baudelaire1848

Charles Baudelaire 1848

          Aan Pierre-Joseph Proudhon     
                           

Parijs 21 augustus 1848.
Burger,

Een gepassioneerde en onbekende vriend wil u absoluut zien, niet alleen om iets te weten te komen en een paar minuten van uw tijd te gebruiken, waar hij in die zin misschien wel recht op zou hebben, maar ook om u op de hoogte te brengen van dingen die u misschien niet weet met betrekking tot uw veiligheid. Zelfs indien degene die u schrijft u alleen maar dingen zou vertellen die u al wist, dan zou hij volgens mij niet belachelijk zijn, omdat zijn sympathie en bewondering voor u dit al ruimschoots zou rechtvaardigen.
Ik heb lang strijd geleverd met mijn luiheid om u een lange brief te schrijven; maar ik heb het liever aangedurfd om me direct tot u te richten. Vandaag hielden de politieagenten me aan alle kanten tegen om binnen te komen; want ik hoopte dat ik u deze brief kon overhandigen via andere afgevaardigden die ik een beetje ken. Als u het niet excentriek vindt dat een armzalige onbekende om een direct schriftelijk antwoord vraagt aan een man die het heel druk heeft met zijn werk en bezigheden zoals u, - dan zal ik, in dat geval, oneindig lang in het café-restaurant op de hoek van de rue de Bourgogne wachten. – Zou u zo vriendelijk willen zijn om me een antwoordbriefje te geven, - uw adres, uw tijden, - zo snel mogelijk. De onrust die heerst in alle geesten roept om zeer snelle verklaringen voor alle mensen met gevoel.
                        Charles Baudelaire
                        Avenue de la République, 18.
                                    Neuilly.
Met toewijding en vol bewondering.

  AAN P. – J. PROUDHON
                    Parijs, 21  augustus 1848.


Dit wilde ik u dus vertellen, en het lijkt me heel zinvol; want, óf u weet het al, en dan is mijn plicht het u toch te vertellen, of u weet het niet, en dan is het goed dat u het weet.
Men belooft ons problemen. Wie veroorzaakt die dan? Dat weten wij niet. Maar bij de volgende demonstratie, zelfs als die antivolks is, dat wil zeggen bij het volgende voorwendsel, - dan kunt u vermoord  worden.
Dat is een heel reëel complot.
In eerste instantie opzettelijk, vaag en in latente toestand, met betrekking tot u op dezelfde manier geformuleerd zoals enkele jaren geleden de wensen geformuleerd werden met betrekking tot de dood van Henri IV: - Uiteraard, men mag niemand dood wensen, maar het zou een heel gelukkige gebeurtenis zijn indien hij een ongeluk zou krijgen. De andere vorm is veel duidelijker: bij de volgende gelegenheid weten we waar hij woont, en we kunnen hem ook elders opsporen. Dat wordt een zaak voor ons. – U bent de grote zondebok. – U moet zeker weten dat hier geen enkele vorm van overdrijving in zit; ik kan u alleen geen bewijzen geven. Als ik die had, dan had ik die naar de prefectuur gestuurd, zonder u te raadplegen. Maar mijn geweten en mijn intelligentie maken van mij een uitstekende verklikker met betrekking tot mijn overtuigingen. Dat betekent dat ik zeker ben van wat ik beweer, namelijk dat de man die ONS in het bijzonder zeer lief is groot gevaar loopt. Het is zelfs zo erg dat, als ik me verschillende onverwachte gesprekken herinner, indien er een poging zou zijn, ik u dan namen zou kunnen geven, zo onvoorzichtig is de meedogenloosheid.
Ik had gedacht dat u vandaag de moeite zou hebben genomen me een antwoord te geven. Ik wilde u overigens ook alleen maar spreken over verbeteringen die ik belangrijk acht voor uw krant, bijvoorbeeld voor de weekeditie, voor de herdruk van de totale collectie en in de tweede plaats over de mogelijkheid die er zou zijn om een enorm affiche te maken, door u en andere afgevaardigden en redacteuren van uw krant ondertekend, met een enorme oplage aan exemplaren met het BEVEL aan het volk niets te doen.
Uw naam is momenteel bekender en meer invloedrijk dan u denkt. Een opstand kan als legitimistisch beginnen, en eindigen als socialistisch; maar het omgekeerde kan ook plaatsvinden.
Ondergetekende heeft een absoluut vertrouwen in u, evenals veel van zijn vrienden, die met de ogen dicht achter u aan zouden lopen voor de garanties van de kennis die u hen heeft gegeven.
En dus, bij de volgende opschudding, ook als die heel onbeduidend is, blijf niet thuis. Als u kunt, neem dan een occulte bewaking, of sommeer de politie om u te beschermen. De regering zou zo’n cadeau overigens graag krijgen van die wilde beesten van het eigendom; dan is het misschien ook beter om u zelf te beschermen.

                    Charles Baudelaire

 AAN MADAME AUPICK
                        Parijs, 8 december 1848.

Eergisteren vertelde mijnheer Ancelle me dat mijn reis naar L’Indre die ik een tijd geleden gemaakt heb, buiten mijn medeweten om betaald was door u, en dat ik het geld waarvan ik dacht dat het van zijn welwillendheid kwam, aan u schuldig was. Mijnheer Ancelle had ongelijk dat hij me deze zending verzweeg en in eerste instantie voor me verborg; want ten eerste zou ik me helemaal niet geschaamd hebben dit geld van u te ontvangen, en ten tweede als hij me eerst had gezegd: “Ik heb een bedrag van 500 frank voor u gekregen”, in plaats van het beetje bij beetje op te maken voor een reis die me helemaal niets heeft opgeleverd, had ik het als ik het in één keer had opgenomen, veel nuttiger kunnen besteden door in Parijs te blijven.
Ik moet u bekennen dat de bekentenis van mijnheer Ancelle betreffende deze zending me zeer verbaasd heeft, en niet minder ook zijn grote zorg dit in eerste instantie te verbergen. Ik moet bekennen dat ik hevig verbaasd dat u daar nog de moeite nam om aan mij te denken, en u te bekommeren om mijn eeuwige geldzorgen, met name na de zeer harde manier waarop u mij ontvangen heeft enkele dagen voor uw  vertrek.
Met die nerveuze koppigheid en dat geweld dat zo karakteristiek voor u is, heeft u mij slecht behandeld, alleen maar vanwege een arme vrouw  van wie ik alleen maar al heel lang houd uit plichtsbesef, dat is alles. Het is vreemd dat u het eerst zo vaak en zo lang tegen me gehad heeft over spirituele gevoelens, over plichtsbesef, en dat u deze aparte relatie niet begrepen heeft, waarin ik niets te verdienen heb, en boetedoening en de wens een toewijding te belonen een grote rol spelen. Hoe vaak een vrouw ook ontrouw is geweest, hoe hard haar karakter ook is, als zij een paar vonkjes van goede wil en toewijding heeft getoond, is dat al genoeg voor een onbaatzuchtige man, een poëet met name, om te denken dat hij haar moet belonen. Ik vraag u om excuus dat ik daar zo op aandring, maar het was voor mij zeer verdrietig dat u de zo eenvoudige bedoeling van mijn verzoek niet begrepen. Ik heb u sindsdien niets meer over dat onderwerp geschreven, omdat ik in eerste instantie bang was u tot last te zijn zonder voorafgaand een voldoende uitgewerkte uitleg daarover te hebben gegeven, en in de tweede plaats omdat het noodzakelijk was de plannen uit te stellen, want om die onveranderlijk te kunnen volbrengen vergen die een rustiger toestand dan die ik nu heb. En toch kom ik daar weer op terug, en ik geloof dat ik verplicht ben om u uitleg daarover te geven; nu ik achtentwintig jaar min vier maanden ben, een immense poëtische ambitie heb, voor altijd gescheiden ben va de eerbare wereld vanwege mijn voorkeuren en mijn principes, wat maakt het uit dat terwijl ik mijn literaire dromen opbouw ik bovendien een plicht vervul, of wat ik een plicht vind, en dat zeer ten koste gaat van de gangbare ideeën over eer, geld en kapitaal? U moet wel weten dat ik niet om goedkeuring vraag; dit is alleen maar een bekentenis dat ik wel eens gelijk kon hebben; en ten tweede, dat als het puur door mijn eigen wil wordt afgelast, als het door een onverwachte gebeurtenis of gedachte doorkruist wordt, dan kan ik heel goed een compromis met mezelf sluiten en mijn plannen opzeggen.
Nu moet ik de moed vinden om u heel cru te zeggen dat aangezien ik zelf nooit gedacht heb om geld aan u te vragen, en omdat u zelf dat initiatief genomen had, waardoor ik inzag dat u nog aan mij dacht, heb ik me ingebeeld dat u mij nog wel een keer te hulp kon schieten. Het Nieuwjaar komt er aan; dat is de tijd dat ik van woning moet veranderen. Met wat ik bij mijnheer Ancelle hier krijg, en wat ik elders ga ontvangen, als u tot die tijd daar nog 250 frank aan kan toevoegen, of anders, als u dat absoluut niet kan, mij dan toestemming geven om dat van u te lenen, dan zou ik mezelf voldoende rijk vinden om meerdere plannen ten uitvoer te brengen die ik al heel lang graag wil doen, waaronder mijn arme dierbare manuscripten terughalen die eeuwigdurend gecontracteerd zijn; zolang ze nog blijven bestaan! Dat was het wrede ding dat ik u moest vertellen.
De drieëntwintig dagen die over zijn, zijn genoeg voor u om mij een antwoord te geven. Ik zou het heel fijn vinden indien u mij een paar zinnen zou willen schrijven, en niet mijnheer Ancelle gebruiken om ofwel uw besluit ofwel de eigen gedachten die u maar wilt aan me te laten schrijven.
Het enige wat mij echt interesseert over u is dat ik zou willen weten hoe uw overtocht is geweest, of u daar goed zit, en of uw gezondheid beter is dan zoals die hier was.
Wat mij betreft, hoewel de literatuur minder positief is dan ooit, ben ik nog steeds dezelfde, dat wil zeggen dat ik er helemaal zeker van ben dat mijn schulden betaald zullen worden, en dat mijn bestemming roemrijk volbracht zal worden.
Een andere reden waarom ik heel blij zou zijn indien u aan mijn verzoek wilt voldoen is dat ik hier heel serieus een oproerbeweging vrees, en er is niets zo betreurenswaardiger dan zonder geld te zitten op dat soort momenten.
Adieu, ik ga er van uit dat u mij mijn brief niet kwalijk neemt. U zult daar ongetwijfeld voor langere tijd zijn. Nieuwe regeringen zullen u vast niet elders naartoe verhuizen. Over een jaar misschien, als ik wat rijker ben, ga ik misschien wel naar Constantinopel, want mijn reiswoede komt steeds terug.
                        Charles.


AAN MIJNHEER Rard
                                    1848 .
Geachte Heer,

U noemt mij ultraliberaal, en u denkt dat u mij daarmee beledigt. Ik zou u eigenlijk moeten bedanken voor elk antwoord.
Maar laten we dit onterende epitheton toch even nader onderzoeken. Ik doe het woordenboek open en ik zie dat de eerste betekenis van dit woord als volgt is: hij die houdt van geven. In die betekenis wed ik dat u zichzelf naast mij ook ultraliberaal zou noemen, en u zou mij die benaming dan misschien zelfs niet eens meer geven; maar u zou hem zelf vast wel aannemen, en dan zou u volgens uw eigen mening nog liberaler zijn dan ik; maar, omdat het niet aannemelijk is dat u uzelf wilt beledigen, kan ik de mooiste helft van de waarde van dit woord al bekijken als neigend naar mijn lofuiting.
In figuurlijke zin betekent het : hij die grootse, edele en vrijgevige ideeën heeft. Ik denk dat ik nog kan beweren dat u denkt dat u edel denkt, vrijgevig handelt, en dat uw gedachten even vrij als verheven zijn. Hier torn ik dus nog een lofuiting van u los, of die ik tenminste met u deel.
Er zit nog een derde betekenis aan dit woord, nog niet erg verduidelijkt, die beter verstaan wordt dan gedefinieerd, maar die de geest niettemin precies in de volgende woorden meet; liberale meningen, zoals die onderwezen worden door vrome Lanjuinais, de deugdzame La Fayette, de harde Beauséjour en de strenge d’Argenson *. Als u het woord liberaal in deze laatste betekenis als een schandvlek aan mijn naam wilt verbinden, en als u mij met deze heren verwart, dan hoef ik me niet meer te schamen. Als er hoogst eerlijke mensen zijn, en daar twijfel ik niet aan, immers u zegt dat ook, hebben zij de top van de perfectie bereikt en vanaf dat hoge punt werpen zij zoveel licht dat men hen niet kan vastzetten. Ik houd van het licht dat me leidt, en niet het licht dat me verblindt en me verschillende afgronden instuurt.
Zou u soms met ultraliberaal iemand bedoelen die alleen maar in wanorde en zedeloosheid leeft? Dan moet hij maar eens langskomen, de eerste die ik zie daar spreek ik de banvloek over uit. Maar ik kom hem overal tegen. Ik zie hem bij u in de buurt, vandaag, blozend in het bloed de kleur rood die hij zonder smet noemt, en die hij alleen maar gekozen heeft om tussen hem en zijn aanklagers te zetten.
Geachte heer, na mezelf eerst goed onderzocht te hebben kan ik niet geloven dat u een bepaald woord zozeer heeft willen verminken, in mijn voordeel; een woord dat alleen verschrikkelijk is voor de dommeriken van de hoge kringen en meestal ook voor regeringsvijanden die terugvallen op deugd en rechtspraak omdat die vrijheid en gelijkheid garanderen. En dus, omdat ik u noch dom vind noch een vijand van vrijheid en burgerlijke gelijkheid, wil ik u oprecht hartelijk bedanken voor uw goedheid mij de mooiste benaming te geven die een burger maar kan dragen.
Funest effect der passies, gij zult mijn ogen niet fascineren! Dat voel ik diep in mijn hart: er zijn mensen die echt liberaal zijn, omdat er mensen zijn die nog van de werkelijke glorie en deugd houden.
Ik groet u, geachte Heer.
                        Ch. B….

Vorige pagina Volgende pagina

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact