Baudelaire 1866

Charles Baudelaire 1866

AAN MADAME AUPICK            

Brussel, 1 januari 1866.
 

Het gaat veel beter met me. Ik hoop dat ik mijn aandeel betaald heb aan de Belgische winter. Maar van die twee weken durende migraine heb ik wel een zwaar gemoed overgehouden, en vooral veel afwezigheid.
Je denkt dat je brief troostend is, maar ik word er ongerust van, heel erg ongerust.
Ben je vergeten dat jij lange tijd niemand wilde raadplegen en je je daardoor onlangs hebt blootgesteld aan een ernstige ziekte. Is er in Honfleur geen eerlijke arts, die in staat is om je goede gezondheidsadviezen te geven? Je gelatenheid doet me pijn. Ondanks het feit dat ouderdom de voornaamste ziekte is, moet er toch een manier zijn om je benen te stimuleren en ze sterker te maken. Ik weet zeker dat wij ons niet genoeg bekommeren om onze gezondheid, ik bedoel om ziektes te voorkomen.
Telkens wanneer je een uurtje voor jezelf hebt, schrijf me dan een paar regels. Dat doet me altijd zo'n plezier!
Lieve moeder, of je bent heel erg vergeetachtig, of ik heb me verkeerd uitgedrukt voor jou, dat je niet meer weet dat ik drie jaar geleden voor eeuwig voor een bedrag van 2000 frank dat in één keer betaald werd, al mijn rechten heb verkocht van mijn vijf vertaalde boeken. Dat heb ik je al twintig keer verteld. - Dat was een enorme vergissing van me, maar ik moest van de ene op de andere dag toen 1100 frank zien te vinden. Die boeken in kwestie zouden me gemiddeld 500 of 600 frank opleveren.
De boeken die nog in mijn eigendom zijn en waar Lemer voor zorgt om ze ergens onder te brengen (voor tijdelijk, dat wil zeggen voor een bepaalde tijd, of voor een bepaald aantal afgesproken exemplaren), zijn:
- Les Fleurs du mal
- Le Spleen de Paris.
(Behoudens 1200 frank die ik aan Hetzel terug moet betalen omdat hij me dat geleend had voor die twee boeken.)
- Les Paradis artificiels;
- Mes contemporains (2 delen);
- Belgique.
Bij elkaar 5 boeken, 6 delen.
Sinds juli beweert Lemer dat hij die boeken voor 800 frank per boek en per oplage van 2000 exemplaren zal verkopen. Als die 2000 exemplaren verkocht zijn, dan een nieuwe overeenkomst,  ofwel de vrijheid, voor de auteur en voor de uitgever, uit elkaar te gaan. Totaal 4800 frank.
Maar wanneer?
Ik kan niet meer. Eind januari ga ik wel naar Parijs om dit eindeloze mysterie uit te diepen, en dan zal ik jou ook even gedag komen zeggen.
Lieve moeder, ik omhels u, en ik smeek u om gezond te blijven.

                C.B.

AAN SAINTE- BEUVE                Brussel, dinsdag 2 januari 1866.
Beste vriend,

Ik heb gezien dat u voor het eerst van uw leven uw lichaam in eigen persoon aan het publiek heeft overgeleverd. Ik doel hiermee op een portret van u, gepubliceerd door L'Illustration. Dat lijkt wel erg op u zeg! Die ongedwongen air, spottend, en een beetje geconcentreerd, en zelfs het kleine kalotje is niet verborgen. Zal ik u zeggen dat ik me zodanig verveel, dat dit eenvoudige fotootje me zo goed deed? Deze zin lijkt wat brutaal. Maar het betekent gewoon dat bij het gevoel van in de steek gelaten te zijn door een paar oude vrienden uit Parijs (in het bijzonder Julien Lemer), uw afbeelding genoeg was om me van mijn verveling af te leiden. Wat zou ik er niet voor over hebben om binnen vijf minuten even in de rue Mont-Parnasse te zijn, om een uurtje met u over uw artikelen over Proudhon te praten; met u omdat u zelfs naar mensen kunt luisteren die jonger zijn dan u?
Geloof me, het is niet zo dat ik de reactie, in zijn voordeel, onterecht vind. Ik heb veel van hem gelezen, en hem ook een beetje gekend. Met de pen in zijn hand was het een goede rekel; maar hij is, en zal nooit, een Dandy geweest zijn, zelfs niet op papier! Dat is iets wat ik hem nooit zal vergeven. En dat is wat ik noem, ook al zou ik hier alle groten en alle denkers boos om maken, De Gevoelswereld.
Over uw werk zeg ik niets. U lijkt, meer dan ooit, op een biechtvader en een zielenknijper. Dat zeiden ze, geloof ik, ook van Sokrates ; maar de heren Baillarger en Lélut verklaarden, naar hun geweten, dat hij gek was.
Weer een nieuw jaar dat begonnen is, en dat vast net zo vervelend, stompzinnig, en net zo misdadig zal zijn als de voorgaande. Wat kan ik u voor goeds wensen? U bent een goed man, aardig, en (iets buitengewoons!) men begint u recht te doen ! (Er zijn hier maar twee personen met wie ik over u kan praten, maar dan wel op twee heel verschillende manieren, - Malassis en mevrouw Hugo.)
Toen ik in juli weer terug in Brussel was, dacht ik dat een Frans schrijver de gelegenheid niet voorbij mocht laten gaan om Victor Hugo een bezoekje te brengen. Dit gevoel komt voort uit mijn aangeboren beleefdheid, maar heeft me in een hoogst grillig avontuur doen belanden. Ik zal het u wel vertellen, als ik u ooit nog zie. Want ik denk soms wel eens, hoewel ik maar zes uur van mijn vrienden af zit, dat ik ze nooit meer zal zien.
Alleen mevrouw Hugo hoort uw naam en uw lofrede met plezier, ondanks haar zoons. Het woord: grand poète, dat verbaast haar niets. O ja, op dit gebied is de duidelijkheid niet voldoende weergegeven. Misschien zal ik daar het meest aan meehelpen; als men tenminste nog een regel van mij wil drukken!
Ik klets veel te veel, als een zenuwachtige man die zich verveelt. - Antwoord mij maar niet, als u niet vijf minuutjes vrije tijd heeft.

            Uw zeer toegewijde.
                    C.B

Van wie is dit sonnet uit Un Parnasse satyrique, herdrukt in België? Saint-Victor heeft gegokt op Théophile de Viau, Malasis op Racan (!!!), en ik op Maynard. We hebben het misschien alle drie fout.
                        C.B.

Vannacht, droomde ik dat Phillis terug was,
Mooi, zoals zij bij het klare daglicht was,
Wilde dat haar fantoom weer de liefde bedreef,
En dat ik net als Ixion, een naakte omheldsde!

Haar schaduw glijdt geheel naakt mijn bed in
En zegt: Lieve Damon, hier ben ik weer!
Ik ben alleen nog maar mooier geworden in dit trieste verblijf
Waarin sinds mijn vertrek het lot me vasthield

Ik kom om de mooiste minnaar weer te kussen!
Ik kom om opnieuw te sterven in je omhelzingen!
Dus, toen dit idool mijn vlam had misbruikt,

Zei ze tegen me: Adieu! ik ga weg naar de doden;
Omdat je pochte mijn lichaam te hebben ge....
Zou je ook pochen mijn ziel te hebben ge.....!

AAN MADAME AUPICK        Brussel, vrijdag 12 januari 1866.

Lieve moeder,

Ik schrijf je provisorisch en haastig een paar regels. Ik heb vanochtend je brief ontvangen.
De brief van Ancelle was te ernstig om er zonder bij na te denken op te kunnen antwoorden. Bovendien moet ik hem een aantal documenten opsturen die hij niet kent. Hij is gedreven door een uitstekende intentie, maar wist niets van wat er al gedaan was, en ook niet wat er binnen de vier muren van Garnier gebruikelijk gedaan werd.
Ik denk dat ik morgenavond het pak wegstuur dat nodig is om hem op de hoogte te brengen. Maar echt, ik was helemaal perplex door zijn brief. Lemer moet niet beledigd worden, hij is misschien alleen maar schuldig aan apathie, en het moet ook niet lijken of hij eruit gegooid zal worden voor een affaire waar hij aan begonnen is. De Garnier die Ancelle gezien heeft is de verkeerde Garnier, dat wil zeggen degene die door zijn broer wordt beschouwd als de mindere, de ondergeschikte, en die hij alleen maar de administratie binnen het bedrijf laat doen. Beide zijn uiteraard wel gelijk in het eigendomsrecht van hun bedrijf.
Ik zal je op de hoogte houden van dat alles. Ik denk dat het beste zou zijn dat Ancelle met Lemer afspreekt, zoals ik hem dat had aangeraden, en dat hij hem oprecht over zijn bezoek bij Garnier vertelt, - en dat ik daarna naar Parijs ga, om het zelf af te sluiten; - maar ik heb een tussenpersoon uitgekozen, omdat ik mezelf niet vertrouwde, en als de boekhandelaar direct met mij  wil onderhandelen, dan is dat omdat er een verborgen wens in zit om een makkelijk te beduvelen persoon te vinden.
Maar vertel me binnenkort, zeer binnenkort, zo vaak mogelijk, over je gezondheid. Dat is wel veel belangrijker.
Wat je me vertelt over je geheugen en over de moeite die het je kost om de tuin in te gaan of om een deur te openen, dat je daar al moe van wordt, dat maakt me zeer omgerust en daarvan raak ik van streek.
Zelfs als ik een verwaarlozend type lijk, ik verwaarloos mezelf niet. Ik hoef je niet te vertellen dat indien ik naar Parijs ga, ik dan doorreis naar Honfleur ook.
Ik hou van je en ik omhels je,
                        Charles.

Wat ik Ancelle ga geven, is de opzet van BELGIE .
(Voor J. Lemer, - gelegenheid om hem te zien.)
- De aantekening die te maken heeft met de vijf andere boeken (voor de heren Garnier.)
- De brieven van Lemer en de brief van Sainte-Beuve, waarin hij kan lezen wat er gezegd is en gedaan tot nu toe.

AAN NARCISSE ANCELLE                        Brussel, donderdag 18 januari 1866.
Beste vriend,

Duizend maal dank, voor uw vriendschap en uw goede wil. Als ik vermoed had hoeveel inspiratie u had gehad , dan had ik u de documenten gegeven. U heeft niets duidelijks te horen gekregen, omdat u te maken had met een imbeciel ( Auguste Garnier) , die van zijn broer de dingen pas op het laatst te horen krijgt. Begrijpt u wel dat Hippolyte bij Sainte-Beuve om raad is gaan vragen over mijn literaire waarde omdat hij de zaak wel van zodanige waarde achtte dat het de aandacht verdiende. – Ik weet al meer dan een half jaar dat het voor Belgique uitgesloten is om op de markt te kunnen worden gebracht.
Morgen stuur ik u de brieven van Lemer en van Sainte-Beuve.
Ik ben weer ziek geweest, heel ziek. Duizelingen en overgeven, drie dagen lang. Ik moest drie dagen lang op mijn rug liggen; want zelfs gehurkt op de grond viel ik om, want mijn hoofd trok mijn lichaam mee. Ik denk dat het een bedwelming van een galaanval was. De dokter schrijft me alleen maar Vichy-bronwater voor. En niet het geld!
Hier is de opzet voor het boek over België, wat Julien Lemer al zo lang wilde zien.
Dat is dan eindelijk voor u een gelegenheid om hem te zien en met hem te praten, en om van hem een exact verslag te krijgen van er tussen hem en Garnier is afgesproken over mij sinds zes en een halve maand.
Hij is altijd thuis te bereiken tussen vijf uur en middernacht. Als hij niet op zijn kantoor is, dan is hij in zijn appartement. Hij woont erboven.
Wat schaam ik me dat ik u met zoveel problemen opzadel! Voor België wil ik een snel antwoord, of zelfs onmiddellijk.
Men heeft me geschreven dat Lemer in foute zaakjes zit. Ik zou het niet fijn vinden om het boek aan hem te verkopen; maar ik herinner me twee jaar geleden toen ik tegen Dentu zei dat ik het voornemen had om naar België te gaan, hij tegen me zei dat indien ik iets over dat land zou maken, hij het dan graag van me zou willen kopen. Helaas heeft boekhandel Dentu vervelende eigenschappen.
Misschien beeldde hij zich van te voren al een beschrijving in van monumenten, en niet een zedenschets. De bruid is te mooi geworden.
Enfin, of het nu Lemer is, Dentu, of de Duivel die het boek koopt,  ik wil in ieder geval nooit meer één regel schrijven voordat ik een overeenkomst heb. En ondanks een overeenkomst neem ik het geld alleen maardeel voor deel aan, en dan lever ik het materiaal in stappen af . Deze gedetailleerde samenvatting bewijst dat ik tamelijk veel materiaal in handen heb. Ik kan erover zeggen dat het boek zich in dezelfde verwarde toestand bevindt als waarin Proudhon zijn zogenoemde postume werk heeft achtergelaten. En voor wat betreft de regeling die ik voorstel, het bewijst wel dat ik nu snel wil gaan. (Maar, ik laat het boek niet publiceren zolang ik hier zit. En dus, omdat u mij die 2500 frank niet wil lenen die ik zo hard nodig heb, moeten we weer terug komen op die grote affaire Garnier. Julien Lemer heeft de inhoudsopgave, en hij heeft materiaal van drie boeken op de vijf. Ik ga pas naar Honfleur om de ontbrekende delen op te halen als ik een overeenkomst heb.) (Hij zegt dat Hippolyte zelfs aantekeningen heeft gemaakt over mijn opzet.)
België is een beetje in de mode. Dus we kunnen daar een aardige oplage uit halen.
Zeg tegen Lemer dat ik hem ten zeerste aanraad om Les Paradis niet kwijt te raken (ik heb geen tweede exemplaar),noch de collectie van artikelen met kritieken die ik als titel gegeven heb: Les Comtemporains. In deze brief zitten uiteraard regels die u hem niet moet laten lezen. U moet goed uitkijken dat u hem niet kwetst, en trouwens, zelfs  wanneer we het plan aannemen dat u mij voorstelt, dan kunnen we Lemer pas aan de kant zetten als we hem met de rug tegen de muur hebben gezet, dat wil zeggen als we hem overtuigd hebben van het feit dat hij niet in staat is gebleken het te doen. We mogen nooit vals spelen.
Beste vriend, ik kan me geen 80 frank door u laten toesturen. – De eerste vier maanden van het jaar maken samen 640 frank. Ik heb al 300 frank ontvangen. Ik zou zo snel mogelijk u niets meer schuldig willen zijn. Daarom voeg ik bij deze brief een reçu van precies 100 frank. En wanneer ik in februari, hoop ik, zelf naar Parijs moet, dan stuurt u me 50 frank. En geen aangetekende brief, alstublieft; dan denkt die vrouw van het hotel dat ik kostbaarheden krijg, en ik kan niet meer op en neer steeds naar de poste restante. Die brief zal niet gestolen worden, want er zit een biljet in van 100 frank. De port voor brieven tussen Frankrijk en België is veranderd voor de gewone brieven. Het kost nu nog maar 30 cent.
Ik hoorde dat L’Indépendance verboden is in Frankrijk, omdat ze slecht nieuws publiceerden over Mexico.
Als ik vanavond dat uittreksel van mijn aantekeningen kan afmaken dat ik DE SAMENVATTING noem, dan doe ik meteen ook de brief van Sainte-Beuve en de brieven van Lemer bij dit pakje.
Het is niet nodig dat ik de lijst van de andere vijf boeken voor u overschrijf, die is bij Lemer.
Fleurs du mal  (uitgebreid, en met brieven en eigenaardige artikelen).
Spleen de Paris, als tegenhanger.
Contemporains, schilders en dichters. 2 delen.
Paradis artificiels.
Volgens mij is het heel goed mogelijk voor een boekhandel om het te wagen om twee delen met kritieken méér te kopen, om drie amusante boeken en een gegarandeerde verkoop te krijgen. Dat was wat ik had berekend, en Lemer vond dat goed. Sainte-Beuve vond het stoutmoedig.
Ik ben bang dat Lemer gehoord heeft van uw bezoek aan de gebroeders Lemer en dat hij dat opvat als spionage van mij. Daarom is het des te belangrijker om hem te gaan zien en omdat het voor hem blijkbaar zo lastig is om brieven te schrijven, zeg hem dan maar dat u alles wat hij gaat zeggen letterlijk aan mij doorvertellen zal.
Ik ben erg ongerust over de gezondheid van mijn moeder.
Wat mij betreft, ik kan niet meer roken zonder er akelig van te worden. Voor een roker is dat een regelrecht teken van ontmoediging. Daarnet moest ik deze brief onderbreken en weer snel op bed gaan liggen, en dat is een heel werk, want ik ben dan altijd bang dat ik onderweg de meubels meetrek waar ik aan blijf haken.
En behalve dat ook nog zwartgallige ideeën; soms krijg ik wel eens het idee dat ik mijn moeder nooit meer zal zien.
Pardon en bedankt.
De hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle.
Uw toegewijde.

Laten we hopen dat Lemer zich niet beledigd gaat voelen omdat ik hem geen brief schrijf, en omdat ik u geen aanbevelingsbrief geef voor hem! Maar hij schrijft mij nooit terug. En het is ook wel een hele goede jongen; alleen denk ik wel dat de ouderdom en verdriet hem luier gemaakt hebben.
                            Charles Baudelaire.
Ik heb geen kopie van de opzet van het boek over België. Het zou wreed zijn om weer opnieuw te beginnen. Als Lemer het wil houden, zeg dat dan tegen hem.

Het lijkt me moeilijk dat een dergelijke opzet de nieuwsgierigheid niet opwekt van een uitgever, hoe onintelligent hij ook mag zijn.

Ik schenk u al mijn vertrouwen. Verlos mij.
- Maar wees voorzichtig.

U zou de opzet apart in een enveloppe moeten doen, voordat u het laat zien.
Nu sluit ik het boek, en ik stop mijn aantekeningen weg in mijn commode, zodat ik er alleen nog maar aan mag denken zodra ik een overeenkomst heb, dat wil zeggen de zekerheid heb dat ik betaald krijg.

AANTEKENINGEN BESTEMD VOOR DOKTER LÉON MARCQ                        Brussel, 20 januari 1866.

Ik heb opgemerkt dat bijna alle aanvallen ’s ochtends kwamen. De terugkeer is totaal niet regelmatig. De eerste keer (de nacht van zondag op maandag ) heb ik meerdere aanvallen gehad.
Volgorde van de symptomen:
Vaag in mijn hoofd. Benauwdheid. Verschrikkelijke pijn in mijn hoofd. Zwaar gevoel; bloedstuwing; volledige duizeligheid. Als ik sta, val ik; als ik zit, val ik ook. Dit alles heel snel achterelkaar.
Nadat ik weer ben bijgekomen, moet ik overgeven. Extreem warm gevoel in mijn hoofd. Koud zweet.
Braaksel is geel of waterig of slijmerig of schuimend. Als ik niet hoef over te geven, oprispingen met boeren; soms de hik. Verdoofdheid. Twee maal was het vergezeld met een lichte verkoudheid – verstopping. – Dit is alles wat ik me kan herinneren.

AAN NARCISSE ANCELLE            Brussel, dinsdag 30 januari 1866.

Duizend maal dank voor uw verve. Het gaat u veel beter af dan ik had gedacht.
Ik heb eerst uw brief aan mijnheer Lécrivain gelezen, die gaat morgen de deur uit en die zult u ongetwijfeld de 2e of de 3e  krijgen.
Dan volgt nu op een enkel dingetje na het resultaat van ons gesprek, en dientengevolge het onderwerp van uw gesprek van binnenkort:
1.    de toekomstige afspraken waar u het over heeft zijn die de realiteit, of tenminste een begonnen realiteit, of zijn het slechts uitingen van hoop van Julien Lemer? (Lécrivain, die vroeger met Lemer bevriend was, zal hem misschien hebben afgetast.)
2.    ik vind de oplages te laag. Lécrivain zegt dat het niet belangrijk is, en dat de heren Garnier al snel zullen zien dat mijn boeken wat waard zijn.
3.    wat betekent dat tijdsbestek van drie jaar, - en, als over een half jaar één van de vijf oplages is uitverkocht, moeten ze mij dan niet opnieuw auteursrechten betalen, tegen het afgesproken tarief? Lécrivain beweert dat dat vanzelfsprekend is.
4.    ik wil de drukproeven corrigeren; nooit zal ik ook maar één regel van mij laten drukken zonder dat ik hem op zijn minst twee keer heb overgelezen.
5.    laat u uitleggen wat dubbele extra vellen zijn, waarvan ik steeds zeg dat er exemplaren van apart gehouden moeten worden voor vrienden en voor de kranten.
6.    de heren Garnier moeten weten dat ik de voorwaarden accepteer, hoewel ik ze magertjes vind, omdat ik wil dat mijn werk voortaan ondergebracht zijn bij een solide bedrijf, en dat ik hoop dat het een reden is opdat mijn hele toekomst daar ook aan verbonden zal zijn (aan dat bedrijf). De heren Garnier weten niet wat Le Spleen de Paris is; - dat Sainte-Beuve ten tijde van mijn komische doch zeer serieus bedoelde kandidatuur voor de Académie over enkele van die fragmenten gesproken heeft als echte chefs d’oeuvre in Le Constitutionnel. Ik heb dat niet gezegd. Het nummer kan opgezocht worden.
De heren Garnier kennen de waarde niet van de rechtvaardigingsstukken van Les Fleurs du mal (artikelen van Sainte-Beuve Custine, Th. Gautier, d’Aurévilly, etc.). Daar moet met hen over gesproken worden. Maar mijnheer Lécrivain beweert dat men met zulke gewiekste mensen als de gebroeders Garnier niet al te haastig moet overkomen.
En vergeet niet, dat ook al zijn de twee broers Garnier gelijken voor wat betreft het eigendom, ze heel erg ongelijk zijn in intelligentie en functies. Hippolyte is de spirituele directeur.
Al deze punten zijn zonder enige uitzondering allemaal even interessant. Lécrivain zal het ook met u hebben over La Belgique déshabillée.
Alles wat Lemer u daarover heeft zitten reciteren is volslagen absurd.
Geen enkele krant, dat is waar, geen enkele revue zelfs, kan dit boek in zijn totaliteit nemen; alleen misschien enkele beschrijvende fragmenten. Het moet nieuw en in zijn geheel bij een uitgever verschijnen. – Er bestaat geen uitgever die zo dom is om de gedetailleerde opzet die ik u heb opgestuurd niet te begrijpen. Er is geen uitgever die zo dom is dat hij niet begrijpt dat de voorwaarde die ik stel (betaling van het boek in delen) de beste garantie is voor mijn activiteit. (Dat is om het boek in Frankrijk te kunnen afmaken.)
Ik accepteer graag de hulp van mijnheer Nisard (Lécrivain is het hier niet mee eens) en ik bedank hem hiervoor bij voorbaat. Als mijnheer Nisard mijn opzet wat aandachtiger had gelezen, dan had hij een regel gezien die antwoord gaf op zijn gedachte: dat de Belgische Godslastering namaak is, en het resultaat van het onderwijs van de Franse vluchtelingen. Wat betreft de oneerlijke en beledigende zinnen die hij aan de naam van Victor Hugo verbindt, daar heb ik nog heel wat meer denkbeelden over dan hij. Maar dat kan ik niet uitspreken.
Vergeet niet dat La Belgique déshabillée een zeer serieuze schets is, heel streng, met een strenge suggestie, onder een komische schijn, tot het uiterste, soms. En zo vallen uw verwijten over die bâton merdeux , en al die andere puur vertrouwelijke uitdrukkingen. Ik weet zeker dat de uitgever aan wie u die samenvatting van het boek zal laten zien het niet verkeerd zal begrijpen.
De moed begint me nu weer te komen. Ik ga Le Spleen weer bewerken, en ik ga ook Les Contemporains weer bewerken (waarbij ik me alleen maar kan baseren helaas op mijn  geheugen , want het manuscript ligt bij Lemer). Ik zal het 20 februari afhebben, als dat flauwvallen en dat overgeven niet weer terugkomt. Ik hoef dus alleen nog maar voor elkaar te krijgen dat alle clausules beslecht zijn op de 20e.
Wat uw laatste raadgeving betreft, die kan ik niet volgen. Nooit zal ik de moed vinden om ten eerste mijn hotelbazin te verklaren dat ik wegga zonder te betalen, en ten tweede om alweer geld aan mijn moeder te ontvreemden, van haar goedheid waar ik zo schandelijk misbruik van heb gemaakt.
Het is nu zes uur. Ik heb geen tijd meer om u te bedanken  zoals mijn hart dat graag zou willen. Uw toegewijde,
                        C.B.
Lees deze brief over samen met mijnheer Lécrivain en praat  samen over de waarde van elk artikel (behalve de vertrouwelijke passages over mijn armoede).

N. Ik heb nog maar 20 frank over. Zondag ga ik terug naar Namen om Rops te zien en om die Jezuïetenkerk weer te bewonderen waar ik nooit genoeg van krijg.

Als ik maar niet ziek word van de treinwagon!
Ik weet dat mijnheer Rops een prachtig affiche heeft gemaakt voor het geval Les Fleurs du mal herdrukt worden. Hij vraagt er 100 frank voor.
Maar de heren Garnier zijn zo weinig gecultiveerd dat zij de naam van mijnheer Rops misschien helemaal niet kennen.
Er liggen nog drukplaten, fleurons, sluitversieringen en sierhoofdletters bij een drukker in Parijs, die toen gemaakt waren voor een eventuele grote uitgave van Les Fleurs du mal (wenk voor de gebroeders Garnier, alleen na raadpleging van Lécrivain).

AAN Sainte-Beuve     Brussel, 15 januari 1866.    [en 5 februari.]
Beste vriend,

Ik kan u niet genoeg bedanken voor uw goede brieven. Het is des te beter voor u dat ik hoor dat u heel erg druk bent. Ik doe er soms lang over om u terug te schrijven, maar dat komt omdat ik in een gezondheidstoestand zit die mijn hele wilskracht breekt, en waardoor ik soms zelfs op bed moet gaan liggen voor meerdere dagen. – Ik ga uw raad opvolgen , ik ga naar Parijs, en ik ga de gebroeders Garnier zelf zien. En dan moet ik u misschien weer heel onbeleefd om een steuntje in de rug vragen. Maar wanneer? Ik zit al zes weken onder de medicijnen. Dat ik bier moet laten staan; dat is alleen maar goed. Thee en koffie, is erger, maar dat gaat nog. Wijn? Hemel! Wat wreed. Maar dan is er een nóg wreder beest, dat zegt dat ik noch moet lezen, noch studeren. Vreemde geneeskunde die de voornaamste werkzaamheid wil verbieden! Een ander vertelt me als enige verlichting dat ik hysterisch ben. Bewondert u ook net als ik dat elastische gebruik van die goed uitgekozen chique woorden om onze onwetendheid te verbergen voor van alles en nog wat?
Ik heb geprobeerd me weer te buigen over Le Spleen de Paris (prozagedichten) ; want, het was nog niet klaar. Goed, ik heb de hoop om binnenkort weer een nieuwe Joseph Delorme te laten zien die zijn rapsodisch gedachtegoed aan elk incident van zijn flaneren ophangt en die uit elk object een onaangename moraal haalt. Maar wat zijn dergelijke bagatellen moeilijk te maken, wanneer je ze tegelijkertijd op een lichte en penetrante manier wilt uitdrukken!
Joseph Delorme is daar zomaar op een heel natuurlijke manier ingekomen. Ik heb uw gedichten ab ovo weer gelezen. Met plezier zag ik dat ik bij elke pagina die ik omsloeg de verzen herkende alsof het oude vrienden waren. Het schijnt dat ik als kind nog helemaal niet zo’n slechte smaak had.  (Bij Lucain overkwam me hetzelfde. La Pharsale was nog steeds fonkelend, melancholiek, hartverscheurend en stoïcijns, en troostte mijn zenuwpijnen. En door dit plezier kwam ik op de gedachte dat wij in werkelijkheid heel weinig veranderen. Dat wil zeggen dat er in ons iets invariabels zit.)
Aangezien u toegeeft dat u het niet erg zou vinden om over uw werk te horen praten, zou ik zeer de neiging kunnen hebben om u hierover dertig vertrouwelijke pagina’s te schrijven, maar ik denk dat het beter is om die eerst in goed Frans voor mezelf te schrijven, en die daarna naar een krant te sturen, als er tenminste nog een krant bestaat waarin we over poëzie mogen praten.
Maar dan hier toch een paar suggesties van het boek die zomaar in me opkomen:
Ik heb veel beter dan eerst Les Consolations en Les Pensées d’Août begrepen.
Ik heb de volgende stukken als meest in het oog springend genoteerd:
Sonnet à Madame G., pagina 225.
(U heeft mevrouw Grimblot dus gekend, die grote elegante roodharige dame, voor wie het woord vrijpostigheid gemaakt is, - en die zo’n hese stem had, of liever een diepe sympathieke stem net als sommige Parijse actrices? – Ik heb menig maal tot mijn genoegen mevrouw de Mirbel haar de les mogen horen lezen, en dat was heel grappig. – Maar misschien vergis ik me ook wel; het is misschien een andere mevrouw G.
Deze poëziebundels zijn niet alleen poëzie en psychologie, maar ook aanalen.)
Tu te révoltes, pag. 192.
Dans ce cabriolet, pag. 193.
En revenant du convoi, pag. 227.
La voilà, pag. 199.

Op pagina 235 was ik een beetje gechoqueerd om het feit dat u de goedkeuring wilde van de heren Thiers, Berryer, Thierry, Villemain. Voelen die heren echt wanneer een kunstvoorwerp ons als de bliksem treft of ons betovert? En u bent dus echt bang dat u niet gewaardeerd wordt, dat u zoveel rechtvaadigende documenten bijeen heeft vergaard? Heb ik toestemming van de heer de Béranger nodig om u te mogen bewonderen?
Hemeltjelief! Ik zou bijna Le joueur d’orgue vergeten op pagina 242.
Ik heb veel beter dan vroeger het doel en de kunst van verhalen begrepen als Doudun, Marèze, Ramon, mijnheer Jean, etc. Het woord analytische elegie past veel beter bij u dan bij André Chénier.
Er is nog een stuk dat ik geweldig vind, dat is het verhaal van een grafwake bij een onbekend kadaver, gericht aan Victor Hugo, op het moment van de geboorte van een van zijn zonen.
Wat ik het Décor noem (landschap of meubilair) is altijd perfect.
Op sommige plekken van Joseph Delorme zie ik een beetje teveel luiten, lieren, harpen  en  Jehovah’s. Dat steekt af bij Parijse gedichten. Trouwens, u was gekomen om dat allemaal te vernietigen.
Eigenlijk, pardon! Ik dwaal af! Ik heb u hier nooit zo uitgebreid over durven schrijven.
Ik heb stukken teruggevonden die ik uit het hoofd kende (waarom leest men zo graag in drukletters wat het geheugen zou kunnen opzeggen?)
Dans l’île Saint-Louis (Consolations.)
Le Creux de la vallée, (pag. 113.)
Dat is nu echt Delorme !
En Rose  (charmant), pagina 127.
Stances de Kirke White,  pagina 139.
La Plaine  (mooi oktoberlandschap), pagina 138.
Nou zeg! Ik stop ermee. Het lijkt of ik u complimenten geef, en dat mag ik helemaal niet. Dat is brutaal.
                            5 februari.

Beste vriend, de brief is lange tijd onderbroken gebleven. Ik kreeg weer duizelingen en flauwtes.
Daarna hoorde ik dat u ook ziek was geworden, of dat u het geweest was. Dit verontrust me en verontrust Malassis ook. Het schijnt dat er sprake was van een operatie. Wat is dat allemaal ? En hoe staat u er nu voor?
Geen beleefdheidsformules bij mij in uw brieven. Maar, alstublieft, zeg tegen uw fidus Troubatès dat hij me een paar regels schrijft over uw gezondheid. Zeg dan ook tegen hem, indien u de tijd heeft om aan zulke bagatellen te denken, dat ik het heel leuk zou vinden als hij voor mij een nummer kan vinden van een nieuw tijdschrift, L’Art, en me inlichtingen te verschaffen over een ander tijdschrift, in dichtvorm: Le Parnasse (met een adjectief aan het eind).
Malassis heeft niets gevonden over Voisenon. –Ik denk dat hij een beetje van slag was door die kleine preek van u. Hij had inderdaad een vreemd idee (zonder dat hij zich daarvan bewust was) . En omdat ik weet dat u nooit lang boos bent op mensen die van u houden, moest ik er erg om lachen.
Nu we het toch over vriendschap en verloochende vriend hebben, weet u dat het prachtige vers:

Is als een kind voortijdig gestorven in onze flanken
Vers 12, pag. 195, 2e deel

vertaald terug te vinden is, en heel goed hoor! In een novelle van Paul de Molènes, La Pâtissière, geloof ik, verhaal van de liefde van een perfecte officier van lichte cavalerie (stijl Molènes) voor een banketbakster?  Het beeld wordt van vriendschap naar liefde getransfereerd. Misschien wist hij niet dat hij u nadeed.
Maar, u bent ziek, en het is goed mogelijk dat ik u maar vermoei.

Uw toegewijde,

                        Ch. Baudelaire.

AAN AUGUSTE POULET-MALSSIS            Brussel, 7 februari 1866.

In een Frans-Engels woordenboek van Thunot en Cliftin, verkort door Boyer, vond ik:
MOUSTIQUE. S. m. – musquito
(hier is dat dus mannelijk)
en in het Engelse gedeelte, vond ik: MUSKITO of MUSQUITTO. S. muskiet, mug. F.
(hier is het dus vrouwelijk. Het is zo geregeld dat muskiet ook vrouwelijk kan zijn.) – ik denk dat we hem mannelijk kunnen houden. –
In Les débuts d’Amina, in plaats van regard zet daar maar jarret neer.

        Vous ignorez, Sylphide……….
        Qui voulez enseigner…………
(en niet qui vouliez)
au hibou la gaîté
(en niet la gaieté)
In het stuk van l’importun, staat:
                Comme un homme mal à son aise
Denk ik dat dit beter is :
Comme un qui n’est pas à son aise

Maar kun je dat zeggen ? Ik denk dat ik er wat voorbeelden van heb gezien. Dan zou er een beetje iets archaïsch in zitten, een teken van ouderwetse naïveteit die goed past bij de glooiing van het stuk.
                            C.B.

Als je dat kunt zeggen, dan zou er het voordeel zijn dat ik het graag wil vermijden om mal à son aise te zeggen, dat me net zo choqueert als la jouissance d’ une mauvaise santé.

AAN FÉLICIEN ROPS            Brussel, zaterdag 3 februari 1866.

Beste Rops,

Na uw bezoek heb ik weer veel aanvallen gehad van duizeligheid en gal overgeven. Ik ben bang voor de trein. Excuses dus voor mijn onnauwkeurigheid.
Vergeet niet mijn hartelijke groeten te doen aan mevrouw Rops, en ook aan uw schoonvader.
Verwaarloos Les Fleurs niet. Ik weet dat één van mijn vrienden zich heel actief bezighoudt met mij in Parijs. Zodra mijn affaire af is, of zelfs nog voordat de overeenkomst er is, zal ik de uwe introduceren.
Uw toegewijde,
                                C.B.
U matst iedereen, monster dat u bent! Kunt u niet voor mij enkele Parijse schetsen opzij leggen?

AAN MADAME AUPICK            Brussel, zaterdagochtend 10 februari 1866.

Lieve moeder,

Ondanks je voorzorgsmaatregel om niet hotel op je enveloppe te zetten, eiste de post toch dat ik je brief op het hoofdpostkantoor ging halen, omdat er een andere postbode in mijn wijk is gekomen. Ik kreeg hem dus pas vanochtend, en je krijgt mijn brief dus pas morgenavond, of maandagochtend. (Nu ik er toch aan denk, wil ik je vertellen dat er als gevolg van een nieuwe regel de brieven die ik uit Frankrijk krijg meestal gefrankeerd zijn met 30 cent in plaats van 40. )
Je hebt een hele slechte nacht gehad, dankzij mij. Ik heb dus een grote fout gemaakt door je te vertellen  over mijn aandoening en zelfs over mijn zenuwpijnen. Denk dan maar eens aan al die zenuwinzinkingen en al die migraineaanvallen die jij hebt gehad jarenlang. Dan is het toch niet zo verbazingwekkend, als ik dat een beetje van jou heb, en dat met mijn zwartgallige karakter en een vreselijke gevoeligheid mij wel eens iets overkomt?
Ik wil niet dat je naar Ancelle schrijft. Ik wil niet dat je hem stoort. Hij weet dat ik al meerdere keren ziek ben geweest. Hij weet dat ik de vurige wens had om terug te komen, en dat ik wil betalen wat ik hier aan schulden heb. De persoon die vrijdag uit Brussel vertrokken is (vrijdag vorige week) en die me beloofd heeft om hem enkele raadgevingen te geven, die komt morgen terug. Die komt me vast wat nieuws brengen over mijn boekhandelaffaire.
Ik wil absoluut geen hulp van jou. Ik wil geen geld meer van je. Ik weiger je om vanuit Brussel informatie te geven over de bedragen van de schulden die ik hier heb.  Ten hoogste zou ik het nog willen accepteren als mijn overeenkomsten getekend waren, omdat ik dan een mogelijkheid had om je het geld terug te geven. Ik heb vertrouwen in Ancelle; het gaat er alleen om dat hij begeleid wordt. – Ik ben doodsbang voor jouw voorstellingsvermogen, en ik wil niet dat je je op je kop zet.
Ja, die 50 frank kan ik goed gebruiken. Ik ben van plan de dokter pas te betalen als ik vertrek; maar ik voel me vaak erg vernederd dat mijn medicijnen door de onderbazin van het hotel betaald moeten worden.
Maar nu, om je gerust te stellen, moet je weten dat ik al drie dagen niet duizelig ben geweest en niet heb hoeven over te geven. Het is wel zo dat ik niet erg sterk ben. Maar de dokter zei: “hysterie! Hysterie! U moet er zelf bovenop komen; u moet uzelf dwingen te gaan lopen.”  Lopen, met dit weer, door die vreselijke straten en die kapotte wegen! Flaneren is onmogelijk in Brussel.
Wat echt belachelijk is, dat is wanneer er een man achter me loopt, of als er een kind of een hond langsloopt, dan moet ik bijna flauwvallen. Dat is toch belachelijk, nietwaar? Gisteren ben ik naar een tentoonstelling geweest van tekeningen. Maar na een paar minuten, nat als wanneer ik mijn aandacht ergens op moet richten, (dit duurt niet eeuwig), voelde ik wat slechte symptomen aankomen, en ondanks de regen ben ik snel de buitenlucht in gerend.
Je ziet dat dit allemaal puur van de zenuwen komt. Als het mooi weer wordt, dan zal het allemaal verdwijnen. Het enige redelijke (naar mijn mening) dat de dokter gezegd heeft, is : “Neem koude baden , en ga zwemmen”. Maar in dit vervloekte Brussel is geen rivier. Ja, ze hebben zwembaden uitgevonden, of kunstmatige bassins, waar het water een beetje lauw gemaakt wordt door een naastgelegen mechaniek. Maar mijn voorstellingsvermogen vindt dat afgrijselijk. Ik wil niet gaan zwemmen in een kunstmatig meer dat vervuild wordt door al die smeerlappen. Dat advies is net zo moeilijk op te volgen als het wandelen. – Ik ga op zoek naar koude douches.
Je vertelt me niet over jouw gezondheid. Dat is erger voor me dan die van mij, want jij bent zwakker dan ik.
Je moet niet naar Ancelle schrijven, beloof me dat. Die arme man heeft al genoeg te doen dat hij zich moet zien te redden met nieuwe affaires voor hem. – neem het me niet kwalijk dat ik weiger. Ik schaam me al teveel voor al het geld dat ik al van je heb afgetroggeld.
Ik moet je zeggen dat het nu al de vijfde keer is dat ik denk dat ik genezen ben. Al heb ik al een paar dagen geen terugval meer, ik zal de arts toch verzoeken me gezondheidsregels voor te schrijven die ik voortaan altijd zal moeten opvolgen. Omdat ik uit mezelf al wijn, thee en koffie had geschrapt, had hij tegen me gezegd: Dat is te rigoureus. Trouwens, voedsel heeft daar geen invloed op. Drink maar wat thee, en zelfs een beetje wijn. Hij komt steeds weer terug op zijn woorden: zenuwaandoeningen, en op zijn antispasmen medicijnen, en ook : “Ga wandelen, ondanks uw verlegenheid.” Ik zal voortaan altijd onmiddellijk op je brieven antwoorden.
Dank je en veel kussen.
                    Charles.
Ik wil niet op bed blijven liggen; maar ik ben wel bang om te gaan werken.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, maandag 12 februari 1866.
Het spijt me echt enorm dat ik je over mijn gezondheidstoestand heb verteld. Ik zie nu wat ik voor een warboel bij je heb veroorzaakt. Ten eerste had ik je al gezegd (en dat is ook zo) dat ik helemaal niet leed. Ik moet je zeggen dat ik je pas op het laatst over die kwaal ben gaan vertellen. Daarom kan ik je nu ook aankondigen dat ik weer plezier heb in roken (ik had een afkeer gekregen van de tabak zelf) en dat ik gisteren niet alleen een grote walging voelde voor al die pillen, maar ook dat ik heel erg honger kreeg, wat me sinds drie weken niet was overkomen. Die verlegenheid waardoor ik zo ongelukkig was wordt minder; heel vaak dacht ik toen ik op die oneindig lange dagen op bed moest blijven: “ Ach toch! Laat ik de dingen eens op een rijtje zetten! Als er een beroerte of een verlamming aankomt, wat zou ik dan moeten doen en hoe kan ik mijn spullen dan op orde krijgen?” Ik moet er iets raars bij vertellen, dat is dat wanneer ik aan duizeligheid dacht, die duizeligheid ook kwam, en dan daarna het overgeven. En dan begon het ritueel van de aandoening weer. Als ik dat er bij had verteld, dan hadden ze me als denkbeeldige zieke bestempeld. Eigenlijk moet ik zeggen dat ik niets begrijp van wat me is overkomen, en ik zou in ieder geval graag willen dat er een dokter was, die me kent, me een gezondheidsvoorschrift geeft waar ik me voortaan altijd aan zal houden. Want het is nu al de vijfde keer dat ik denk dat ik er van af ben. Als ik een paar uur achter elkaar zou kunnen werken zonder duizelig te worden of te vallen, dan zou ik denken dat ik genezen ben. Ik zal het vanavond proberen.
Alles wat ik er van geleerd heb is dat ik moet wandelen, koude baden nemen, en geen koffie, geen brandewijn, geen thee en geen bier meer drinken.
Ik kom terug bij je brief. Ik weiger elke vorm van hulp van jou of van Ancelle, voor het moment.
Ik houd er niet van om Ancelle in die geldzaken te zien.
(Trouwens, dat zou van indiscreet van ons zijn. Het is al heel wat dat hij de zorg heeft opgelegd gekregen om twee contracten te tekenen, en misschien zes.)
Ik zou pas geld van jou aannemen of van hem nadat er een definitieve afspraak gemaakt is met de boekhandelaren, voor het geval ze zouden zeggen: “ Wij betalen alleen maar naar gelang wat er gedrukt wordt.”
Dit brengt me bij de heren Garnier en Lemer. Wat is Ancelle goedgelovig! En wat ben jij goedgelovig!
Lemer zei: “Die vijf boeken van Baudelaire zijn een kapitaalinvestering van 11 à 12 000 frank. We kunnen hem 600 frank per boek geven bij een oplage van 1500 exemplaren per boek, wat neerkomt op 3000 frank.”
Ik heb Lécrivain de brief van mijnheer Ancelle voorgelezen en hij zei gelijk tegen me: “Zúlke precieze details houden in dat een zaak al beklonken is. Die details zijn te precies om wat ook maar aan waarheid te bevatten. Lemer is lui en in het bijzijn van mijnheer Ancelle wilde hij zijn laksheid verbergen, - dat wil zeggen dat hij de combinaties uit zijn eigen hoofd als waar heeft voorgedaan.”  Is het duidelijk?
Ik verwachtte meneer Lécrivain gisteren. En vandaag is hij ook zelfs niet geweest. Het is wel zo dat hij ook zijn eigen zaken heeft.
Nu is mijn conclusie dus zo:
Aangezien Ancelle goed is opgeleid, en hij alleen tegenover de heren Garnier staat, zal ik vragen, met zijn tussenkomst: 15 000 frank voor het exploiteren van de vijf boeken voor vijf jaar, - en indien, naar alle waarschijnlijkheid, de heren Garnier zullen weigeren die 15 000 frank in één keer uit te keren aan de auteur, leg ik me neer bij een bedrag van 600 frank (per oplage van 1500 exemplaren voor elk boek ) die betaald worden bij iedere nieuwe oplage, wat aan het eind van die vijf jaar neerkomt op hetzelfde bedrag: 15 000 frank.
Alleen wil ik in dat geval dan wel dat er wordt afgesproken dat de heren Garnier ieder jaar 1500 exemplaren van elk boek in omloop moeten hebben gebracht (wel of geen succes, dat interesseert me niet, ze regelen het maar zoals ze zelf willen). Samenvattend komt dat hier op neer: “ een inkomen van 3000 frank gedurende vijf jaar in ruil voor het exploiteren van vijf boeken voor vijf jaar.” Het is wel zo dat in dat geval, als het verzoek op deze manier zou worden voorgelegd, de heren Garnier waarschijnlijk zouden zeggen: “ En de revoluties dan! En cholera! En de wisselingen in de handel! Kunnen wij er wel zeker van zijn dat we, aangenomen dat de boeken van de heer Baudelaire uitstekend zijn, er wel regelmatig veel van verkopen gedurende vijf jaar?” – Dan antwoord ik: “U bent boekhandelaar. U moet risico’s lopen. Daarbij beroep ik mij maar op een heel klein recht, en als de verkoop van een enkel boek de 1500 exemplaren per jaar overstijgt, gedurende vijf jaar, dan compenseert dat ruimschoots uw verliezen over de andere boeken.”
Maar hier begrijp jij niets van, hè?
Voor La Belgique moet ik me haasten om een boekhandel te vinden. Er gebeurt nogal wat. Binnenkort wordt er een nieuwe kieswet gestemd; Léopold I is alweer vergeten. Als Ancelle een contract voor elkaar krijgt, is mijn manuscript alweer verouderd.
Je moet me absoluut over je gezondheid vertellen. Telkens wanneer ik je schrijf, moet ik je dezelfde smeekbede doen.

In Parijs zit een man die me een dienst had kunnen verlenen. Ik zie hem op mijn volgende doorreis. Hij heet Charles Lasègue, mijn vroegere filosofierepetitor, van toen ik klein was. Hij doet niet meer aan filosofie. Hij is geneeskunde gaan doen, en hij is nu een beroemd dokter geworden. Zijn specialiteit zijn de gekken  en de hysterici.
Schrijf me. Veel liefs.
                        Charles.

AAN MADAME AUPICK            Brussel, vrijdag 16 februari 1866.

Lieve moeder,

Nu alweer geld dus; maar waarom? Dat wil ik niet meer. Ik had van die 50 frank nog 20 over die ik voor de douches wilde gebruiken. Ik weet zeker dat ik je zou beledigen als ik je die 100 frank terug zou sturen. Ik zal het opzij leggen, en zodra ik wat geld uit Frankrijk krijg zal ik dat bij die 100 frank leggen om zo een aanvaardbaar bedrag aan mijn hotelbazin te kunnen aanbieden, en haar geduld te laten hebben totdat mijn zaak is opgelost. Mijnheer Lécrivain is  teruggekomen. Hij beweert dat Lemer niets heeft uitgevoerd, dat de getallen de hij Ancelle heeft doorgegeven volkomen hypothetisch zijn, en dat de heren Garnier niet zullen instemmen noch met Lemer noch met Ancelle te zullen willen onderhandelen. Maar wanneer zal ik nu toch kunnen werken, en wanneer zal ik nu toch eens naar Frankrijk terug kunnen gaan?
Nee. Ik hoef je geld niet. Ik ben je toch al zeker zo’n 30 000 frank schuldig.  Ben ik dan zo’n schurk of een lafaard om het goed te vinden je zo van je pensioen te beroven?
Nee, ik hoef het geld van Ancelle ook niet. Ten eerste zou hij niets betalen, dat weet ik zeker. Dan zou hij een hele reeks aanbetalingen gaan opstellen, en dat zou een heleboel vernederingen voor me betekenen.
Ik zou een dergelijke gunst pas accepteren als hij alles in één keer zou betalen, en alleen na de ondertekening van mijn contract.
Ik weet niet waarom je een antwoord vraagt op je voorlaatste brief. Die had je al op dinsdag de 13e moeten hebben.
Elke brief die ‘s avonds vanuit Brussel vertrekt komt de volgende ochtend in Honfleur aan.
Mevrouw Victor Hugo was alleen voor me verschenen op een belachelijk moment, en ze is uiteindelijk toch een hele goede vrouw. Maar ze wil graag al haar vrienden bemoederen. Ze eiste dat haar dokter bij mij op bezoek zou gaan. Deze keurde de behandeling die ik tot nu heb gehad goed, maar hij beweert dat er nog een sterk ijzerhoudend dieet bij moet, want, zegt hij, de overwicht die mijn gal en mijn zenuwen hebben is het bewijs van bloedarmoede. Daar zou ik nu nooit op gekomen zijn. Het schijnt dat enkele mensen uit Parijs gehoord hebben van mijn belachelijke ziekte. Sainte-Beuve heeft zijn dokter ook geraadpleegd en heeft me wat tips gestuurd. Een andere vriend deed hetzelfde. En al die meningen komen ongeveer met elkaar overeen.
Lécrivain vertelde me iets heel ergs. Hij beweert dat de heren Garnier, zoals hij hen kent, vooral zullen kiezen voor een contract waarin het afstaan van het eigendom in staat. Dat zal ik nooit doen. Ik herinner me die affaire Edgar Poe nog. Ik veronderstel 600 frank voor een oplage van een boek, 3000 frank voor een oplage van vijfboeken. Ze bieden me misschien 4000 frank aan voor de volledige exploitatie tijdens mijn leven en dertig jaar na mijn dood. Ik wacht liever op het succes, als het nog moet komen, en dan tien, twintig keer misschien kleinere bedragen ontvangen. Ik heb geen kapitaal, en ik wil mijn opeenvolgende rechten niet afstaan.
Als je denkt dat je me met wat je schrijft over je slaperigheid en je afschuwelijke maagmoeheid ’s avonds gerust kan stellen, dan vergis je je lelijk. Ik smeek je om een dokter daarvoor te raadplegen. Beloof me dat. Ik weet zeker dat er ondanks je leeftijd iets aan gedaan kan worden .
Ik ga proberen om wat aanbetalingen te krijgen, voor de hotelbazin. Zodra ik een paar uur achterelkaar kan werken, vertel ik je dat wel. – En, ik ga naar Honfleur om mijn ontbrekende manuscripten op te halen, en dan zal ik trachten om met de heren Garnier te gaan onderhandelen.
Heel veel liefs, en ik bedank je voor al die goedheid.
                            Charles.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS    Brussel, vrijdag 16 februari 1866.

Waarde,

Vanochtend kreeg ik een brief van Sainte-Beuve. Hij is er helemaal weer bovenop. Het ging om een voorhuidzwelling. Ze wilden hem ervan af houden om zich te laten opereren, en ze zeiden tegen hem dat hij er maar mee moest leren leven, maar “dit soort dingen moet je niet laten zitten” zoals hij zei, en toen heeft hij de mensen zo getart dat ze hem geopereerd hebben. Het schijnt dat een hele handige man zich daarmee heeft ingelaten; maar er kwamen complicaties bij (koorts waarschijnlijk), en hij schreef me dat hij erg veel heeft geleden. Het einde van de brief gaat ook u aan:
“Het zou me vreselijk spijten indien het briefje dat Troubat aan Malassis heeft geschreven, waarin hij hem namens mij wat kleine voorzichtigheidsaanbevelingen deed, die galante man en die geweldige vriend geïrriteerd zou hebben. Hij heeft er trouwens hoogst gracieus op geantwoord door ons een grap van Voisenon te sturen die me in een van de tussenpozen van mijn lijdensweg gecharmeerd heeft en ons enige momenten heeft opgevrolijkt. – Het gaat nu weer heel goed met me…”

AAN NARCISSE ANCELLE        Brussel, vrijdag 16 februari 1866.

Beste vriend,

Mijnheer Lécrivain is in de nacht van woensdag op donderdag in Brussel teruggekomen. Hij heeft vier keer met Lemer gesproken, en is niet naar u toe gegaan. Ik vroeg hem waarom, en hij gaf me dit vreemde antwoord: “Ik heb niet naar de heer Ancelle willen gaan omdat ik bang was dat ik hem zou beledigen als ik hem zou zeggen wat ik denk: dat wil zeggen dat de heren Garnier met hem, Ancelle, niet méér zullen willen onderhandelen dan met Lemer. De bezoeken van mijnheer Ancelle bij de heren Garnier hebben alleen als nut gehad om dezen te overtuigen dat u een dringende behoefte aan geld heeft, en hoe meer u dat hen laat zien, hoe minder haast zij zullen hebben om een contract af te sluiten.
Mijnheer Ancelle kan wel in uw naam handelen, maar dan met brieven van uw hand. Maar het verstandigste zou zijn dat u naar Parijs gaat en zelf gaat onderhandelen, en vooral de onderdelen op te halen van de twee andere boeken en die op volgorde te leggen, want Lemer heeft er maar drie. De heren Garnier zijn erg wantrouwend.
Uit mijn gesprekken met Lemer is de conclusie voor mij dat, zoals ik het al vermoedde, de bedragen en de getallen die Lemer aan Ancelle had doorgegeven enkel verzinsels zijn, berekeningen bij benadering, verzonnen door Lemer, en die betekenen dus helemaal niets, immers Hippolyte Garnier HEEFT GEEN ENKEL REËEL BOD GEDAAN.
Uit diezelfde gesprekken blijkt dat de heren Garnier wel ZIN hebben om een contract aan te gaan maar dat zij het laten voortduren om zodoende makkelijker hun gelijk van u te krijgen, - bovendien (hier, waarde Ancelle, pas op!) omdat zij met name die vijf boeken in hun eigendom willen bemachtigen.
Voor wat die ideeën betreft van Lemer over uw Belgique, die zijn volkomen stupide. Mijnheer Ancelle zou naar Dentu of Faure moeten gaan (met brieven van u) , en dat project tonen dat volledig aan alle criteria voldoet.”


Dus, beste Ancelle, hierbij dus genoeg redenen om uw enthousiasme een halt toe te roepen. Maar ik zeg het nogmaals, ik ben u zeer dankbaar. Ik denk alleen dat het niet verkeerd zou zijn om een bezoekje te brengen aan mijnheer Hippolyte Garnier; om hem het briefje te geven dat ik u had opgestuurd; hem te vertellen dat ik ziek ben; dat ik in maart waarschijnlijk speciaal naar Parijs zal gaan om hem te zien, en dan Le Spleen de Paris meeneem, en dat ik uiteindelijk naar Honfleur zal gaan om Les Fleurs du mal op te gaan halen met de toevoegingen en de rechtvaardigingsstukken. U zult tijdens uw gesprek met hem wel een manier vinden om hem even aan de tand te voelen daarover.
Ter uwer naricht zal ik u uitleggen wat de zin betekent van Lécrivain met betrekking tot het eigendom. Een dergelijke regeling accepteren zou een enorme stommiteit zijn. De heren Garnier zullen er nooit mee instemmen om me een bedrag te geven dat voldoende is voor het gebruik tijdens mijn hele leven en de dertig jaar die volgen op mijn dood, van de vijf boeken.
Aangezien ik geen enkel kapitaal heb, moeten mijn boeken me een klein inkomen gaan opleveren, en omdat ik heilig geloof in mijn succes heb ik liever dat ik een onbepaalde reeks aan kleine bedragen ontvang. Ik heb voor eeuwig mijn rechten voor mijn vertalingen van Poe afgestaan, en daar heb ik al duizenden malen wroeging over gehad. Laten we aannemen dat er alleen maar twee oplagen van elk boek komen van 2000 exemplaren voor 30 cent per exemplaar. Dat maakt 20 000 exemplaren, is 6000 frank. Ik wed dat ze me niet eens dat bedrag voor mijn gehele eigendom zouden willen betalen. Dus, laten we dan eens een simpele berekening maken over alleen mijn gedichten: als we er dertig jaar lang maar 200 per jaar van zouden verkopen dan levert dat een resultaat op van precies 6000 exemplaren, oftewel 1800 frank auteursrechten, waar de heren Garnier van zouden meeprofiteren. Als we uitgaan van 500 exemplaren per jaar, zou dat een precies resultaat opleveren van 15 000 exemplaren, oftewel 4500 frank. Maar, Les Fleurs du mal zullen lang blijven verkopen. Pas nu dezelfde berekening toe op de andere boeken, en u zult de uitkomst zien.
Het gaat beter met me: het gaat niet goed met me. Men heeft het tegen me over de noodzaak om veel te wandelen, een ijzerhoudend dieet te volgen en veel douches te nemen, zonder de medicijnen voor antispasmen mee te tellen, zoals diegene die ik al eens heb ingenomen. Dit is allemaal erg vervelend, en het is niet mogelijk om hier te wandelen. Bovendien zijn de douche-installaties hier slecht.
Mijn hartelijke groeten aan mevrouw Ancelle.
Schrijf me.
Uw toegewijde
                    C.B.

Ik heb nog niet durven beginnen te werken.
Ik zal u eerste een brief voor Dentu opsturen, en daarna nog een voor Faure.

AAN MADAME AUPICK            Brussel, zaterdag 17 februari 1866.

Lieve moeder van me,

Ik had bijna alles al vermoed wat je me aan treurigs schrijft over het geld, en ik vroeg me al vaak af hoe het kon dat je zo vaak op zulke frequente verzoeken kon ingaan. Het plezier van je tuin en Aimée ontslaan, op jouw leeftijd! En je denkt dat ik dat zou accepteren! Dat zou een verschrikking zijn.
Je hebt het niet begrepen wat ik je vertelde over de mogelijkheid van een getekend contract, wat niet een volledige en onmiddellijke betaling inhield. In zo’n geval, zei ik, zou ik tegen Ancelle zeggen:
Leen, haal geld vandaan van waar u maar kunt, betaal mijn schuld meteen, en betaal uzelf terug met de resultaten van het verdrag; - dit heeft niets met jou te maken. – Maar helaas! Daar zijn we nog niet.
Zoals ik je gisteren al schreef, had mijnheer Lécrivain het al helemaal correct vermoed. Ofwel luiheid van Lemer, ofwel verwijdering van de heren Garnier die alleen maar met de auteur zelf willen praten, er is nog niets besloten, en Lécrivain heeft me gezegd dat ik Ancelle op het hart moest drukken met klem dat hij niet te veel bij de heren Garnier moest aandringen. Dat zou vreemd staan. Ik ga trachten wat te werken, en dan ga ik half maart naar Parijs om meer te weten te komen over al mijn affaires. Misschien heeft Ancelle in die tussentijd dan wel een contract kunnen sluiten voor La Belgique. Wat nu telt is dat ik een aantal kleine aanbetalingen te pakken krijg om mijn hotelbazin wat geduld te geven.
Lécrivain liet me vreselijk schrikken toen hij het had over de zin van de heren Garnier om wat men noemt het gehele eigendom op te kopen. Voor 3000 of 4000 frank contant literaire waarden afstaan, die me met de tijd 10 maal 600 frank of 10 maal 800 frank kunnen opleveren, dat zal ik nooit doen.
Later, wanneer mijn naam in waarde zal zijn gestegen, en ik dichter bij de dood sta, en geen erfgenamen heb, zal ik misschien zulke verdragen maken, en dat zal dan overigens ook makkelijker zijn. Maar dat moment is nog niet zover. Behalve als het onmiddellijk een nogal groot bedrag opbrengt dat genoeg is om het te beleggen en het inkomen te verhogen, zijn het transacties voor gedupeerden.
Ik heb via de krantenadvertenties vernomen dat er in Parijs een openbare conferentie is gehouden over mijn gedichten , meer niet. Mijn vrienden houden me helemaal niet op de hoogte van dingen die mij aangaan.
Ik denk dat je een fout begaat voor wat betreft die pillen.
Die pillen met opium, valeriaan, digitalis en belladonna die heb ik in december ingenomen, tegen zenuwpijnen. Wil je soms insinueren dat die vreselijke duizelingen en het overgeven in januari van die medicijnen komen? Maar ten eerste zat er maar een heel kleine hoeveelheid belladonna in die pillen, en die opium, je weet toch wel dat ik daar jarenlang gewend aan was geraakt, tot aan 150 druppels zonder enig gevaar.
Die pillen die ik daarna nam, dat wil zeggen de samengestelde pillen tegen duizelingen gevolgd door overgeven, daar zat valeriaan, duivelsdrek, een of ander zinkoxyde, en nog iets, ik weet niet meer wat. Die zijn alleen tegen spasmen.
Eigenlijk komt het er op neer dat ik me zal gaan houden aan een samenvatting van alle raad die ik van verschillende kanten heb gekregen: “Koud vlees dat ’s ochtends gebraden is; en als drank thee zonder groene thee.
’s Avonds gebraden vlees met een beetje wijn.
Koude douches en wandelingen, wanneer dat mogelijk is. Hier is dat zelden.
Geen koffie meer en ook geen brandewijn.”
Maar wanneer ik weer mijn geestelijke activiteit en plezier in het leven terug krijg, dat weet ik niet. Je brief van vandaag verplicht me om een nieuwe vraag tot je te richten.
Gisteren smeekte ik je om een dokter te raadplegen en om iets te doen aan je erge zwaktes die je ’s avonds hebt, met die maagpijn.
Vandaag zeg ik je dat je niet moet vergeten dat je het al eens gehad hebt een paar maanden geleden over die urine incontinentie, die toen genezen was zei je tegen me, met terpentijn, op aanraden van mijnheer Lacroix en mevrouw Émon.
Maar het is dus niet over?
Doe me een plezier en vertel me over die twee dingen.
Heel veel liefs.
                        Charles.
En je ruggengraat? En je benen?

AAN NARCISSE ANCELLE        Brussel, zondag 18 februari 1866.

Beste vriend,

Ik neem aan dat u, door al die brieven van mij, nu al mijn zaken wel uit uw hoofd kent.
Heeft u Hippolyte Garnier gezien, en heeft u hem de brief gegeven die voor hem bestemd was, en heeft u toen ook tegen hem gezegd dat ik zal proberen bij hem op bezoek te gaan? (Ik ken de tijden niet waarop hij thuis is ).
Laten we het nu over La Belgique hebben. Hierbij een introductiebrief voor mijnheer Dentu, uitgever/boekhandelaar, in het Palais Royal. (Zijn tijden ken ik ook niet). – Lees de brief en verzegel hem dan.
Kom niet te gehaast over bij Garnier. Maar tast hem af. – Dentu is een goede jongen; maar omdat hij het heel druk heeft en een heel onregelmatig leven heeft, zou u wanneer u deze brief bij hem afgeeft hem schriftelijk moeten vragen om een afspraak.
Wilt u zo vriendelijk zijn om me niet al te lang zonder antwoord te laten zitten. Eerst een onmiddellijk antwoord, die met deze brief te maken heeft; daarna een antwoord dat te maken heeft met Garnier en dan nog één voor Dentu.  – Ik verwacht uw eerste brief overmorgen, de 20e.
Daarstraks had ik een hele erge scène met mijn hotelbazin. Ik heb 100 frank in mijn kamer. Met die 100 frank (over maart) maakt dat 200, een bedrag dat aangeboden kan worden. – Ik zal u deze week een pakje sturen voor de directeur van Le Monde Illustré * en hij zal u vast wel 300 frank voor mij geven. Dat heeft hij me tenminste beloofd. En wat er drie maanden geleden goed was, moet vandaag ook nog kunnen. – Ik zal die 300 frank maar weer aan het monster van Le Grand Miroir  geven. In de tussentijd mogen wij geloven dat u aan het onderhandelen gaat met Dentu of met Faure, en alle aanbetalingen die bij beetjes gegeven zullen worden naar gelang ik het manuscript inlever, gaan ook naar Le Grand Miroir. – Lees die brief voor Dentu goed door, en geef hem af (met de opzet waar u een kopie van heeft laten maken) bij zijn huis of bij zijn boekhandel, met het verzoek om een afspraak te krijgen.
Als de dingen geregeerd gaan worden zoals ik het wens, dan krijg ik later bijna precies hetzelfde onaangetaste bedrag dat ik bij de gebroeders Garnier dacht weg te halen.
Uw toegewijde groet u. vergeet me niet, en bied nogmaals mijn excuses aan mevrouw Ancelle aan.
Het gaat nog steeds maar zo zo met me. Ik kwam ergens op, iets vreemds weliswaar. Dat is dat het best zo zou kunnen zijn dat mijn aanvallen van januari en februari het gevolg waren van een vergiftiging die veroorzaakt was door de kuur van december tegen de zenuwpijnen (Digitalis en belladonna!)
- En die brieven van mijn moeder maken me ook erg ongerust over haar gezondheid.
Kortom mijn hersens worden altijd maar bestookt door een hele massa aan dingen.

                    Charles Baudelaire
Ik kan geen enveloppe vinden voor mijnheer Dentu. Die moet u zelf maar maken.  – Dentu, Galerie d’Orléan. –

Ontvangen van mijnheer Ancelle de somma van honderd frank voor de maand maart, af te boeken op de maand april.
                        Brussel, 19 februari .
                        Ch. Baudelaire.
Lees dit even:
Sinds januari
Ontvangen        400 fr.
Plus, die            100
                          500 fr.

Januari, februari en maart:
            160
            160
            160
            480

Blijft er dus 140 over voor april.

Zet op uw aangetekende brief alleen maar dit: Rue de la Montagne 28.
Voor overmorgen dinsdag, is het niet?

AAN ÉDOUARD DENTU            Brussel, zondag 18 februari 1866.

Geachte heer,

Twee jaar geleden zei u tegen mij dat indien ik iets over België zou schrijven, dat ik dat u dan moest mededelen. U dacht toen misschien aan een beschrijving van monumenten. De bruid is misschien te mooi geworden voor u. Het gaat nu om een zedenschets, waar alles, of bijna alles, moet komen te staan, zonder de beschrijvingen mee te tellen, vooral over enkele steden waar imbeciele gidsen en routiniers niets hebben weten te ontdekken.
Een van mijn goede vrienden, mijnheer Ancelle, zal u een heel gedetailleerde opzet overhandigen of laten overhandigen van het boek (een deel van minstens 10 vellen, 320 of 360 of 400 pagina’s ). Het is een opzet die gelezen moet worden door een uitgever, en niet een inhoudsopgave. België is momenteel dan nu een beetje in de mode, dankzij de Franse stommiteit. Het wordt tijd dat de waarheid over België wordt verteld, net als over Amerika, dat andere Eldorado van de Franse smeerlapperij, - en dat er weer wordt verder gegaan met het werkelijk Franse ideaal.
Het boek (of liever mijn aantekeningen) is zo overvloedig dat ik gedwongen zal zijn om erin te snijden, - wat niet zo’n ramp is. Er staan nodeloze herhalingen in. – Stelt u zich eens voor in welke staat Proudhon zijn aantekeningen heeft achtergelaten. Dat kan in een maand presenteerbaar worden gemaakt. Maar ik heb gezworen dat ik geen zin meer schrijf zonder de garantie op een overeenkomst. Ik wens op geen enkele wijze een onmiddellijk uitbetaalbaar bedrag, maar ik wens wel een reeks betalingen in gedeeltes, al naar gelang ik de manuscriptdelen inlever. Deze regeling is een uitstekende methode om het boek sneller af te maken, en de overeenkomst wordt ongeldig zodra ik het niet in zijn geheel inlever, of indien ik zou overlijden, etc, etc. En ik zou in dat geval zelfs desnoods de terugbetaling van de voorschotten kunnen garanderen.
Momenteel ben ik de eigenaar van al mijn boeken, zonder uitzondering. Ik zou u misschien meer hebben willen leveren; maar één van mijn vrienden, die ik had opgedragen zich met mijn zaken te belasten, heeft met iemand een regeling getroffen die nog niet getekend is, en daarvan moet ik, met loyaliteit, de oplossing of de afzegging afwachten.
Met de meeste hoogachting,
                        Ch. Baudelaire
                        Brussel, rue de la Montagne 28.
Het adres van mijnheer Ancelle is : Avenue de la Révolte, no. 11.

AAN NARCISSE ANCELLE        Brussel, zondag 18 februari 1866.

Beste vriend,

Uw verschrikkelijke brief is zojuist aangekomen, toen de mijne wegging.
Het spijt me zeer dat Lécrivain niet naar u toe is gekomen of dat u mijn brief niet heeft afgewacht. Lécrivain was er van overtuigd dat het maken van de overeenkomst bij de gebroeders Garnier plaats zou vinden: - ik zie dat er heel wat misverstanden bij dit gesprek zijn geweest. Hippolyte Garnier had Lemer al een jaar  niet gezien! Wat betekent die brief, of wat betekenen die twee brieven van Lemer dan, die ik u heb opgestuurd, en het bezoek van Garnier bij Sainte-Beuve? – wat maakt het nou uit of ik in Brussel zit? Ik heb hier toch zeker een boek geschreven (het laatste) voor Michel Lévy. – Les Paradis waren een heel groot literair succes, er zijn maar weinig boeken waar zoveel over geschreven is. De ondergang van Malassis was het enige waardoor de distributie en het succes verhinderd werden. – Les Contemporains zijn volkomen onbekend. Verschillende fragmenten daaruit zijn wel verschenen, maar in onbekende  kranten, volkomen genegeerd. – Les Fleurs du mal, een vergeten boek! Dit is te stom. Er is nog steeds vraag naar. Misschien worden ze over enkele jaren begrepen. –
Hetzel! Maar met Hetzel is er nog niet eens iets begonnen dat te maken heeft met een uitvoering. Hij had Le Spleen de Paris en Les Fleurs van mij gekocht. – Maar toen wij elkaar in Brussel troffen, zei ik dat ik alles in één keer wilde verkopen, en toen heeft hij me van mijn belofte ontslagen, omdat hij net als ik en als Lemer dacht dat die twee boeken de verkoop van alles zouden vergemakkelijken. Met Hetzel hoeft er alleen maar een kleine geldkwestie te worden geregeld.

En nu, wat nu? Alles in stukjes verdelen? Dat vind ik onverstandig en veel te langdradig. Zou u een nieuwe onderhandeling willen beginnen, ook al is het maar heel oppervlakkig, in afwachting van mijn komst naar Parijs? Voelt u zich nu sterk genoeg om beslagen ten ijs te komen?
Maar pas wel op voor elke plotselinge beweging, elke ingeving, en ga alleen maar berekenend te werk.

Lijst van mogelijke uitgevers.

LÉVY (Michel)

Twee jaar geleden heb ik hem alles aangeboden. Hij wilde het laten traineren om van mij een voordelige handel te kunnen krijgen. Hij is er achter gekomen dat ik met Hetzel aan het onderhandelen was. Toen is hij woedend geworden en hij heeft tegen me gezegd dat Hetzel het beste gedeelte had gekregen. Als we weer bij Michel terug moeten komen, dan moeten we tegen hem zeggen dat ik mijn onderhandeling met Hetzel heb laten afzeggen omdat ik aan hem dacht, en dat Les Fleurs en Le Spleen weer in mijn bezit zijn.
Maar een leugen, en dat onaangename contact (altijd onaangenaam) met Michel Lévy, wat een vernedering!!!

 MAISON HACHETTE (tegenwoordig zijn schoonzoons)

Een groot en solide bedrijf. Deschanel heeft me aangeboden me daar voor te stellen. Ik ben er trouwens al aardig bekend. Maar bedenk eens hoe afschuwelijk mijn literatuur moet overkomen bij een bedrijf met onderwijssurveillanten, leraren, frikkerige pedanten, schoolfrikken, deugdzame schrijvers die zoveel per regel kosten, en andere schoften!

FAURE

Een heel goede keus. Maar hij is in Brussel geweest, ik heb met hem gedineerd, en als hij iets van mijn boeken had willen hebben, dan had ik dat wel van hem gehoord. Van mijn kant heb ik hem niets aangeboden.

AMYOT

Goed, maar een lapmiddel.

DIDIER

Goed, maar een lapmiddel.

DENTU

Lees de laatste zin van mijn brief aan Dentu nog maar eens, die ik u vandaag heb opgestuurd. Misschien vindt u er een concrete ingang in. Maar, als u dat dan ook mogelijk acht, bespreek dan heel oppervlakkig de zaken. In zaken moet altijd vraag opgewekt worden, en het moet niet lijken of men is overgeleverd aan de wil van anderen. – hierbij een briefje voor Dentu, alleen voor het geval u met hem praat over deze zaak, zonder La Belgique déshabillée mee te tellen.
Overigens, u heeft het over dingen die u in mijn aantekeningen heeft geschrapt. Als u dat ook gedaan heeft in de opzet van La Belgique, dan moeten we de eerste versie maar aan Dentu geven.
                        C.B.
En u bent zo dom en kinds geweest om naar die domkop van een Deschanel te luisteren! Die leraar voor jonge meisjes! Die democraat die niet in wonderen gelooft en alleen in GEZOND VERSTAND gelooft (!), de perfecte vertegenwoordiger van de lichte literatuur, maakt ordinaire dingen populairwetenschappelijk, etc, etc.!
Gisteren, zaterdag de 17e, werd hij mooi besproken aangaande die conferentie, in La Chronique du Temps getekend door De La Madelène. – En deze les werd hem gelezen door een echt luchthartige en oppervlakkige hand.
En u was zo kinds dat u vergat dat Frankrijk poëzie afschuwelijk vindt, echte poëzie; dat zij alleen maar van smeerlappen als Béranger en de Musset houdt; dat iedereen die zijn best doet om de spelling toe te passen, doorgaat voor een man zonder hart (wat ook wel logisch is want passie is altijd moeilijk om uit te drukken) ; en tenslotte dat een diepzinnige maar gecompliceerde, bittere, koelbloedige en (van de buitenkant) duivelse poëzie, minder dan elke andere poëzie geschikt is voor de eeuwige frivoliteit. - !
Moet ik u vertellen, aan u die het niet meer dan iemand anders heeft gezien, dat ik in dat afgrijselijke boek heel mijn hart , heel mijn (vermomde) godsdienst, en al mijn haat heb gelegd? Het is waar dat ik het tegenovergestelde zal schrijven, dat ik mijn grootse Goden zal zweren dat het een boek is van pure kunst, van aanstellerij, van charlatanerie; en ik zal liegen als brugman.
En, overigens! Wat is nu eigenlijk fantasiepoëzie? Ik zal het nooit kunnen raden. Ik daag Deschanel uit om het uit te leggen, zoals ik een journalist of wat voor leraar dan ook uitdaag om de betekenis uit te leggen van een van de woorden die hij gebruikt. – Er bestaat dus een fantasiepoëzie, en een poëzie die dat niet is. Wat is die poëzie dan die niet gebaseerd is op de fantasie van de kunstenaar, van de poëet, dat wil zeggen op zijn manier van voelen?
Even over het gevoel, het hart, en andere vrouwelijke rotdingen, denk aan die diepzinnige woorden van Leconte de Lisle: “Alle Treurdichters zijn gajes.”
Genoeg zo, niet? En u moet me mijn diatribe vergeven. Neem me niet mijn enige vriend af tegen wie ik mag vloeken! Maar begrijpt men een dergelijk idee? Naar een conferentie van Deschanel gaan!

De gezondheidsraadgevingen die u me heeft gegeven worden al twee maanden door mij nageleefd en toegepast.

Het aanbod dat u me deed om tussenbeide te komen om me van Brussel te verlossen stuit me majestueus tegen de borst, behalve als we achter ons de garantie hebben van literaire contracten, met de termijnen aangeduid voor de uitbetalingen. Ik zal het daar een andere keer met u over hebben.
Uw zinnen over die mooie pedant hebben me woedend gemaakt. Denk er nu eens aan dat een fout me meestal een zenuwinzinking bezorgt, behalve wanneer ik vrijwillig de stomme grap gebruik, zoals ik twintig jaar lang deed voor Le Siècle, om er de kwintessens uit te halen.
Behalve Chateaubriand, Balzac, Stendhal, Mérimée, de Vigny, Flaubert, Banville, Gautier, Leconte de Lisle, vind ik al het moderne gespuis afschuwelijk. Jullie Académiciens, afschuwelijk. Jullie liberalen, afschuwelijk. De deugd, afschuwelijk. De zonde, afschuwelijk. De courante stijl, afschuwelijk. De vooruitgang, afschuwelijk. Spreek me nooit meer van nietszeggers.
Uw toegewijde,
                            C.B.

Ik neem aan dat de 100 frank onderweg zijn. Wees voorzichtig met Dentu. – U  kunt, voor de waarheid, er aan toevoegen dat La Belgique déshabillée, in een schertsende vorm, op veel punten een nogal serieus boek is, en dat het doel van dit satirische boek spotten is met alles wat vooruitgang genoemd wordt, en wat ik het heidendom van imbecielen noem, en het laten zien van de regering van God. Is dat duidelijk?

Mocht u het passend vinden om uit de school te klappen tegen Dentu over de grote affaire, moet u een geloofwaardige verklaring zien te vinden voor het weigeren van Garnier. De weigering van de eerste ontmoedigt de volgende, en zo verder, door een voortgaande opeenstapeling.
Voor wat betreft mijn manier van onderhandelen, zou ik eerder gaan voor het systeem van:
- zoveel exemplaren per uitgave,
- zoveel voor de auteur per exemplaar,
dan voor het systeem van:
- afstand van het volledige eigendom,
of zelfs:
- afstand doen voor een bepaald aantal jaar.

AAN NARCISSE ANCELLE    Brussel. Vannacht, van 18 op 19 januari 1866.
Beste vriend,

Er is nog één ding dat u aandachtig in uw hersenpan moet overwegen, en dat is dat als het mogelijk was om de banden met Michel Lévy weer aan te knopen (zie ook wat ik geschreven heb in mijn vorige brief over hem), ondanks dat zijn manieren en zijn zeer lelijke vrekkigheid me veel afschuw inboezemen, er toch misschien een voordeel in zou zitten, vanwege de machtige bekendheid van zijn boekhandel. Maar hij zou over La Belgique en Dentu net als hij twee of drie jaar geleden zei over mijnheer Hetzel: “ Ik wil alles, anders neem ik niets.”
Maar hoe kunnen we Michel aftasten? Nog een reden voor mij om naar Parijs te gaan.
Hoe meer ik nadenk over die ontknoping bij de gebroeders Garnier, hoe verbaasder ik ben:
Tegenstrijdigheid van die twee brieven van Lemer die u heeft, - met de brief van Sainte-Beuve, - met de manier waarop u een eerste keer bent ontvangen, - en met de mening die hier door Lécrivain is heengebracht.
                            C.B.

AAN NARCISSE Ancelle         Brussel, maandag 19 februari 1866.

Beste vriend,

Ik ontving vanochtend een hoogst vreemde brief van mijnheer Troubat, secretaris van Sainte-Beuve, die het met veel sympathie heeft over mijnheer Lemerre, uitgever, heel enthousiast en erg intelligent, zegt hij, die de wens kenbaar had gemaakt om Les FLeurs du mal te gaan herdrukken. Ik heb mijnheer Troubat geantwoord dat ik u had opgedragen om alles onder te brengen.
Betekent deze informatie dat u met alle ondernemingen stopt; dat denk ik niet. Maar het is misschien goed om eens te weten te komen wat dat is die mijnheer Lemerre (passage Choiseul 47).
Omdat Sainte-Beuve op de hoogte was van mijn problemen, zal Troubat (die meestal alleen maar via Sainte-Beuve denkt) niet zomaar wat zeggen.
Voor de rest, hierbij de brief, die nogal raadselachtig is. Ik kan er eigenlijk niet eens uit begrijpen of men mij die mijnheer aanwijst als een uitgever die bereid is in zijn algemeenheid alle dingen van mij te nemen, en heel bereid is voor mij, op een vage manier, als een soort onbekende kennis, of gewoon alleen een goede uitgever, alleen voor poëzie.

Ik neem aan dat de twee brieven die u voor deze heeft ontvangen u geraakt hebben. Men moet ook op zoveel dingen letten! Ik schaam me echt als ik denk aan al die kopzorgen die ik u geef, en ik heb medelijden met u.
En als ik er aan denk dat ik in dit hondenland alleen maar diefstal, leugens, en gedwongen geldverlies ben tegengekomen, en dat daar bovenop België er alleen maar voor gezorgd heeft dat al mijn zaken in Parijs er alleen maar moeilijker door zijn geworden, dan word ik benomen door een soort woede.

- Wees heel erg voorzichtig, alstublieft.
                                C.B.
Het leven wordt me hier steeds onverdraaglijker. Ik geloof dat de gedwongen gelduitsparingen die ik gedurende twee maanden of zes weken heb gedaan die roddelaarster tot wanhoop hebben gebracht. Zelfs als je bij dat soort mensen niets betaalt, moet je het toch bij hen uitgeven. Een zieke die veel eet wordt geëerd.

                        ‘s middags.

Mijnheer Lécrivain komt net bij mij vandaan. Ik heb hem uw brief voorgelezen en die van de gebroeders Garnier.
Lécrivain was helemaal verbouwereerd, de zaak had hem zó zeker geleken.
Hij liet het me opnieuw voorlezen en zei toen: “Wat is dat voor een overeenkomst met Lemer?” (Ik heb nooit een overeenkomst gehad met Lemer.) “Wat is dat voor een overeenkomst met Hetzel?” (Toen heb ik hem dus de affaire met Hetzel verteld. ) Toen heeft hij geconcludeerd (zich daarbij herinnerend dat Lemer hem, Lécrivain, zelf vaak had gevraagd wat deze affaire waard zou kunnen zijn), dat Lemer de affaire aan de gebroeders Garnier had voorgesteld als zijnde zijn eigen zaak, maar tegelijkertijd op zo’n manier dat zij er een hekel aan zouden krijgen, omdat hij het misschien zelf wilde gaan doen en het daarna wilde wederverkopen, of gewoon om anderen er een hekel aan te laten krijgen.
De brief waarvan u dacht dat hij van de gebroeders Garnier kwam, maar die gewoon van een of andere loopjongen komt, is inderdaad zo dom en zit zo vol met onwaarheden dat er wel een of ander mysterie achter moet worden gezocht.
Denk eraan dat Lemer de enige was die de overeenkomst met Hetzel kende en deze is niet tot uitvoering gebracht, en dat ik alleen maar naar Hetzel ben gegaan om hem te vragen om me mijn vrijheid terug te geven op aanraden van Lemer (die beweerde dat Le Spleen en Les Fleurs de doorslag aan de affaire zouden geven).
- Lemer heeft Hippolyte vijf maal gezien. Ik vertel u nogmaals mijn raadgevingen om voorzichtig te zijn.
Ga naar niemand toe zonder mij eerst te vragen. Draai dit vel om.
Ik vrees nu dat de mislukking bij de gebroeders Garnier Dentu ook nadelig beïnvloedt. Wat goed zou zijn is wanneer we hem zouden zien aankomen, zoals dat heet, dat wil zeggen dat hij misschien tijdens het gesprek zou kunnen zeggen: “Wat zijn dat dan voor andere boeken waar een vriend van Baudelaire een onderhandeling voor is gestart?” etc… Dan zou u bijvoorbeeld kunnen gaan praten.

AAN JULES TROUBAT            Brussel, maandag 19 februari 1866.

Beste Troubat,

Ik ben enorm gevoelig voor het bewijs van vriendschap dat u me vanochtend gegeven heeft, dat verzeker ik u. U weet dat ik niet een kind ben dat verwend is geweest door het leven.
Maar ik zal u zeggen dat uw brief me wel enigszins raadselachtig leek; wat betekent die mijnheer Lemerre nu? Serieus, ik ken hem helemaal niet.
Julien Lemer heeft met twee maanden wijsgemaakt dat hij voor mij met de heren Garnier zou onderhandelen voor het geheel van mijn boeken, behalve Poe en La Belgique déshabillée. Tevens vertelde gisteren een vriend van me die naar hen toe is gegaan dat Hippolyte Garnier beweert nooit ene Lemer te hebben gezien, en dat deze heren bovendien weigeren.
Dus, gaat mijn vriend weer op zoek naar een uitgever. Ik geloof dat hij zelfs al een afspraak heeft gevraagd met de heer Dentu.
- Moet ik mijn vriend verzoeken om maar op te houden met alle te nemen stappen?
Ik denk dat ik rond 15 maart naar Parijs ga. Want aan deze situatie moet een einde komen. Iedereen vergeet me. Ik moet een uitgever hebben voor mijn Variété artikelen, 3 delen, een uitgever voor Les Fleurs du mal, zeer uitgebreid, en Le Spleen de Paris (gedichten in proza), (ik ben met de laatste pagina’s bezig), 2 delen, en een uitgever voor La Belgique déshabillée, 1 deel.
Ik lees uw briefje weer over, en ik begrijp totaal niet of u mij mijnheer Lemerre nu aanbeveelt als zijnde bereid om werk van mij in zijn geheel te kopen, of alleen poëziewerken.
Alstublieft, geef me antwoord.
Ik ben aardig tevreden over mijn Spleen. Samengevat is het eigenlijk weer Les Fleurs du mal, maar dan met veel meer vrijheid en details, en meer spot.
Bedankt, uw zeer toegewijde,
                        CH. Baudelaire.

AAN FÉLICIEN ROPS            Brussel, 21 februari 1866.

Beste Rops,

Ik veronderstel dat het Duivelsbekken dat boven uw brief straalt als een zon, een toespeling is op de volgende verzen:

Mijn nier, mijn long, mijn bout,
Laten me niet meer de eer bewijzen
Aan die Heer, zoals het moeten zou.
“Helaas! Het is echt heel erg jammer!”
Zeggen mijn nier en mijn bout.

In dat geval is uw toespeling geen compliment, maar een satire van mijn minder geworden deugdzaamheid.
Maak het frontispice en het affiche van Les Fleurs maar. Na zeven maanden jammerlijke strijd per brief is er besloten tussen enkele vrienden en mij dat ik zelf die zaken in Parijs maar moet gaan oplossen. Het zou wel een heel domme uitgever moeten zijn als hij niet kan begrijpen dat een zogenoemd duister zaakje er alleen maar op vooruit kan gaan als het opgedirkt wordt door u.
En nu, wilt u me nu een plezier doen, zonder al te veel moeite?
U weet hoeveel belang ik hecht aan schertsende en diepzinnige kunst, aan het serieuze dat gemaskeerd wordt met frivoliteit. Als er ooit een man aangewezen is om dat ambitieuze programma uit te voeren, dan bent u dat wel. Maar u verspreidt uw werk en uw herinneringen precies zoals degenen die hun kont afvegen in het veld hun papier verspreiden. En de wind neemt ze mee (de vellen papier).
Maar degenen die van u houden en die u waarderen, die kunnen niets te pakken krijgen.
Neem voor mij een paar van uw kliekjes mee naar Brussel, tekeningen, etsen, Parijse souvenirs. (Ik herinner me een paar charmante etsen van u bij Malassis, onder andere één van twee meisjes gebogen op een canapé, met het lorgnon tegen het oog!) (twee verschillende standen).
En omdat het zeer waarschijnlijk is dat ik ooit een boekhandel vind voor al mijn hersenspinsels, waarschuw ik u dat ik, als ik dat wil, kan zeggen, terwijl ik u daarmee toch aan al uw talenten recht doe, dat een ernstige man als u te veel uitgeeft aan verschillende soorten zijde en aan grauwgrijze mantels.
Ik heb een gebrek aan smaak, ik voel het, en ik verval in laaghartigheid. Ik bedoel dat als u mij geen stroop om de mond snoert, ik u zal onteren.
Wilt u alstublieft mijn respectueuze hartelijke groeten doen aan mijnheer Polet en aan mevrouw Rops. Het lijkt me niet nodig dat u hen deze schertsen toont.
Uw toegewijde,
                                    C.B.
Ah! Een postscriptum!
Volgens mij kan een mooie ets (die een toespeling maakt naar Danse macabre, La Coquette maigre …) een hele goede frontispice worden.
Zeer afschrikwekkend, maar ook zeer opgedirkt, afschuwelijk, maar vol met koketterie.

                        21 februari 1866.

Ik vind uw frontispice van Les Épaves uitstekend, vooral vol ingenium. Maar het was verkeerd van hen om mij de tekening te laten zien. Het licht is daaruit verdwenen. Helaas is het mijn vak niet, en ik kan u niet uitleggen hoe u uw eerste idee dempt. Ha, zeg! Nu gaat u mij dat toch niet kwalijk nemen toch, voor de vrijheden die ik me hier permitteer? Geloof me, dan zou ik voor deze keer uw vijand worden.

AAN NARCISSE ANCELLE            Brussel, woensdag 21 februari 1866.

Beste vriend,

Ik heb gisterenochtend (voor de 100 frank) om 8 uur, om 3 uur en om 6 uur ‘s avonds op uw antwoord gewacht, en vandaag ook op dezelfde tijdstippen. U wilt me zeker tegelijkertijd ook berichten over Dentu meesturen. Maar dan kan ik lang wachten. U heeft geen idee hoe erg mijn toestand gespannen is.
Ik heb u zoals u wenste enkele aantekeningen gestuurd over de mogelijke uitgevers; maar met uitzondering van Dentu, omdat u daar op de bonnefooi maar naartoe bent gegaan, wil ik u verzoeken om dat allemaal maar even te laten liggen voorlopig. Lécrivain wilde u dat nog zeggen, maar dat durfde hij niet. Neemt u het me alstublieft niet kwalijk beste vriend, wat ik u hier vertel, want geloof me, ik heb een grote erkentelijkheid voor alle vriendschap en toewijding die u voor me heeft gehad. Maar echt, al dat getrippel, al die manieren van handeldrijven is allemaal nieuw voor u, en ik vrees dan ook dat u in dat grote Parijs waar alles net zo rondgaat als in een dorp, u niet snel genoeg al die boekhandels afgaat, en dat u daardoor, zonder het te willen, onderhandelen onmogelijk gaat maken, of op zijn minst te moeilijk. Maar de grootste reden is denk ik – reden waaruit mijn extreem zwakke karakter blijkt – is dat het wachten op uw antwoorden me zo gespannen maakt dat ik er helemaal niet meer door kan werken. Ondanks alle moeilijkheden ga ik 15 maart naar Parijs, en als ik wat oppervlakkig gesproken heb met een paar mensen, zie ik wel of er reden is om mijn boeken te verdelen in twee pakketten, of, aangezien dat veel verstandiger lijkt, ik me moet houden bij de beslissing er één blok van te maken.
Voor wat betreft het mysterie Lemer-Garnier, ik hoef de oplossing daarvan al niet eens meer te weten, alleen Lemer heeft er de sleutel van, en hij heeft vast redenen genoeg om ons die niet te geven.
In één van uw laatste brieven vertelt u mij dat mijn moeders dokter bekend staat als een onbekwame dokter, maar dat ik dat niet mag zeggen. Dat heeft me heel ongerust gemaakt. We hebben allemaal een ziekte onder de leden. Stelt u zich nu eens voor hoe ongerust ik zou worden als de toestand van mijn moeder verergert! Ik zal u gehoorzamen; maar echt, ik zou het tegenovergestelde hebben gedaan.
Ik heb sinds drie dagen al die 100 frank aangebroken die ik zo zorgvuldig apart gehouden had. En dus als die 100 frank van u aankomen, dan kan ik nog maar 190 frank geven. En als ze die nu eens misprijzend weigeren?
Met het verzoek om mijn hartelijke groeten over te brengen aan mevrouw Ancelle.
Uw toegewijde en bedankt.                        Ch. Baudelaire

AAN AUGUSTE JOUSSET    Brussel, 21 februari 1866.
Geachte heer,

Helaas! U herinnert zich vast wel dat ik u veel schuldig ben, maar u zult vast niet weten in wat voor toestand mijn humeur en mijn geld verkeren. Ik heb net een lange ziekte achter de rug; ik was in december al zeer ernstig aangedaan. Bovendien ben ik er net achter gekomen dat ik het slachtoffer ben geworden van vriendenbedrog;  net degenen die ik de grote affaire had opgedragen; want ik reken alleen nog daarop; door deze afstand van een dag naar Parijs kan ik niet zo makkelijk kleine bedragjes verdienen, zoals toen ik daar woonde. Kortom, ik zal zelf naar Parijs moeten om daar zelf orde op zaken te gaan stellen. Momenteel is dat onmogelijk. Daar ben ik te zwak voor. Ik denk dat op zijn laatst tussen 15 en 20 maart zal gaan. Als ik een succesje boek, zal ik aan u denken.
Hoewel ik vandaag niets voor u kan doen, geloof me als Uw toegewijde,
                    Ch, Baudelaire .

Voor die 300 voor 15 april, wees gerust. Die zal betaald worden, we verlengen dat procédé gewoon.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, 21 februari 1866.

Lieve moeder,

Eindelijk een brief die me goed doet. Je zegt dat je nu in één keer opgelucht bent over alles waar je je zorgen over maakte. Dat is geweldig. Maar dat moet je me nog maar een aantal keren schrijven, je moet het me bevestigen, en met details er bij. Mijn hemel! Dat het maar voort mag duren!
Wat mij aangaat, het gaat goed met me, behalve weer wat koorts gehad, en ik heb een constante zenuwpijn, net als in december. Ik ben verzwakt; ik ben stijf; ik ben verlegen en onhandig, dat is alles.
Ja, ik ken het slechte nieuws. Ik heb net aan Ancelle geschreven dat ik hem smeekte dat hij zich nergens meer mee moest bemoeien; maar wees gerust, ik heb hem dat heel delicaat verteld. Hij heeft wel veel tijd om jou veel te vaak te schrijven, en mij schrijft hij niet vaak genoeg.

De gebroeders Garnier hebben hem een brief geschreven en die heeft hij mij gegeven, en die zit vol met onjuistheden en stommiteiten. Het is overduidelijk dat Lemer de affaire zo stom en onhandig als maar mogelijk was heeft voorgedragen. Ik had de brief van Ancelle en die van de heren Garnier aan Lécrivain laten zien ; hij was bij voorbaat al overtuigd van het succes, en hij zei tegen me: “Het is heel goed mogelijk dat Lemer met opzet heel onhandig deed, zodat de affaire afgeblazen werd en u gedwongen zou worden om u direct tot hem te moeten wenden.”
Dat zou wel heel erg lelijk zijn. En Ancelle kan zich natuurlijk niet met tact en handigheid gedragen in dingen die volledig nieuw en onbekend voor hem zijn. Ik betreur het dat hij net zo onbezonnen bij Dentu naar binnen is gestormd als hij bij de gebroeders Garnier had gedaan. Ik moet hem daar echt mee laten ophouden. Dat wordt dan nóg een opgebrande uitgever voor mij, en dat wordt erg, want hij gaat natuurlijk Dentu inlichten over mijn niet-succes bij de heren Garnier, en alle zogenaamde bezwaren van Garnier doorvertellen alsof ze waar zijn. Dentu gaat dat weer doorvertellen aan anderen, enzovoort.
(Ik smeek je, hoor je het goed? Ik smeek je, ik bezweer je met klem om Ancelle niet te schrijven. Jullie verbruiken veel te veel papier voor veronderstellingen van domeinen waar jullie geen enkel verstand van hebben.)
Ik ga standvastig volhouden om de zaak in één keer voor te leggen. Lemer had gelijk toen hij zei: “Houd Les Fleurs du mal en Le Spleen de Paris niet apart van de rest.” Het schijnt dat Lemer heel wat raad gevraagd heeft aan Lécrivain over de commerciële waarde van de zaak, volgens hem. Is dat niet raar! En is dat niet verdacht?
Zodra ik kan ga ik naar Parijs. Ja, ik ken het verhaal van de bespottelijke conferentie van Deschanel*. De vaste verslaggever van Le Temps heeft dat op een luchthartig schertsende en charmante manier aangegeven. Maar een brief van Ancelle diende voor mij als een uitstekend commentaar. Ik geloof dat die brave borst het met Deschanel eens is. Vergeet niet dat het heel waarschijnlijk is dat de mensen die nu die verzen applaudisseren  het boek negen jaar geleden monsterlijk en gestoord vonden.
Er wordt gezegd (en ik denk dat tegenwoordig ook) dat de andere naties nog dommer zijn dan de Franse natie. Dus, moet ik weer terug in Frankrijk gaan wonen, ondanks de domheid van dat land, of naar het hiernamaals vertrekken.
Ik neem me voor om, als ik mijnheer Deschanel zie, hem te bedanken. Ik wed dat hij niet eens ziet dat ik hem voor de gek houden zal.
Veel liefs en ik smeek je om nooit lange tijd niets over jezelf te vertellen.

                        Charles.

Op 15 maart bezoekt Charles Baudelaire de heer en mevrouw Rops in de stad Namen. Bij het bezoeken van de kerk Saint-Loup valt hij op de tegels en hierna worden er hersenproblemen vastgesteld. Op 22 en 23 maart worden de problemen erger en kan hij niet meer zelf schrijven.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, maandag 26 maart 1866.
Lieve moeder,

Omdat je eist van me dat ik je gelijk terugschrijf, moet je wel weten dat mijn naam achterstevoren schrijven zwaar werk is voor mijn hersenen. Ik geloof dat mijnheer Ancelle niet die 1000 frank gaat opsturen naar mevrouw Lepage.
Ik wil niet dat hij me komt halen.
Twee dagen voor mijn aanval bood een vriend uit Parijs me geld aan van mijn vrienden als ik me ziek voelde en plotseling naar Frankrijk terug zou willen keren. Ik heb daar nee op geantwoord, omdat ik dacht dat ik er binnenkort zelf heen zou gaan.
Al mijn vrienden en de artsen zijn van mening dat ik een half jaar al het literaire werk moet laten liggen, en dat ik een plattelandsleven moet gaan leiden.
(Mijnheer Léon Marcq, place de l’Industrie 10.)
hoe gaat het met jou?
Veel liefs.                                    Charles.

AAN CATULLE MENDÈS            Brussel, 29 maart 1866.

Beste vriend,
Heel hartelijk dank; alles wat u me aankondigt is goed en ik ben blij met uw titel. Ik heb gisteren al een drukker hier gehad met de naam Toinon, die gaat op en neer tussen Saint-Germain en Parijs; ik heb gisteravond gecorrigeerde drukproeven gestuurd naar het kantoor in Parijs, de helft door mij gedaan en de andere helft door Millot, want omdat ik heel erg ziek ben schrijf ik onleesbaar. U krijgt deze brief morgenochtend, vrijdag,  en ik zou u zeer erkentelijk zijn indien u uw corrigerend oog bij het onze zou willen voegen.
Uw toegewijde,

                    Charles Baudelaire.            id.         G. Millot.

AAN NARCISSE ANCELLE            Brussel, vrijdag 30 maart 1866.

Beste vriend,

Hartelijk dank voor uw vriendelijke brief, ik waardeer er alle mooie gevoelens uit, maar ik zie met pijn in het hart dat u aan de ene kant teveel haast maakt, en dat u aan de andere kant het vooral doet om mijn moeder te behagen.
1e : Ik kan niet weg;
2e : ik heb schulden;
3e : ik moet om mijn werk af te maken nog vijf of zes steden bezoeken.

We zullen het per brief over heel wat dingen eens kunnen worden. Vergeet u de bazin van het hotel niet. Ik zal niet weer met de affaire Dentu beginnen, maar u moet wel weten wat er zich in zijn hoofd heeft afgespeeld en laat hem alleen de opzet zien als hij warm loopt voor een overeenkomst. Als u wilt mag u van mij vertellen dat ik ziek ben, maar vertel hem niet wat er precies aan de hand is met me.
Schrijf me een paar regels en doet u de hartelijke groeten aan uw vrouw.
Mijn moeder wilde dat vervloekte beest 1000 frank geven, doe maar wat ze zegt.
Excuseert u mij voor mijn verkorte stijl, maar ik heb de pennenveer geleend van een ander.
Uw toegewijde,

                        Charles Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK        Brussel, vrijdag 30 maart 1866.

Lieve moeder,

Het antwoord dat maandag is verzonden is dinsdagavond bij jou aangekomen. Woensdag, donderdag en vandaag al vrijdag, je had toch wat van je kunnen laten horen, en dat heb je niet gedaan omdat je denkt dat je denkt dat ik me alleen maar druk maak om mezelf.
Je moet echt wat van je laten horen, hoe het met je gaat.
Ik heb een brief van Ancelle gehad waarin hij zegt dat hij binnenkort komt. Dat is niet nodig, is op zijn mist voorbarig.
1.    omdat ik niet in staat ben om te bewegen;
2.    omdat ik schulden heb;
3.    omdat ik nog zes steden moet bezoeken, laten we zeggen dat ik daar twee weken voor nodig heb. Ik wil niet het resultaat van zo’n lang werk verliezen.

Ik voel dat het hem vooral aan het hart ligt om jou een plezier te doen en je te gehoorzamen; daarom schrijf ik je daar ook over; ik ben daarbij dan ook bereid om zo snel mogelijk terug te komen.
Schrijf me een lange brief en heel precies over jezelf.
Ik omhels je met heel mijn hart.

                            Charles.

Dit is de laatste bewaard gebleven brief van Charles Baudelaire. Op 2 juli wordt hij met de trein naar Parijs gebracht in gezelschap van zijn moeder en Arthur Stevens. Hij wordt opgenomen in het Maison de Santé in de rue du Dôme. Zijn moeder is vaak bij hem maar in oktober keert zij terug naar Honfleur omdat Baudelaire haar aanwezigheid niet meer verdraagt. Zij komt in het voorjaar weer terug.

Baudelaire sterft op 31 augustus 1868. Hij is dan 47 jaar oud. Hij wordt op 2 september begraven op de begraafplaats van Montparnasse, en bijgezet in het familiegraf naast generaal Aupick. Er zijn weinig mensen aanwezig, de meeste mensen zijn op vakantie.

Autographe Charles Baudelaire

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact