Baudelaire 1859

Charles Baudelaire 1859

Aan Alphonse de Calonne
Parijs, zaterdag 8 januari 1859.
Geachte heer,

Ik moet u een heel grote gunst vragen, en weet dat ik daar geen probleem mee heb; wij hebben daar voldoende kennis voor gemaakt.
Het eerste geldvoorschot dat u me gegeven heeft is meer dan terugbetaald met Le Haschisch. Het tweede voorschot is bijna terugbetaald door wat u heeft van het manuscript van L’Opium wat als tegenhanger moet dienen voor het eerste, - en meer dan terugbetaald, als u de prijs van de gedichten die ik u heb gestuurd meerekent. Ik heb dus het recht te denken dat u voldoende vertrouwen in me kan hebben opdat ik u een derde voorschot mag vragen, maar wel een wat grotere; monstrum ingens: 1000 frank, die misschien voldoende zullen zijn om Parijs te kunnen ontvluchten. Weet u wel dat ik al een jaar dat plan hardnekkig nastreef? Ik verveel me vreselijk; al mijn tijd wordt verkwist aan een massa steriele boodschappen, zo erg dat ik vrees dat ik pas de laatste pagina’s van Le Mangeur d’opium kan maken als ik daar ben, op dat kleine stekje waarover ik u verteld had.
Ik weet dat het niet zo’n  makkelijke gewoonte is om op deze manier geld van te voren te vragen, en daarna pas te werken om het dan terug te betalen ; maar zo heb ik het altijd gedaan; bij Malassis, bij Lévy, en bij alle kranten. En ik ben echt heel ongeduldig om weg te kunnen vluchten, madame Aupick wacht op me, en omdat het slecht is om een oude eenzame vrouw ongerust te maken, verberg ik haar mijn geldproblemen en de redenen van mijn vertraging.
Na L’Opium weet u, komt Les Peintres idéaliste. U kent de stelling al bij voorbaat.  De eeuw is gek en gestoord op allerlei gebied, maar het meeste nog op het gebied van de kunst, ten gevolge van de ketterse verwarring van het goed en het kwaad. Elke zoeker naar puur idealisme op het gebied van kunst is een ketter in de ogen van de Muse en de kunst. Ik zal dus spreken over idealistische schilders alsof ik het over zieken heb; soms tonen zij genie, maar een ziek genie, etc…, etc….
Na les peintres, meer aritkelen over variétés, nooit, nooit voor goud, noch voor geld. Enkel romans, of gedichten. En over romans gesproken, ik praat nu toch tegen u met open kaart, mag ik u nu even een paar opmerkingen geven. Ik kan hier mijn eeuwige stelling vernieuwen: de moraal zoekt het goede, het ware, de poëzie, en soms zoekt de roman alleen het goede. Elk mens dat het talent niet aan zijn corresponderende doelen kan haken is noch filosoof noch kunstenaar; maar ik zie u soms een beetje verlegen, en dan voel ik me helemaal bevroren. Als ik u meer naar de moed en de innovatie  zou zien neigen, als ik me meer ondersteund en geholpen zou zien door u, dan zou ik u een serie novellen kunnen geven van een verbazingwekkende strekking, en dat zou noch in de buurt komen van Balzac, noch van Hoffmann, noch van Gautier, en zelfs niet van Poe, die toch de grootste is van allen. Als we daar aan toe zijn, dan zal ik u daar van te voren van verwittigen, dan zal ik aan uw welwillendheid een verlenging van mijn contract vragen. 250 frank is niet genoeg, voor een hersenpan die alleen met de forceps kan bevallen. Het gedachtegoed van combinatie en analyse is de meest langzame van alle, en is altijd ontevreden over zichzelf. Ik ben één van degenen (en we zijn erg zeldzaam) die geloven dat elk literair product, zelfs als het een recensie is, zó gemaakt en gemanoeuvreerd moet zijn dat er een ontknoping aan het eind zit. Alles, zelfs een sonnet, dus oordeel zelf over de moeite die dat kost!
Ik denk dat ik u hiermee alles gezegd heb; ik zal nooit rijk worden en ik zal mijn talent alleen in eenzaamheid hebben. Voordat ik me tot u richtte (de voorschot kwestie kan misschien uw boekhouding storen) had ik gedacht om me tot een minister te richten die de beschikking heeft over een fonds voor de literatuur. Maar ondanks dat ik daarover altijd heel discreet ben geweest (ik heb alleen in de laatste jaren er twee of drie keer gebruik van gemaakt), moet ik u vertellen ten eerste dat er schrijvers zijn die nog armer zijn dan ik, en ten tweede dat er zoveel vertragingen zijn, en als laatste dat, om het heel cru te zeggen, ministers heel arm zijn.
Wanneer men een vriend om een gunst vraagt, moet men hem bedanken voor zijn vorige bewezen diensten. Daarom is dit een mooie gelegenheid om u te bedanken, niet alleen voor uw hulp, maar ook voor de goede literaire verstandhouding die u met mij heeft mogen gebruiken. Toen ik het idee opvatte om naar de Revue contemporaine te schrijven, op het zelfde moment dat u mij daar vroeg, kondigden verscheidene personen me een hoop pesterijen aan en een hoop problemen. Echter, het is best komisch nu dat de auteur van Les Fleurs du mal zelf mocht genieten in een keizerlijk boek van een vrijheid die van een grotere allure was dan waar elders dan ook. U zult me nog een veel grotere geven, nietwaar?
Oef! Wat een lange brief. – Verloren manuscript.
Geheel en hartelijk de uwe, en doet u de hartelijke groeten aan madame de Calonne.

Ch. Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Honfleur,  februari 1859.
Oef! Eindelijk zit ik nu hier, en klaar om aan al mijn verplichtingen te voldoen; ik bedoel: geen voorwendsels meer om dat niet te doen.
Ik weet de afloop van uw zaak niet. Schrijf het me; dat wil ik heel graag weten; ik interesseer me voor uw portemonnee om heel veel redenen, en ondanks uw theoretici van het egoïsme , is er minstens een reden die geen egoïsme is.
Ik heb net De Calonne herinnerd aan de kleine notitie over Émaux et Camées.
Geheel de uwe. Vriendelijke groeten aan de Broise, en ook de hartelijke groeten aan uw moeder en aan uw zuster.
Ch. Baudelaire.
Honfleur, Calvados.

Aan Alphonse de Calonne
Honfleur, 11 februari 1859.
Geachte Directeur,

1.    De enveloppe die ik u terugstuur verzekert u dat indien u het pakje pas de 12e ontvangt, uw pakje pas de 10e vanuit Parijs is opgestuurd. Is dat nog binnen de tijd?
2.    U gaat me een heel heftig verdriet doen als u opnieuw de opdracht er niet in zet. Dezelfde postbode die me uw brief geeft heeft ook een brief voor me van mijnheer Christophe die me niet alleen zijn skelet aankondigt, maar ook nog een ander skelet dat veel beter afgewerkt is. Echt, het is wel het minste dat ik zijn naam boven een gedichtje zet om hem te bedanken. Maakt u zich geen zorgen, mijnheer Christophe is een meer dan gedistingeerd man wiens naam uw revue in geen geval kan schaden. Hij is de auteur van het figuur van la Douleur (bij de Exposition Universelle) en van een prachtig beeld voor La Cour du Louvre.
3.    1e strofe. Ik haal het mannelijk weg (dat terugslaat op skelet (woord dat er niet staat)) en ik vervang het door het vrouwelijk waardoor het meteen begrepen wordt.
4.    2e strofe. U heeft de verkeerde variant gekozen. Eerst stat er in de strofe ervoor gouffre de tes yeux pleins d’horribles pensées. Des yex pleins d’épouvantes is dan dubbel. Het lijkt wel of ik geen voorstellingsvermogen meer heb.
Gouge  is een prachtig woord, een uniek woord, een woord uit de oude taal, dat kan worden toegepast op danse macabre, dat een modern woord is in les danses macabres. STIJLEENHEID, in eerste instantie is une belle gouge alleen maar een mooie vrouw; daarna is la gouge de courtisane die het leger volgt, in de tijd waarin de soldaat, niet meer dan de priester, niet loopt zonder een achterban van courtisanes. Er waren zelfs reglementen die deze wandelende wellustigheid toestonden. Wel, is De Dood niet la Gouge die overal la Grande Armée universelle volgt, en is zij niet een courtisane wiens omhelzingen bevestigend onweerstaanbaar zijn? Kleur, antithese, metafoor, alles klopt exact. Hoe kan uw kritische gevoel dat zo precies is, mijn bedoeling niet hebben geraden?
Ik roep uw blik aan voor Lovelaces. Als het een zelfstandig naamwoord is, dan krijgt het een
kleine letter l, en een –s op het eind. Als het een eigennaam is dat wij af en toe generaliseren, dan krijgt het een hoofdletter L  en geen –s, volgens de regel. Eigenlijk is Lovelace bijna een zelfstandig naamwoord in de spreektaal. Ik opinieer voor de kleine letter l en het meervoud.
Danse macabre is geen persoon, maar een allegorie. Volgens mij komen er dan geen hoofdletters. Het is een heel bekende allegorie, en betekent:  de trein van deze wereld die leidt naar de Dood.
Alles gaat goed, zegt u. Des te beter, want ik heb mensen gezien die wensten dat het helemaal niet ging.
Doet u de groeten aan mijnheer Hervé. En de hartelijke welgemeende groeten aan madame de Calonne.
Ik werk voor u.
Ch. Baudelaire.

Christophe hoeft niet in de index. Dat stond allemaal met verkeerde interpunctie.

Aan Philoxène Boyer
Parijs, vrijdag 4 maart 1859.
Beste Boyer,
Net nadat ik mijn brief op de post had gedaan, moest ik naar Parijs.
Ik blijf hier denk ik maar 2 of 3 dagen, misschien iets langer. In ieder geval zal ik de tijd vinden om u te bezoeken.
Ik heb Arsène Houssaye straks gezien. De kwestie van het drukken is opgelost; maar ik heb hem niet durven vragen naar de prijs.
Voor wat betreft die Notes anglaises, moet u weten dat u de grootste van allen bent, indien ik uw antwoord MAANDAG bij de Revue Française vind, waar vanaf ’s ochtends mijn drukproeven zullen zijn - Geheel de uwe.
Ch. Baudelaire.

Aan de voorzitter van de Société des gens de lettres
Parijs, 26 maart 1859.
Geachte mijnheer de voorzitter,

Door een pijnlijk ongeluk zit ik vast in Parijs en kan ik niet terug naar huis. Ik heb wat geld nodig om deze onvoorziene omstandigheid te overbruggen. Ik heb durven inschatten dat een bedrag van 300 frank niet geweigerd zou worden door u en mijn vrienden van het Comité.
Met de meeste hoogachting, mijnheer de voorzitter,

Ch. Baudelaire.

Aan Isidore Salles
Parijs, half april 1859 ?
Beste Salles,

Het is hoogstwaarschijnlijk dat ik weer terug ga. Als ik niet op u hoef te rekenen, zeg dat dan tegen me; als ik nog mag hopen, dan zou ik de naam van een persoon geven die het geld bij de directeur van het Huis zal brengen, of u stuurt het me direct naar Honfleur (Calvados) (geen ander adres). Maar dan blijft er nog een vraag over: het reçu?
Geheel de uwe.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Honfleur, 1 mei 1859.

Allereerst wil ik u met heel mijn hart bedanken voor uw punctualiteit en uw medewerking.
GAUTIER. Ik wil niet afzien van het portret. Of De Broise drukt gelijk een oplage met frontispices die hij later nodig heeft, of het frontispice uit mijn brochure zal dezelfde zijn als die uit Émaux et Camées.
Maar, hoe maak je drukproeven van een gegraveerde prent met verschillende tinten? Kun je niet het gedeelte dat je niet wil drukken afdekken met een andere stof (die men later weghaalt)? Er moet zeker een manier zijn, en die manier ligt niet binnen mijn bereik. Achteraf maken we een oplage in vreemde letters. Al met al twee oplagen, net als bij de rode en zwarte versieringen.
Het portret is een garantie voor de verkoop.
De twee epigrafen zijn tegengesteld, en voor mij is het duidelijk dat de deugdelijke en pedante Laprade L’Artiste had gelezen. Een heel kleine letter kan ons uit de brand helpen. Het idee van de achterkant is niet meteen verwerpelijk. Wanneer krijg ik de drukproef? Er zitten fouten in L’Artiste.
OPIUM  et HASCHISCH. Een mooi boekje. Ik reken daar op om weer een beetje in omloop te raken. U zult tevreden zijn over l’Opium; het zal briljant en dramatisch zijn. Ik ben zeker dat het verkoopt.
Calonne zal meedoen, en ik mag niet zeggen waarom. Uw 3000 frank laten me niet los. Het zit zo: ik ben hem nog steeds zijn 500 frank schuldig, min het salaris van la Danse macabre, 45 frank. – Zijn Opium (dat ik nu opnieuw lees) is ingeleverd, en daarom begint er een serie voor u. Omdat ik aan u dacht heb ik van hem de belofte geëist dat, als ik hem in juni en juli twee sterke novellen lever, hij die dan  contant in biljetten of muntgeld betaalt, meteen.
U denkt dus dat ik ondankbaar ben of een imbeciel? Gedichten krijgt hij niet meer.
U zegt dat u mijn verzen weer heeft gelezen. U had beter la Méthode de composition van Edgar Poe kunnen herlezen (Revue Française).
Uw brief heeft me veel pijn gedaan. Ik merk dat uw wispelturige geest allerlei temperaturen ondergaat. Als ik naar Alençon kon gaan, dan rende ik er direct heen, niet alleen om me een beeje te amuseren, maar ook om u eens door elkaar te schudden. Daar zit u nu tussen allerlei politieke brochures, en u vergeet dat het in de menselijke natuur ligt om altijd 5 frank te hebben om een roman of een schouwburgplaatsje te kopen. Ik bedank u dus in het geheel niet voor de eer die u me bij uitzondering verleent voor mijn boeken. Mijn Fleurs du mal zullen blijvend zijn; mijn kritieken zullen verkocht worden, minder snel misschien dan in betere tijden, maar ze zullen verkopen.
Zelfs als de oorlog vanuit Italië de Rijn oversteekt dan zullen de mensen nog steeds literaire ruzies en romans willen lezen; en met name wanneer iedereen de weg kwijt is en gek wordt, is het winstgevend, heel winstgevend, om dat niet bij jezelf te laten gebeuren. Geheel in tegenstelling tot u ben ik bang, voor u, van die verwaarlozing van literaire zaken.
Van de tachtig pagina’s van La Revue contemporaine moeten er, als dat kan, tweehonderd vijftig pagina’s worden gemaakt.
U heeft het de hele tijd over uw schulden. Ik weet zeker dat met een beetje ingenieusheid de kwestie opgelost kan worden. Maar ik ken uw zaken niet goed genoeg om u daar advies over te geven.
Schrijf me iets minder triest terug als u dat kunt, en blijf altijd aardig. De groeten van mij aan uw familie.
Mijnheer Mistral, auteur van Miréio, is een dialectenspreker, wegwijs gemaakt door Adolphe Dumas. De schurk had spijt dat hij niet helemaal een wildeman was. Hij zag met pijn in zijn hart dat mijnheer Mistral, door zijn commentaren, bewezen had dat hij Frans sprak. Die koeterwaalse vent is nu trouwens de ster van het moment.
Ik wacht op uw brief. Schoon de tekst mooi op.
Ch. Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Honfleur, 13 juni 1859.

U doet er verkeerd aan om me nooit eens te schrijven; want hier hoor ik geen menselijk woord spreken, - En het Oostenrijkse boek?
U moet me zeggen wat u vindt van mijn Salon. En mijn Gautier? – Binnen niet al te lange tijd ga ik u uw Opium et haschisch kunnen leveren, en niet lang daarna Les Curiosités helemaal af, die gevolgd zullen worden door nieuwe Fleurs.
En ik heb nog een novelle geschreven die gebaseerd is op de hypothese: ontdekking van een samenzwering door een werkloze, die het volgt tot aan de dag voor de explosie, en die dan kop of munt speelt om te weten of hij het wel of niet aangeeft bij de politie.
Mijn toneelstuk gaat goed, en daardoor moet ik zelfs naar Parijs gaan.
Ik denk de hele tijd aan uw 3000 frank. Ik denk dat ik mag hopen dat ik (en ik zal het u uitleggen als ik u weer zie) u die in september kan geven!
Kan ik zonder angst en vrees naar Parijs gaan? Zonder ongerustheid? Ik doel op de wissel van 430 (430?), voor de 19e, en op de belofte op verlenging die u me in  Parijs gedaan heeft. Als ik gezegeld papier had, dan zou ik het u opsturen, maar ik neem aan dat u liever een handtekening van een van onze gezamenlijke vrienden heeft. Het meest redelijke zou zijn als u gewoon een wissel maakt voor me met een bedrag dat u zelf bepaalt, en dat u het bedrag aan mijn moeder stuurt, maar dit keer wel het juiste bedrag. Dit kleine detail is belangrijk.
Ik heb zelf pas geld aan het eind van de maand, alleen voor de wissel van 160. Het is toch 160, en het is toch EIND JUNI*? Ik beroep me graag op u. U zou u maar brouilleren met de Broise, als u een bezwaar had, en, als ik er een hier zou hebben, zou mijn moeder me de deur uitzetten. En ik wil tot aan het eind van het jaar gebruik maken van de goede ruimte die ik hier heb om te werken.
Duizend groeten bij u thuis. Ik verlaat Honfleur niet zonder een antwoord van u.
Wat zou het een mooie tijd zijn als er niet meer heen en weer gereisd zal hoeven te worden!
Wilt u wel geloven dat ik ongerust ben, ondanks uw belofte; want mijn onmacht om te betalen zou dan volledig zijn.
Geheel de uwe. Lang antwoord.
C.B.

Schrijf me iets minder triest terug als u dat kunt, en blijf altijd aardig. De groeten van mij aan uw familie.
Mijnheer Mistral, auteur van Miréio, is een dialectenspreker, wegwijs gemaakt door Adolphe Dumas. De schurk had spijt dat hij niet helemaal een wildeman was. Hij zag met pijn in zijn hart dat mijnheer Mistral, door zijn commentaren, bewezen had dat hij Frans sprak. Die koeterwaalse vent is nu trouwens de ster van het moment.
Ik wacht op uw brief. Schoon de tekst mooi op.
Ch. Baudelaire.

Aan madame Aupick
Parijs, 29 juni 1859.
Lieve moeder, als je me iets te schrijven hebt, schrijf dan naar La Revue Française, rue du Pont-de-Lodi nummer 5.
Ik heb Ancelle al wreed gekweld opdat hij je op de juiste datum minstens 160 frank stuurt; ik zal daarbuiten nog 68 frank voor je op de post doen, en ik zal zelf ook nog geld voor je meenemen. Nu kan ik je de werkelijke reden vertellen waarom ik wilde dat je dat geld de 29e zou hebben, het is omdat ik de 30e of de 1e 160 frank aan Malassis moest betalen, die in Honfleur zal worden opgehaald. Aneclle heeft bij de grote goden gezworen dat hij je die vanavond de 29e zal opsturen met de spoorwegen, en in dat geval zal je het morgen om 2 uur hebben. Maar ik eet vanavond bij hem en als hij het weer vergeten is, dan zal ik hem in het nauw drijven tot aan het station opdat hij het opstuurt waar ik bij ben. Als jij het dus morgenmiddag om 2 uur niet ontvangen hebt, dan moet je onmiddellijk, voor 4 uur in de namiddag hem schrijven om het van hem te eisen. Je kent zijn slordigheid.
Ik heb die 600 frank van La Revue Française nog niet gehad; als dat wel zo was, dan zou ik me niet zo verlagen om me met Ancelle bezig te houden, en dan zou ik je het geld zelf sturen. Ik ben al helemaal uitgeput van vermoeidheid, en ik ben al twee keer verhuisd.
Ik omhels je met heel mijn hart.
CHARLES.

Aan madame Aupick
Parijs, maandagavond 4 juli 1859.
Ik weet eigenlijk niet welke stijl ik moet nemen. Ik, martelaar, ik heb het recht niet om te klagen.
Ik ben zo verschrikkelijk ongelukkig dat als ik er nog mee instem om te blijven leven, dan is dat om een hele diepliggende reden die jij niet weet.
Tot welke handel heb ik je veroordeeld? Ton Becker is waarschijnlijk een dief, voormalig woekeraar, prentenhandelaar, oude schuldenopkoper, die heeft nooit een van jouw leveranciers kunnen zijn.
Ik heb net 520 frank aan Marin betaald. Vanavond ga ik naar Alençon. Ik werk maar zomaar een beetje op tafels in cafés.
Ik kom pas terug naar Honfleur rond de 10e of de 15e, als ik het probleem van het toneelstuk heb opgelost. Maar wat kan jou dat nu schelen? Wat kan jou dat nu schelen?

Charles.
Nou goed, ik omhels je toch maar.

Aan madame Aupick

Parijs, woensdag 20 juli 1859.
Ik schrijf je maar heel kort. Ik heb je twee brieven bij La Revue Française  gevonden en ik heb je niet eerder geschreven omdat ik er soms drie of vier dagen niet kom.
Mijn zaken gaan zo’n beetje. – Behalve de vreselijke kwestie van de uitgaven. –Ik heb duizend frank aan urgente schulden betaald, maar ik heb veel meer gekregen, en, omdat ik een provinciaal ben geworden, lijd ik enorm onder het feit dagelijks 20 of 30 frank te moeten uitgeven. Ik ga Parijs niet uit voordat ik dat probleem van het toneelstuk heb opgelost, ik schrijf je daar nog over. – Als ik niet echt gedwongen was om naar Parijs te moeten gaan, dan was ik niet gegaan. Ik ben niet alleen aangedaan door die dure uitgaven, maar, wat veel erger is, door het onvermogen om helder te denken en me te concentreren. Ik ben verstomd, verdoofd, afgestompt; je weet dat ik gewend was geraakt aan een langzame en geduldige gedachtestroom, de gewoonte van gelukkige dagen.
Je zult makkelijk begrijpen dat ik je precies het verloop van mijn dagen kan beschrijven. Wat er toegegeven moet worden is dat je hier, in deze vervloekte stad verzonken in hitte, licht en stof, meerdere keren bij de personen die je wilt zien moet terugkeren om ze te vinden als je ze nodig moet zien. Zodoende is het werken verdwenen, en mijn zin om terug te komen is buitensporig groot, - want behalve dat de monsterlijke uitgaven me hevig kwellen, is er iets dat me nog veel meer kwelt, en dat is dat de dagen voorbij vliegen zonder ze nuttig te besteden.
Je tweede brief heeft me diep geraakt. Je weet dat ik niet schitter (aan de buitenant althans) door gevoeligheid; en dus mag je de woorden die ik je schrijf voor waar aannemen. Het is echt heel zacht, zo midden in zoveel reële verdrietige dingen en ontmoedigingen, om dicht bij me een goedheid en liefdadigheid te voelen die over me waakt. Al die gekke moederdingen die je me hebt geschreven, zelfs je cider (wat geen haast heeft) hebben me geraakt. Hoe kan het dat je met zo’n goed en zo’n delicaat hart af en toe zo onhandig kan zijn?
De laatste tien dagen (want ik zal er voor zorgen om begin augustus terug te komen, en dat laat ik je drie of vier dagen van te voren weten) zullen worden gebruikt om voor de derde keer een grote som geld te krijgen, en om afspraken et maken met een Zwitserse Revue uit Genève. De toekomstige directeur van Le Cirque is jammer genoeg in Normandië. Dus kun je nagaan die gedwongen vertragingen. Het gaat om de grote zaak.
En als toppunt van de pech staat de politiek op onweer, angst en onrust. Je hebt geen idee van de wanorde die de Keizer heeft veroorzaakt bij alle mensen en het desastreuze effect dat veroorzaakt is door La Conclusion de la Paix.
Er is veel pech bij La Revue Française; je zult twee nummers achter elkaar ontvangen, waarvan de ene de rest van mijn Salon bevat.
Ik hou van je en ik omhels je, en bedankt nogmaals voor je laatste brief.
Tot aan het eind van de maand verblijf ik in: hotel de Dieppe, rue d’Amsterdam, en ik voel me hier zo slecht als maar kan.
Ch. Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis
7 augustus 1859.
Parijs, hotel de Dieppe, rue d’Amsterdam.

Ik houd de drukproef maar een dag. De twee epigrafen! Het is nu belangrijk om een brief voor mij van Victor Hugo te vinden op het kantoor bij L´Artiste die de schurken niet naar Honfleur hebben gestuurd.

Uw brief is onterecht en oneerlijk. Ik denk onophoudelijk aan u en van uw 300 frank kan ik niet slapen. Uw 400 frank komen op tijd aan. Ik schrijf u een langere brief zodra ik echte zekerheid heb.

Delacroix is niet in Parijs. Hij had op een zondag met me afgesproken; ik kon er toen niet heen en op maandag is hij weer weggegaan. U zult uw tekening krijgen, een hele mooie.

Terwijl ik mezelf feliciteerde mijn vier boeken die ik u wil geven langzaam te zien groeien, vernam ik uw nieuwe ongeluk. Wanneer en hoe gaat dat eindigen? Geheel de uwe.
Schrijf me snel terug.
C.B.
Ruzie met Lévy over Eureka, die ik in zijn geheel vertaal en die u wilde geven.

Alstublieft maak van Gautier iets nets.

Aan Victor Hugo
Parijs, vrijdag 23 september 1859.
Geachte heer,

Ik heb u heel hard nodig, en ik vraag u om uw goedheid. Een aantal maanden geleden heb ik over mijn vriend Théophile Gautier een nogal lang artikel geschreven dat bij de imbecielen nogal wat gelach heeft opgewekt, zodanig dat ik er een kleine brochure van heb gemaakt, al was het maar om te bewijzen dat ik nooit ergens spijt van heb. Ik had de mensen van de krant gevraagd om u een nummer toe te zenden. Ik weet niet of u dat heeft ontvangen; maar ik weet wel van onze gemeenschappelijke vriend, mijnheer Paul Meurice, dat u zo goed was me een brief te schrijven, die nog niet teruggevonden heeft kunnen worden, omdat L’Artiste dacht dat het beter was om die naar een woning te sturen waar ik al heel lang niet meer verblijf, in plaats van hem te sturen naar Honfleur, mijn echte woonplaats, waar niets verloren kan gaan.  Ik weet echt niet te achterhalen of deze brief direct te maken had met het betreffende artikel, en, hoe het ook zij, ik betreur dat als een bittere ervaring. Een brief van u mijnheer, u die niemand van ons al zo lang niet heeft gezien, en dan ook nog bijna twintig jaar geleden, een brief  dat is toch zo fijn en kostbaar! Toch moet ik u uitleggen waarom ik die wonderlijke ongepastheid heb gehad om u een gedrukt document te sturen zonder er een brief bij te doen, een hommage, een bewijs van respect en trouw. Een van de imbecielen waar ik het over had (die met een teveel aan denkvermogen, ik bedoel een leeg denkvermogen) had tegen me gezegd: Wat! Bent u zo onbeschaamd om dat artikel naar mijnheer Hugo te sturen! Voelt u dan niet dat het is gemaakt om hem tegen te staan! – Dus was dat ongetwijfeld een enorme stommiteit. Wel nu! Mijnheer, hoewel ik weet dat het genie op natuurlijke wijze de nodigde kritische geest en welwillendheid bevat, voelde ik me geïntimideerd en ik durfde u niet te schrijven.
Dus ben ik nu een verklaring schuldig. Ik ken uw werk uit mijn hoofd, en uw voorwoorden laten me zien dat ik de theorie die over het algemeen door u wordt tentoongesteld over de alliantie van de moraal met de poëzie heb overschreden. Maar in een tijdperk waarin de wereld zich vervreemdt van de kunst op zo’n afschuwelijke manier, waarin de mensen zich laten afstompen door het idee dat alles uitsluitend nuttig moet zijn, denk ik dat er geen kwaad kan om een beetje in de andere richting te overdrijven. Ik heb misschien teveel gevraagd. Dat was om voldoende te krijgen. Enfin, zelfs als er zich een beetje Aziatisch fatalisme in mijn gedachten heeft gemengd, beschouw ik mezelf als vergeeflijk. De afschuwelijke wereld waarin wij leven brengt ons in isolement en fataliteit.
Ik wilde vooral de gedachte van de lezer meenemen naar die prachtige literaire tijd waarin u toch werkelijk de koning was en die in mijn gedachten leeft als een heerlijke herinnering aan mijn kindertijd.
Over de schrijver die het onderwerp van dit artikel is, en wiens naam als voorwendsel diende voor mijn kritische beschouwingen, kan ik u in vertrouwen zeggen dat ik de lacunes van zijn verbazende geest ken. Vaak heb ik, aan hem denkend, helaas moeten constateren dat God niet heel erg gul wilde zijn. Ik heb niet gelogen, ik ben gevlucht, verhuld. Als het me gevraagd zou worden om te getuigen bij justitie, en als mijn getuigenis absoluut waar was en schade kon toebrengen aan iemand die gunstig bedeeld was door de Natuur en geliefd was in mijn Hart, dan zweer ik dat ik met trots zou liegen; omdat de wetten onder de gevoelens staan, omdat vriendschap feilloos en onbestuurbaar is van aard.  Maar jegens u lijkt het me volkomen onnodig om te moeten liegen.
Ik heb u nodig. Ik heb een stem nodig die hoger staat dan de mijne en dan die van Théophile Gautier, - uw dictatoriale stem. Ik wil beschermd worden. Ik zal nederig laten drukken wat u me goeddunkt te schrijven. Geneert u zich niet, alstublieft. Als u bij deze drukproeven iets vindt dat berisping behoeft, dan moet u weten dat ik uw blaam gehoorzaam zal tonen, maar zonder teveel schaamte. Een kritiek van u, is dat niet ook nog steeds een streling, immers het is een eer?
De verzen die ik bij deze brief doe speelden al heel lang in mijn hersenen. Het tweede stuk is gemaakt met als doel u te imiteren (lach me maar uit om mijn verwaandheid, ik lach er zelf ook om) nadat ik een paar stukken van uw boeken weer had gelezen, waarin een zo prachtige liefdadigheid vermengd wordt met zo’n gevoelige ongedwongenheid. Ik heb een paar keer armzalige schildersleerlingen in galeries gezien die meesterwerken namaakten. Goed of slecht gemaakt, soms zetten zij in die imitaties zonder het te weten iets van hun eigen karakter neer, groots of triviaal. Daar zal misschien (misschien!) het excuus van mijn stoutmoedigheid zitten. Als Les Fleurs du mal weer zullen verschijnen, opgeblazen met drie keer meer materiaal dan dat er door justitie is uitgehaald, zal ik het plezier hebben om bovenaan die stukken de naam van de dichter te zetten wiens werken mij zoveel geleerd hebben en me zoveel genot in mijn jeugd hebben gegeven.
Ik herinner me dat u me tijdens het publiceren daarvan een vreemd compliment gaf over mijn verleptheid die u definieerde als een decoratie. Ik begreep het niet goed, omdat ik nog ten prooi was aan de woede van het tijd- en geldverlies. Maar nu mijnheer begrijp ik het heel goed. Ik voel me heel goed bij mijn verleptheid, en ik weet dat ik voortaan, in wat voor literatuurgenre ik me ook bevind, ik altijd een monster en een weerwolf zal blijven.
Een tijdje terug lag uw naam op alle lippen door de amnestie. Vergeeft u het me dat ik een kwart seconde even niet gerust was? Ik hoorde overal om me heen: Eindelijk, Victor Hugo komt terug! Ik vond dat deze woorden eer deden aan de harten van al deze brave mensen, maar niet aan hun oordeel. Uw notitie is gekomen en heeft ons opgelucht. Ik wist hel goed dat dichters minstens Napoleon waard waren, en dat Victor Hugo niet minder groot kon zijn dan Chateaubriand.
Ik hoor dat u een hooggelegen huis bewoont, poëtisch, en dat het op uw geest lijkt, en dat u zich gelukkig voelt in de herrie van de wind en het water. U zult nooit net zo gelukkig worden als dat u groot bent. Men zegt ook dat u verdriet hebt en heimwee. Misschien is dat niet waar. Maar als het waar is, dan is het misschien genoeg als u eens één dag leeft in ons vervelende Parijs, in ons Parijs-New-York,, om daar radicaal van te genezen. Als ik hier geen verplichtingen had te volbrengen, dan zou ik naar het einde van de wereld gaan. Adieu, mijnheer, mocht mijn naam ooit binnen uw familie op een welwillende manier worden uitgesproken, dan zou ik daar een groot geluksgevoel aan over houden.
Ch. Baudelaire.

Ik heb die drukproeven niet hard nodig. Ik ben nog een tijdje in Parijs, hotel de Dieppe, rue d’Amsterdam.

Aan madame Aupick  Parijs ongeveer 14 oktober 1859.

Brief is gevonden. Hij was naar La Revue française gegaan.
Die brief is heel wreed. Hoe heb je kunnen denken dat ik verstandige plannen in de steek laat, dat ik niet terug wil naar je en andere waanzin? Inderdaad, ik geef veel geld uit, en al dat gedoe met die banken, die wissels, dat disconteren, is heel vermoeiend. Het is een echte woekerrente. Maar dat alles kan een einde hebben, en een schitterend einde. Ik denk echt dat ik aan het einde van deze maand definitief goed (of slecht) nieuws heb. Als het goed nieuws is, dan wordt het stuk in het voorjaar gespeeld.
Je denkt altijd dat ik ondankbaar ben, absurd! En je vergeet dat ik eerst heel lang lui en libertijns was, en dat ik nu verplicht ben om (wat erg pijnlijk komisch is) de rol van vader en voogd te spelen. Het gaat niet alleen om uitgaven, maar ook om te denken voor een verzwakte geest.
Ik wilde je een [thee] (minstens een pond) opsturen, waarvan ik hoorde dat die fameus is, maar dat is voor een andere keer.
Ik ga 30 oktober  of 15 november weer terug bij La Revue contemporaine.
Ik maak een vierde extra deel van Poe (Eureka, filosofisch boek).
De kleine brochure Gautier verschijnt met de brief van Hugo, en dat alles heel aardig gedrukt, denk ik.
Ik heb op de rug van de kaft een aankondiging gezet van een aantal werken van mij, die al heel ver zijn, bijna af. Er zijn er zelfs die bijna af zijn.
In de diverse delen (die ik daarentegen gekozen heb omdat ik denk dat jij die wel leuk zal vinden) vind je leesvoer. Ik ben verbaasd over wat je zei over La Légende des siècles. Het is mogelijk dat dit vers dat zo vaak in stukjes gehakt, gebroken is, zowel episch als lyrisch, je vermoeid maakt. Maar Hugo is nooit eerder zo pittoresk noch zo verbazend geweest als in het begin van Ratbert (Le concile d’Ancône), Zim-Zizimi, Le Mariage de Roland, La Rose de l’Infante; daar zitten schitterende talenten in die alleen hij bezit.
Ik zal proberen om een exemplaar van de brochure voor je te krijgen op goed papier; maar ik denk dat het je niet zo kan schelen.
Ondanks al mijn gewoonlijke warboel is het me gelukt om mijn hoteluitgaven regelmatig te betalen, om een plotseling probleem te voorkomen op het moment van vertrek. Dat is buitengewoon, niet waar?
Ik omhels je teder.
C.B.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 1 november 1859.

Maar hoe kan deze kwestie van de paginering verklaard worden? Hoe is het eerste vel gepagineerd?
Ander ding: elke keer dat ik fout was bij u, ofwel niet op tijd, ofwel niet nauwkeurig, in geldzaken of literatuur, heeft u me behandeld op weet ik welke manier, en omdat ik niet net zo groot ben als de man uit Cyrano, had u geen hele dag nodig om me neer te slaan, maar een minuut.
En u, vindt u het verstandig om een week de tijd te nemen om een velletje te zetten dat al heel lang geleden gemaakt is?
Ik ben erg geïnteresseerd om het, om verschillende redenen, zo snel mogelijk te publiceren.
Het einde van dit jaar, het einde van deze maand misschien, zal ik de mogelijkheid hebben om u vier delen te geven: Fleurs, Curiosités, Excitants, Notices littéraires, zonder een brochure mee te rekenen (Corbeau en Genèse d’un poème). Maar als u op dit ritme gaat, dan heeft u wel vier jaar nodig om vier delen van mij te publiceren, in plaats van dat met een goede tekst vier maanden voldoende moet zijn (een vel per drie dagen als we uitgaan van tien vellen per deel).
Eureka is nog een kwestie tussen Michel en mij. Als ik wist dat een ruzie over dit onderwerp kon helpen om hem mij de drie eerste delen terug te geven, dan zou ik ruzie maken.
Een antwoord terug, alstublieft.
C.B.

Aan Auguste Poulet-Malassis
Parijs, 15 november 1859.
Beste vriend,

Uw laatste brief is heel redelijk en ik accepteer alles, behalve een bizarre clausule; dat is de herdruk om de twee jaar. Maar als elk boek uitverkocht is voor die twee jaar? Dus 300 frank, oplage 1100. Contract verlengbaar. De vier manuscripten geleverd aan het eind van het jaar. En omdat de Broise de helft betaalt voordat er gedrukt wordt, krijgt u dus een bedrag van 600 frank in uw zak om mijn schuld te verminderen.
Ik praat nog niet over mijnheer de Rode, omdat ik voorspel dat er wat moeilijkheden zullen komen om de hele rest voor 15 december in een keer te krijgen.
Ik heb de Calonne gezien. Ik heb volkomen vertrouwen in zijn woorden. Hij zal u een wissel geven, maar niet de 20e, maar pas de 1e, omdat hij me de tijd wil geven om hem met kopij te overstelpen. Wat ik u vertel is solide. Zijn wissel zal volledig betaald worden. Het zal uiteraard gebruikt worden om de twee betalingen van 410 en 410 van 15 december tegemoet te komen (De terugkeer van Billault is goed voor zijn zaken).
 Die van Boyer, (800,50) te betalen bij Asselineau zal betaald worden met een wissel van Christophe.
Die van Christophe (750,75)  zal betaald worden met een wissel van Boyer.  Die twee wissels zijn voor 10 december.
Blijft nu over die 1500. Bij mijn moeder, in Honfleur. Ik moet absoluut Tenré en Gélis hebben daarvoor. Als Tenré u niet bevalt, dan Gélis in zijn eentje, met uw handtekening, dat spreekt vanzelf.
Er zijn mensen bij mijn moeder gekomen om haar een acceptatie te vragen (van wat?) voor een wissel uiteraard voor 12 december. Ik wist niet dat het een wissel was. Ik heb mijn acceptatie vanuit Parijs gestuurd.
Nu is het mogelijk, ik zeg mogelijk, dat ik aan het eind van de maand u 1000 frank kan geven die van Hostein komen.
Dus, als we van het slechtste uitgaan, dan is de schuld dit keer verminderd met 800 frank. Pas met Nieuwjaar met 600. Vier maanden later met 600.
Delacroix is weer vertrokken. Ik weet net of uw schilderij af is. Misschien heeft hij het op het platteland gemaakt.
Eureka was bijna van u geweest. Wat een schurk die man!* ik betaal de kosten van het portret. Antwoord, alstublieft.
Geheel de uwe.
C.B.

Behalve Espagnols, Allemands en Guys, is CURIOSITÉS ook af.
Opium et haschisch is af.
Behalve vier of vijf stukken zijn de Fleurs ook volledig.
Les Notices zijn allemaal af, en zelfs bewerkt.
Ze liggen voor me op tafel.
Maar het zal misschien onze vierde zijn op volgorde want ze moeten ook elders verschijnen.
Heeft u, om u van een paar problemen te verlossen, alle wissels gebruikt die ik u heb opgestuurd uit voorzorg? Voelt u zich niet beledigd; want dat zou ik heel excusabel en natuurlijk vinden. Ander verhaal. Zijn die 250 als voorschot op de Curiosités inbegrpen bij die 1500 die in Honfleur betaald moeten worden?

Aan Charles Asselineau
Parijs, 30 december 1859.
Beste vriend,

Het moment is gekomen dat ik voor Malassis al mijn artikelen en al mijn verzen bij elkaar moet rapen voor de vier aangekondigde delen. Zou u voor mij kunnen terugvinden in uw paperassen de stukken met de volgende titels:

ARTISTE.
Dullum.
Biographie de Rouvière.

REVUE CONTEMPORAINE.
Haschisch .
Danse macabre .
Sonnet d’automne.
Chant d’automne.
Le Masque.

REVUE FRANÇAISE.
La Chevelure .
Salon de 1859.

L’Almanach de 1860 van Fernand Desnoyers, en ook nog andere stukken zoals Essence du rire, Caricaturistes français et étrangers, Morale du joujou, etc.. En als laatste alles wat het toeval u aan dingen van mij heeft bezorgd ?
Die laatste stukken heb ik, maar niet in tweevoud. Ik heb heel veel artikelen geleend, en die is men krijtgeraakt.
Geheel de uwe.
C.B.
Ik vergat u te vertellen dat als onze twee namen elkaar tegenkomen in dezelfde krant of hetzelfde blad, of als een stuk van ieder ander u interesseert, dan hoeft u in dat geval alleen maar de vellen die over mij gaan verscheuren.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact