Baudelaire 1864

Charles Baudelaire 1864

AAN MADAME AUPICK                Parijs, vrijdag 8 januari 1864.
Lieve moeder,

Ik ben je net zo dankbaar voor je goede bedoelingen als wanneer je erin geslaagd zou zijn me 25.000 frank te hebben gestuurd. Maar je moet toch toegeven dat je een beetje bizar doet. Er bestaan toch dingen als de spoorwegen en postwissels; maar dat is zeker te eenvoudig. De postzegel wordt alleen als geld geaccepteerd in geval van pasgeld, heel klein pasgeld tussen handelaars onderling. Ik denk dat een sigarenkoopman best sigaren zou willen ruilen tegen postzegels, omdat hij die alletwee mag verkopen; maar, omdat hij koopman is, en dus een afzetter, en omdat de winst die hij mag maken over postzegels lager is dan die over sigaren, zou hij ongetwijfeld maar 20 frank aan sigaren geven voor 25 frank aan postzegels. En als laatste, waarom Franse sigaren kopen, als de Belgische douane mij daarover een torenhoog invoerrecht * zal heffen? Die sigaren zouden me dan buitensporig duur gaan worden. Maar toch houd ik die postzegels. Ik zal ze gebruiken. Maar het is toch ook wel een rare gril van je, dat bizarre gedoe.  En van die paté, daar heb ik niets van begrepen.
Ben je tevreden over mijn uitleg? Ik stuur je dit, want je zegt dat je je ongerust maakt. En veel kussen.
                                Charles.

AAN ALPHONSE DE CALONNE
                        Parijs, dinsdag 23 februari 1864.
Geachte heer,

Heeft u drie sonnetten van mij gepubliceerd, Le Tasse en prison, Le Gouffre, Bien loin d’ici, die ik u enige tijd geleden heb gegeven ?
Indien u die niet heeft gepubliceerd zou u me een groot plezier doen die weer op te zoeken en ze aan de loopjongen mee te geven. Er is er met name één (Le Tasse) die ik in mijn geheugen tevergeefs zoek.
Binnenkort heb ik minstens drie vellen om aan u te geven, wat zeer veel werk was, dat verzeker ik u, maar waar ik zeer tevreden over ben.
Met de meeste hoogachting,
                        Charles Baudelaire

AAN ALBERT COLLIGNON Parijs, 24 februari 1864.
SUR LE TASSE EN PRISON van EUGÈNE DELACROIX

[VERTALING]

De dichter in het cachot, slobberig, ziekelijk,
Een manuscript rollend onder zijn convulsieve voet,
Meet met een blik die door grote angst in vlam wordt gezet
De trap van duizeligheid  waar zijn ziel zich te gronde richt.

Het bedwelmende gelach waarmee het gevang zich vult
Naar het vreemde en absurde, en nodigt zijn verstand uit;
Twijfel omringt hem, en de bespottelijke Angst,
Lelijk en pluriform, cirkelt rondom hem.

Het genie, opgesloten in een ongezond krot,
De grimassen, de schreeuwen, de spoken waarvan de zwerm
Wervelt, opgehitst achter zijn oor,

De dromer gewekt door de afschuw van zijn woonoord,
Dat is nu je embleem, Ziel met de sombere dromen,
Verstikt door het Reële binnen zijn vier muren!
                                        1842
                                Charles Baudelaire.
De proefdrukken naar rue d’Amsterdam, 22. Ik stuur ze dezelfde dag nog terug.

AAN MADAME AUPICK   Parijs, 3 maart 1864.
Lieve moeder,

Ik moet je nu dan toch maar echt gaan schrijven. Anders zou je gaan geloven in een of ander geheimzinnig iets. Je voorstellingsvermogen is absurd. De verklaring is veel eenvoudiger. Het was gewoon omdat mijn gedichten iedereen verveelden (zei de directeur van de krant tegen me) dat ze ermee opgehouden zijn.
Ik ben in een lelijke lethargie terecht gekomen. Ik loop niet alleen achter met boeken en artikelen van allerlei soort (beloofd en betaald), maar ik ben heel druk met dringende zaken, waarvan drie in België. Aan de andere kant lijd ik er teveel aan dat ik je nooit zie. Ik ga proberen om mezelf weer een beetje op te vijzelen, om alleen het meest dringende te doen, om op twee of drie plekken wat geld zien op te vissen, zodat ik een paar dagen bij jou kan zijn, en dan tenslotte me te richten op Brussel, waar me misschien wel nieuwe mislukkingen te wachten staan, maar misschien ook veel geld.
Veel liefs, en ik smeek je om geen domme denkbeelden te smeden. Er zijn al genoeg echte redenen voor triestheid in mijn leven.
Als ik alleen al van de 10e tot de 15e in Honfleur kon verblijven, dan zou me dat heel goed doen.
                        Charles.

AAN PHILIPPE DE CHENNEVIÈRES Parijs, maart 1864.
Beste vriend,

Vanwege het feit dat ik uw adres niet wist en ook door mijn wilskrachtafwijking waardoor ik de dingen altijd oneindig lang uitstel was ik verhinderd om u te bedanken voor uw charmante sprookjes. Neemt u het me niet kwalijk, en weet dat ik nooit ongevoelig ben voor een mooi aandenken.
Dan nu de tentoonstelling. Ik zou u heel gaarne twee vrienden van mij willen aanbevelen, waarvan er één uw welwillendheid reeds heeft mogen ontvangen : mijnheer Manet en mijnheer Fantin. Mijnheer Manet stuurt Épisode d’une course de taureaux, en Un Christ ressuscitant, assisté par les anges.
Mijnheer Fantin stuurt Un hommage à feu Eugène Delacroix en Tannhäuser au Vénusberg. U zult zien wat een geweldig talent er uit die schilderijen tevoorschijn komt, en, in welke categorie ze ook geplaatst zullen worden, doe wat u kunt om een goede plek voor ze te vinden.
Uw zeer dankbare vriend.
                    Charles Baudelaire.

AAN ÉDOUARD MANET  Parijs, begin april 1864.
Beste vriend,

Hierbij de Amontillado waarvoor ik het bevel heb gekregen die met u te drinken. Mag ik het me permitteren om vanavond aan uw moeder te gaan vragen om te dineren?
Overigens, het schijnt nu dat de lans rechts is gestoken. U moet de wond dus van plaats veranderen, voor de opening. Verifieer het dus nog even in de vier evangelisten. En kijk uit voor gelegenheden waarop kwaadwillenden de kans grijpen om te spotten.

Uw toegewijde,
                            C.B.

AAN JUDITH GAUTIER  Parijs, 9 april 1864. Geachte mejuffrouw,

Onlangs vond ik uw artikel bij een vriend van me, in Le Moniteur van 29 maart, waarvan uw vader mij even daarvoor de proefdrukken had gegeven. Hij heeft u ongetwijfeld verteld hoe verbaasd ik was toen ik het las. Ik heb u niet direct teruggeschreven om u te bedanken omdat ik simpelweg daarvoor te verlegen ben. Een man die van nature niet zo verlegen is kan zich slecht op zijn gemak voelen als hij voor een mooi meisje staat, ook al kent hij haar al vanaf dat zij heel klein was; vooral wanneer hij van haar een dienst bewezen krijgt; en hij kan bang zijn om ofwel te respectvol en te kil te zijn, ofwel haar met te veel warmte te bedanken.
Mijn eerste indruk was zoals ik al zei verbazing. Een indruk die altijd aangenaam is overigens. Daarna, toen ik niet meer mocht twijfelen, kreeg ik een gevoel dat moeilijk is uit te drukken, voor de helft bestaande uit het plezier dat ik zo goed begrepen werd, en voor de andere helft uit vreugde dat een van mijn oudste en beste vrienden een dochter had die hem echt waard was.
In uw zo correcte analyse van Eureka, heeft u gedaan wat ik op uw leeftijd misschien helemaal niet zou hebben gekund, en wat een heleboel volwassen mannen die zichzelf geletterd noemen, helemaal niet kunnen. Enfin, u heeft me iets bewezen wat ik zelf moedwillig voor onmogelijk had gehouden, en dat is dat een meisje in boeken serieus amusement kan vinden, die heel anders zijn dan boeken die zo dom en zo ordinair zijn en die het leven van alle vrouwen vullen.
Als ik nu nog niet vreesde dat ik u zou beledigen door kwaad te spreken over uw geslacht, dan zou ik u zeggen dat u mij gedwongen heeft om aan mezelf te twijfelen over de gemene denkbeelden die ik had gevormd voor mezelf over vrouwen in het algemeen.
Neemt u geen aanstoot aan deze complimenten die zo bizar zijn en die vermengd zijn met oneerlijkheden; ik ben nu op een leeftijd gekomen waarop het moeilijk is om jezelf nog te verbeteren, zelfs voor de mooiste en de liefste persoon.
Geachte juffrouw, weet dat ik het plezier dat u me heeft gegeven voor altijd in mijn herinnering zal houden.
                    Charles Baudelaire

AAN RAYMOND MATIGNY          Parijs, 23 april 1864.
                       
Geachte heer,
Ik denk dat wij elkaar nooit zullen begrijpen. Ik wilde deze zaak vriendschappelijk afsluiten, vredig en direct met u, langzaam, of snel, al naar gelang de omstandigheden.
U hebt een passie voor onnodige brieven, onnodige bezoeken, onnodige conversaties. U denkt: de debiteur moet geen rust krijgen.
Ik antwoord op uw dreigingen: Mijn moeder gaat ook op reis. En voor de Rechtbank, het zou misschien een groot geluk voor mij zijn indien de zaak daar voorgelegd zou worden, omdat ik dan gedwongen zou zijn om heel wat dingen te onthullen over het ontstaan van deze schuldeis, dingen die u niet weet, wed ik.
Het schijnt dat ik volgens u geen vrije beschikking heb over mijn tijd, en dat ik u verslag moet doen van al mijn daden. Sommige mensen moeten daar erg om lachen; maar mij irriteert het mijn zenuwen. Ik waarschuw u dat indien ik nog één keer een brief van u ontvang, ofwel in Gent ofwel in Mons, ofwel in Brussel, etc., dan stuur ik die onmiddellijk zonder hem open te maken door naar mijnheer Ancelle, en dan geef ik hem uw adres. U kunt me daarbij overigens heel goed in de gaten houden via uw relaties; maar ik betwijfel of uw relaties bij het soort mensen horen die ik moet gaan bezoeken.
Neem deze brief nu maar serieus, en vergeet vooral het volgende niet: als u beleefd tegen me bent, geduldig en welwillend, dan zult u een hoop voor elkaar krijgen. Als u me irriteert met uw zakenmanretoriek, dan laat ik alles vallen, en dan leg ik de zaak in handen van mijnheer Ancelle, met een verklarende uiteenzetting.
Geachte heer, indien het u interesseert, kunt u zich verzekeren van mijn vertrek; ik vertrek vanavond of morgenavond om vijf uur. Ik denk dat ik op zijn laatst 15 juni weer terug zal zijn.
                            Charles Baudelaire.

AAN GUSTAVE FRÉDÉRIX   Brussel, 30 april 1864.
Geachte heer,

Ik zou het zeer op prijs stellen indien u aanwezig wilt zijn bij mijn lezing van maandag 2 mei, over Eugène Delacroix.
Met de meeste hoogachting,                          Charles Baudelaire.

AAN ALBERT LACROIX Brussel, 30 april 1864.
Geachte heer,

Ik zou het zeer op prijs stellen indien u aanwezig wilt zijn bij mijn lezing van maandag (2 mei) over Eugène Delacroix.
Met de meeste hoogachting,        Charles Baudelaire.

AAN GUSTAVE FRÉDÉRIX Brussel, woensdag  4 mei 1864.
Geachte heer,

Gisterenavond vond ik, in L’Indépendance belge, een aardig en meer dan welwillend bericht, over mijn eerste lezing. Ik heb geïnformeerd, en toen kwam ik te weten dat de ondertekening G.F. de uwe was.
Mijnheer, neemt u mijn oprechte hartelijke dank in ontvangst met evenveel energie als het plezier dat die regels me gedaan hebben.

                        Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK       Brussel, vrijdag 6 mei 1864.
Lieve moeder,

Ik was verplicht twee dagen naar het platteland te gaan bij enkele dames. Gisterenavond heb ik je mooie brief gevonden die de 3e in de avond was aangekomen. Daarom krijg je deze (die vanavond wordt verzonden) morgenavond. Een dag en een nacht.
Hierbij een bericht dat verschenen is over mijn eerste lezing. Men zegt hier dat het een enorm succes is. Maar, onder ons gezegd, alles gaat fout. Ik ben te laat aangekomen. Er is hier een grote vrekkigheid en een oneindige traagheid in allerlei dingen, een immense massa aan leeghoofden; om het samen te vatten, al die mensen hier zijn nog dommer dan in Frankrijk.
Geen krediet; geen enkel krediet; wat misschien wel heel erg gelukkig is vor mij.
Aanstaande woensdag geef ik weer een lezing. De winterreserves van le Cercle waren op, zei men, en omdat het echte doel van mijn reis was om de boekhandelaar Lacroix te verleiden om hem drie boeken te verkopen, heb ik de prijs van 50 frank per lezing geaccepteerd (in plaats van 200 of 100). Helaas was die Lacroix in Parijs. Ik heb zojuist gebedeld om er nog drie gratis te mogen gaan geven voor de tijd dat hij weer terugkomt, maar ik vertel mijn doel aan niemand.
Ik heb naar de Cercles van Antwerpen, Brugge, Luik en Gent brieven laten sturen, om hen te verwittigen van mijn aanwezigheid hier. Ik heb nog geen antwoorden gekregen.

Mijn proces zal niet plaatsvinden.  Oef! Dat was één van de dingen die me het meest kwelden.
In de provincies zijn lezingen 80 en 100 frank.
Al mijn doelen zijn vervuld, althans ik zal alles doen wat ik moet doen. Ik wil dat me niets verweten kan worden.
Mijn doelen zijn:
(Zoveel mogelijk) geld met de lezingen binnenslepen, en met Lacroix onderhandelen voor drie boeken.
En ook, voor alles, het werk afmaken waarmee ik al begonnen was (Le Spleen de Paris, Les Contemporains).
Je ziet, ik krijg het heel druk. Als ik lezingen in de provincie ga geven, dan kan dat, natuurlijk, mijn verblijf verlengen tot eind juni.
Ga dus naar Parijs, en, ik smeek je om genade, KIJK HEEL GOED UIT VOOR DE RIJTUIGEN.
Ik accepteer je aanbod van 50 frank, want er heerst hier een zodanig wantouwen dat je niet kan leven als je niet alles contant betaalt. Maak je niet al te druk om die affaire Ancelle. Als ik mijn drie boeken kan verkopen, en als ik die goed verkoop, dan geef ik hem geld terug, en dan zal ik die achterstand in één keer tenietdoen.
Je vertelt me niet of je die kist nu hebt ontvangen, waarvan hierbij het reçu.
Ik denk dat een briefje van 50 frank in een aangetekende brief beter is (als geldbesparing) dan een postwissel van 50 frank. De kosten van wissels zijn nogal hoog. Voor het overige, de Franse postwissel is betaalbaar op Belgische postkantoren, en wederzijds. (Er zijn nu bankbiljetten van 50 frank.)
Ik houd van je met heel mijn hart, en des te meer omdat ik voel hoeveel pijn ik je doe. Ik beloof je dat ik je vaak zal schrijven.
                        Charles.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, zaterdag 11 juni 1864.
Lieve moeder,
 
Je bent helemaal niet in de steek gelaten en verwaarloosd, maar je bent een vrouw, en je bent nerveus. En ik heb er een grote hekel aan om je te schrijven als ik alleen maar erge dingen te vertellen heb. Daarbij ben ik vreselijk druk; ik zit vol ongerustheid over de toekomst, over Parijs, over een boek dat gedrukt wordt waar ik niet bij ben, en waarvan ik de drukproeven steeds maar heel onregelmatig ontvang; en ook nog, zonder al mijn beproevingen mee te tellen, ben ik sinds de laatste zes weken constant ziek geweest, zowel lichamelijk als geestelijk.
Om maar meteen op het onderwerp van je brief te antwoorden, dat is ja, omdat ik vermoed dat je dat plezier doet. Maar het is wel heel stom. Het enige wat ik wel wil is dat niemand aan die dozen komt. Ik weet niet eens meer waar al die papieren liggen, schrijfwerk, zakenpapieren, etc…., en ik weet niet waar mijn sleutels gebleven zijn. Dan kom ik wel wat later naar Honfleur toe, dat is alles. Het is niet om mijn schoonzus te ontwijken, maar ik heb toch wel recht op wat rust, en ik zou me dan veel te slecht voelen. Vertel me wanneer mijn schoonzus komt, en hoelang ze dan blijft. Nou, ik denk dat mijn zaken een zodanige draai aan het nemen zijn dat ik wat langer moet blijven dan ik dacht. Ik wilde de 20e weggaan; maar omdat ik nu ineens wel de kost móet verdienen, en ik niet Parijs door kan zonder geld uit te delen, heb ik bedacht om een boek te maken van mijn reis, verdeeld in een reeks brieven die waarschijnlijk in de Figaro zullen verschijnen. En daarna ga ik het boek in de verkoop brengen. Dat is nu pas moed; maar daarvoor moet ik naar Antwerpen, Gent, Luik, Namen, Audenarde en Brugge snellen; ik moet gaan kijken en vragen stellen; en als je eens wist met wat voor bruten ik hier te maken heb!
(Zou je, zonder je armzalige budget overhoop te halen, me een klein bedragje kunnen sturen, 100 of 200 of zelfs 50?)
Zodra we eenmaal samenwonen, wil ik alles, al het mogelijke doen om mijn lot te verbeteren, en om mezelf te redden; want ik wil die Raad van Toezicht niet meer; ik wil mijn verdere leven helemaal besteden aan werken, en jou te vermaken, en ik wil niet in armoede sterven.
Dan nu het verslag van mijn treurige heldenfeiten (triest tot nu toe) en dan kun je zelf oordelen of het mijn schuld is.
Ik was hier gekomen voor een boekhandelaar, om hem 3 boeken voor vijf jaar aan te bieden, en om hem daarvoor 20 000 frank te vragen of anders de hoogst mogelijke prijs per uitgave, ervan uitgaande dat er een reeks uitgaven zou komen.
Die vijf lezingen die ik gegeven heb waren alleen maar voor hem. Hij heeft vijf uitnodigingen gekregen, en hij is niet gekomen.
Die voordrachten (de laatste was op 23 mei), waren misschien wel verschrikkelijk lang, het dubbele van wat gebruikelijk is, twee uur in plaats van een, maar die hadden zo’n groot succes, dat men zich niet kon herinneren ooit iets dergelijks gezien te hebben.
In het begin was ik grootmoedig, toen ze het hadden over de voorwaarden: “Doe het maar zoals u het wilt; ik ben niet goed in het bespreken van dat soort zaken.” Dat was wat ik gezegd heb. Toen kreeg ik een vaag antwoord van dat het 100 frank zou zijn. Ze zeiden tegen me dat ze naar de Cercles van Luik, Gent, Antwerpen en Brugge zouden schrijven. Maar, ze hebben daar zo lang over gedaan dat het seizoen voorbij was. Op 24 mei kwam er een deurwaarder van de Cercle bij me langs met 100 frank (in plaats van 500), plus een brief, waarin mijn duidelijke minachting voor geld veel te letterlijk werd genomen, en daarin stond dat aan het eind van het seizoen de reserves uit de kas op waren, maar dat ze een goede herinnering aan mij hadden overgehouden, en dat ze me volgend jaar zouden vergoeden. Dat zijn nu de mensen van de nette wereld, advocaten, kunstenaars, magistraten, mensen die zo op het eerste gezicht heel netjes opgevoed zijn, en die duidelijk een buitenlander oplichten die aan hen is overgelever.
Wat moet ik doen! Geen schriftelijke overeenkomst! Hier schaadt onfatsoenlijk gedrag niemand, het is juist een vaardigheid. Het geld naar de armen sturen zou de cercle beledigd hebben, en iedereen tegen me in het harnas jagen. Goed, ik had verschrikkelijk hard geld nodig; dus, de 24e heb ik het hotel betaald, en ik had 3 stuivers te weinig.

Je denkt misschien dat mijn ongeluk daarmee ophoudt. Helemaal niet.
Plotseling was er het gerucht dat ik van de Franse politie was!! Dat laaghartige bericht komt uit Parijs, en is door iemand uit de bende van V. Hugo verspreid, die heel goed de domheid en de goedgelovigheid van de Belgen kent. Het is wraak aan de hand van een brief die ik gepubliceerd had in Parijs, waarin ik spotte met het fameuze Shakespeare banket. – Misschien begrijp je het niet. – 
Maar nu, die boekhandelaar in kwestie is ook de boekhandelaar van V. Hugo, en ik ben geneigd te denken dat hij niet naar de voordrachten is geweest omdat iemand hem voor mij heeft gewaarschuwd.
Hoe dan ook, ik zal er toch een einde aan moeten maken, en maandag wil ik alles op alles zetten, met een lezing die ik zelf heb georganiseerd, bij een wisselagent die me zijn salon leent.
Ik heb zojuist een zesde uitnodiging naar de boekverkoper Lacroix gestuurd. Ik heb ook zojuist een uitnodiging naar de minister van het Koningshuis gestuurd, bij wie ik overigens heel vriendelijk ontvangen ben. Ik wil mensen van gegoede klasse. Ik wil een zichtbare reparatie van die achterlijke lasterpraat.
Het heeft me heel wat moeite gekost om je dit allemaal te schrijven. Ik houd van je en ik zend je veel liefs.
Je laatste brief was niet goed gefrankeerd. Laat me geen schulden bij de conciërge maken.
Je krijgt deze brief morgenavond, zondag; als je me maandag voor vijf uur terugschrijft, dan krijg ik je brief dinsdagavond.
                                Charles.

En Le Fracasse, vind je dat leuk? Er zitten verbazingwekkende juweeltjes in.
Ik heb Antwerpen gezien. Het is geweldig. Maar de bevolking is nog grover dan hier. Alles is misschien nog niet verloren. Wie weet?

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS   Brussel, 14 juni 1864.
Beste vriend,

Is het over het algemeen, voor het formaat van dertig pagina’s per vel, gebruikelijk dat er dan TWEE vellen tegelijk van gedrukt worden?
Dit is heel belangrijk voor me.
Dat betekent dat Michel me de tweede drukproef van het eerste vel zou moeten terugsturen, en ik die dus maar niet krijg, hoewel ik wel de eerste drukproef van het tweede vel heb ontvangen.
Ik ben heel erg ongerust; ik schrijf brief na brief. Ik ga ook de telegraaf gebruiken, net als Arthur voor zijn engeltjes…
Antwoord me, alstublieft.
Niets van Rops gehoord?
Uw toegewijde,
                                        C.B.

AAN NOËL PARFAIT            Brussel, donderdag 16 juni 1864.         Twaalf uur ’s middags.
Beste Parfait,

Ik dacht dat ik iets geweldigs deed in mijn ongeduld, door u gisterenmiddag rond twaalf uur een getelegrafeerd schrijven te sturen en een antwoord vooruit te betalen dat ik niet ontvangen heb.
Uw stilte zou me gerust kunnen stellen. Want ik herinner me dat ik u schreef: antwoord me niet indien er niets veranderd is in onze afspraken. Maar aan de andere kant kan ik ook veronderstellen dat drukproeven soms kwijtraken, maar in ieder geval heb ik het recht om die slome drukker te vinden. Twee weken zonder iets terug te sturen! Ik heb nu veel vrije tijd, en ik verveel me. Tegelijkertijd durf ik ook geen excursies te gaan maken in het land voordat ik heel Marie Roget gecorrigeerd heb, dat het moeilijkste deel is van het boek.
Zeg tegen Michel dat ik begonnen ben met het kleine boek over België, en het zal niet lijken op alles wat er tot nu toe over hetzelfde onderwerp gemaakt is. Ik ben van plan om het hem aan te bieden bij mijn terugkeer. Ik neem aan dat het hem niet uitmaakt dat ik er een aantal fragmenten van in Le Figaro publiceer. Maar toch, als ik wist dat het beter voor hem zou zijn om een geheel onuitgegeven manuscript in handen te hebben, dan zou ik het niet publiceren. Ik heb al heel veel aantekeningen.
Belaag de drukker maar. En als u mij alles wat er nog van Marie Roget ligt in één keer kan sturen, zou u me en groot plezier doen.
Ik heb alleen het eerste vel maar voor de tweede keer kunnen herlezen.
Uw toegewijde,
                        C.B.

AAN MADAME AUPICK            Brussel, donderdag 16 juni 1864.
Lieve goede moeder van me,

Geweldige mama, ik dank je voor je aangetekende brief, die ik gisteren, woensdagochtend pas heb gekregen, hoewel hij al dinsdagavond was aangekomen. Hier is het zo dat de directeur van de post je een kennisgeving stuurt bij een aangetekende brief, en dan moet je zelf je brief bij het grote postkantoor gaan afhalen.
Ik heb een dag gewacht met je terug te schrijven, omdat ik hoopte dat ik je nieuws kon vertellen. Ik kom bij huize Lacroix vandaan, bij Verboeckhoven en Compagnie. Niets. Ik krijg aanstaande donderdag pas antwoord. Ik geloof niet dat er iets goeds uitkomt. Ik ga elke dag om negen uur naar bed, en ik sta om vijf uur op, en ik ga een boekje schrijven met gedachten over mijn reis.
Ik wilde Lacroix niet zien, een man die zes uitnodigingen heeft afgeslagen, en die me niet eens een excuusbrief heeft gestuurd. Daarstraks ben ik langs hem gelopen, in zijn kantoor, zonder hem te groeten, en ik heb alleen maar gesproken met zijn zakenpartner Verboeckhoven, de zoon van de beroemde Belgische schilder.
En dan dat fameuze avondje!! Ah, dat was me toch grappig zeg, zo grappig, om je te besterven van het lachen.
Ik vertrouw maar op mijn goede ster, en ik werk… Ik wil je vóór morgenavond een brief van vier pagina’s schrijven, langzaam, en dan moet mijn hoofd rustig zijn. Ik weet zeker, ik krijg dat niet uit mijn hoofd, dat die Lacroix orders uit Parijs heeft gehad; ik heb dus vijanden. Wat een eer! Maar, mijn hemel! Waarmee heb ik die verdiend dan?
Je hebt er geen idee van hoe intelligent je bent geweest door toe te geven aan een moment van spilzucht.
Veel liefs.
                        Charles.
Mijn buik en mijn slaap zijn nog steeds niet in orde. En bij jou?

AAN MADAME AUPICK  Brussel, vrijdag 17 juni 1864.
Lieve moeder,

Het is 6 uur, het was verkeerd van me om je vanochtend niet te schrijven. Ik heb een belangrijk besluit genomen. Ik zie niemand meer. Die Fransman, een vriend van me met wie ik wat afleiding had naast die gemene Belgen, is vertrokken. Ik ben alleen nu; ik sta vroeg op ’s ochtends; en ik werk.
Donderdag weet ik hoe mijn lot eruit ziet.
Dan nu het verslag van die fameuze avond: vijftien personen waren door mij uitgenodigd, daarvan zijn er maar vijf gekomen; wel de besten, maar die hebben geen invloed; en er waren er maar twee, de minister en de directeur van L’Indépendance belge, die zich per brief verontschuldigd hebben; vijftien mensen, door de heer des huizes uitgenodigd, en er kwamen er maar vijf. Beeld je even in, drie enorme salons, verlicht met kroonluchters, lampenstandaards, gedecoreerd met fantastische schilderijen, een absurde overdaad aan wijn en taartjes; dat alles voor tien of twaalf zeer trieste personen?
Een journalist die zich naar me toe boog zei tegen me: “er zit in uw werk iets CHRISTELIJKS dat niet goed genoeg is opgemerkt.” Aan de andere kant van de salon op de bank met de wisselagenten, hoor ik wat geroezemoes. Die heren zeiden: “Hij zegt dat wij ACHTERLIJK zijn!”
Dat is nu de Belgische intelligentie en het Belgische fatsoen.
Toen ik zag dat ik iedereen verveelde, stopte ik met mijn voordracht en ben gaan eten en drinken, en mijn vijf vrienden schaamden zich en waren van hun stuk gebracht, ik lachte als enige.
Je was erg intelligent, zoals ik je al zei: 100 frank voor mijn hotel, 50 voor een schoenmaker die me lastig viel (hier is het niet mogelijk om in het krijt te staan) – en dan 50 frank opzij zetten voor de kleine dagelijkse uitgaven.
Mijn zenuwtoestand is onverdraaglijk; maar ik denk aan die verschrikkelijke toekomst, en ik wil God en mijn geluk aan mijn kant hebben staan.
Veel liefs.
                                Charles.

Het is waar dat een van de aandeelhouders van huize Lacroix naar een van mijn voordrachten is gekomen, en hij heeft een afsprak voor me geregeld met Verboeckhoven, en dat was gisteren, donderdag. Maar Lacroix heeft de beslissende stem, vrees ik.
Als mijn onderzoek naar Belgie tot een goed resultaat leidt, dan zul je hele grappige dingen zien, die nog nooit iemand heeft durven vertellen.

AAN NARCISSE ANCELLE            Brussel, 14 juli 1864.
Beste Ancelle,

Alles is mislukt. Een spion kan in een stad die zo wantrouwend is, niet slagen. Ik ben twee en een halve maand ziek geweest (constant diarree, hartkloppingen, maagkrampen)! Mooie reis! Maar toch wil ik er iets aan hebben gehad, en ik maak dan ook een boek over België, waarvan er stukken in Le Figaro zullen komen. De zedenkwestie (zeden, politiek, geestelijken, vrije denkers) is al geredigeerd ! Nu moet ik nog naar Antwerpen, Brugge, Namen, Luik, Gent, etc. eigenlijk zou ik er een heel amusant boek van kunnen maken, hoewel ik me erg verveel. Alles was hier tegen me. Alles heeft me geschaad, met name mijn zichtbare sympathie voor Jezuïeten. U weet waarschijnlijk wel in wat voor buitengewone situatie de Kamer en het ministerie zich bevinden. Ik hoopte op geweerschoten en barricades. Maar dit volk is te dom om voor ideeën te vechten. Als het om een prijsverhoging voor bier zou gaan, dan zou het wat anders zijn.
Stuur me maar meteen de 150 frank voor augustus. Ik ga het verdelen tussen het hotel en mezelf, en ik hou net genoeg apart om vijf steden te bezoeken. Tot mijn grote geluk zijn de afstanden heel kort, en het levensonderhoud (gruwelijk slecht overigens) heel goedkoop.
Ik reken erop dat ik uw 150 frank zaterdag ochtend krijg. Dan vertrek ik zondagochtend. Vergeet niet dat ik al zes weken niets bij u heb afgenomen.

De herinnering aan het avontuur met Proudhon is hier nog hel levendig, en ik zal het daar over hebben. Ik heb in de gegoede kringen (!) de gedeputeerde ontmoet die het meest heeft bijgedragen aan die walgelijke oproer.
Ik zal nog hier zijn wanneer in Parijs mijn eerste fragmenten zullen verschijnen. En, Le Figaro wordt hier bij Le Cercle zeer gelezen. Ik zie zelf niemand meer, en ik laat mijn minachting voor iedereen niet ongezien.
Toch ga ik proberen om de aartsbisschop van Malines te ontmoeten. Ik heb de klok van de vrije denkers aangehoord; nu wil ik de andere klok aanhoren.
Ik bezit nu heel lichtjes de kwestie van de liefdadigheid, de kwestie van de subsidies, de onderwijskwestie, de kwestie van het kiesrecht, de kwestie Antwerpen en de kerkhovenkwesties. Etc………
Wat een idioot en lomp volk!
Hier hebben de Jezuïeten alles gedaan, en iedereen is ondankbaar tegenover hen.
En nu, om de waarheid te vertellen, moet er toegegeven worden dat het geestelijke hier heel lomp en heel grof is. Helaas! Hij is een Vlaming.
Als u maar niet op reis bent!
Uw toegewijde,

                        C.B.

Ik ga nu al die vuiligheden aan de kant zetten, en me een beetje met schilderkunst en architectuur bezighouden. Indien u afwezig bent, laat iemand mij dan toch geld sturen.
Ik ben 15 augustus weer in Frankrijk terug.

U krijgt dit vrijdagochtend – denk aan mij vóór vijf uur.

AANMADAME AUPICK          Brussel, 31 juli 1864.
Lieve moeder,

Ik wil nog om een maand verblijf in Brussel vragen, voordat ik me in Honfleur ga vestigen. Ik ben nu eenmaal aan dat vervloekte boek begonnen, en ik moet het afmaken. Al mijn aantekeningen over Brussel zijn aangenomen; vijf hoofdstukken zijn al geredigeerd; maar ik moet nog wat door de provincies reizen. Twee weken is genoeg. Luik, Gent, Namen, Antwerpen, Malines, Brugge vooral, zal een tijdverdrijf voor me zijn. Ik heb uitgerekend dat ik die reis heel goedkoop kan maken; 150 frank is genoeg. De Spoorwegen zijn wel duur, maar de afstanden zijn zo kort!
Ik ben verplicht om weer een beroep op je welwillendheid te doen, als het tenminste mogelijk is (want ik ben naar jou toe altijd een kind dat zich schaamt). Ik zal doen wat ik kan om je in september een gedeelte van die brieven te brengen. Als je me niet te hulp kunt komen, dan zal ik proberen, al weet ik nog niet hoe, mijn plannen toch koppig te volbrengen en mijn uitgaven te bekostigen, hoe klein die ook zijn. Mijn drie dringende behoeften zijn momenteel: wat geld aan het hotel geven, - naar Parijs gaan om enkele dringende zaken af te handelen, - en een schuldeiser te kalmeren met een aanbetaling, omdat die mijn leven tot een hel maakt (ik krijg de bibbers als ik denk dat ik naar Parijs moet). De laatste tijd heb ik om aan bepaalde behoeften tegemoet te komen, kennis moeten maken met de Brusselse lommerd, en nu heb ik bepaalde voorwerpen nodig; - en tenslotte een rondreis door de provincie maken; maar dat is het minst dringend; want ik heb nog wel tien dagen werk aan mijn aantekeningen over Brussel.
Mijn brieven kunnen me nu nog geen geld opleveren; want ik heb alles weloverwogen overlegd, bij mezelf en met een Fransman samen die ik om raad heb gevraagd, en de conclusie was dat zelfs als de zaak besloten was, ze niet zouden verschijnen zolang ik hier ben. Die brieven zijn zeer vernederend voor België, en een man, die veel beroemder is dan ik, mijnheer Proudhon, is hier weggejaagd als een gestenigde, omdat hij het zich gepermitteerd had om een paar heel onschuldige grapjes te maken in een krant. Ik denk dat het goed is als ik een etmaal naar Parijs ga, dat ik me, om het zo eens te zeggen, in het hol van de leeuw ga gooien. De zaak voor de brieven sluiten met Le Figaro, een boekverkoper zoeken om het in boekvorm te drukken, een boekverkoper zoeken voor het drukken van de drie boeken die ik in België was komen verkopen, dat zijn belangrijke dingen. Zou het soms zo zijn dat mijn naam geen enkele waarde meer heeft, en dat die drie boeken met curieuze artikelen onverkoopbaar blijken? Nee, dat kan toch niet. Maar toch ben ik zo ontmoedigd dat ik soms geneigd ben het te geloven. Ah! Als ik mijn lichaam en geest weer wat kan opvijzelen, dan ga ik wraak nemen op dit grove volk, en ondertussen wacht ik tot ik voldoende autoriteit heb om te zeggen wat ik van Frankrijk zelf denk.
(23 juni hoorde ik uit de mond van mijnheer Lacroix dat mijn zaak niet mogelijk was. Dit werd beleefd gezegd, met heel veel redenen die ik later geverifieerd heb en leugens bleken te zijn. En hij heeft me ook om een roman gevraagd. Wat een hypocriet! Hij weet heel goed dat ik die niet heb.)
Naar Parijs gaan maakt me bang en toch is dat het moedigst, en het veiligste. Ik schrijf zoveel brieven, en daar krijg ik geen antwoord op. Als je eens wist hoe kwaad je wordt wanneer je volledig geïsoleerd bent, en opgesloten in een vijandige omgeving, zonder conversaties, zonder enig plezier, en wanneer niemand van degenen die je nodig hebt je een antwoord geeft!
Ik ben verbaasd dat ik het weinige dat ik gedaan heb, heb kunnen doen (al mijn aantekeningen maken, en de vellen corrigeren van een boek dat in Parijs wordt gedrukt) in de geestestoestand en gezondheidstoestand waarin ik al meer dan twee maanden verkeer; ik heb me nog nooit zo slecht en zwak gevoeld. Drie maanden constant diarree, heel af en toe onderbroken door onverdraaglijke verstoppingen, dat is niet echt iets dat je geest versterkt. Die hartkloppingen en die maagproblemen die zijn verdwenen, en ik weet niet hoe. Voor de rest zit er niets origineels in mijn wapenfeit. Verschillende Fransen die ik heb gesproken hadden allemaal die diarree, die ik toeschrijf aan het klimaat en het gebruik van het Faro.
Ze komen allemaal snel terug op Engels bier of Franse wijn. Een karaf faro kost 2 stuivers, Engels bier 30 stuivers, en Bordeaux 3 frank per fles. Maar bij mij bleef de kwaal bestaan, en het enige goede dat ik er aan heb gehad is dat ik extreem nuchter blijven wil. Zelfs als ik me goed zou voelen, dan ga ik walgend aan tafel, zo flauw en monotoon is die keuken hier. Ik wed dat je me een hele stapel farmaceutische recepten gaat toesturen, maar die hoef ik niet. Ik ga mezelf wel in september genezen.
Ik denk dat ik er goed aan doe om de moed op te vatten om naar Parijs te gaan. Ik heb artikelen gestuurd naar La Vie parisienne. Geen antwoord gehad! Naar L’Opinion nationale, geen antwoord! Naar Le Monde illustré, geen antwoord ! Eigenlijk hebben die mensen er geen idee van hoe kwellend het is voor iemand die helemaal alleen zit opgesloten bij een vervelend volk en die gespeend is van informatie die hij zeer hard nodig heeft.
Ik stel het eind van deze brief uit naar een ander moment. Ik heb trouwens helemaal geen haast om hem op te sturen. Ik zou je liever aangename dingen vertellen!
Ik hoop dat ik het niet onvermijdelijk wordt voor me om naar Parijs te gaan. Dat vind ik zo vervelend! Een vriend van mij, die hier moest zijn, zei dat hij de kwestie bij Le Figaro aan wilde kaarten, en er zelfs geld uit wil halen, door de voorwaarde op te leggen dat de brieven pas bij mijn terugkeer zouden verschijnen.

                            C.B.

AAN MADAME AUPICK                    Brussel, 8 augustus 1864.
Geen enkel antwoord uit Parijs gehad, geen een, geen enkel!
Op 3 augustus kreeg ik ’s avonds nogal laat een kennisgeving van de post waarin stond dat ik een aangetekende brief moest gaan ophalen. Dat gaat hier zo, met aangetekende brieven. Ik had niemand geschreven dat ik geld nodig had. Op 4 augustus ’s ochtends werd de brief me geweigerd, omdat ik niet kon zeggen waar de brief vandaan kwam. Je ziet dus dat die brief, zelfs als ik er niet was geweest, geen enkel gevaar liep. Toen heb ik dus nagedacht en kwam ik erachter dat jij de enige op de hele wereld was die me geld op kon sturen voordat ik er om zou vragen. Toen heb ik wat oude brieven van jou meegenomen en toen ze zagen dat het hetzelfde handschrift was, hebben ze me de brief meegegeven.
Die 50 frank hadden een oneindig mooie gratie, en ik was er helemaal vertederd door. Maar nu begrijp je misschien mijn twijfel om je te antwoorden. Moest ik mijn begonnen brief vernietigen? Die 50 frank waren misschien wel een onthouding, een teken van armoede? Maar toch, toen heb ik nagedacht en dacht ik dat al met al je me het zou vergeven dat ik je al mijn problemen vertel; en omdat je het plan had om mijn schuld bij Ancelle beetje bij beetje te verminderen, je het misschien belangrijker zou vinden om je met mijn huidige situatie bezig te houden, want mijnheer Ancelle die betaalt zichzelf met gemak terug uiteindelijk, wanneer ik bij je kom wonen.
Wat heb ik zin om weer in mijn eigen kamer te zitten! En al mijn paperassen en mijn etsen weer te zien! Maar soms word ik zo triest, dat ik me inbeeld dat ik Honfleur nooit meer terug zal zien. Ga dat nu niet zien als een voorteken. Dat zijn denkbeelden die alleen in me opkomen in slechte momenten.
Ik ga verder met mijn brief. Die wordt lang. Ik heb je links laten liggen omdat ik het ten eerste onverdraaglijk vind om treurige gevoelens te vertellen, en ten tweede omdat ik wist dat mijn schoonzus bij je was. Voor jou ongetwijfeld een grote verlichting. Zij is geestig, en is ook wel zo soepel, dacht ik, dat zij open kan staan voor andermans geest. En dat is iets waar het mij totaal aan ontbreekt.
Dacht je soms dat ik, zonder een woord geschiedenis te kennen, en ik heb er trouwens een afschuwelijke hekel aan, dacht je dat ik het geduld zou hebben gehad om 2400 pagina’s te lezen van een onverteerbaar boek om me een beetje op de hoogte te brengen van de geschiedenis van dit gemene volk? Een trieste geschiedenis overigens.
Sinds 11 juli is alles hier in rep en roer. De Kamer is ontbonden, en er worden nieuwe verkiezingen voorbereid. Dat is een lelijk schouwspel. Arbeiders uit Parijs zijn prinsen in vergelijking met de prinsen uit dit land. Ondanks mijn afschuw heb ik een aantal verkiezingsbijeenkomsten bijgewoond. Ik heb tot mijn vreugde de kandidatuur van mijnheer Lacroix neer zien gaan. In een club waar hij op zijn Vlaams drie uur lang werd uitgescholden, dat zegt alles. Ik was zo laaghartig om mijn gejuich te mengen met die van zijn tegenstanders. Het is dus begerenswaardig om gedeputeerde te worden, het is dus heel glorieus, want je moet het accepteren om zulke beledigingen te slikken!
Ik hoopte op een paar geweerschoten op straat. Maar dat was weer een idee van een Fransman. Dit volk zou alleen maar in opstand komen, denk ik, als de prijs van het faro of de aardappels omhoog zou gaan.

Ik heb je geloof ik verteld dat ik me weer met Malassis heb verzoend. Dat is een grote doorn die uit mijn voet is hoor. Ik ben ook weer op goede voet met Hetzel, die kwam hier langs, en hij heeft me tot eind september gegeven om hem Les Fleurs du mal te leveren met uitbreiding, en Le Spleen de Paris , die ik in Honfleur wil afmaken. Ah! Wat een vreugde zal dat zijn als het af is! Ik ben zo verzwakt, ik walg zo van alles en van mezelf, dat ik soms denk dat ik nooit dat boek af zal kunnen maken dat ik al zo lang geleden heb onderbroken, maar waarvoor ik toch al zolang het idee koester.
Die Histoires grotesques et sérieuses lopen goed, ze verschijnen in september. Ik heb zes van de tien vellen gecorrigeerd.

Ik wil mijn brief vanochtend de tiende afmaken. Je begrijpt waarschijnlijk helemaal niets van mijn lange stilte.
Vandaag nog ga ik naar Parijs schrijven, 1e. naar een literair agent die zich met zaken bezighoudt; ik ga hem vragen of hij mijn drie boeken wil verkopen, Paradis, Contemporains; 2e. aan een van mijn vrienden, om hem te verzoeken of hij aan mijn schuldeiser waar ik zo bang voor ben * de opbrengst van de artikelen wil geven die ik bij La Vie parisienne heb afgegeven. Ik betwijfel of hij dat kan.
Voor die brieven, ik denk dat ik dat zelf zal moeten gaan doen. Vergeet je niet om de groeten te doen aan mijn schoonzus. Ze denkt waarschijnlijk (ik moet steeds maar denken dat men van alles over mij denkt) dat ik geen enkele genegenheid voor haar heb. Maar ik zou haar al minstens heel erg dankbaar moeten zijn voor de zorg die zij voor jou heeft om je problemen te verminderen.
In een van je brieven, degene die volgde op mijn bedankjes voor je 200 frank, was je ongerust over mijn uitgaven. Dit is mijn exacte situatie:

Ik heb ontvangen

Van Le Cercle artistique 100
                    Van jou      50
                                     200
                                     50
              Ancelle            200
                                     600
Ik zou per dag moeten uitgeven:

                  Kamer          2
                  Lunch           2
                  Avondeten    2,50
                  Zonder wijn
                                    ____
                                    6,50
               met wijn        3
                                    9,50

Maar ik geef maar hooguit 7 frank uit, want, als ik wijn drink, dan eet ik niet, en met reden.
Dus, met die berekening zou ik 7 keer 115 (het zijn al 115 dagen!) hebben uitgegeven, dat wil zeggen, 805 frank.
En toch had ik 7 juli laatst maar 155 frank schuld. En sindsdien heb ik niets meer aan mijn hotel betaald.

Ze hebben hier mooie dingen van faience en porselein, en daarbij heb ik al vaak aan jou gedacht. Dat is nu echt weer mijn manier van doen, zie je wel? Aan kopen denken terwijl ik midden in zulke problemen zit! Maar de Belgische handelaars zijn nog meer afzetters dan alle anderen.
Als mijn agent uit Parijs me toch eens zo een contract kon laten krijgen voor mijn drie boeken, wat een opluchting zou dat zijn voor de rest van het jaar!
Les Lettres belges zou genoeg zijn om me uit de problemen van nu te halen, en ik zou zelfs iets over kunnen houden.
Veel liefs, ik omhels je niet alleen als mijn moeder, maar ook als het enige schepsel dat van me houdt.
                    Charles.

Je frankeert je brieven niet, althans niet genoeg.

AAN NARCISSE ANCELLE  Brussel, vrijdag 2 september 1864.
Beste vriend,

Ik hoopte gisterenochtend 31 augustus al te kunnen vertrekken en bij u ’s avonds te dineren; maar ik voel me er niet moedig genoeg voor; ik zou graag willen dat al mijn boeken verkocht zouden worden door mijn zakenagent die ik had gevraagd dat te doen in Parijs; ik wil hier nog even twee weken ongeveer als plant leven; en als laatst, om u de waarheid te zeggen, ik ben heel erg verzwakt door vier maanden diarree.
Ik ben tevreden over mijn boek; alles over de zeden, cultus, kunst en politiek is af. Er ontbreekt nog een opstel over mijn excursies in de provincie. Ik ga dat in Honfleur doen. Ik schrijf mijnheer de Villemessant dat hij niets moet publiceren voordat ik in Frankrijk terug ben. U kunt wel raden waarom. Ik sta hier slecht bekend. Trouwens, ik heb me niet ingehouden om hardop te zeggen wat ik denk. En de mensen weten ook wel dat ik overal aantekeningen maak.
Het Congrès de Malines is begonnen. Dat gaat ons ook aan. Mijnheer Dupanloup heeft hier met zijn redevoering over het openbaar onderwijs een grote indruk gemaakt. Mijnheer Dupanloup heeft er geen enkele moeite mee om in een land als dit beschouwd te worden als een hoogvlieger. Ik ken Malines, en als Malines niet in België lag en met Vlamingen bevolkt was, dan zou ik er wel willen wonen en vooral willen sterven. Wat een carillons, wat een klokken, wat een groen op straat, en wat een begijntjes!
Ik heb er een prachtige Jezuïetenkerk gevonden, die door niemand bezocht wordt. Enfin, ik was zo blij dat ik het heden even kon vergeten, en ik heb er oud Delfts aardewerk gekocht. Veel te duur natuurlijk, dat spreekt voor zich.
Dit hele volk is stom; alleen het verleden is interessant.

Zou u even een blik willen werpen op deze vreemde brief van mijnheer Arondel; hij wil me al (meer dan) twintig jaar afmaken, en hij weet nog steeds niet hoe mijn naam gespeld wordt.
U kent de affaire Arondel uit uw hoofd. Ik denk zeker dat ik 4000 frank van hem heb gehad. In mijn jeugd heb ik bij hem voor 15000 frank op aandelen ingeschreven. Hij heeft de schuldeis verkocht, of hij heeft 2400 frank geleend op de schuldeis van een zekere Raymond Matigny.
Antwoord me iets anders dan uw gebruikelijke verschrikkelijke zinnen die neerkomen op: niets. Wees zo goed me een serieuze raad te geven voor wat er gedaan zou kunnen worden om mij van die plaag van mijn leven af te helpen. Ik heb hem geantwoord dat al mijn onderhandelingen in België mislukt waren, en dat indien zijn Raymond Matigny de intentie had om me te vervolgen, ik dan niet naar Frankrijk terug zou gaan.
Serieus, ik wens niets liever dan terug te gaan; maar ik kijk nog even en ik moet ook nog wat werken. En mijn moeder! En mijn tuin! En mijn boeken! En mijn verzamelingen!
Ik heb een literair zakenagent opgedragen om de volgende drie werken voor me te verkopen (op voorwaarde dat hij ook een deel krijgt van de verkoop) : Paradis artificiels, Pauvre Belgique! en Réflexions sur mes contemporains. Ik wacht vol ongeduld op een antwoord; maar al die aspecten van het beroep interesseren u amper. Mocht ik per toeval de 25e nog hier zijn, wat zeer twijfelachtig is, dan zou ik met Nadar meegaan die me heel vriendelijk een plaatsje heeft aangeboden in zijn mand. Dit vuile volk ontvluchten in een luchtballon, neerstrijken in Oostenrijk, in Turkije misschien wel, ik vind alle uitstapjes wel leuk, als het me mijn verveling maar wegneemt. Ik heb hier Nadar en Hetzel gezien; die laatste heeft me twee maanden gegeven om Les Fleurs du mal en Le Spleen de Paris af te maken.
Hierbij 50 frank waar u zelf nog 150 aan toe moet voegen (waarvan hierbij het reçu gevoegd), en dan moet u dat alles in handen van mijn voormalig hotelbaas geven, mijnheer Jousset, rue d’Amsterdam. Het zou niet verkeerd zijn om een reçu van hem te vragen van 200 frank.
Vandaag nog, hoort u dat? Dat wil zeggen, morgen, immers ik schrijf u nu op de 2e. Ik smeek u, ga me niet de farce leveren door hier tien dagen over na te denken. Ik had dat geld al op 1 september moeten overbrengen of opsturen. Ik heb u al meer dan zes weken niets gevraagd.
Als die man u vragen zou stellen, ik ben hem nog meer geld schuldig, zeg dan gewoon: wat ik denk is dat de heer de Villemessant hem op mijn verzoek geld gaat geven. En stoor me niet.
Ik moet drie of vier dagen in Parijs doorbrengen. Ik kan absoluut niet beslissen op welke dag ik wegga. Mijn maag en mijn buik zijn in volle revolutie.
Die 200 frank meteen naar Jousset. En schrijf me terug over Arondel.

Histoires grotesques et sérieuses komt uit. Eindelijk! Als u eens wist wat een martelgang dat is, een boek corrigeren vanuit het buitenland, met een absurde wet op poststukken, en zonder informatiebronnen! Brussel wordt zeer onterecht als een hoofdstad beschouwd. De echte hoofdstad zou Antwerpen moeten zijn, als een hoofdstad enkel een gewoon handelscentrum kon zijn.
Ik wil u met klem bedanken voor alle aandacht die u altijd voor me heeft gehad, en die ik soms betaald heb met een beetje ruwheid.
Doet u de hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle, en ik zou bijna gaan zeggen, met een onvergeeflijke onnadenkendheid: en aan uw moeder. Ah! Beste vriend, mijn hersenen zitten soms vol met zwartheid; zou ik mijn moeder net zolang mogen hebben als u de uwe heeft behouden?
                                    C.B.
Jousset,
Rue d’Amsterdam 22.

Indien u morgen de 3e niet naar Parijs gaat, stuur dan een boodschappenjongen met de 200 frank.
Reçu van mijnheer Ancelle de somma van honderdvijftig frank voor de maand september 1864.

Brussel
d.d 2 september
1864
                                Charles Baudelaire
                                Grand Miroir,
Rue de la Montagne .

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS    Brussel, 31 oktober 1864 – middernacht - .
Waarde,

Ik ben zo ongelukkig door dit leven van verspilling zonder plezier, dat ik als middel om me te dwingen thuis te blijven en me van andere besognes te verlichten, het bizarre werk dat u mij voorstelt accepteer. Laat stroken plakken naast de marges van uw vertaling, en geef mij een Latijnse uitgave en twee lexicons. Voor het salaris, wat u maar wilt; betaling, zoals u wilt, in geld of wissels, of anders mee te tellen als aftrek van mijn schuld. Ik voeg er niettemin het volgende aan toe, en dat is dat ik hoop dat dit u zal aanmoedigen mij het Satyricon toe te vertrouwen, een opdracht waar ik met trots mijn naam op zou willen zien staan, en een kritiekwerk over Laclos.
Uw toegewijde,
                    C.B.

Heeft u wel twee Latijnse versies? Het zou mooi zijn indien degene die u mij leent geen waarde heeft en vies mag worden door potlood. Brede marges. Een vel briefpapier.

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact