Baudelaire1860-1861

Charles Baudelaire 1860-1861

Contract    1 januari 1860.
Tussen ondergetekenden, Ch. Baudelaire, literator, verblijfplaats te Honfleur (Calvados) en Poulet-Malassis en De Broise, drukkers uitgevers, gezeten te Parijs en Alençon (Orne) .
Mijnheer Charles Baudelaire verkoopt aan Poulet-Malassis en aan De Broise een oplage van vijftienhonderd exemplaren van elk van de volgende boeken:

Les Fleurs du mal (2e druk, aangevuld met twintig nieuwe stukken)

Opium et haschisch
Opinions littéraires
Curiosités esthétiques

En dit, voor de somma van driehonderd frank per boek, de helft te betalen bij aanlevering van het manuscript van elk boek, en de andere helft bij het bon à tirer van het laatste vel.
Mijnheer Baudelaire heeft onlangs tweehonderd vijftig frank ontvangen als voorschot, en anderszijds zijn de heren Poulet-Malassis en De Broise hem nog dertig frank schuldig voor de brochure Théophile Gautier, zodoende zal het totaalbedrag dat mijnheer Baudelaire zal ontvangen voor het geheel van zijn literaire producties zoals hierboven genoemd, derhalve verlaagd worden naar negenhonderd tachtig frank.
Mijnheer Baudelaire verleent de uitgevers twee jaar voor de verkoop van de oplage van elk van de boeken, vanaf de datum van het in verkoop brengen. Na het verstrijken van deze termijn zal het huidige contract verlengd worden onder dezelfde voorwaarden, en, in geval van weigering van de uitgevers, krijgt mijnheer Baudelaire het geheel wederom rechtens in zijn eigen bezit. Wanneer deze boeken uitverkocht raken vóór het verstrijken van de twee genoemde jaren, zou het contract met recht verlengbaar mogen worden vanaf de dag dat er geen exemplaren meer beschikbaar zouden zijn bij de uitgevers.
Huidig contract annuleert alle voorgaande contracten opgemaakt tussen de heren Poulet-Malassis en De Broise met Charles Baudelaire, met name diegene die in verband staat met de Curiosités esthétiques.
In tweevoud opgemaakt tussen beide partijen.
1 januari 1860.
Charles Baudelaire.

Aan Auguste Poulet-Malassis  Parijs, begin januari 1860.
Beste vriend,

Alles wat u me geschreven heeft is heel goed. Ik ben vandaag de hele dag bezet met boodschappen. Ik kan u niet een hele rits dingen die ik voor u heb gemaakt op de post doen.
Ik schrijf meteen naar mijnheer Bichet opdat u de nummers krijgt.
Ik moet martelingen doorstaan met Calonne; het is nu al voor de derde keer dat ik gedwongen ben ruzie met hem te maken. Het tweede gedeelte is vreselijk verminkt, en hij heeft vanochtend nog iemand gestuurd om bij mij nieuwe absurditeiten te vragen. Hij heeft niet meer verstand van kunst en literatuur dan een provincieprefect.
C.B.

Aan Alphonse de Calonne  Donderdag 5 januari 1860.  (Middernacht.)
Beste de Calonne,

Ik heb lang getwijfeld of ik wel vanavond naar u zou komen. Mijn hekel aan ruzie verhindert me dat! Ik wil u duidelijk schrijven, en ik wil dat u me gelooft als ik u verzeker dat ik u nu schrijf zonder enige rancune.
Niets van de vriendschap die u op mij heeft overgebracht zal verdwijnen, maar ik waarschuw u dat ik, hoe aardig en overeenkomend u ook bent, me niet meer zal onderwerpen aan uw discipline, behalve dan nog voor de bewerkingen waar we het al over eens waren geworden. Want uiteraard is het mijn plicht dat ik u het einde van L’Opium nog lever.
Ik zal doorgaan, dat is waar, met het gehoorzamen aan het contract door alles wat ik maak aan u te geven, tot aan concurrentie van twaalf vellen (aangenomen dat wanneer L’Opium af is, ik u er dan bijna acht zal hebben geleverd); maar die besluiteloosheid, die bewerkingen en die castraties zullen niet meer plaatsvinden. Dat betekent dat ik wanneer ik u de waarde van twaalf vellen heb geleverd, ik dan vrij ben, of u ze nou in hun geheel hebt geaccepteerd of dat u ze geweigerd heeft.
Ziet u met welke voorzichtigheid ik deze dingen zeg, terwijl het toch duidelijk mag zijn dat dergelijke dingen niet fijn zijn om te zeggen. Mijn naam en mijn talent zouden me toch, en hebben me over het algemeen ook beschermd tegen zulke vervolgingen van de klassieke hoofdredacteur, en ik zeg u op mijn erewoord dat u de eerste bent bij wie ik zoveel eerbied heb gehad.
Vanochtend nog! Een begin van een dialoog was heel lang en moeilijk geweest om te maken. Ik had eindelijk het begin gevonden, dat door zijn plechtigheid lijkt op de eerste maten van een orkest. Maar krak! U vindt dat het meer verantwoord zou zijn om als begin een necrologische noot in te voegen.
En dat over een man waarvan ik tien boeken ken, en die er misschien wel dertig heeft gemaakt!
Over een man die één van de belangrijkste figuren is van een leerschool! Twintig regels voor een noot! Maak uzelf rechter over wie u wilt.
Om het samen te vatten, zal ik het nog eens herhalen:
Er is een bepaalde mate van leeftijd en kennis waarin men uiteraard ontkomt aan deze disciplines. U berokkent mij schade, en u doet u zelf natuurlijk ook geen goed; ik heb beloofd om in het tweede gedeelte twee stukken in te korten die ik beschouw als de klassieke stukken van de man; ik zal het doen. Maar daarna, kom ik in opstand.
Laat mijn brief aan iedereen zien die u kent (wel intellectuelen, welteverstaan) en dan zult u zien wat men u er van vertelt.
Geheel de uwe, overigens; twijfel daar niet aan.
Als een dergelijke breuk plaats moest hebben, en als ik ergens debiteur over was, weet dan dat ik me zal weten vrij te pleiten.
Ch. Baudelaire.

Aan madame Aupick  Parijs, zaterdag 7 januari 1860.
Notitie van wat ik nog te doen heb.
1.    Geld bij Genève vandaan halen en het voor je op de post doen (vanavond of maandag).
2.    Geld ophalen op drie plaatsen (ongeveer 800 frank).
3.    (Onvermijdelijk) Het tweede deel van L’Opium corrigeren bij de drukkerij. Ik heb hierover hele vermoeiende ruzies gehad met mijnheer de Calonne. Ik heb net een verzoeningsbrief met excuses gehad, die is uiteraard geschreven onder druk van zijn vrouw; maar het is niet minder waar dat het tweede deel verminkt is, en dat ik het allemaal in de gaten moet houden.
4.    Nauwkeurig stoppen met het plan voor elke scène van het toneelstuk, een brief laten opstellen voor mezelf waarin de tijd bepaald wordt waarin het wordt gespeeld, en 3000 frank lenen voor ik vertrek. Opschrijven waarvoor dit geld zal worden gebruikt.
5.    Schriftelijk met Malassis afspraken maken voor al onze betalingen, opdat mijn afwezigheid uit Parijs niets afdoet aan een makkelijke manier van betalen (er zijn niet meer zulke wissels die in Honfleur betaald kunnen worden).
6.    Regelen dat men mij vanuit Genève de drukproeven stuurt van het nummer dat niet verschenen is en een kopie van alles wat er nog over is van de manuscripten van het vierde deel van Edgar Poe, omdat ik niet genoeg vertrouwen heb in die mensen om uit Parijs weg te gaan zonder een kopie van mijn werk.
7.    Als ik rijk genoeg ben, na het aftrekken van wat ik moet krijgen, de geprotesteerde wissel uit Honfleur, jouw 260 frank, verscheidene schulden in Parijs, twee of drie kledingstukken bestellen.
8.    En dan eindelijk het portret van mijn vader laten restaureren, de twee hoofden van Greuze, en het inpakken van zo’n vijftig tekeningen of schilderijen. Dat zal allemaal eerder dan ik vertrekken, zodat je kunt zien dat ik eraan kom zodra je een eerste pak ontvangt.
Denk je nu echt dat het met een leven dat zo moeilijk is zoals we dat in Parijs moeten leiden, makkelijk is om zoveel grootse dingen snel en goed af te ronden, zoveel kleine dingen en alles even verschillend?
Begrijp me goed en word niet boos. Ik neem aan dat ik vanavond moet dineren in een huis waar ik uit mijn gewone doen ben, en waar ik tot 1 uur blijf. Morgenochtend, moe, en de ochtend weer kwijt.
Een brief van een schuldeiser, een literaire ruzie, een onnodige boodschap, die me midden op de dag op twee mijl van mijn huis brengt, - weer een dag kwijt.
Vandaag voel ik dat je op me wacht; er was een vergissing. Ik voel aan dat je lijdt; ik wil je precies uitleg geven, en ik ga vast voor jou de post uit Alençon missen, waarin Malassis me vraagt om het voorwoord van de nieuwe Les Fleurs du mal en de opdracht van de Paradis artificiel (opium et hascisch). En zo voort, en altijd zo; en de dagen gaan voorbij, en als we een kwart hebben gedaan van wat we wilden doen, dan mogen we trots zijn.
En ik vergeet nog dat ik vandaag het contract voor de vier nieuwe boeken moet kopiëren dat me vanuit  Alençon is toegestuurd.
De opdracht die ik voor de eerste van deze boeken heb gemaakt (Paradis artificiel) maakt me een beetje bang. Er zit zoveel hoogte, brutaliteit en minachting in, dat ik voel vaag aan dat ik aan het randje van belachelijkheid zit. Ik zal het aan mijn drukker overlaten om te beoordelen over de smaak.
Dan ga ik nu afsluiten met waar ik mee had moeten beginnen. Je voorlaatste brief verbaasde me heel erg. Ik had je gezegd dat ik zou beginnen met bagage op te sturen, en dat ik vooral wachtte op de afsluiting van de toneelaffaire. Ik had je verteld dat ik het geld van de wissel zou verzenden, maar niet dat ik het je zelf zou komen brengen. Ik lijd zo erg, ver van jou, en ver weg van een schoon en elegant huis, dat ik meerdere keren al eens gedacht heb om er een weekje even opluchting te zoeken. Ik heb veel nagedacht over hoe ik die lange ballingschappen kan voorkomen, en ik denk dat het beste gewoon is om vaak naar Parijs te komen en er dan maar een dag of drie, vier te blijven, net genoeg tijd om een stuk of twintig dingen te doen. En denk nu eens wat ik weer een verdriet heb gehad van je brief van vanochtend waarin je zei dat je de boten in Le Havre afzoekt! Je krijgt geen Hamlet, maar een mooie complete Shakespeare. Ik omhels je.
Charles.

Aan Auguste Poulet-Malassis  Parijs, ongeveer 10 januari 1860.
1.    Ik ga uw Notices opsturen waarvoor ik nog geen tijd had om ze te lezen.
2.    Ik ga het contract voor u kopiëren.
3.    Ik schrijf mijnheer Bichet dat hij le Haschisch moet opsturen naar u, en het eerste nummer van L´Opium. (samen zes vellen, op zijn minst voor LA REVUE, ervan uitgaande dat het tweede gedeelte van L’Opium gedrukt is.)
4.    Ik ben bezig de opdracht voor u te maken.
5.    Probeer een goede titel te kiezen, of, beter nog, er zelf een te verzinnen die aangenamer is dan die andere.
6.    Alles wat u me schrijft is heel redelijk. Maar de omstandigheden kunnen het allemaal veranderen. Bijvoorbeeld, dat ik voor mezelf de verantwoordelijkheid wil nemen voor een enkele wissel van 1500, te betalen in Honfleur. Ik zou het nodig kunnen hebben dat u de Calonne disconteert in Alençon. En als laatste, kan ik, vóór de 15e, niet twee boeken, maar alle vier de boeken aan De Broise leveren.
7.    Al mijn betalingstermijnen zijn opgeschreven, en ik ken ze zelfs uit mijn hoofd. Die van 100 (de laatste) is op 20 maart.
8.    Mijn vertrek is uitgesteld. Ik zal nooit ergens heengaan zonder u ervan te verwittigen.
9.    Maak uw rekening goed op voor de verantwoording.
10.    De Romeinse cijfers dienen voor de indeling, en daar komen ondertitels bij, in Le Haschisch, net als in L’Opium.
11.    Uiteraard zal dat een inhoudsopgave worden.
Charles Baudelaire.
Volgens mij is de beste titel: Le Paradis artificiel.

Aan Auguste Poulet-Malassis  [zelfde datum]

TITELS

La Panacée.
Les dangers de la panacée.
PHαρμακον νεπενθες.
Le pharmakon népenthès.
Les jouissances et les dangers du Népenthès.
Les paradis dangereux.
Les paradis des damnés.
Les mangeurs de lotus.
Le Paradis artificiel.

Welke u ook kiest, haschisch et opium moeten in de ondertitel. Haschisch moet het eerste woord zijn.
Maak er een mooi boek van voor me.
C.B.
Ik onderstreep de goede.

U moet me eerlijk zeggen wat u van die opdracht vindt.
Er zal er één zijn (in Champfleury), in dezelfde toon, melacholisch en onbeschaamd, voor les Curiosités.
Uw titel Opinions littéraires is verwerpelijk.

Aan madame Aupick  Parijs, zondag 15 januari 1860.

Nee dus. Jammer genoeg nee. Ik heb je alleen maar geschreven dat ik zekerder was dan ooit dat ik mijn geld zou krijgen uit Genève (minstens 400 frank), omdat ik net ruzie had gehad met die lui. Ze gaan vanuit Genève de manuscripten die ik opeis sturen, en me het manuscript betalen dat gepubliceerd gaat worden, waarvan ik alleen het einde nog inlever voor contant geld. Je had me dus niet begrepen. Ik stond zelf doodsangsten uit voor wat er zich in Honfleur heeft moeten afspelen.
Ik wacht nog vier dagen; maar het kan nu niet langer meer duren. Ik smeek je om mijnheer Desmarais te gebruiken. Niet nodig om hem te vertellen waarvoor het geld is, of het moet zo zijn dat je verplicht bent om hem om raad te vragen voor de vraag die gaat volgen. Je kunt hem het geld over vijf of zes dagen teruggeven, en ik zal hem dan bij mijn terugkeer zelf gaan bedanken.
Het is duidelijk dat de deurwaarder uit respect voor jou nog niet is opgetreden. Een deurwaarder die twee weken wacht, dat heb ik nog nooit gezien. Hieronder staat wat ik je terugstuur zodat je het goed begrijpen kan.
In de kantlijn, van de hand van Marin, de advocaat, staat de rekening die betaald moet worden.

            317,  25        is de wissel
             14,   18        (en dat zou grofweg maar 12 frank moeten zijn, het is het gedeelte van de boete die mij opgelegd wordt)

               4,  40        dat is de prijs van het protest.
Totaal 335,   83

Ik vraag je duizend maal verontschuldiging dat ik je aandacht moet vestigen op zulke vreselijke details. Buiten het protest (4,80) is er een boete, voor het hebben gemaakt van een wissel die op een illegale manier is gemaakt, dat wil zeggen op papier dat bestemd is voor een lagere waarde. Dat is een verstrooidheid die de wet straft met 36 frank, maar de wet zegt ook dat deze boete verdeeld zal worden tussen de personen die de wissel ondertekend hebben. We zijn met zijn drieën; ik zal en wil maar 12 frank betalen. De deurwaarder zal, zoals alle deurwaarders dat doen, het liefst hebben dat ik alles betaal en zeggen: vraag die 24 frank dan maar aan de andere ondertekenaars. Maar hij moet ze laten betalen.
Let op (en dit is belangrijk) dat het protest de erkenning van mijn recht bevat, erkend door hemzelf, immers hij eist 14,18 frank van me voor mijn boetedeel. Dat is nog eens twee frank teveel ook; maar daar moeten we maar niet moeilijk om doen.
Ik heb zelf met Marin de wetsartikelen geverifieerd die bovenaan het protest staan:
Artikel 4 en 7 van de wet van 5 juni 1850 over onwettelijke wissels.
Ik hoef je niet te zeggen dat ik voor niets op de wereld aan die 400 frank kom voordat ik mijnheer Desmarais met eigen handen heb terugbetaald.

Heb je vanochtend mijn Opium gelezen? Ik ben bezig met het retoucheren van het tweede deel dat ik morgenavond moet inleveren.
Je Shakespeare is uitgekozen. Ik wacht alleen nog op die 400 frank om hem te kopen.

Ik heb gisteren een vreemde aanval gehad. Ik was niet thuis; ik was bijna nuchter. Ik denk dat ik iets heb gehad als een herseninfarct. Een oude vrouw heeft me eruit gehaald met vreemde middelen. Maar toen ik weer helder was, kreeg ik nog een aanval. Misselijk, en zo zwak, met duizelingen, dat ik geen traptrede opkon zonder te denken dat ik flauw zou vallen. Na een paar uur was het afgelopen. Ik ben gisteravond weer thuis gekomen;  ik voel me nu weer heel goed, maar zo moe alsof ik een lange reis had gemaakt.
De deurwaarder heet Lecompte en woont in de rue Chaussée op nummer 11.
Welnu, als hij boos wordt, dan gaat hij me voordragen bij de burgerrechtbank van Pont-l’Évêque. Wat een probleem!
Vandaag, zondag, is het zeker dat geen enkel ongeluk me is overkomen.
Ik omhels je; ik smeek je te geloven dat het niet allemaal mijn fout is. Ik schrijf je overmorgen.
Charles.
Nog een komisch detail van mijn avontuur (dat andere), is dat ik op geen enkel moment mijn verstand was verloren, en dat ik ongerust was over het idee dat men kon denken dat ik dronken was.

Aan Auguste Poulet-Malassis   Parijs, 29 januari 1860.
Beste vriend,
Gisteren zijn er weer een hoop nieuwe ongelukken gebeurd met mijn artikel waardoor ik weer de hele dag moet doorbrengen op de drukkerij van La Revue.
Ik schrijf u dit omdat ik niet wil dat u mijn afwezigheid wijt aan onverschilligheid. Het is dringend. En u moet weten dat ik niet onverschillig kan zijn voor alle wat u interesseert.
Geheel de uwe.
Ch. Baudelaire.
Zondagochtend.

Let op dat het morgen de 31e is, dat wil zeggen de dag waarop het nummer klaar moet zijn.

Aan Auguste Poulet-Malassis  Parijs, 4 februari 1860.
Beste vriend,

Wat!? Is er niemand bezig met Les Paradis artificiels? En u heeft de pretentie om les Fleurs af te hebben voor een provincie-expositie in mei! U moet wel weten dat ik om die serie gestarte stukken van Les Fleurs en het voorwoord af te kunnen maken, om de Salons de 45 et de 46 te bewerken, ik wel een maand in Honfleur moet gaan zitten, waar al mijn papieren liggen.
Ik schrijf gelijk naar Bichet, die is administrateur bij la Revue. U had het zelf moeten vragen.
De Broise wil niet afwijken van het contract; maar hij zal het uitvoeren. Paradis artificiels (af), 300 frank. Morceaux de critiques littéraires (af) (ik ga het manuscript opsturen met de noot van de stukken die al gedrukt zijn), 300 frank. Dus, 600 frank, plus 30 frank die ik niet had durven vragen, maar die ik toch accepteer; 630. Ik ben 250 schuldig. Dus, De Broise moet u met 380 frank uit de brand helpen.
Ik heb vier keer ruzie gehad met Calonne, hij heeft me twee excuusbrieven gestuurd, en bij de vijfde keer is hij weer teruggevallen in zijn woede-uitbarstingen van autoriteit en literaire leiding. Dat leven is niet te tolereren voor me, en ik heb geprofiteerd van een uitnodiging van La Presse om hem Monsieur G., peintre de moeurs, L’Art enseignant en Le Dandysme littéraire of  la grandeur sans convictions te leveren (daarover had ik het nog niet met u gehad). Wanneer het gedrukt zal worden? Wanneer krijg ik het geld, ik weet het echt niet.

Voor wat betreft onze afspraken, voor het pakket Notices, het kopiëren van het contract, etc., ga ik dinsdag de hele dag gebruiken. Ik moet nu de eerstvolgende drie dagen allerlei onaangename en onvermijdelijke dingen regelen.
Het feit dat ik de hierboven genoemde artikelen heb gekopieerd, is omdat ik zo aan De Broise wil bewijzen dat hij me niet twee van de vier delen schuldig is, maar DRIE.
Voor les Fleurs ontbreken er nog maar drie gedichten, waar ik al aan begonnen ben, en een voorwoord, ook al aan begonnen, het geheel blijft daar.
Geheel de uwe.
C.B.
En de gezondheid?
Mijn opdracht is die soms kwijt?

Aan Auguste Poulet-Malassis  Parijs, ongeveer 10 februari 1860.

OBSESSION*
…ποντιων τε κυματων
άνήρίθμον γελάσμα
Aischylos.

[Als u een Grieks woordenboek heeft, moet u even kijken of het goed gespeld is].

Groot bos, u verschrikt mij als kathedralen;
U schreeuwt als het orgel; en in onze verdoemde harten,
Kamers van eeuwige rouw waar oud geruis vibreert,
Antwoorden de echo’s van uw De profundis.

Ik haat je, Oceaan! Je sprongen en je tumult,
Mijn geest vindt ze in zichzelf terug; die bittere lach
Van de verslagen man, vol snikken en beledigingen,
Ik hoor het in de enorme lach van de zee.

Wat zou je me behagen, o nacht! Zonder die sterren
Waarvan het licht een bekende taal spreekt!
Want ik zoek de leegte, en het zwart, en het naakt!

Maar de duisternis is zelf een web
Waarin, met duizenden springend uit mijn oog,
Verdwenen wezens leven met bekende blikken.

Aan madame Aupick   Parijs, 28 februari 1860.
Dit album is al heel lang voor jou bestemd, en ik hoop dat het je meer bevalt dan de Turkse vrouw. Ik dacht dat gezichten op Parijs je wel plezier zouden doen, vooral de opnames voor de grote sloop. Geef er niet één weg; het is te moeilijk om aan goede afdrukken te komen. Je zou de drie of vier mooiste in kunnen lijsten.
Ik stuurde ze je steeds niet op, omdat ik tegelijkertijd je Shakespeare, je Thackeray en je 600 frank  naar Honfleur wilde sturen. Echter, ik heb niets. Sinds twee maanden zit ik in een ellende ongeveer zoals ik die voeger heb gekend. Noch die 400 frank uit Genève, noch de 500 frank die ik ook nog moest krijgen, zijn gekomen. Sinds zes weken ontbeer ik al de meest noodzakelijke dingen. En toch is niets van wat ik verwachtte nog verloren. Gisteren nog heb ik iemand gestuurd naar een plek waar er ook nog 500 frank op me wacht, en men zei dat ze het me zeer binnenkort zouden opsturen. Ik wacht daar ook al vierentwintig dagen op!
Als je eens wist wat ik allemaal moet verdragen voor jou en voor mij! Ik denk steeds maar aan je tuinman. Ik lijd, ik ben woedend, ik kom niet meer buiten. Ik zit opgesloten in mijn kamer en ik kan niet werken.
Ik had mezelf gezworen dat ik je, ondanks mijn ongerustheid, alleen zou schrijven als ik triomferend nieuws had. Maar overmorgen 1 maart komt er een wissel van 200 frank in Honfleur, en deze keer wil ik dat je absoluut niet lijdt onder mijn ellende, en dat je zegt: mijn zoon blijft veel langer weg dan ik dacht (onwaar: ik kom terug), laat u zich maar terugbetalen in Parijs, op de rue d’Amsterdam 22. Toch als morgen, of overmorgen, of zelfs op 2 maart, ik die 500 frank krijg, is het nog tijd, en ik zal je die dan opsturen; maar dat hoef ik niet te vertellen.

Ik heb enorme zin om al mijn pakketten op te sturen; maar in werkelijkheid zou het absurd zijn om geen zekerheid mee te nemen voor wat betreft le Marquis du 1 er Houzards, en ik moet de waarheid zeggen, ik heb mezelf niet verder kunnen verhogen dan de derde akte; vanaf dit punt zit het slecht in elkaar, het kan niet zo gespeeld worden; het is zelfs niet eens waardig om het te presenteren. Het begin is heel goed; maar wat heb ik daaraan?

Ondanks het contract, ga ik weg bij La Revue contemporaine; ik heb er teveel geleden voor L’Opium; en ik ga nu bij La Presse, waar er negen feuilletons gedrukt gaan worden.
Raak dit feuilleton niet kwijt. Ik heb er geen tweede van, en je ziet dat hij door mij is gecorrigeerd. Dat kan nog gebruikt worden, als ik ooit nog eens een goede uitgave van Edgar Poe kan maken.
In Le Salut public vind je bij de Bibliografieën passages die over mij gaan. In Le Moniteur is ook een groot artikel verschenen van Sainte-Beuve waarin heel aardig over mij is geschreven, maar dat heb ik niet.
Zou je me een hele grote dienst willen bewijzen? Dan moet je me pas een hele lange brief met verwijten schrijven over een paar dagen, zodra ik me er een beetje heb weten uit te redden. Ik zit in een deplorabele toestand. Er kan me nog maar één onheil gebeuren, en dat is dat ik zou horen dat je ziek bent. Maar dat zou je me geschreven hebben.
Ik omhels je met heel mijn hart.
Charles.
Ze gaan bij auteurs Les Paradis artificiels verspreiden (Haschisch et Opium) die in april gaan verschijnen.

AAN GUSTAVE FLAUBERT  Parijs, 26 juni 1860.
Beste Flaubert,

Ik bedank u van harte voor uw uitmuntende brief. Ik was getroffen door uw observatie, en omdat ik heel oprecht in de herinnering van mijn dromerijen was weggezonken, kwam ik er achter dat ik altijd geobsedeerd was geweest door mijn onvermogen sommige plotseling opkomende handelingen of gedachten bij de mens op te merken zonder de hypothese van een interventie van een kwalijke kracht buiten hem om. Dat is pas een fikse bekentenis waarmee de hele negentiende eeuwse samenzwering me niet kan laten blozen. Let wel, ik zeg niet dat ik er geen plezier in kan hebben om van gedachten te veranderen of om mezelf tegen te spreken.
Over enige dagen wanneer ik naar Honfleur ga, zal ik, indien u dat goedvindt, even in Rouen kunnen uitstappen; maar ik denk dat u net zo bent als ik en een hekel heeft aan verrassingen, dus ik zal u van tevoren inlichten.
U vindt dat ik veel werk. Is dat een wreed grapje? Heel veel mensen, zonder mezelf mee te tellen, vinden dat ik niet veel uitvoer.
Wreken, dat is onophoudelijk werken; dat is geen gevoel meer hebben, geen dromerij; en het is een pure wil zijn die altijd in beweging is. Misschien slaag ik daar ooit in.
Geheel de uwe. Uw zeer toegewijde vriend.

                            Ch. Baudelaire.

Ik heb altijd gedroomd om (in zijn geheel) de Tentation te lezen en ook nog een ander apart boek, waar u geen enkel ander fragment van gepubliceerd heeft (Novembre). En hoe is het met Carthage ?

AAN ARMAND FRAISSE  Parijs, ongeveer 12 augustus 1860.

Wantrouw elk stimuleringsmiddel… Ik ken een vreselijke anekdote, hoewel die geen betrekking heeft op de opium. Het gaat over een mondaine vrouw die onverklaarbaar futloos en melancholisch was geworden, alleen maar omdat ze er met haar man een paar jaar lang een gewoonte van had gemaakt Champagnewijn als gewone tafelwijn te gebruiken bij de lunch en het avondeten. U raadt het resultaat al: het was onmogelijk voor haar geworden om in een normale toestand te geraken zonder Champagnewijn. En champagne is nog wel een vrij onschuldig middel wat betreft schadelijkheid, in vergelijking met Indiase hennep, laudanum of morfine.
Ik heb een hekel gekregen aan elke vorm van stimulerend middel, omdat welk stimulerend middel dan ook de tijdsbeleving van alles vergroot en er een reusachtigheid aan geeft. Het is niet alleen onmogelijk om gewoon een zakenman te zijn, maar ook een literair schrijver wanneer men continue een spirituele orgie ondergaat.
[………………………………………………………………………………………………..]
Ik reken erop dat u gaarne mijn vertrouwelijkheden niet aan een ander toevertrouwt. Men moet niets persoonlijks overleveren aan gajes.

AAN MADAME AUPICK   Parijs, 21 augustus 1860.

Die Becker is een afzetter, en die Andler een mafkees. Al meer dan twintig jaar ben ik verzadigd van die vernederingen, en ik voel ze niet meer.
Kom niet aan mijn papieren. Ik moet absoluut naar Honfleur toe komen.
Ik had 300 frank nodig om te kunnen gaan. De Calonne gaf me die. Een schuldeiser heeft me die weer afgenomen. Toen vroeg ik die 300 frank aan Malassis, die mij ook heel dringend wil zien. Hij heeft me ze opgestuurd. Een andere schuldeiser heeft me die ook weer afgenomen. Ik ga ze nu vragen aan Le Constitutionnel die woedend zijn op me. En toch weet ik dat ze mij die zullen geven.
Ik zal sterven zonder iets met mijn leven te hebben gedaan. Ik was 20.000 frank schuldig; nu is dat 40.000. Als ik de pech heb nog lang te moeten leven, dan kan de schuld nog een keer verdubbelen. Ik ben al een aantal maanden ziek, ik lijd aan een ziekte waarvan je niet geneest, aan lafheid en verzwakking. Lichamelijk geeft dat complicaties met slecht slapen en angstaanvallen. De ene keer angst, de andere keer woede.
En om mijn verdriet en walging nog groter te maken, heb ik jou nu ook nog eens ziek gemaakt.
Over twee dagen heb ik een bezoekje gebracht aan Le Constitutionnel.
Veel kussen met heel mijn hart,
                        Ch. Baudelaire.

AAN AUGUSTE POULET-MALASSIS  Parijs, eind augustus 1860.

Ik heb nog steeds die titelplaat aan de horizon staan; ik ben verloren. Hoe kunt u nou nog vertrouwen hebben in de interpretatie van een of ander idee van een of andere kunstenaar? Bracquemond gaat alles in het werk stellen wat hij kan om zijn prent te behouden. Die bloemen waren iets absurds. En dan nog, dan had hij boeken moeten raadplegen over analogieën, de symboliek van bloemen, etc… wilt u serieus een goede raad aannemen? Als u echt een titelplaat wilt, knip dan netjes met een schaar die plaat van Langlois uit, en vraag aan Bracquemond een facsimile, streng, niets meer en niets minder; het skelet, de takken, de slang, Adam, Eva, alles. Alleen zo kunt u iets voor elkaar krijgen. Dat hij niet denkt dat hij zomaar alles mag toevoegen. Dit frontispice is  niet meer van ons, maar wordt zomaar aan het boek toegevoegd ; en het heeft het voorrecht dat het aan elk boek kan worden toegevoegd, want iedere literatuur is afkomstig van de zonde. Ik ben zeer serieus hoor. Als u dit niet doet dan krijgt u alleen maar absurditeiten.
En in plaats daarvan, wat doet u?
U geeft Bracquemond een combinatie in zijn hoofd die voor hem altijd duister zal blijven. U stelt u opnieuw bloot aan hetzelfde risico, het gevaar niet begrepen te worden (hij weet niet wat dat betekent, het boomvormige skelet, want hij wilde zich niet eens toeleggen op uw schets). Hij zal de zonde nooit kunnen weergeven in de vorm van bloemen.
Geloof me, knip die pagina uit dat boek van u, en dan lijmt u het later weer netjes vast. Dring hier erg op aan, dat de illustratie in zijn geheel zeer nauwkeurig overgenomen moet worden, en er mag niets toegevoegd, niets veranderd worden.
Hij zal een deel van zijn skelet willen behouden, waarvan de proporties verwerpelijk zijn, waarvan de benen lopen (waarom eigenlijk?), en waarvan het bekken gedeeltelijk verborgen blijft door de bloemen. En hij zal nooit de takken aan de armen kunnen aanpassen, omdat de armen tot aan de rand van het boek komen.
Geloof me; Niets of de Copie Servile van de macabere prent van Langlois.
Ik ben er van overtuigd dat het tot op dit moment Bracquemond nog niet gelukt is om u te begrijpen.

Voor het boek met de kritieken:
Ja, ongetwijfeld. De twee laatste stukken, Guys en Les Peintres philosophes, komen binnenkort uit.
Ik verwachtte uw hypothese over de filosofie van de geschiedenis. Ik ken uw geest alsof het mijn eigen zoon was. Ik denk dat het bij u een kwestie is van de oude filosofieoverblijfselen van 1848. Maar begrijpt u in de eerste plaats dan niet dat wat voor veranderingen het menselijke ras ook ondergaat, hoe snel de vernietiging ook gaat, er in de verbeelding altijd de noodzaak van het antagonisme moet blijven bestaan, en dat de verbanden, met de kleuren of de verschillende vormen, altijd hetzelfde blijven?
Dit is, als u ermee instemt deze formule aan te nemen, de eeuwige harmonie door de eeuwige strijd.
Bovendien denk ik (vanwege de absolute eenheid in de scheppende zaken) dat er over uw hypothese een naturalistenfilosoof geraadpleegd zou moeten worden, zoals bijvoorbeeld mijn neef. Kunt u zich voorstellen dat welk dierenras dan ook andere rassen kan verzwelgen? En zelfs in uw idee van het verzwelgen van alle volkeren door één enkel volk, ziet u daar dan niet in dat de mens, het superieure dier, dan zelfs ook alle dieren zou moeten verzwelgen? Enfin, ook al is het waar dat er al heel veel (dieren) rassen zijn verdwenen, is het ook waar dat er weer anderen zijn ontstaan, voorbestemd om hun buren op te eten of om zelf door hen opgegeten te worden; en het is ook waar dat, ook al zijn er mensenrassen verdwenen (in Amerika bijvoorbeeld) , er ook weer andere mensenrassen bijgekomen zijn, voorbestemd om de strijd en het antagonisme voort te zetten, volgens een eeuwige wet van aantallen en overeenkomstige krachten. U kent vast wel de woorden van de heilige Augustin die nu overgenomen zijn door de doctoren van de spontane ontstaansvorm van microscopisch kleine diertjes: God schept in elke seconde van de tijdsduur .daaruit moet geconcludeerd worden dat de strijd voortduurt, in elke seconde van de tijdsduur.
En zo dwingt u mij weer tot filosoof spelen en gooit u me in kwesties die ik niet bestudeerd heb.
Ik kom weer terug bij Les Fleurs. Een groter lettertype dan het oude, alstublieft; en ik kom terug op die vreselijke Bracquemond.

Ik heb hem carte blanche gegeven in de volgende beperkingen:een boomvormig skelet, de kennisboom van het goed en het kwaad, waarvan de schaduw bloeiende bloemen heeft in de vorm van de zeven hoofdzonden uitgebeeld in allegorische planten.
Ik heb hem verteld dat hij voor die boom zich moest refereren aan de uitmuntende ets die wij allen kennen.

We hadden hem al eens uitgelegd wat dat was, een boomvormig skelet, en kijk hoe hij het nu begrepen heeft. Boom der kennis van het Goed en het Kwaad heeft voor hem geen duidelijke beeldhouwbetekenis.
U heeft hem, wij hebben hem al verplicht om  zich te refereren aan de uitmuntende ets die wij kennen. Wat heeft dat voor zin gehad?
Hij moet hem overnemen, nabootsen, kopiëren, in zijn geheel en in al zijn meest minieme details.
Uw toegewijde,
                                C.B.

En u geeft hem carte blanche!
Ik kwam Ferrari tegen, die van zijn vrije dag gebruik maakte om het parlement te verlaten en hierheen te komen. Het leek er veel op dat hij zich meer interesseerde voor de verkoop van zijn boeken dan voor een Italiaanse eenwording. Het leek er ook op dat hij elke coalitie goed vond, en gaarne een Cavour ministerie, een Garibaldi ministerie, of een Mazzini ministerie wilde ingaan.
Ik heb hem het advies gegeven om zich tot minister te laten benoemen van de keizer van Marokko; hij moest erg lachen, maar geloof me, daar is hij niet zo heel erg ver vandaan.
Mooie recente uitspraken van de Parijse stomheid:
“Garibaldi is meer dan een zeer moedig en zeer bedreven officier, het is een Religie!” (Paul Meurice.)
“Garibaldi is orthodox en de paus is een ketter!” (Louis Jourdan.)
“Eindelijk iemand die flink sterk is en die daar allemaal eens even schoon de bezem door gaat halen. Ik wed dat hij in twee maanden in Wenen zit!” (Mathieu.)
Over bijen: “Die lieve kleine republikeintjes…!” (Léon Plée.)

AAN MADAME AUPICK  Parijs, 11 oktober 1860.

Ik heb, helaas ! , maar twee zinnen om je te antwoorden: mijn schulden zijn verdubbeld  door de noodzaak dat alle schulden na een bepaalde tijd verdubbeld moeten worden  door al diegenen die dat soort kwesties berekend hebben. Ik was eerst 10.000 frank schuldig aan de heer Arondel; nu ben ik hem al een paar jaar 15.000 frank schuldig. Ik  moet lenen om te betalen; en om je een nieuw voorbeeld te geven, het geld dat ik sinds zestien maanden verdien met de reproductie van mijn werk, gaat allemaal naar de rente van een nieuwe schuld van 3.000 die ik heb gemaakt voor mijn verhuizing naar Honfleur. Bovendien gaat het totale bedrag maar omhoog omdat het zo moeilijk is om te werken in zulke vreselijke problemen, terwijl de uitgaven gewoon doorgaan. Jij pijnigt je hersens af, je fantaseert duizend dingen om het te begrijpen, in plaats van gewoonweg te zeggen: De Raadsman van Toezicht! Die vreselijke fout die mijn leven geruïneerd heeft, die elke dag van mijn leven verlept heeft, en die al mijn gedachten met haat en wanhoop gekleurd heeft. Maar dat begrijp jij niet van mij.
Nu ga ik serieus praten, zonder hoogdravendheid, over zeer trieste gedachten. Ik kan eerder dan jij komen te overlijden, ondanks die duivelse moed die me al zo vaak overeind gehouden heeft. Wat mij al achttien maanden ervan weerhoudt, is Jeanne. (Waar zou zij na mijn dood van moeten leven, want jij zou dan al mijn schulden met dat wat ik nalaat moeten betalen?) nog meer redenen: jou alleen laten! En je achterlaten met het verschrikkelijke probleem dat je het zou moeten zien te redden in de chaos die alleen ik kan begrijpen!
Alleen het idee van een voorbereidend werk om het inzicht van mijn zaken te vergemakkelijken is voldoende om me te laten terugdeinzen voor een daad die ik als het meest verstandige in mijn leven beschouw. Ik zal alles vertellen, ik heb een trots die me ondersteunt, en een wilde haat tegen alle mensen. Ik hoop altijd dat ik kan domineren, me wreken, ongestraft brutaal mag worden, en andere kinderachtige dingen. Enfin, hoewel ik je noch bang wil maken noch iets aan wil doen, noch je wroeging wil bezorgen, denk ik dat ik mag geloven dat ik op een mooie ochtend een aanval kan krijgen; die mij zal bespringen, want ik ben het echt zat, en ik heb nooit plezier of veilige zekerheid gekend. Wel na jouw dood, dat is duidelijk en zeker; want de angst dat ik je pijn zal doen tijdens je leven kan mij nog stoppen; maar als jij dood bent, kan niets mij meer tegenhouden; welnu, om de waarheid te zeggen, om het goed te benadrukken, er zijn twee liefdadigheidsideeën die me tegenhouden, jij en Jeanne. Het mag dus duidelijk zijn dat ik niet voor mijn plezier leef. Ik kom nu ter zake. Wat het lot ook moge zijn dat zich van mij meester maakt, als ik, na de lijst te hebben opgemaakt van al mijn schulden, plotseling zou overlijden, en jij zou nog leven, dan zou je iets moeten doen om die oude schoonheid, die nu veranderd is in een zwakzinnige, wat verlichting te geven. Al mijn literaire overeenkomsten zijn in orde, en ik ben er van overtuigd dat er een dag komt waarop alles wat ik gemaakt heb heel goed verkocht wordt. Volgens de gebruiken ben ik verplicht om jou als erfgename aan te wijzen. En de Raadsman van Toezicht heeft me, God zij dank! - niet het recht ontnomen om te testeren. Ik herhaal: mocht ik, door een ongeluk, ziekte, wanhoop, of andere oorzaak, me niet meer bevinden in de toestand van het probleem van het leven, dan moet je voor de verlichting van dat meisje, na verstandige en zeer schandelijke betaling van mijn schulden, dat wat overblijft aan haar opofferen; plus de opbrengst, hoe klein ook, uit de verkoop van mijn gedichten, mijn vertalingen en mijn proza. Maar jij hebt geen enkel verstand van zaken.
(Een broer van haar is gevonden, die heb ik gezien, met wie ik gepraat heb, en die haar uiteraard ook te hulp zou komen; hij heeft geen bezittingen, maar verdient wel geld.)
Ik herlees net alles wat ik zojuist heb opgeschreven, en echt gezien jouw zwakte, is het schandelijk je het te moeten opsturen. En toch heb ik er de betreurenswaardige moed voor. Het zal dan ten minste goed zijn om je te laten zien met wat voor ideeën ik gewend ben te leven sinds ik besta.
Positief nieuws nu.
Geen enkel bericht over het Toneel. Terwijl ik eindelijk tevreden ben met mijn plan. Ik had niet gedacht dat ik zulke nieuwe moeilijkheden nog zou kunnen overwinnen. Ik heb absoluut de grootste minachting voor dergelijke banaliteiten, maar ik denk maar dat er aan het eind van dit soort werk misschien wel 50.000 frank zit. Wanneer ik bedenk dat met een eenvoudige brief van tevredenheid van de directeur van Le Cirque ik in een maand wel 3000 frank kan lenen! Mijn droom is, dat weet je, om literaire kwaliteiten samen te smelten met de tumultueuze regie van het boulevardtheater.
Mijn biografie verschijnt samen met mijn portret. Volgend probleem. Wat kan ik voor inlichtingen verschaffen, behalve verfoeilijke? Jouw publieke hoogachting, je weet wat ik daar van denk; maar dan nog moet je, als een acteur, in een waardige houding verschijnen. Ik heb die geweldige heer Cardine als hommage en teken van sympathie mijn Paradis gestuurd.
Ik heb een klein appartementje in Neuilly gehuurd, zodat ik geen voet meer in een hotel hoef te zetten; ik heb er mijn meubels heen laten brengen, die zijn in een slechte staat, en ik moet je bekennen dat ik had gerekend op een laatste welwillendheid van jou om het in orde te laten maken en er nog en bed bij te kopen, een tafel, etc…
En toch zit ik nog in het hotel.
Les Fleurs du mal liggen onder de drukpers. Vreselijke affaire. Het is een boek dat altijd zal verkopen, als justitie zich er tenminste niet weer mee bemoeit. Er zitten vierendertig nieuwe stukken bij, en die heb jij bijna allemaal al onder ogen gehad. De rest verschijnt bij L’Artiste. Maar ik ben zeer perplex. Er zit een voorwoord proza in, met een zeer heftige ironie. Ik twijfel of ik het wil laten drukken, en tegelijkertijd zal ik nooit genoeg krijgen van het beledigen van Frankrijk.
Ik ga weg bij de Calonne, met het risico van een proces. De heer Buloz heeft me aangeboden om bij hem te komen, ook al moet hij dan enkele schulden voor mij betalen, indien ik die bij de Calonne gemaakt heb. (En dat heb ik ook.)
Er is weer sprake geweest van die belachelijke eremedaille. Ik hoop echt dat het voorwoord van de Fleurs dat voor altijd onmogelijk maakt. Ik heb trouwens moedig op die van mijn vrienden geantwoord die deze opening voor me had gemaakt: “Twintig jaar terug (ik weet dat wat ik zeg absurd is) was dat leuk geweest! Maar vandaag de dag wil ik een uitzondering zijn. Alle Fransen mogen een medaille krijgen, als ik er maar geen hoef.  Nooit zal ik mijn zeden noch mijn stijl veranderen. In plaats van een medaille, zouden ze me geld, geld en nog eens geld moeten geven. Als zo’n medaille 500 frank kost, laten ze me dan 500 frank geven; als het maar 20 frank kost, dan geven ze me maar 20 frank.” Kortom, ik heb boerenkinkels beantwoord als een boerenkinkel. Hoe ongelukkiger ik word, hoe groter mijn trots is.
Ik omhels je, met veel verdriet. Ik houd van je, met heel mijn hart; je hebt dat nooit geweten. Er zit tussen jou en mij dat verschil dat ik je uit mijn hoofd ken, en dat jij nooit mijn miserabele karakter hebt kunnen inzien.

