mag met recht trots zijn. U beschikt over een verbazingwekkende analytische kracht. En u geeft de analyse een draai en een lyrisch accent, wat het natuurlijke accent is van de nerveuze en lanterfantende mens, de enige mens die echt past bij de liefdeservaringen.
Ik had van u alleen een paar charmante prozagedichten gelezen over de Saisons, en ik had zo’n krachtige uiting van een nieuw talent niet verwacht.
Ik heb het boek uit elkaar gehaald en de constructie geanalyseerd totdat ik vond of dacht gevonden te hebben met welke methode u het tot stand had gebracht. Ik weet zeker dat niets me is ontgaan, noch in de manier van denken, noch in de stijlmanier (moderne elegantie, Parijse landschap, vorm van de lijdensweg en de vorm van vreugdebeleving bij de mens van onze tijd).
In tegenstelling tot de mensen die klagen in naam van het schenden van de kuisheid, bewonder ik uw waardigheid van de uitingen waardoor de mate van afschrikwekkendheid vergroot wordt, en die uitmuntende kunst om alles zo te suggereren. Het is onmogelijk om de vreselijke effecten van twee kleine dingen beter te laten zien, van liefde en overspel. En die immens goede wil van de minnaar, die denkt dat hij de echtgenoot is, en die natuurlijk komisch wordt op de manier van serieuze dieren, zonder het te weten!
Maar weet u wel dat de echtgenoot, die grote Hercules die de sterkste wil zijn in het leven en die dat ook is, weet u wel dat die overwinnaar de almachtige gratie van het succes heeft, en dat veel verbeeldingsmensen hem zullen koesteren,in plaats van die andere?
Ik zou heel graag willen weten of Georges Sand het boekje heeft gelezen, en wat voor een klap zij hierdoor heeft opgelopen.
Ik voel dat ik weer met mijn artikel  verder ga.

Met de grootste sympathie en hartelijke groeten verblijf ik,
Charles Baudelaire.

Aan madame Aupick
Parijs, zaterdag 21 oktober 1858.

Je krijgt per sneltrein of per stoptrein (port betaald) een eerste pakket boeken. Je krijgt ook verschillende dingen tot aan het einde van de maand. Als de 31e de 300 frank niet zijn aangekomen, dan zal ik je schrijven om je te vertellen aan wie je die moet adresseren in mijn naam. Want dan zit ik zonder huis, en in plaats van in een ander herenhuis te gaan zitten,ook al is het maar voor drie dagen, ga ik bij vrienden logeren. Je moet naar la poste gaan om te vragen hoe het zit met de vorm van een aangetekende brief met geld erin en een aangetekende brief.
Ik stuur je de wissel op naam van boekhandel Castel, uitgeschreven op de achterkant, zoals je kunt zien. Hij was nog niet in omloop gebracht; ik heb hem dus kunnen terughalen.
Door al mijn ontzetting heb ik je nog niet kunnen bedanken op gepaste wijze voor je lieve en aardige handelen. Ik zal je er op verschillende manieren voor bedanken.
Pak de boeken uit, en zet ze zonder ze te laten vallen, op mijn bureau of op mijn commode. Als ik niet wil dat je een pakje opent voordat ik er ben, dan zal ik het je zeggen.
Ik omhels je met heel mijn hart.
C.B.
Ik stuur je morgen het reçu van mijnheer Blanché.
Je worst is vies.

Aan madame Aupick
Parijs, 29 oktober 1858.
Lieve moeder,

Zoals ik je al had gezegd, ben ik verwonderd over de activiteit en zorg die je voor me aan de dag legt. Maar echt, drijf je vlijt nu niet door tot aan een luchtklep. Ik vrees dat deze moderne uitvinding een betreurenswaardige is. Wanneer je rook uit een kamer wilt krijgen, dan doe je het raam open. Het is trouwens heel goed mogelijk dat ik alleen in de tuin en na het eten rook. Ik ben een nieuwe kist aan het inpakken, en ik omhels je.
Charles.
Overbodige uitgave waarbij misschien een heel plafond wordt beschadigd.

Aan madame Aupick
Parijs, 31 oktober 1858.

Je kunt verder gaan met me brieven te schrijven. Vanaf morgenochtend wordt mijn kamer niet meer per maand, maar per dag verhuurd.
Je krijgt de volgende kisten:
Twee kisten met boeken,
Één met dozen en blikjes,
Één met linnengoed en kleding.

Die laatste komt natuurlijk tegelijk met mij mee. Elke keer moet je me vertellen: ik heb een kist ontvangen.
Laat je fantastische idee van dat luchtventiel nu maar achterwege. Ben je soms bang dat ik ontplof, als een stoomboot?
Voor wat betreft de planken, mobiele planken zijn altijd beter.
Ik bedank je nogmaals voor al die lieve activiteiten die je mij verleent. Ik schaam me er bijna voor.
Voor wat betreft mijn hand, die met de dag steeds onhandiger wordt, dat is geen reuma; want ik heb er geen pijn aan. Ik omhels je met heel mijn hart.

Charles.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, ongeveer 5 november 1858.
 

Le possédé

 

De bezetene

De zon heeft zich bedekt met een crêpe, net als hij,
O zon van mijn ziel, pak jezelf in met schaduw;
Slaap of rook, zoveel je wilt; wees zwijgzaam, wees somber,
En duik geheel in de afgrond der Verveling;

 


Zó houd ik van je! En toch als je vandaag,
Als een verduisterde ster die uit de halfschaduw komt,
Wilt paraderen op de plaatsen waar Waanzin overstelpt,
Is dat goed! Charmante dolk, kom uit je foedraal!

 


Ontsteek je oogappels met de vlam van de lusters!
Ontsteek de begeerte in de ogen van de lomperiken!
Alles van jou is me een morbide of bruisend plezier!

 


Wees wie je wilt zijn, zwarte nacht, rode dageraad,
Er is geen vezel in mijn trillende lichaam
Die niet schreeuwt: O mijn schat Belzébuth, ik adoreer je!


 

Charles Baudelaire

Druk dit (zonder fouten) in uw krant.
Ik begin te geloven dat ik in plaats van zes Fleurs er twintig ga maken.

Aan Alphonse de Calonne
Parijs, woensdag 10 november 1858.
Geachte heer,

Hoewel ik alweer te lang op me heb laten wachten, ben ik niet geheel ontevreden over mezelf. Ik kom morgenavond of overmorgen in de ochtend bij u langs.
L’Opium kan de 30e verschijnen.
Ik kan u wel vertellen dat het niet makkelijk was om de beschrijving van een zeer gecompliceerd boek in een heel KLEINE ruimte op te sluiten en dan ook nog zonder ook maar één enkele nuance over te slaan. U zult het wel zien; het is op een andere toon geschreven dan de Haschisch; het ziet er (qua uiterlijk) verlaten uit en meer hakkelig. De biografische details nemen een grote plek in; maar behalve dat ze amusant zijn, waren ze wel noodzakelijk om als sleutel te dienen voor de geheel individuele fantasmagorie van L’Opium. Laten we hopen dat mijnheer de Quincey een mooie bedankbrief stuurt aan uw krant.

Ch. Baudelaire.

Aan uw schilders is begonnen; ik zal dat als u dat wilt, les peintres qui pensent noemen; daar zit een vleugje ironie in die als saus voor de titel dient. Voor wat uw vriend mijnheer Janmot betreft, zal ik vanuit chic beginnen (dat wil zeggen uit mijn herinnering en met zijn verzenboekje) en als later blijkt dat we het moeten verifiëren, zal ik naar Lyon gaan.
Ik ben ook begonnen met les poèmes nocturnes.
De nieuwe Les Fleurs du mal zijn ook gestart; alleen zal ik u pas verzen geven als er genoeg zijn om EEN VEL mee te vullen. De Rechtbank eist alleen maar een vervanging voor zes stukken. Ik maak er misschien twintig. De protestante leraren zullen met pijn moeten constateren dat ik een onverbeterlijke katholiek ben. Ik zal het zo regelen dat ik goed begrepen word; de ene keer heel zacht, de andere keer heel sterk. Dankzij deze methode kan ik gaan tot aan weerzinwekkende passies. Alleen nog maar de mensen met een volledige slechte wil zullen de met opzet onpersoonlijk gemaakte poésies van mij niet kunnen begrijpen.
Voor wat betreft het ronddolen van me waardoor ik drie dingen tegelijk aan het doen was, maakt u zich daar geen zorgen om; het is gewoon mijn methode.
Geheel de uwe.
Ch. Baudelaire.

Misschien vraag ik u om toestemming om in les Peintres qui pensent een overzicht te plaatsen van de Sonnets humoristiques. Al die Lyonse mensen zijn hetzelfde. Ik heb Lyon gekend. Schilders, poëten, filosofen, ze lijken allemaal op elkaar.
C.B.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 10 december 1858.

Bedankt, beste vriend; want ik was echt ziek van verdriet en ongerustheid. Denkend dat er een charmant huisje op me wacht, en dat die Chamaan me verboden is vanwege een paar ellendige schulden!
Ik heb er dus goed aan gedaan om niet naar Calonne te gaan vandaag. Met uw brief kan ik er wel heen gaan, en ik heb de hoop dat ik hem alles kan laten doen wat ik wil.
Mijn contract zit in mijn lessenaar in het hotel. Ik ga het morgen wel halen. Maar alleen is morgen de dag erg gevuld met een verhuizing van papieren, en daarom is het zeer waarschijnlijk dat u pas overmorgen het contract krijgt, omdat de boekhouding van mijn rekeningen die u me vraagt, niet kan worden gedaan tijdens het onderhoud met Calonne.
Het is aannemelijk dat de lener, als er een lener is, helaas als onderpand het contract wenst te bezitten, om me te verhinderen twee maal over dezelfde waarde te lenen. Dit wantrouwen is wel vanzelfsprekend, maar niet eerlijk.
In afwachting daarvan, hier mijn boekhouding volgens mij:
Ik heb ontvangen
(geld geleend van Calonne een jaar geleden):     350 frank
Ik heb le Haschisch ingeleverd:                         400 frank en nog iets.
Blijft over in kas:                                                 50 frank en nog iets

12 oktober vindt het contract plaats.
Ik heb ontvangen 500 frank (de wissel).
L’opium (3 vellen) is ingeleverd.
Het contract impliceert 15 vellen op 12 april. Er zijn er nog 12 over om in te leveren.- Van die 15 vellen de ene voor 200 frank.
De andere voor 250 frank.
6 x 200 =         1200
9 x 250 =         2250
                        3450
Waarvan de aanbetaling van de wissel moet worden afgetrokken
                            500
Blijft over          2950

Redelijkerwijs kan ik niet meer dan 4 vellen per maand  maken, vooral met mijn gewoonte van lange spirituele voorbereiding. Calonne publiceert er nooit minder dan twee (400 of 500 frank).
Zal ik ook nog daarbij een brief moeten maken van een strekking als deze:
Ik verzoek madame Aupick, mijn moeder en natuurlijke erfgename, in geval van overlijden,tot het terugbetalen van de somma van …… ,geleend door …… , over dit contract?
Goede voorzorgsmaatregel, maar wel vernederend.

Ik heb uw Figaro niet gelezen. Het kan me niet zoveel schelen, net als Le Gaulois, en al die andere vodden die ik des te vreselijker vind naarmate ik bezig ben met veel triestere zaken, of serieuzere.
Het is aannemelijk dat ik een velletje maak over die Spaanse onderwerpjes.
Beste Malassis, laten we er het beste van maken. Ik zal er alles aan doen om voldoende zekerheden te geven.
Geheel de uwe, en vergeef me mijn ongeduld van gisteren.

Morgen is het de 11e.
Mijn gesprek met Calonne zal plaatsvinden op de 12e.
De 12e dan krijgt u uw contract.
De 13e krijgt u uw rekening.
Ch. Baudelaire.
Rue Beautreillis 22.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact