Honoré de Balzac : VOORWOORD van La Comédie Humaine.(5)

    Door de betekenis van deze uiteenzetting goed te begrijpen, zal men erkennen dat ik aan dagelijkse, constante feiten, of ze nu verborgen of aanwezig zijn, aan daden uit het individuele leven, aan de oorzaken en aan hun principes, net zoveel belang hecht als wat de geschiedschrijvers tot nu toe aan belang hechtten aan gebeurtenissen in het dagelijkse leven van de naties. De onbekende strijd die zich afspeelt in een vallei in de Indre tussen Madame de Mortsauf en la passion is misschien net zo groot als de meest illustere zeer bekende strijd (le Lys dans la vallée). Hierin staat de overwinning van een strijder op het spel ; in de andere gaat het over de hemel. De lotgevallen van de familie Birotteau, de priester en de parfumeur, zijn voor mij de lotgevallen van de menselijkheid. La Fosseuse (Médecin de campagne) en madame Graslin (Curé de village) vertegenwoordigen bijna de hele vrouw. Wij lijden elke dag op die manier. Ik heb honderd maal moeten doen wat Richardson maar éénmaal hoefde te doen. Lovelace heeft duizend vormen, want de sociale corruptie neemt alle vormen aan in iedere omgeving waarin die zich ontwikkelt. Clarisse daarentegen, die het mooie beeld is van de gepassioneerde deugd, heeft trekken van een wanhopige puurheid.

    Om veel maagden te scheppen moet je Raphaël zijn. Literatuur zit in dit geval misschien wel onder de schilderkunst. Het is me dan misschien ook wel geoorloofd om te vermelden hoeveel verwijtloze (als deugdzaam) figuren er in de gepubliceerde delen van dit werk zitten : Pierrette Lorrain, Ursule Mirouët, Constance Birotteau, la Fosseuse, Eugénie Grandet, Marguerite Claës, Pauline de Villenoix, madame Jules, madame de la Chanterie, Eve Chardon, mademoiselle d’Esgrignon, madame Firmiani, Agathe Rouget, Renée de Maucombe; en dan nog veel figuren op de achtergrond, die hoezeer ook op de achtergrond niet minder aan de lezer geven om de praktijk van de huiselijke deugdelijkheid te laten zien : Joseph Lebas, Genestas, Benassis, pastoor Bonnet, de arts Minoret, Pillerault, David Séchard, de twee Birotteau’s, pastoor Chaperon, rechter Popinot, Bourgeat, de familie Sauviat, de familie Tascheron, en nog veel meer, die het moeilijke literaire probleem van het interessant maken van een deugdelijk persoon oplossen.

    Het was geen geringe opdracht om die twee- of drieduizend markante personen uit een bepaald tijdperk te creëren, want dat is uiteindelijk de uitkomst van de figuren die elke generatie heeft en die vertegenwoordigd gaat worden in de Comédie Humaine. Dat aantal personages, de karakters, die veelheid aan verschillende levens eisten ook ieder op zich een kader, en, vergeef mij deze uitdrukking, een publieke tribune. Van daaruit kwamen de zo natuurlijke en reeds bekende onderverdelingen uit mijn werk in Scènes de la vie privée, uit het privéleven, uit de provincie, uit Parijs, uit het politieke, militaire en plattelandsleven. In die zes boeken zijn alle etudes van de zeden geordend die het algemene deel vormen van de Maatschappij, de verzameling van al die feiten en daden zoals onze voorvaderen gezegd zouden hebben. Die zes boeken zijn gewoon een antwoord op de algemene denkbeelden. Elk van hen heeft zijn eigen betekenis en formuleert een tijdperk uit het menselijke leven. Ik zal daar kort herhalen wat het jonge talent Félix Davin schreef toen hij inlichtingen had ingewonnen over mijn plan, maar de letteren hebben hem helaas te vroeg moeten missen door een vroege doo­­­­­­­­­­­­­d. In Scènes de la vie privée zit de kindertijd, de adolescentie en hun fouten, en in Scènes de la vie de province komt de leeftijd van passies, berekeningen, belangen en ambitie.

    En dan in les Scènes de la vie parisienne zien we de verschillende smaken, zonden en alle ongebreidelde zaken die door de bijzondere zeden worden opgewekt in hoofdsteden waar tegelijkertijd het extreme goed en het extreme kwaad elkaar tegenkomen. Elk van de drie delen heeft zijn eigen couleur locale : Parijs en de Province, de sociale antithese die zoveel materiaal heeft geleverd. Niet alleen de mensen, maar ook de voornaamste gebeurtenissen uit het leven worden door bepaalde typen geformuleerd.  Er zijn situaties die zich in alle levens voordoen,  typische fases, en dat is een van de nauwkeurigheden die ik het meest heb nagestreefd. Ik heb geprobeerd  een idee te geven van de verschillende streken in ons mooie land. Mijn werk heeft zijn eigen geografie, zijn eigen stamboom en zijn eigen families, zijn eigen plaatsen, dingen, personen en gebeurtenissen ; en ook zijn eigen wapenschild, zijn adel en bourgeois mensen, ambachtslieden en boeren, politici en dandy’s, zijn eigen leger, kortom zijn eigen bevolkte wereld !

Avant-propos de la Comédie humaine, Honoré de Balzac, frans leren, Vivienne Stringa, Voorwoord van La Comédie Humaine, Betrekking hebbend op zijn gehele oeuvre.     Na het maatschappelijke leven in deze drie boeken te hebben neergezet, restte mij nog de uitzonderingen van levens die de belangen van sommigen of van allen ­­­­­­samenvatten, en die in zekere zin buiten de gewone wet vallen : vandaar dat ik ook de Scènes de la vie politique  maakte. Moest ik deze brede afbeelding van de complete en afgeronde samenleving niet in haar meest gewelddadige toestand neerzetten, buiten zichzelf getreden, ofwel voor de verdediging, ofwel voor de overwinning ? Vandaar dat er ook Scènes de la vie militaire kwamen, en dat is het gedeelte dat het minst af is, maar die wel een plaats zal krijgen in deze uitgave, zodat het er deel van uitmaakt zodra ik het af heb. En tenslotte zijn de Scènes de la vie de campagne in zekere zin de avond van deze lange dag, als ik het sociale drama zo mag noemen. In dit boek staan de meest pure karakters en het toepassen van de grote beginselen van orde, politiek en moraliteit.

    Zo zit het fundament in elkaar, vol met personages, komedies en tragedies waarop het Tweede Deel van het werk les Études philosophiques gebaseerd zijn, waarin het sociale middel voor alle rechtswerkingen aangetoond worden, waarin de ravages van de gedachte uitgebeeld worden, gevoel voor gevoel, en waarvan het eerste werk, La Peau de Chagrin, in zekere zin de zedenstudie met de Études philosophiques  verbindt door een bijna Oriëntaalse cirkel van fantasie waarin het Leven zelf wordt neergezet met scènes van het Verlangen, de basis van elke Passie.

    Daarboven bevinden zich de Ètudes analytiques,  waarvan ik niets zal zeggen, want daarvan is er maar één gepubliceerd, namelijk La Physiologie du mariage. Over een tijd zal ik twee andere delen van dit genre afleveren. Ten eerste La Pathologie de la vie sociale, vervolgens l’Anatomie des corps enseignants  en  La Monographie de la Vertue.

    Als ik zie wat ik allemaal nog te doen heb, dan zal men misschien hetzelfde van me zeggen als wat mijn uitgevers van me hebben gezegd : “Dat God U nog een lang leven moge geven !” Ik wens alleen maar dat ik niet meer zo gekweld word door mensen en dingen zoals ik dat ben geweest sinds ik dit verschrikkelijke slavenwerk op me heb genomen. Wat ik wel heb gehad, en daar ben ik God dankbaar voor, is dat de grootste talenten van deze tijd, de aardigste personen, oprechte vrienden die in het echte leven net zo grandioos zijn als zij dat in het openbare leven zijn, me de hand hebben geschud en tegen me gezegd hebben: “Houd moed !” En waarom zou ik ook niet toegeven dat die vriendschappen, en aanmoedigingen van onbekenden die ik her en der heb mogen ontvangen me hebben ondersteund in de strijd tegen zowel mijzelf als tegen onterechte aanvallen, tegen de laster die me zo vaak achtervolgde, tegen de  ontmoediging en tegen die al te hoge verwachting waarvan men dacht dat het een buitenproportionele eigenliefde was ? Ik had besloten om een stoïcijnse onverstoorbaarheid in te zetten bij aanvallen en beledigingen ; maar bij twee gevallen moest er bij laffe beledigingen een verdediging komen. Ook al betreuren de  pardonzeggers voor die beledigingen het dat ik mijn kennis heb getoond in de literaire schermsport, verscheidene christenen denken dat wij in een tijd leven waarin het beter is om het stilzwijgen te handhaven.

    Wat dit betreft moet ik opmerken dat ik alleen mijn werken als de mijne erken indien mijn naam er op staat. Buiten La Comédie Humaine is er alleen maar les Cents contes drôlatiques, twee toneelstukken en een aantal losse artikelen die ik overigens ondertekend heb. Ik oefen hier een ontegenzeggelijk recht uit. Maar deze herroeping, zelfs als dat werk zou betreffen waaraan ik wel heb meegewerkt, wordt mij minder aanbevolen door mijn eigenliefde dan door de waarheid. Als men erop zou aandringen met het mij toedichten van boeken die ik, in literaire termen pratend, nauwelijks erkennen zou als zijnde de mijne, maar waarvan het bezit me werd toevertrouwd, dan zou ik om precies dezelfde reden kunnen laten vertellen dat ik de weg vrij maak voor laster.

    De grootte van een plan dat zowel geschiedenis als Maatschappijkritiek bevat, de analyse van alle slechte zaken en de discussie van alle principes uit de Maatschappij, dan mag ik, denk ik toch, mijn werk de titel geven waaronder hij vandaag de dag verschijnt ? La Comédie Humaine. Is dat ambitieus ? Is het niet alleen maar terecht ? Dat is iets wat, zodra het af is, het publiek zal beoordelen.

    Parijs, juli 1842.

Voorwoord van La Comédie Humaine, geschreven door Honoré de Balzac (betrekking hebbend op zijn gehele oeuvre)

Voorwoord van La Comédie Humaine, geschreven door Honoré de Balzac

© Vertaling Vivienne Stringa Copyright.  Iedere vorm van reproductie van deze website, zelfs gedeeltelijk, is verboden zonder toestemming van de auteur.  Indien u inhoud van deze website wilt gebruiken kunt u contact opnemen met mij via : @Contact