                        Charles.

Ik heb aandachtig alles gelezen wat je schreef over die verzakking van de grond in de tuin. Wat een misère. Arm huisje! Als ik de kracht en de gezondheid heb om al mijn kwellingen te overleven, dan neem ik me plechtig voor om het niet alleen nooit te zullen verkopen, maar ook om er nooit een hypotheek op te nemen.

Je hebt niet eens de moeite genomen om aandachtig het tweede deel van mijn laatste lange brief te lezen. En die ideeën die ik je voorlegde had ik nog wel goed afgemeten, overdacht,uitgedacht en afgewogen. Ik heb het over de brief waarin ik je bekende dat die schuldeisers me het geld hadden afgetroggeld, wat me met een speciaal doel in bewaring was gegeven door iemand.
Opnieuw veel liefs van mij.
                                C.B.

AAN ARMAND DUMESNIL   Parijs, 21 februari 1861.
Geachte Dumesnil,

Mijn bezoek van vanavond bij de heer de Calonne, heeft een nog onaangenamere discussie op gang gebracht dan deze brief; hij beweert zelfs dat de manuscripten of de het manuscript dat ik hem kan leveren hem van geen enkel nut zijn, omdat hij alleen gedrukte dingen mag uitbetalen. Maar, wat verstaat hij dan onder het woord: voorschotten?
In de tussentijd, dat wil zeggen toen ik het ministerie uitkwam, kwam ik Lacaussade tegen. Ik geloof dat hij Dentu nog niet eens gezien had; maar hij vond mijn affaire eenvoudig, hij zei echter wel dat de heer Dentu waarschijnlijk alleen maar het geld van het (maandag ) in te leveren manuscript wilde voorschieten, en dat in de tweede plaats de prijs van 200 frank per vel ongetwijfeld buitensporig hoog gevonden zou worden.
Daar ben ik toen tegenin gegaan, omdat die prijs overal zo’n beetje als gemiddelde wordt gehandhaafd. Ik vraag u mij te excuseren voor het feit dat u zich zo gehinderd moet voelen door mijn toedoen. Ik kom zaterdag denk ik naar u toe voor uw advies en uw steun.
Als gevolg van een massa complicaties ben ik nu echt ziek geworden, en ik wil morgen even rustdag houden, en als het kan, ook om nog te werken. Doet u de hartelijke groeten aan de heer Rouland.
Uw toegewijde,
                                        C.B.

Gaarne wil ik er nog even bij vermelden dat hij in deze brief vol verwijten niet één keer zegt hoe vaak ik al wel terugbetaald heb, en evenmin heeft hij het niet over al zijn literaire treiterijen waardoor ik het nu spuugzat ben geworden. Dit voor wat betreft mijn kant van het rechtzetten. In werkelijkheid heeft hij me gisteren laten komen omdat hij het zo leuk vond op me te schelden en om een soort van wanhoopsscène te kunnen spelen. Ik ben hier helemaal zenuwziek van geworden.

AAN MADAME AUPICK    Parijs, februari of maart 1861.
Lieve moeder,

Ach! Is het nog wel tijd dat wij nog gelukkig zullen zijn? Ik durf het niet meer te geloven; - veertig jaar, een Juridische Raad van Toezicht, torenhoge schulden, en ook nog, het ergste van alles, mijn wilskracht kwijt, verpest! Wie weet is mijn geest zelf wel beschadigd? Ik weet het niet, ik kan het ook niet meer weten, want ik heb zelf immers de capaciteit verloren om me ervoor in te spannen.
Voor alles wil ik je iets zeggen wat ik je niet vaak genoeg zeg, en wat jij waarschijnlijk niet weet, vooral als jij me alleen maar op mijn buitenkant beoordeelt, en dat is dat mijn liefde voor jou alleen maar groter wordt. Het is een schande dat deze liefde me niet eens de kracht geeft om overeind te krabbelen. Ik overdenk de afgelopen jaren, die vreselijke jaren, en ik denk de hele tijd alleen maar aan niets anders dan aan hoe kort het leven is; meer niet; en mijn wilskracht roest steeds meer. Als er ooit een man is geweest die al heel jong spleen en hypochondrie gekend heeft, nou, dan ben ik dat wel. En toch wil ik leven, en ik zou zo graag een beetje willen weten wat zekerheid is, roem, en tevredenheid over mezelf. Iets verschrikkelijks zegt me: nooit, en iets anders zegt tegen me: probeer het.
Uit zoveel plannen en ideeën, opgepropt in twee kartonnen dozen die ik niet meer durf te openen, wat zal ik er van uitvoeren? Nooit iets misschien.

                            1 april 1861.

Deze voorgaande pagina heb ik een maand, zes weken geleden, twee maanden geleden geschreven, ik weet niet meer wanneer. Ik ben nu verzeild geraakt in een soort onophoudelijke zenuwangst; vreselijke slaap, vreselijk wakker worden; onmogelijk iets te doen. Mijn exemplaren hebben een maand op mijn bureau gelegen eer ik de moed had om er een enveloppe omheen te doen. Ik heb Jeanne niet geschreven, ik heb haar al bijna drie maanden niet gezien; uiteraard, omdat het niet kon, heb ik haar geen stuiver gestuurd. (gisteren kwam ze hier; ze kwam net uit het ziekenhuis, en haar broer, van wie ik dacht dat ze op hem kon steunen, heeft tijdens haar afwezigheid een deel van het meubilair verkocht. Ze gaat de rest verkopen om een paar schulden te betalen.) In deze vreselijke geestelijke toestand, totale zwakte en hypochondrie, is het zelfmoordidee weer teruggekomen; nu kan ik het wel zeggen omdat het weer over is; ieder uur van de dag achtervolgde dit idee mij. Ik zag er de absolute verlossing in, de verlossing van alles. Tegelijkertijd, en drie maanden lang, heb ik, door een vreemde, maar louter schijnbare tegenstrijdigheid, gebeden! Op elk uur, (tot wie? Welk bepaald wezen? Ik zou het echt niet weten) om twee dingen te krijgen: voor mezelf, de kracht om verder te leven; voor jou, om nog vele, vele jaren te leven. Ik wil daarbij wel even zeggen dat jouw wens om te sterven echt absurd is en erg onliefdadig, want jouw dood zou voor mij de genadeslag zijn, en zou alle geluk verder uitsluiten.
Het sterke denkbeeld is uiteindelijk verdwenen, werd verjaagd door een harde en onvermijdelijke bezigheid, het artikel over Wagner, in drie dagen geïmproviseerd in een drukkerij; zonder die obsessie van de drukkerij zou ik nooit de kracht hebben gehad om het te kunnen doen. Sindsdien ben ik weer ziek geworden, neerslachtig, afschuw en angst. Ik ben twee of drie keer lichamelijk heel erg slecht geweest; maar een van de dingen die ik buitengewoon onverdraaglijk vind is dat ik als ik in slaap val, en ook tijdens mijn slaap, ik dan heel zuiver zinnen hoor, volledige zinnen maar heel banaal, heel triviaal, en die niets te maken hebben met mijn zaken.
Jouw brieven zijn aangekomen; ze waren  niet van een zodanige strekking dat ze me konden opbeuren. Je hebt altijd wapens bij je om me te stenigen met de mensenmassa. Dat alles [sic] dateert al vanaf mijn kindertijd, zoals je weet. Hoe doe je dat dan, dat je voor je zoon altijd het tegenovergestelde bent van een vriendin, behalve voor geldzaken, en dan nog, en daar blijkt jouw absurde en tegelijkertijd gulle karakter uit, alleen als ze op jou betrekking hebben? Ik heb zorgvuldig voor jou in de inhoudsopgave alle nieuwe stukken aangegeven. Het was makkelijk voor je om te verifiëren dat ze allemaal voor het kader waren gemaakt. Een boek waar ik twintig jaar aan heb gewerkt, en waarover ik overigens niet de baas ben om het niet te herdrukken!
Wat de heer Cardine betreft, dat is een ernstige zaak, maar in een heel andere betekenis dan die jij denkt. Ook al zit ik midden in diep leed, ik wil niet dat er een priester tegen mij komt strijden in het hoofd van mijn oude moeder, en ik zal er orde gaan scheppen, als ik dat kan, als ik er de kracht voor heb. Het gedrag van die man is monsterlijk en onverklaarbaar. Wat betreft het verbranden van boeken, dat gebeurt niet meer, behalve bij de gekken die graag papier zien fikken. En ik, ik was zo dom om niet een kostbaar exemplaar voor mezelf te houden, om hem te behagen en om hem iets te geven waar hij al drie jaar om zat te vragen! En nu zit ik zonder exemplaren, voor mijn vrienden! Jij moet mij altijd op de knieën hebben voor iemand. Dat was toen ook zo voor meneer Emon. Dat weet je vast nog wel. En nu moet dat voor een priester die niet eens de fijnbesnaardheid heeft om een krenkende gedachte voor zich te houden in jouw bijzijn. En hij heeft niet ééns begrepen dat het boek gebaseerd is op een katholiek gedachtegoed! Maar deze invalshoek is van een geheel andere orde.
Wat mij vooral van zelfmoord heeft weerhouden, zijn twee ideeën die jou waarschijnlijk zeer kinderlijk zullen lijken. Het eerste was dat ik het als mijn plicht zag om jou gedetailleerde aantekeningen te geven  voor het betalen van mijn schulden, en dat ik daarom dus eerst naar Honfleur moest gaan, waar al mijn documenten liggen, en die ik alleen kan lezen. Het tweede   - zal ik het toegeven? - was dat het zeer moeilijk zou zijn om ermee te kappen terwijl ik minstens mijn kritieken nog moest publiceren, als ik van de toneelstukken afzag (er is een tweede al in de maak), van romans, en ook nog van een groot boek waar ik al twee jaar van droom: Mijn hart blootgelegd, waarin ik al mijn woede stop. Ach! Als dat boek ooit verschijnen mocht, dan zullen de Bekentenissen van J[ean] - J[acques] daarbij verbleken. Zie je dat ik toch nog wel dromen heb.
Jammergenoeg had ik voor het maken van dit aparte boek die massa ’s brieven van iedereen moeten bewaren, maar die heb ik sinds twintig jaar altijd weggegeven of verbrand.
Nou ja, zoals ik je al zei, een keiharde taak heeft me uit mijn apathie en mijn ziekte gehaald voor drie etmalen. De ziekte zal weer terugkomen.
Over de Raad van Toezicht, wat jij me erover vertelde heeft me alweer aan het dromen gebracht; ik denk dat ik eindelijk een manier heb gevonden van combinatie, waardoor ik maar voor de helft geruïneerd word, waarbij ik veel pleziertjes kan hebben, en waarmee ik dientengevolge jouw inkomen kan aanvullen, want, hoe weinig ik dan ook verdienen zou, ik zou hoogstens maar de helft nodig hebben. Ik zal het je wel uitleggen. Vervloekte uitvinding ook! Uitvinding van een moeder wiens hoofd te veel bezig is met geld, die mij onteerd heeft, waardoor ik in steeds nieuwe schulden zit, die in mij alle vriendelijkheid heeft gedood, en die zelfs mijn kunstenaarsopleiding en schrijversloopbaan belemmerd heeft, die nu niet af zijn en onvolledig gebleven zijn. Verblinding veroorzaakt grotere geselingen dan gemeenheid. Wat zeker is, is dat deze situatie niet nog langer kan duren. Ik geloof niet dat ik gek kan worden; maar ik kan wel asociaal en daardoor zo onaangepast worden dat ik voor gek verklaard kan worden.
Zodra ik je brief had gelezen, heb ik Ducreux geschreven dat ik niet wilde dat hij je zou lastig vallen, en dat het alleen mijn taak was om te betalen; en dat hij hoe dan ook van mij zou horen aan het eind van de maand. De nieuwe maand is alweer aangebroken, en ik heb niets. Ik wilde helemaal niets van jou (die 23.000 frank! Daar denk ik vaak aan!) en vandaag smeek ík je om me die 200 frank op te sturen. Ik biecht je in alle eerlijkheid op dat ik daar 50 of 60 frank van af zal halen voor mijn hotel (dat ik moet blijven bijgieten tot de dag waarop ik door een opklaring naar Honfleur kan gaan zonder dat ik bang hoef t zijn dat mijn rust, waar de jouwe van af hangt, er verstoord wordt) of voor wat toiletspullen die ik echt nodig heb.
Ik smeek je; en maak gebruik van de spoorwegen (tegenover de stoomboten) of van een aangetekende brief. Ik geloof dat het exacte bedrag 190 is; maar ik dacht dat de overheidsinstellingen (de posterijen in ieder geval wel) alleen hele getallen accepteren. Als het kan, zorg er dan voor dat ik het overmorgen heb.
Er zit altijd een risico aan als jij de betaling op je neemt voor wat ook maar voor mij; dat zou de mensen kunnen aanmoedigen.
Wat mij aangaat, ik word vervolgd voor 2000 frank aan wissels, waarvan 1300 te maken hebben met meneer de Calonne; ik ben gebrouilleerd met hem; hij heeft zich schandelijk jegens mij gedragen. Die wissels waren voorschotten. En het is nu zo dat de prijs van alles wat ik maak en ga maken bij La Revue européenne van de heer de Calonne is. Ik krijg niets van mijn auteursrechten. Parallel hieraan, die 700, die wel op mij betrekking hebben. Zie je dat er moed voor nodig is. Ik mag niets ten gunste van mezelf besteden. Me amuseren en plezier maken, ik weet niet meer wat dat is. En om weer naar Honfleur te kunnen komen, moet ik, minstens, een maand, dertig dagen aan het werk zonder respijt. Vind je dat ik de eerste stommiteiten van mijn vroegere jaren nu duur genoeg betaal?
Ik had je nog veel meer andere dingen te vertellen. Maar ik heb niet genoeg papier noch tijd. Wees lief voor me; vergeet niet dat je heel vaak onrechtvaardig tegen me doet zonder dat je dat merkt, vooral wanneer je me ervan beschuldigt dat ik je te weinig liefde en aandacht geef. Ik heb dat begin van die ene brief bewaard om je dat te bewijzen, die schreef ik op een moment dat ik nu eens geen verwijten van je kreeg.
                            Charles.
Je hebt er geen idee van hoe vaak ik in mijn plannen jouw leven bij het mijne betrok.
Heb je La Contemporaine gekregen ? ik zal je L’Européenne ook sturen. Ik heb geen tijd om deze brief over te lezen.

Hieronder een hartverscheurende lange brief aan zijn moeder, waarin hij zijn hele leven analyseert en beschouwt en niets onder stoelen of banken steekt.

 AAN MADAME AUPICK   Parijs, 6 mei 1861.
Lieve moeder,

Als je echt het moedergenie bezit en als je het nog niet zat bent, kom dan naar Parijs, kom naar me toe, en kom me halen. Ik kan om duizenden verschrikkelijke redenen niet naar Honfleur komen om datgene op te halen wat ik zo graag wil, een beetje moed en een paar knuffels. Eind maart schreef ik je nog: zien we elkaar ooit nog eens? Ik zat toen in zo’n crisis waarin je de vreselijke waarheid ziet. Ik zou ik weet niet wat geven om een paar dagen bij jou te kunnen zijn, jij, jij bent de enige van wie mijn leven afhangt, een week, drie dagen, een paar uur.
Je leest mijn brieven niet goed genoeg, je denkt dat ik lieg, of dat ik me op zijn minst aanstel wanneer ik vertel over mijn wanhoop, mijn gezondheid, mijn afschuw om te leven. Ik zeg je dat ik je wil zien, en dat ik niet naar Honfleur kan rennen. In jouw brieven staan heel veel fouten en verkeerde ideeën die met een gesprek rechtgezet zouden kunnen worden maar die door hele boekdelen aan brieven niet kunnen worden opgelost.
Iedere keer wanneer ik mijn pen pak om mijn toestand uit te leggen, ben  ik bang; ik ben bang je af te maken, je broze lichaam te vernietigen. En ik zit constant zonder dat je het weet, op de rand van zelfmoord. Ik geloof wel dat je zielsveel van me houdt; maar je bent verblind, je hebt zo'n ruim karakter! Ik hield zielsveel van je als kind; later, onder de druk van je onrechtvaardigheid, had ik geen respect voor je, alsof een onrechtvaardige moeder een zoon het recht geeft geen respect meer te hebben; ik heb daar vaak wroeging over gehad, hoewel ik daar, zoals ik dat altijd doe, nooit iets over gezegd heb. Ik ben dat ondankbare en gewelddadige kind niet meer. Na lang te hebben nagedacht over mijn lotsbestemming en over jouw karakter kon ik daardoor begrijpen hoe fout ik was en hoe gul jij was. Maar, het kwaad is nu geschied, door jouw ondoordachtheid en mijn fouten. Wij zijn uiteraard voorbestemd om van elkaar te houden, om voor elkaar te leven, om ons leven verder zo eerlijk mogelijk en lief mogelijk te leven. En toch ben ik er zeker van, in de vreselijke omstandigheden waarin ik gekomen ben, dat een van ons de ander ooit zal doden, en dat wij elkaar uiteindelijk allebei zullen doden. Na mijn dood, dan leef jij niet meer, dat is duidelijk. Ik ben het enige onderwerp waardoor jij leeft. Na jouw dood, en vooral als je zou sterven door een schok die ik zou veroorzaken, dan zou ik me van kant maken, dat is onbetwistbaar. Jouw dood, waar je vaak met teveel gelatenheid over praat, zou niets aan mijn situatie verbeteren; de Raad van Toezicht zou gehandhaafd blijven (en waarom zou dat ook ophouden?), ik zou niets betaald krijgen, en ik zou als toppunt van mijn lijdensweg, het afschuwelijke gevoel hebben van een volledig isolement. Ik, mezelf van kant maken, dat is toch absurd, niet? “Dus dan ga je je oude moeder helemaal alleen achterlaten” zou je zeggen. Nou! Al heb ik er strikt genomen geen recht toe, ik denk toch zeker wel dat ik gezien de hoeveelheid pijn die ik al bijna dertig jaar moet ondergaan mij daarvoor toch vrij zou mogen spreken. “En God dan!” zou je zeggen. Ik wens met heel mijn hart (en hoe oprecht ik dat doe, niemand kan dat weten behalve ik!) dat ik kon geloven dat er een onzichtbaar wezen van buiten zich voor mijn lot interesseert; maar hoe moet ik dat geloven?
(het idee van God doet me denken aan die vervloekte pastoor. Ik wil niet dat je door de pijnlijke gevoelens die mijn brief bij je zal opwekken, hem gaat raadplegen. Die pastoor is mijn vijand, uit pure domheid misschien.)
Om terug te komen op de zelfmoord, het is niet een vaststaand idee, maar wel een die op geregelde tijden terugkomt, en er is een ding dat je zal geruststellen. Ik kan geen einde aan mijn leven maken als ik mijn zaken niet op orde heb gebracht. Al mijn papieren zijn in Honfleur, allemaal door elkaar. In Honfleur zou ik dus een grote berg werk moeten verrichten. En als ik eenmaal daar ben, dan kan ik me niet meer van jou losmaken. Want je zult er wel van uitgaan dat ik jouw huis niet zou bevlekken met een verwerpelijke daad. Daar zou jij trouwens gek van worden. Waarom zelfmoord? Vanwege de schulden? Ja, terwijl schulden juist beheerst kunnen worden. Het is vooral vanwege een te onverdraaglijke vermoeidheid die voortkomt uit een onmogelijke situatie die te lang duurt. Elke minuut toont me aan dat ik geen zin meer in het leven heb. In mijn jeugd heb jij een grote fout gemaakt. Jouw onverstandigheid en mijn vroegere fouten wegen zo zwaar op me, en ze pakken me in. Mijn situatie is afgrijselijk. Er zijn mensen die me groeten, er zijn mensen die me het hof maken, er zijn er zelfs misschien die me benijden. Mijn literaire positie is meer dan uitstekend. Ik kan doen wat ik wens te doen. Alles wordt gedrukt. Omdat ik een onpopulaire manier van denken heb, verdien ik weinig geld, maar ik zal een grote bekendheid nalaten, dat weet ik, - op voorwaarde dat ik nog de moed hou om te blijven leven. Maar mijn spirituele gezondheid; zeer slecht; opgegeven misschien wel. Ik heb nog wel plannen: mijn hart blootgelegd, romans, twee toneelstukken, waarvan een voor het Théâtre-Français, maar zal dat allemaal ook werkelijkheid worden? Ik geloof het niet meer. Mijn toestand in verhouding tot eerbaarheid, afgrijselijk, - en daar zit het grote probleem. Nooit rust. Beledigingen, laster, vernederingen waar je geen idee van hebt, en die mijn verbeeldingskracht vergallen en verlammen. Ik verdien een beetje geld, dat is waar; als ik geen schulden had, en als ik geen lotsbestemming had, DAN ZOU IK RIJK ZIJN, onthoud deze woorden goed, dan zou ik je geld kunnen geven, en dan zou ik zonder risico mijn liefdadigheid voor Jeanne uitvoeren. Over haar gaan we het zo meteen hebben. Jij hebt zelf deze uiteenzettingen uitgelokt. - Al dat geld schiet weg in mijn verkwistende en ongezonde levensstijl (want ik leef helemaal verkeerd) en naar betalingen of liever een ontoereikende tegemoetkoming van oude schulden, deurwaarderskosten, gezegeld papier, etc.
Zo meteen kom ik op de positieve zaken, dat wil zeggen de huidige. Want in werkelijkheid moet ik gered worden, en alleen jij kan me redden. Ik wil vandaag alles zeggen. Ik ben alleen, zonder vrienden, zonder minnares, zonder hond en zonder kat, om tegen te klagen. Ik heb alleen het portret van mijn vader, die nooit iets terugzegt.
Ik ben nu in de toestand die ik ook doorstaan heb in de herfst van 1844. een gelatenheid die erger is dan woede.
Maar mijn lichamelijke gezondheid dan, die heb ik nodig voor jou, voor mezelf, voor mijn plichten, nog een probleem! Ik moet met je daarover praten, ook al schenk jij daar maar weinig aandacht aan. Ik wil het niet hebben over die zenuwaandoeningen die me dag na dag vernietigen, en die mijn moed uit me weghalen, het braken, slapeloosheid, nachtmerries, zwaktes en flauwtes. Daar heb ik het te vaak over gehad met je. Maar ik hoef helemaal geen schaamte voor je te hebben. Je weet dat ik toen ik nog heel jong was, een pokkenaandoening heb gehad, waarvan ik later dacht dat die totaal genezen was. In 1848, in Dijon, kwam die weer tot uitbarsting. En is toen opnieuw verdoezeld. Momenteel komt het weer terug in een andere vorm, met vlekken op mijn huid, en een ongelooflijke afgematheid in mijn gewrichten. Geloof me maar, want ik heb er verstand van. Misschien komt het door het verdriet waarin ik zit dat mijn angst de ziekte vergroot. Maar ik moet een streng levensritme gaan volgen, en met het leven dat ik nu lijd zal ik me daaraan niet kunnen overgeven.
Ik laat dit even voor wat het is, en ik wil nu verder gaan met mijn dromen; voordat ik je mijn plan wil gaan vertellen, zeg ik je dat ik er echt van geniet. Wie weet of ik je ooit nog eens mijn hele ziel laat blootleggen, die jij nooit geaccepteerd hebt en nooit gekend hebt! Ik schrijf dit op zonder te aarzelen, zo zeker ben ik er van dat het waar is.
In mijn kindertijd was er een periode dat ik een passionele liefde had voor jou; luister en lees dit zonder angst. Ik heb je nooit zo openhartig daarover geschreven. Ik herinner me nog een rondrit in een rijtuig; je kwam uit een rusthuis waar je naar verbannen was, en toen liet je me, om te laten zien dat je aan je zoon had gedacht, pentekeningen zien die je voor mij had gemaakt. Geloof je dat ik een vreselijk goed geheugen heb? Later, op de Place Saint-André-des-Arcs en Neuilly. Lange wandelingen, eindeloze liefkozingen ! Ik herinner me de kades, die ’s avonds zo verlaten waren. Ah! Dat waren voor mij de goede tijden van de liefkozingen van mijn moeder. Ik vraag je om vergeving dat ik goede tijden noem wat voor jou waarschijnlijk slechte waren. Maar ik was altijd levend in jou; jij was helemaal voor mij. Jij was zowel een idool en een kameraadje. Je zult misschien wel verbaasd zijn dat ik met zoveel passie kan spreken over zo lang geleden. Ik ben er zelf verbaasd over. Misschien omdat ik nogmaals de wens om te sterven weer heb opgevat, dat de dingen van vroeger zich zo levendig in mijn geest aftekenen.
Je weet wat voor een vreselijke opvoeding jouw man mij later wilde geven; ik ben nu veertig jaar en ik denk niet zonder verdriet terug aan de scholen, en ook niet aan de grote angst die mijn stiefvader me inboezemde. Toch heb ik van hem gehouden, en ik heb vandaag de dag overigens genoeg wijsheid om hem zijn recht te geven. Maar hij was nu eenmaal wel hardnekkig onhandig. Ik wil hier snel doorheen glippen, want ik zie de tranen al in je ogen staan.
Ik ben er uiteindelijk vandoor gegaan, en vanaf dat moment was ik helemaal in de steek gelaten. Ik wilde toen alleen maar plezier maken, en zocht constante opwinding; reizen, mooie meubels, schilderijen, meisjes, etc. En daar onderga ik vandaag de dag op een te wrede manier de straf van.  Voor wat betreft de Raad van Toezicht, daar heb ik maar een ding over te zeggen: ik ken nu de ongelooflijke grote waarde van geld, en ik begrijp de ernst van alle dingen die met geld te maken hebben; ik snap best dat jij dacht dat jij het goed aanpakte, dat je voor mijn bestwil werkte; maar er blijft een vraag, een vraag die mij altijd geobsedeerd heeft : hoe komt het dat het nooit in jouw hoofd is opgekomen dat je dacht: “Het is mogelijk dat mijn zoon nooit op hetzelfde niveau als ik het begrip van goed gedrag heeft; maar het zou ook kunnen dat hij op andere gebieden een opmerkelijke man wordt. En in dat geval, wat zou ik dan doen? Zou ik hem veroordelen tot een dubbelleven, tegenstrijdig, aan de ene kant een eervol bestaan, en aan de andere kant verfoeilijkt en geminacht? Zou ik hem veroordelen tot aan het eind van zijn leven een betreurenswaardig litteken mee te moeten slepen; een litteken dat hem schaadt, en hem een reden geeft om machteloos en verdrietig te zijn?” Het mag duidelijk zijn dat wanneer er geen Raad van Toezicht was geweest, alles dan zou zijn opgemaakt. Dan had ik de zin om te werken moeten overwinnen. De Raad van Toezicht is er gekomen, alles is toch opgemaakt en ik ben oud en ongelukkig.
Is het mogelijk om te verjongen? Hier ligt het hele probleem.
Al dit terugkeren naar het verleden had geen enkel andere bedoeling dan je aan te tonen dat ik een aantal excuses te gelde moet maken, zoniet een volledige rechtvaardiging. Indien jij in datgene wat ik schrijf verwijten voelt zitten, weet dan tenminste dat dit mijn bewondering voor je ruimhartigheid in niets vermindert, en ook niet mijn erkentelijkheid voor jouw toewijding. Je hebt je altijd opgeofferd. Je bent een en al opoffering. Minder rede dan liefdadigheid. Maar ik vraag meer van je. Ik vraag je om raad, steun, en een volledige overeenstemming tussen jou en mij, om me uit deze narigheid te halen. Ik smeek je, kom, kom. Ik ben aan het eind van mijn zenuwkrachten, aan het eind van mijn moed, aan het eind van mijn hoop. Ik voorzie een voortzetting van afschuwelijkheden. Ik voorzie dat mijn literaire bestaan voorgoed belemmerd wordt. Ik voorzie een ramp. Je kunt best voor een week wat gastvrijheid vragen aan vrienden, aan Ancelle * bij voorbeeld. Ik zou ik weet niet wat geven om je te zien, om je te omhelzen. Ik voorvoel een catastrofe, en ik kan niet naar je toe op dit moment. Parijs is slecht voor me. Ik heb al twee keer een onverstandige daad verricht die jij veel strenger zult beoordelen; ik zal uiteindelijk gek worden.
Ik vraag je om je geluk, en ik vraag je om de jouwe, voor zover we dat nog zullen kunnen kennen.
Door jou kan ik een plan te kennen geven aan je, hier is het dan: ik doe een verzoek om een halve maatregel. Eigendomsoverdracht van een flink bedrag dat beperkt wordt tot 10.000 bijvoorbeeld, en 2.000 om me direct te verlossen; 2.000 in jouw handen om tegemoet te komen in onvoorziene of voorziene noodzakelijkheden, levensbehoeften, kleding, etc… voor een jaar (Jeanne gaat naar een tehuis waar het strikt noodzakelijke betaald wordt) . Over haar zal ik het zo hebben. Jij hebt me daartoe alweer uitgelokt. En dan uiteindelijk 6.000 in handen van Ancelle of Marin, die langzaam uitgegeven zullen worden, successievelijk, verstandig, door middel van het betalen van misschien wel meer dan 10.000, en om iedere schok te voorkomen, en geen schandalen in Honfleur te krijgen.
Dan heb ik een jaar rust. Ik zou wel een grote nul zijn en een grote schurk, als ik daar niet van zou profiteren om te verjongen. Al het geld dat ik in die tussentijd verdien (10.000, of misschien maar 5.000) zal in jouw handen komen. Ik zal geen enkele van mijn affaires, geen enkele verdienste voor je verborgen houden. In plaats van de lacune aan te vullen, zal dit geld weer bestemd worden voor de schulden. En zo voort, in de jaren die volgen. Zo kan ik misschien, met die verjonging die zich voor jouw ogen afspeelt, alles betalen, zonder dat mijn kapitaal verminderd wordt met meer dan 10.000, zonder daarbij mee te tellen, dat is waar, die 4.600 van de afgelopen jaren. En dan is het huis gered. Want dat is een van de dingen die ik altijd voor ogen heb.
Als jij akkoord zou gaan met dit plan der gelukzaligheid , dan zou ik al aan het eind van de maand willen verhuizen, of misschien wel nu meteen. Je mag van mij hierheen komen om me op te halen. Je zult begrijpen dat er nog een massa details bestaan die niet in een brief staan. In een zin kan ik zeggen dat ik wil dat ieder bedrag pas betaald mag worden na jouw toestemming en goedkeuring, na rijp beraad tussen jou en mij, in één woord dat jij mijn echte Raad van Toezicht  wordt. Kan het wel dat we verplicht worden om zo’n vreselijk idee te verbinden aan het zo lieve denkbeeld dat een moeder toch is!
In dat geval, moeten we helaas dag zeggen tegen de kleine bedragjes, tegen de kleine opbrengsten, 100, 200, hier en daar, wat het Parijse leven met zich meebrengt. Dan zouden het grote speculaties worden en dikke boeken, waarvan de betalingen langer op zich zouden laten wachten. Raadpleeg alleen jezelf, je geweten en jouw God, je hebt immers het geluk van het geloof. Vertel je gedachten slechts met mate aan Ancelle. Het is een goede man; maar zijn hersenpan is bekrompen. Hij kan niet geloven dat een eigenzinnig figuur die hij de les moest lezen een belangrijk man kan zijn. Hij zou me uit koppigheid laten creperen. Denk een beetje aan de roem, aan rust, en aan mijn leven in plaats van alleen maar aan geld.
In dat geval, zeg ik je, dan zou ik geen vakanties van twee weken, van een maand of van twee maanden bij jou houden. Ik zou dan een permanent verblijf houden, behalve dan wanneer wij samen naar Parijs zouden gaan.
Het drukwerk kan per post geschieden.
Er is nog een verkeerde opvatting van jou die ik recht moet zetten, en die steeds terugkomt in je brieven. Ik verveel me nooit in eenzaamheid, en ik verveel me nooit in jouw bijzijn. Ik weet alleen dat ik niet tegen jouw vrienden kan. Maar dat accepteer ik.
Ik heb een paar keer het idee gehad om een familieberaad bijeen te roepen of om bij de rechtbank te verschijnen. Weet jij eigenlijk dat ik heel wat goede dingen zou kunnen zeggen, al was het dit maar: ik heb acht boeken geproduceerd in verschrikkelijke omstandigheden. Ik kan in principe mijn kost verdienen. Word ik vermoord door de schulden uit mijn jeugd?
Ik heb het niet gedaan, uit respect voor jou, en uit eerbied voor jouw vreselijke gevoeligheid. Wees zo goed me daar dankbaar voor te zijn. Ik herhaal het nog een keer, ik heb mezelf opgelegd om alleen jouw hulp in te roepen.
Vanaf volgend jaar zal ik de opbrengst van het resterende kapitaal aan Jeanne besteden. Ze zal ergens in een rusthuis gaan, zodat ze niet in een absolute eenzaamheid terechtkomt. Wat is haar overkomen. Haar broer heeft haar in het ziekenhuis gestopt, om van haar af te zijn, en toen ze er uit kwam, ontdekte ze dat hij een deel van haar meubels en haar kleren had verkocht. In vier maanden, sinds ik Neuilly ben ontvlucht, heb ik haar 7 frank gegeven.
Ik smeek je, rust, geef me rust, werk en wat liefde.
Het mag duidelijk zijn dat er in mijn huidige zaken vreselijk urgente dingen zijn; zo heb ik opnieuw met dat onvermijdelijke gezwendel bij de bank de fout gemaakt een paar honderd frank die niet van mij waren achterover te drukken voor mijn eigen schulden. Hiertoe was ik absoluut gedwongen. Het spreekt voor zich dat ik het kwaad direct kon herstellen. Iemand in Londen weigert me 400 frank te geven die hij me schuldig is. Een ander die me nog 300 frank moest geven is op reis. altijd weer dat onverwachte. Vandaag had ik de verschrikkelijke moed die persoon in kwestie te schrijven en mijn fout toe te geven. Wat voor een scène zal dat opleveren? Ik weet het niet. Maar ik wilde mijn geweten bevrijden. Ik hoop dat er uit eerbied voor mijn naam en mijn talent geen schandaal gemaakt zal worden, en dat men nog wil wachten.
Adieu, ik ben op. Om wat gedetailleerder over mijn gezondheid te praten, ik heb al bijna drie dagen niet geslapen, niet gegeten; mijn keel zit dicht. En ik moet werken.
Nee, ik zeg je niet adieu; want ik hoop je nog eens te zien.
O, lees me alsjeblieft goed en aandachtig, tracht het goed te begrijpen.
Ik weet dat deze brief je pijnlijk zal treffen, maar je zult er ook wel iets van liefheid in vinden, tederheid, en zelfs nog wat hoop, die je te weinig gehoord hebt.
En ik houd van je.

                            C.B.

AAN FRANZ LISZT       Parijs, ongeveer 10 mei 1861.
Geachte heer,

Vandaag ontmoette ik mevrouw Wagner die mij vertelde dat u een brochure van mij had ontvangen over Wagner , en dat u mij gaarne wilde ontmoeten. Ik wilde uw bezoek voor zijn, omdat ik bang was dat u mij niet zou treffen, want ik heb het heel druk met zaken. Ik weet dat u de 20e vertrekt. Ik kom weer naar u toe. Ik wilde al jaren geleden de gelegenheid krijgen om u te betuigen van de grote sympathie die uitgaat van uw persoonlijkheid en uw talent.
                        Ch. Baudelaire.

AAN MADAME AUPICK Parijs, dinsdag 21 mei 1861.
Lieve  moeder,

In een van je laatste brieven stonden beloftes en aanbiedingen die ik voor niets op de wereld zou aannemen. Ik kan mijn moeder niet bestelen, en haar oude dag arm maken. Teveel opofferingen, dat vernedert me.
Nu moeten we het alweer over zaken hebben. Weet je nog dat ik je elke dag zou schrijven; maar elke dag zijn er ook deurwaarders, allerlei boodschappen en geregel, verzoeken om uitstel van betaling, en dan op het laatst ook nog wat werken! Mijn hemel! Een dag is niet oneindig.
Jij had me gezegd dat Ancelle misschien iets zou kunnen doen. Want hij zelf is bij me gekomen en heeft me zeer uitgebreid uitgelegd dat er niets aan te doen viel en dat hij niets kon doen. Maar volgens jouw brieven schijnt het dat hij jou het tegenovergestelde heeft geschreven, of dat jij het tegenovergestelde had begrepen. Wat een ongelooflijk buitengewone tegenstrijdigheid!
Hij wilde dat ik naar hem toe kwam. Waarom? Ik weet het niet. Ik begreep dat ik maar moest treuzelen, laten traineren, en dat er gewerkt moest worden, en dat ik alles van het toeval moest laten afhangen!
Op de avond dat hij kwam, was het te laat voor hem om nog terug te gaan naar zijn gezin om te eten; toen heb ik hem mee uit eten genomen naar het restaurant. Dankzij zijn vreselijke onbeholpenheid was het onmogelijk om te dineren. Hij werkte me zo op mijn zenuwen dat ik ruzie heb gemaakt met de cabaretier. En hij liet die man komen (hij had hem nog nooit gezien) om hem te vragen…wat? … of hij Engels of Duits was, of hij hier al lang woonde, of de zaken goed gingen, etc. Die karaktertrek, die voor mij echt onverklaarbaar is, hoewel dat al zo vaak vertoond was, was onverdraaglijk voor me.
Ik begreep dat hij alle namen van de mensen met wie ik zulke ingewikkelde affaires heb uit me wilde lospeuteren, alleen maar om met hen te kunnen kletsen.
Hij vroeg me het adres van Jeanne (want zij is weggevlucht uit Neuilly), maar ik heb geweigerd hem dat te geven. Wat wil hij daar dan ook nog eens gaan doen? Trouwens, misschien is ze wel dood.
Serieus, wat moet ik doen? Ik had je gezegd dat ik tot de 20e kon doen met het geld. Ik kan eventueel nog tot de 24e ermee doen. Maar hoe moet ik geld van Ancelle loskrijgen? Ik heb het nu alleen over de huidige urgente zaken. Ik vroeg 10.000 frank. Jij zegt dat hij het verleden wil laten rusten, en me alleen het huidige bestaan vergemakkelijken. Jij zegt 4.000; dat zou al veel zijn. Het was alleen het bedrag dat ik vroeg, aannemend dat ik ongeveer 1.600 zou verdienen voordat ik vertrekken zou. Vanwege al die ontelbare boodschappen die ik moest doen, en alles wat er bij kwam, kon ik alleen het werk voor de man uit Londen maar afkrijgen, dat wil zeggen voor de waarde van 400 frank die ik moet aanvragen via het ministerie door de voorzitter van de Société des gens de lettres en de Franse Ambassade. Maar, het zijn geen maanden met 400 frank die ik moet maken; ik moet ontelbaar veel meer verdienen.
Dus als Ancelle serieus echt iets wil doen dan zal ik geen 4.600 frank los willen peuteren, maar 5.600; en in dat geval zal ik hem met rust laten tot 1 januari.
Er zijn zoveel gecompliceerde dingen (bezwaren tegen mijn salaris en inkomsten bij de kranten, delegaties die tenietgedaan moeten worden, beslagleggingen die opgeheven moeten worden, etc.) dat ik alles zelf wil doen, en per dag zal ik de geleverde stukken meebrengen in ruil voor geld. Maar om hem te laten snuffelen in zaken en schulden die van een heel andere aard zijn dan die uit mijn jeugd, dan heb ik liever dat ik zelf verdraag wat het meest erge is.
Wanneer ik er van uitga dat de zaken zich zo zullen gaan voordoen, dan heb ik tien dagen aan geregel en heen en weer gereis voor de boeg; weer tien dagen die ik niet aan de literatuur kan besteden.
Je zult wel verbaasd zijn dat ik zo wantrouwend ben, en DAT ER NOG NIETS GEDAAN IS; maar ik ken de man zo goed! HIJ IS MIJN VOORNAAMSTE VIJAND (niet uit slechtheid, dat weet ik).
Je zegt dat hij aanbiedt om het verleden schoon te wassen met het afstand doen van mijn inkomsten; die inkomsten zullen niet 200 frank bedragen, want ik zal toch ministens wel 300 frank per jaar moeten krijgen, want in mijn nieuwe situatie zal het me vast wel een keer overkomen dat ik geen geld uit Parijs krijg gedurende twee, drie, vier maanden.
Ik moet je zeggen dat ik het bedrag van mijn kapitaal en de inkomsten waar ik recht op heb, niet weet. Die dingen zijn altijd verborgen gehouden voor me en men zei altijd tegen me dat het niet belangrijk was.
Even tussendoor gezegd, in jouw brieven staan nog meer fouten: niet 8000 frank zijn overgedragen, maar 4600; Blanché heeft al geld ontvangen, van mij; en ik begrijp niets van de affaire Jacquotot. Ik heb niets gestuurd naar Mme Jacquotot; ik heb haar man Les Paradis, Les Fleurs en de Wagner toegestuurd, met 100 frank erin. Dacht ik maar dat ik ze had opgestuurd? Heb ik gedroomd? Of is die brochure kwijtgeraakt met de hele inhoud erin? Ik heb geen idee. Echt een futiliteit die ik zal gaan uitzoeken. Maar momenteel gaat het om veel ergere dingen. (Laat mij het plezier om het zelf uit te zoeken.)
Die 1600 frank die ik gelijk wilde gaan verdienen gaan naar Honfleur toe, beetje bij beetje, want jij beweert (maar ik krijg me er toch een punthoofd van!) dat Ancelle al 4000 geeft. (Ongelooflijk! Ancelle die iets geeft!) En uiteraard kan ik dan, als ik alle bezwaren en alle beslagleggingen en alle inhoudingen ongedaan heb gemaakt, vruchtgebruik hebben van mijn artikelen.
Maar wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Moet ik er van uitgaan dat Ancelle leugens naar je schrijft, of komt het door de slechte gewoontes van zijn karakter dat ik voor mezelf verberg dat hij iets voor mij wil doen? Ach! Wat een aparte man!
In mijn huidige affaires zit noch woekerrente, noch spilzucht. Er zitten eerlijke uitgaven bij die niet betaald zijn en die betaald moeten worden; er zijn ingewikkelde literaire zaken; er zijn terugbetalingen, waarvoor in mijn plaats anderen vervolgd worden, door mijn schuld. Ik wil alles zelf regelen.
Een van mijn vrienden moet bijvoorbeeld (en hij zou zelf trouwens absoluut weigeren om naar Ancelle te gaan) 1000 frank hebben voor de 24e ’s  avonds. Jouw 500 frank en Blanché zitten bij mijn berekeningen inbegrepen. 4000 is net genoeg voor alles, min de kleinere schulden, heel klein, zoals kleding, spullen, kleine schulden van vrienden en reservegeld voor de rest van het jaar.
Ik heb het plan om ook geld achter te laten in Parijs voor een paar schulden die pas betaald kunnen worden op de vervaldatum na mijn vertrek, als ik al ooit vertrekken zou. Want ik vertrouw niets en niemand (behalve jou).
Ik had daarnet de kwestie van het verleden aangesneden. Ik zal bijna het geheel van mijn geld aan Ancelle overdragen, en hij zal niets betalen; daar ben ik van overtuigd. We halen samen met zijn tweeën geld bij elkaar en dan kies ik zelf een echte zaakwaarnemer uit. Niettemin zal ik hem toch bijna al dat geld overdragen om jou welwillend te zijn en om hem niet te beledigen.
(Een van mijn vrienden heeft zojuist een groot succes behaald bij het theater. Ik was getuige van een scène met schuldeisers vol lering; 1500 frank die vijftien jaar geleden geleend zijn, zijn nu 3000 geworden. Oh! Dat wordt nog wat voor mij! Er van uitgaande dat zo’n mooi kapitaal ooit ook mij bereikt!)

CONTRACT  24 mei 1861.
Ondergetekenden zijn overeengekomen de volgende zaken:

Dat de heer Charles Baudelaire, schrijver, wonende te Parijs, rue d’Amsterdam 22, afstand doet en overdracht geeft met alle garanties van feiten en rechten:
aan de heren Auguste Poulet-Malassis en de Broise, uitgevers gezeten in Passage Mirès 97 te Parijs, en in Alençon, dit geaccepteerd door de heer Poulet-Malassis;
Ingaand vanaf deze dag het exclusieve recht van reproductie, in elke gewenste vorm, van zijn literaire werk dat verschenen is of nog zal verschijnen.
De verschenen werken zijn:
Les Paradis Artificiels, Opium et Haschisch, en Les Fleurs du Mal, poëzie, eerder uitgegeven door de heren Poulet-Malassis en de Broise.
En: Histoires Extraordinaires, Nouvelles Histoires extraordianaires en Aventures d’Arthur Gordon Pym, deze drie werken van Edgar Poe vertaald door de heer Baudelaire en waarvoor hij de heren Poulet-Malassis en de Broise substitueert in zijn rechten die resulteren uit een overeenkomst met de heren Lévy en Cie, zijnde zijn uitgevers van de drie boeken; te weten dat indien de heer Lévy de herdrukken dezer voortzet, de hieruit voortkomende specifieke bedragen, bestemd voor de heer Baudelaire volgens de overeenkomsten met de heer Lévy als honorarium, voortaan toe zullen komen aan de heren Poulet-Malassis en de Broise; en dat, in het tegenovergestelde geval, te weten dat indien de heer Lévy niet meer wenst de herdrukken voort te zetten, de heren Poulet-Malassis en de Broise deze rechtmatig zullen kunnen benutten in elke vorm en in elk formaat die zij wensen, zoals hierboven aangegeven.
De te verschijnen werken bestaan uit alle gepubliceerde en nog te publiceren literaire werken van de heer Baudelaire, in welke literaire uitgave dan ook, en in welke vorm dan ook, te weten kritieken, roman, nouvelle, geschiedenis, filosofie, etc.
Deze overdracht is gedaan aan de heren Poulet-Malassis en de Broise middels de somma van vijfduizend frank die dezen van tevoren hebben betaald in contanten en waarden met instemming van de heer Baudelaire die het feit erkend heeft en goedgekeurd heeft en er kwijtschelding van aanvaardt.
Niettemin is overeengekomen dat deze heeft plaatsgevonden uitsluitend tot doel hebbend dat de heren Poulet-Malassis en de Broise hun voorschotten ter hoogte van deze zelfde bedragen door hen geschonken aan de heer Baudelaire terugbetaald krijgen en dat dientengevolge zodra de terugbetaling zal zijn voldaan, de heer Baudelaire zijn volste recht terug zal verwerven van zijn eigendommen.
Opdat de gedeeltelijke beloning van elk van de reproducties waarvan het geheel bestemd is tot het terugbetalen van de schuld van de heer Baudelaire niet de gelegenheid kan geven tot welke tegenspraak dan ook tussen de verdragsluitende partijen, zullen de heren Poulet-Malassis en de Broise iedere keer dat zij ofwel op het punt staan een herdruk te zullen gaan uitvoeren van een reeds verschenen boek van de heer Baudelaire, ofwel een in een krant of tijdschrift reeds verschenen literair werk in boekvorm gaan drukken, aan de heer Baudelaire verklaren voor welk bedrag deze reproductie zijn schuld zal gaan dekken; indien dit bedrag lager zou uitvallen dan datgene wat de heer Baudelaire zelf beoogt, kan hij zich wenden tot een andere uitgever en deze verzoeken tot een meerwaarde, echter wanneer hij zou onderhandelen met deze uitgever, kunnen de heren Poulet-Malassis en de Broise rechtmatig interveniëren in de signatuur van de overeenkomst en mogen zij de opbrengst ontvangen waartoe deze overdracht zou leiden. Echter indien bij nader inzien deze heren er toch mee zouden instemmen dat zij dezelfde prijs zouden bieden als de concurrentboekhandelaar, dan geeft de heer Baudelaire hen rechtmatig de voorkeur.
Bij iedere verklaring die de heren Poulet-Malassis aan de heer Baudelaire doen voor hun intentie van het herdrukken van een boek of enig ander literair werk, en betalen met de prijs die zij hiervoor bieden, zal de heer Baudelaire veertien dagen de tijd hebben om dit te accepteren, te weigeren en zal hij voorstellen doen aan een andere uitgever; bij overschrijding van dit tijdsbestek, zonder blijk te hebben gegeven van zijn weigering noch enige motivatie van zijn weigering te hebben gegeven, noch verklaard te hebben een andere uitgever te hebben gevonden die zijn goedkeuring gaf voor een meerwaarde, zal hij voorbijgegaan zijn aan het recht van het bod dat de heren Poulet-Malassis en de Broise gedaan hebben.
In tweevoud opgemaakt, te Parijs, 24 mei 1861.

[getekend:] Poulet-Malassis en de Broise; Ch. Baudelaire.

AAN VICTOR DE LAPRADE
            Parijs, maandag 23 december 1861.

Ik ben zó van streek en verslagen vanwege het feit dat ik het zo druk heb, dat ik nog geen moment had om u te vertellen wat ik al direct van plan was te doen, namelijk u te vertellen hoezeer ik aangedaan en beledigd was, als dichter zijnde, over de wreedheid van het ministerie die onlangs u, als één van onze beste en serieuze dichters, getroffen heeft. En ik ben des te oprechter hierin omdat ik voel dat die striktheid in kwestie via het verschijnsel van herhaling (in de ogen van oppervlakkige mensen) ook iemand zal treffen die uw verklikker genoemd zal worden. En diegene is één van mijn oudste vrienden. De minister die u aanvalt schaadt hem. Terwijl het geweld van de literatuurcriticus helemaal geen officiële wens inhoudt om te schaden. Hij is onschuldig en krijgt straf. Ik had de afgelopen dagen de gelegenheid over deze affaire te praten met de heren Patin en de Vigny, en ik heb gezien dat triestheid het gevoel was dat bij hen de overhand had.
Ondanks de theorie van de minister zullen wij er in Frankrijk nooit een gewoonte van maken om een docent als een bediende te beschouwen, onze hele opvoeding verbiedt ons dat.
Ik kwam kort geleden de heer Paul Chenavard tegen, en ik heb hem gevraagd of hij u een briefje wilde schrijven ten gunste van mij. U weet misschien niet dat ik me kandidaat heb gesteld voor een zetel bij de Académie, alsof ik niet al genoeg pijnlijke avonturen in mijn toch al zo gecompliceerd leven heb meegemaakt, alsof ik nog niet genoeg beledigingen heb moeten ondergaan. Ach, mijnheer, wat een beslommeringen heb ik me op mijn hals gehaald! Men zei tegen mij: “De meeste heren hier kennen u niet en sommigen kennen u helaas wel.” Als ik het gedurfd had, had ik gekozen voor de zetel van de heer Lacordaire, omdat hij een religieus man is en omdat hij een Romanticus is; maar ze zeiden tegen me dat mijn kandidatuur zo al genoeg schandaal had veroorzaakt zonder het feit dat ik ook nog eens een monnik wilde opvolgen, dus heb ik mijn bewondering voor vader Lacordaire weggestopt en net gedaan alsof ik de zetel van Scribe ambieerde.
Chenavard heeft gedaan wat hij kon om me van mijn dwaze idee af te helpen; maar omdat ik er al mee begonnen was moet ik ook doorzetten. Hij zei me ook dat u bij een partij hoort (ik ken de partijen niet die de bevolking van de Parnasse verdeeld maakt, en ook al zou ik moeten doorgaan voor een onnozele, ik wil daar niet naar informeren). Toch heb ik hem geantwoord dat ik echt dacht dat u een royalist was, en dat ik helaas aan het andere uiteinde van uw denkrichting stond, maar dat ik onverbiddelijk gebruik maakte van mijn recht om absurd te zijn, en dat ik, ondanks de schijnbare verplichting dat elke republikein atheïst moet zijn, altijd een fervent katholiek was geweest, waardoor u en ik een band konden hebben buiten die van het ritme en de rijm. Dus, moet ik bekennen, toen barstte mijn vriend Chenavard in lachen uit; die filosoof en subtiele redenaar had nooit de minste katholieke geur gesnoven onder Les Fleurs du mal. Maar toch, laten we aannemen dat dat werk dus zogenaamd diabolisch is, bestaat er dan eigenlijk iemand die meer katholiek is dan de Duivel?
Mijnheer, nu even serieus, ik heb een grote fout begaan, en ik zal ermee doorgaan om het zo te laten lijken alsof het wijze en verstandige daad was. Omdat ik beperkt ben tot het spreken over mijn titels, presenteer ik mezelf met de drie eerste delen van mijn vertaling van Poe; de vierde (zuiver wetenschappelijk met de monsterlijke titel: Eureka) ligt onder de drukpers ; met mijn betreurenswaardige Fleurs du mal (u heeft misschien de laatste uitgave nog niet, een  herziene uitgave, uitgebreid met vijfendertig nieuwe gedichten aangepast aan de algemene omlijsting. Ik zal proberen die naar u op te sturen); met mijn handeling over Stimulerende middelen (Paradis artificiels) die mij de enorme domme opmerking van de heer Villemain opleverde die hij voordroeg met een onmetelijke plechtigheid: “Toxicologie, mijnheer, is geen Fatsoen!” Ongetwijfeld, dat is overduidelijk; maar is het niet onvermijdelijk om het over het Fatsoen te hebben bij Toxicologie? Met zo’n groot aantal studies over schrijvers van deze tijd, over schilders, beeldhouwers, etsers, musici, etc.
Ik geef toe, dit alles stelt bijna niets voor, vooral in vergelijking met de dromen die ik heb.
Vergeeft u mij, mijnheer, dat ik u zo’n lange brief schrijf, maar ik wil graag mijn hart luchten bij iemand die ik niet ken en bij wie ik enige vorm van sympathie denk te ontwaren; mijn hart luchten over het feit dat ik zo moe werd van die eerste bezoeken. Om u de waarheid te vertellen, het heeft mijn zenuwen aangetast. Ik word streng gestraft voor mijn ongepaste ambitie. En misschien zal ik niet het plezier hebben u te treffen wanneer u in Parijs bent. Misschien zal ik op de vlucht slaan naar de kust, nadat ik mijn preken of beledigingen heb ontvangen van al die leden van de Académie die ik verplicht ben te ontmoeten (Ik zal echter niet weggaan alvorens ik mijn eerbewijs getoond heb jegens monseigneur d’Orléans. Ik wil mijn domheid nauwkeurig en met volle bewustzijn volbrengen). Ik verzoek u dan ook om deze brief als equivalent te beschouwen aan een officieel bezoek. Als er een geval; bestaat waarin republikeinse formules niet belachelijk zijn ia dat wel onder dichters; in deze hoedanigheid, mijnheer, groet ik u dan ook met de meeste hoogachting,

                            Charles Baudelaire.

Indien u bevriend bent met de heer Joséphin Soulary en de heer Armand Fraisse, doet u hen dan de hartelijke groeten van mij. Indien u de heer Janmot kent, zeg hem dan dat ik hem al heel lang een bezoek wil brengen, en dat ik een groot werk aan het voorbereiden ben met de titel De Filosofische Schilders, De Schilders die denken, of iets in die buurt. De sfeer van Lyon die ik heel goed ken, is een bijzondere sfeer.

AAN MADAME AUPICK    Parijs, Kerst 25 december 1861.

 Arme lieve in de steek gelaten moeder! Ik was helemaal verslagen door jouw laatste brief, en aan de tijd die ik voorbij liet gaan alvorens je terug te schrijven, zou je niet zeggen dat ik daar nu zo van streek van was, nietwaar? En hoe! Dat ellendige reisje naar Parijs heeft zo’n sterke invloed op je gehad, dat jij je nu verveelt, terwijl jij je normaal nooit verveelde. Ik was erg verbaasd over jouw brief omdat ik gewend was geraakt om jou te zien als iemand die enorm veel energie heeft, en wel zo sterk dat ik kan zeggen dat er in mijn genegenheid voor jou heel veel bewondering zit. Ik wil je niet vleien; maar ik ben net als al die andere mannen; ik bewonder met name datgene wat ik zelf niet bezit; en bovendien, bij mij is het niet mogelijk om iemand lief te hebben zonder ook enige bewondering te koesteren. (Even tussendoor, dit verklaart ook mijn koelheid jegens mijn broer. Zonder daarbij te rekenen dat ik tamelijk veel grieven jegens hem heb; want hij heeft niet, zoals jij dat wel hebt gedaan, getracht om mijn rancunes te kalmeren door een immense toewijding.) Daarom, stuur ik je hierbij de pagina van mevrouw Baton weer terug.

Je vraagt je misschien af hoe ik zo barbaars heb kunnen zijn zolang niets van me te hebben laten horen, zonder je troost te geven, terwijl ik alles voor jou ben en ik geen andere middelen heb om jou te bedanken en je te amuseren dan het met je te hebben over mezelf, dan zal ik je allereerst vertellen dat ik een aantal keren ziek ben geweest, vervolgens (en dat is de voornaamste en grote betreurenswaardige reden) dat wanneer ik de pech heb een verplichting te verwaarlozen, die plicht de volgende dag nog moeilijker is om na te komen, en dat die iedere dag steeds moeilijker wordt totdat het me dan uiteindelijk iets onmogelijks lijkt om nog uit te voeren. Dit komt door de angst en grote terreur waarin ik constant leef en mijn opmerking geldt voor alle mogelijke plichten, zelfs voor die zo zachte en natuurlijke, dat wil zeggen mijn moeder schrijven. Ik kan alleen maar uit moeilijke situaties komen met een explosie; maar wat ik momenteel moet ondergaan, zie je, dat is onuitspreekbaar!! In november zijn me achter elkaar twee rampen overkomen. En nu, alsof ik nog niet genoeg opgestapelde problemen had,  heb ik daar weer een andere aan toegevoegd, namelijk mijn kandidaatstelling voor de Académie. Ach, als ik het had geweten! Wat een lijdensweg! Wat vermoeiend! Je hebt geen idee wat zo’n  vreemde fantasie allemaal aan problemen, brieven en te ondernemen stappen vergt. Ik heb nog maar een paar academici ontmoet; en mijn zenuwen zijn daar nu al kapot van. Toch is er wel iets positiefs uit deze vermoeiende episode te halen, en dat is dat ik me er voor interesseer. En, je kunt nu eenmaal niet leven zonder een manie, zonder een idee fixe. En nog altijd zie ik zelfmoord als enige en vooral de makkelijkste oplossing voor mij in het vooruitzicht voor alle verschrikkelijke complicaties waartoe ik veroordeeld ben in te moeten leven sinds lange, lange tijd. Meestal zeg ik tegen mezelf: als ik lang leef, zal ik altijd op dezelfde manier leven, als verdoemde en wanneer de natuurlijke dood komt zal ik oud zijn, versleten, uit de mode geraakt, zwaar in de schulden, en nog steeds onteerd door die vreselijke betutteling van die voogdij. Terwijl als ik er in één keer een einde aan maak, nadat ik voldoende energie gevonden heb om een precieze staat op te maken van mijn zaken, dan zullen de resten van mijn kapitaal toch opgeofferd moeten kunnen worden om dat allemaal te betalen. Overigens lijkt het leven zelf, zelfs zonder schulden, me compleet verstoken van vreugde.

Andere keren zeg ik tegen mezelf: maar mijn hemel, mijn moeder is er toch, ik moet ook aan haar denken, en ik zou haar toch zeker moeten belonen met wat pleziertjes. Deze constante strijd in mijn hoofd vermoeit me zeer; mijn melancholie verslijt mijn capaciteiten; voeg daar bij dat ik vaak vind dat men mij onrecht aandoet, en dat ik zie dat alles lukt naar wens bij dommeriken.

Het enige goede nieuwtje wat je me gaf (en geloof me, dat ik me daar zorgen om maakte en dat ik er aan dacht) dat is dat je spijsvertering goed werkt. Het enige goede nieuws dat ik je kan geven is dat mijn hoofd weer helemaal goed is, en dat ik zelfs onlangs midden in grote zorgen kracht hervond om te gaan werken, en een lange studie heb afgemaakt *, waar ik zeer tevreden over ben, en die alleen maar gelegenheid gaf aan het feit dat ik nog een beetje meer gebrouilleerd ben geraakt met de Revue des Deux Mondes. Momenteel is het onmogelijk voor me om te werken, vanwege al die heisa rond de Academie.

Ik schrijf de dingen wat door elkaar; ik heb zoveel te vertellen. Geloof me als je kunt; ik verzeker je dat ik die onbezonnenheid met name vanwege jou begaan heb. Het enige wat mij echt interesseerde was die povere vergoeding die aan die functie vastzat en waarvan ik niet eens het exacte bedrag weet. Want je kunt wel nagaan dat ik in mijn geweten totaal de behoefte niet heb om goedkeuring te krijgen van al die oude bokken. (Ik gebruik de term waarmee sommigen van hen de anderen betitelen.) Maar ik dacht zo dat jij enorme waarde aan hecht aan publieke eer, en dat je, indien ik als bij een wonder, dat is het goede woord, zou slagen, jij daar een ongelooflijke vreugde om zou hebben. Goed, ik dacht ook: als ik bij hoge uitzondering zou slagen, zou mijn moeder misschien begrijpen dat ik niet in zo’n  vernederende situatie kan blijven. Misschien, zouden we dan een oplossing kunnen ontdekken. Een van mijn grootste zorgen was wel: ik word zo gehaat, en er zijn zulke gemene mensen dat ik op een ochtend in een of ander krantje wel eens een zin als de volgende zou kunnen zien staan: ‘Sinds wanneer mogen de onder curatele gestelde mensen in vergaderingen zetelen?’ Of: ‘Het is nogal logisch dat onder curatele gestelde mensen zo graag een zetel willen hebben tussen al die kindse ouwe besjes”. God zij dank, is dit nog niet gebeurd. Die vervloekte Raad van Toezicht heeft er altijd voor gezorgd dat ik verlegen en slecht op mijn gemak ben. Ik heb het gevoel dat ik rondloop met een wond van schaamte, en dat iedereen die kan zien. Kun je nagaan wat ik al zeventien jaar lang moet ondergaan.

Wanneer ik je ga zien, zal ik je misschien aan het lachen maken als ik je vertel over een paar van die bezoeken. Maar op papier zou dat een heel boek worden. Lamartine heeft geprobeerd me van het plan af te helpen, door me te vertellen dat ik me op mijn leeftijd niet moet blootstellen aan het krijgen van klappen (het schijnt dat ik er jong uitzie). De Vigny, die ik niet kende, heeft zich laten opsluiten om alleen met me te zijn en hij heeft me drie uur gehouden. Hij is de enige die zich tot nu toe voor mijn zaak interesseert, en het bewijs daarvan is dat hij me gisteren heeft laten weten dat ik over tien dagen bij hem terug mocht komen, als ik nog een aantal andere leden heb gesproken, zodat ik hem verslag kan doen van mijn indrukken. Net als Lamartine wilde hij me er eerst van af praten, maar toen ik hem zei dat ik de raad van Sainte-Beuve had opgevolgd en begonnen was mijn kandidaatstelling officieel te maken bij het Secretariaat, zei hij me dat nu het kwaad reeds geschied was, ik er absoluut mee moest doorgaan. Mérimée, waar ik contacten mee heb, ontweek me en wilde me niet ontvangen. (Uiteraard heeft hij zijn eigen kandidaat voor wie hij werkt. Gezien hoe hij bevriend is met Chateau *, heeft hij een imperialistische kandidaat op het oog.) Mijn bezoek aan de heer Viennet was me een komedie, daar kan ik een boek over schrijven. De heer Villemain is een schoolfrik en een domkop, een fatsoensaap, en ik zal het hem misschien flink betaald zetten voor de manier waarop hij me heeft ontvangen, als God me nog leven schenkt *. De heer Patin, daar was ik voor gewaarschuwd, maar die was alleraardigst. Vanaf het begin, dat al vol ontmoediging, afkeer en woede zat, was ik bevangen door een idee waarvan ik dacht dat het lumineus was. Omdat ik zag hoeveel tijd ik verloor, wilde ik dat mijn bezoeken me vergoed werden zoals je de dokter ook betaalt, maar dan niet door mijn zieke patiënten, maar door het publiek; dat wil zeggen dat ik het plan opvatte om een verslag te schrijven van iedere dag, en er dan een spottend komisch boek van te maken, en het dan uit te geven midden in de perioden van de vergaderingen over de verkiezing, of net na de verkiezing. Zie je het resultaat al voor je: De Académie voorgoed foetsie ten eerste, en  vervolgens beschuldigd van oneerlijkheid. Ik zou beschuldigd worden van het feit dat ik bij mensen was binnengedrongen met het bekokstoofde idee om ze voor mij te laten poseren in een komische houding. Alfred de Vigny, met wie ik de onbeschaamdheid had over dit mooie plan te praten,vertelde me dat ik niet de eerste uitvinder van dat idee was; dat Victor Hugo vroeger dezelfde bedoeling had, maar omdat zijn verkiezing uiteindelijk wel geslaagd was, had hij zijn boek niet gepubliceerd.

Hoe dan ook, ik moet zeggen dat mijn kandidatuur minder schandaalveroorzakend leek dan ik vreesde. Heel veel mensen vonden het zelfs heel logisch, en loofden mijn moed zelfs.

Er zijn twee zetels vacant, die van Scribe en die van Lacordaire. Er zijn veel kandidaten, men zegt dat er zeventien in totaal zijn. Degene die ik me herinner zijn: Dufaure, advocaat. De Carné, politiek schrijver. De Broglie, een marionetje van de Revue des Deux Mondes, die naast papa wil zitten die ook lid is van de Académie, ongetwijfeld in zijn functie van oud-minister; de aartsbisschop van Parijs (!!!), etc., etc., etc., etc. De literaire kandidaten zijn: Gozlan, (geen kans, denk ik); Jules Lacroix, de broer van de Bibliofiel Jacob; Cuvillier-Fleury, de journalist van Débats; mijn vriend Octave Feuillet (grote kans); Camille Doucet (auteur van vreselijke komedies, chef divisie bij het ministerie van Staat), etc, etc. Théophile Gautier, de enige die met zijn verkiezing de Académie zou rehabiliteren, wil zijn waardigheid niet schaden en heeft zich dus niet gepresenteerd. En al die intriges! En al die mysteries! En ik ben tussen al die donkere wolken gekomen zonder dat ik helder kon zien.

(Ben jij genoeg bevriend met de heer Lebrun, dat je bij hem een goed woordje voor mij kunt doen? Maar als je dat doet wil ik wel eerst je brief zien.)

Ik vergeet twee andere martelingen. Ik leg mijn bezoeken te voet af, met lompen aan (en dat laat me niettemin koud) en ik heb enorme moeite om enkele exemplaren van mijn boeken afhandig te maken aan Malassis en Michel Lévy om ze te kunnen geven aan degene die de wens geuit hebben die te lezen. Ik heb het hier alleen maar over de literair onderlegde Académieleden. Want die politici, zoals Thiers, Guizot en andere ernstige intriganten, daar heb geeneens zin in om die te gaan opzoeken.

Ik vind het een groot ongeluk dat ik niet mijn best heb gedaan om de heer Mérimée aan mijn kant te krijgen een paar maanden geleden; want het is duidelijk dat hij een sterke invloed op zijn collega ’s heeft. Hij had me ongetwijfeld gezegd dat ik moest wachten. Maar hij zou zich misschien hebben ingezet me een gunst te bewijzen voor een volgende verkiezing.

Oef! Laten we het over iets anders hebben. Dan nu mijn heldenfeiten van november, hele trieste heldenfeiten zoals je zult zien. Ik had je gezegd dat ik hoopte begin november bij je te kunnen zijn, om dan eindelijk te proberen mijn te oude plannen ten uitvoer te gaan brengen. Een sedentair leven vol met nijvere arbeid aan één stuk door; sporadische korte reisjes naar Parijs, alleen maar om wat al te dringende zaken te regelen. Maar opeens, in enkele dagen, verdwijnen de twee tijdschriften waar ik op rekende, de Fantaisiste en l’Européenne. (De Calonne was de sterkste, en de ministers hebben hem door hem de subsidie toe te kennen L’Européenne gegeven. Ik kan niet terug bij hem komen; wij staan op voet van oorlog, en daarbij weet ik dat hij niet zal betalen. Hij, of eerder zijn vrouw, zal die 140.000 frank eerder aan kleren uitgeven dan aan het doel waarvoor ze bestemd waren.) Dus nu zit ik met al die manuscripten in mijn maag, en ze zijn moeilijk ergens onder te brengen. Allereerst ben ik nog niet echt mijn verstand verloren. Ik had je niet gezegd (om aardig voor je te zijn, had ik het verzwegen voor je) dat ik een manier had gevonden om die fameuze sjaal op te halen. Toen dacht ik bij mezelf dat ik op die manier dan toch iets van duizend frank binnen handbereik had; en dat men met zo’n som geld heel wat mensen zou kunnen laten wachten, en dat ik heel langzaamaan het moment zou bereiken, wanneer ik eenmaal mijn bezoekjes zou hebben afgelegd, waarop ik zou kunnen gaan beginnen met werken, nieuwe contacten aanknopen, en dan uiteindelijk zou kunnen vertrekken.

En ik heb een bezoek gebracht aan de Revue des Deux Mondes, waar ik heel goed ontvangen ben. (Sindsdien, zoals ik al zei, volkomen gebrouilleerd, verergerd nog door een brief van mij, zoals ik die kan schrijven wanneer ik woedend ben.)

En daar loop ik dan rond, met mijn sjaal in mijn handen. Het schijnt dat de stof ervan heel erg mooi is, maar dat de oudheid van de dessins een onoverkomelijk obstakel is om hem te verkopen. En toch dacht ik: met 300 frank kun je hoe dan ook altijd nog wat tijd winnen, en ik kan altijd nog die oorspronkelijke 300 frank krijgen bij hetzelfde bureau dat die al TWEE maal geleend heeft. Ik ga er naar terug – 100 frank! -  Onverklaarbaar, nietwaar? Ik wilde er absoluut de reden van weten. Men zei dat er in die depots een overvloed aan kasjmier was met het naderen van nieuwjaar, en dat ze probeerden om het publiek te ontmoedigen om die daarheen te brengen. Netto resultaat van mijn speculatie: een verlies van 200 frank.

Die 100 frank is het enige geld dat ik heb ontvangen sinds we van elkaar scheidden. Ik zit zonder krant, bedreigd met Nieuwjaar door een enorme crisis, verplicht om te leven mét en verlamd dóór vermoeidheid vanwege datgene wat ik mijn impulsieve gril noem, dat wil zeggen mijn vervloekte kandidaatstelling, naast nog die vermoeidheid door een vrouw die altijd ziek is, die ik moet troosten en steunen, en aan wie ik alleen maar wat geld zou kunnen geven als ik niet meer in Parijs zou wonen. En toch heb ik gezworen dat ik mijn best zou doen om niet weer terecht te komen in zo’n  vreselijke terugval die je al zo vaak bij mij gezien hebt, en dat ik zou proberen om aan zoveel dingen tegelijk het hoofd te kunnen bieden. Maar ik weet niet hoe ik dat moet doen.

Je denkt nu natuurlijk dat ik je weer wil bestelen, NOOIT. Weer Ancelle onder druk zetten? Ook niet. Ik zou met alle vreugde mijn hele kapitaal op willen offeren om eindelijk mijn rust en mijn vrijheid te betalen; maar doorgaan met mijn kapitaal af te knagen, op te knabbelen, zonder een duidelijk resultaat te krijgen, dat wil ik niet.

Wat dan? Zul je zeggen. Kun jij bij jou thuis wat voorwerpen vinden waarop ik (met meer geluk) weer met de speculatie van die sjaal zou kunnen beginnen? Daarvoor zijn twee voorwaarden onvermijdelijk; het moeten voorwerpen zijn die totaal NUTTELOOS voor je zijn, en waar geen enkele mogelijke dierbare herinnering voor jou aan vast zit. In dat geval zou je er goed aan doen mij wat informatie te geven over de ruw geschatte waarde ervan; want ik heb alleen verstand van boeken, schilderijen en etsen.

Ik zal je later nog meer schrijven over de fases van mijn belachelijke poging (nog altijd die Académie). Ik zou bij Vigny twee of drie andere academici moeten zien los te peuteren die me graag met harde hand zouden willen begeleiden. De Vigny, die ik nog nooit had ontmoet, was heel aardig. Het blijkt maar weer eens dat afkomst je goede deugden bepaalt, en ik denk dat er achter groot talent grote goedheid schuilgaat. Maar ik ben veel te ongelukkig om naar goedheid toe te trekken, en als ik nog langer te leven heb, dan denk ik dat ik wel een of ander afgrijselijk boek ga schrijven waardoor ik dit gemene land uitgejaagd zal worden.

Lamartine gaf me zo’n monsterlijk groot compliment, zo kolossaal, dat ik het niet durf te vertellen; maar ik denk dat je niet moet vertrouwen op zijn mooie woorden. Hij is een beetje sletachtig, een beetje hoerig (hij vroeg me hoe het met jou ging. Dat is een beleefdheid waarvoor ik hem dankbaar ben. Hij is ook wel een mondaine man).

Jouw lieve brief, die me zo vertederde, heeft me juist door die tederheid heel verdrietig gemaakt. Het is zo pijnlijk om je zo machteloos te voelen dat je degenen van wie je houdt niet kan verlichten, niet kan troosten en niet kan steunen. Dat is wel zeker de grootste zorg om te dragen. En het kwam nog wel op zo’n wreed moment.

Ik moet voor middernacht nog veel brieven schrijven, en het is al vier uur. Ik wil geen middel ongebruikt laten en voor de 30e aan verschillende personen nog schrijven. Ik onderbreek mijn bezoeken voor een paar dagen; het kan nu eenmaal niet anders.

Als ik me in januari weer met werken kan optakelen door hoog met mijn ambitie te lopen, dan zou ik vertrekken nadat ik al mijn bezoeken had afgelegd. Ik geloof dat de verkiezing eind januari of begin februari is. Veel liefs. – Je mag van me denken dat ik de meest miserabele dwaas ben die er bestaat, maar niet dat ik ondankbaar ben, of iemand zonder tederheid.

                                                                      Charles.

De correspondentie van Charles Baudelaire

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.
Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.
Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact