Kunst en commercie Gustave Flaubert

  

Kunst en commercie

Janvier 1839

Gustave Flaubert (1821-1880)

 

    Kunst is een futiliteit en handel is heel erg nuttig, dat zijn banale opvattingen geworden in deze wereld. Veel mensen waarderen een lap stof enkel om zijn lengte, een voorwerp om zijn gewicht en een kleur om zijn helderheid, en schenken aan een baal katoen meer lof dan aan alle mogelijke tragedies bij elkaar ; zij zouden net als Malebranche, kijkend naar Athalie, zeggen : “En wat bewijst dat ?” Zij zien in de kunst eigenlijk alleen maar een tijdverdrijf voor na het eten, een hobby die wat opvrolijkt, een spel dat voor afleiding zorgt, en zij beschouwen voorstellingen als de beste uitvinding van de politie om de massa naar een veilige plek te drijven en op te pakken ; dat soort mensen ziet handel, koopwaar, zoals hout en koper als de eerste behoeften van de sterveling, en voor wat betreft de zuivere, vrije, onafhankelijke gedachte, maar voor wat betreft het genie van de schepper, de grandioze auteur, voor wat betreft de poëzie, de moraal, de schone kunsten : gespook ! Fantasietjes ! Futiliteit ! zullen ze roepen. Volgens hen gaat alle eer naar krijsende machines, naar draaiende rollen, naar de dwarrelende stoomwolken ! Eer voor indigo, zeep, suiker, eer voor het schip dat dit alles vervoert, alle eer voor degene die exploiteert en berekent, rijk wordt, alle eer gaat naar kopers en verkopers ! Homeros, Vergilius, Shakespeare, wat bewijst dat allemaal ? Corneille, Racine, wat bewijst dat ? Les Arts et le commerce, Gustave Flaubert, Frans leren, Vivienne Stringa, frans vertalingen.H- Moi, je suis ravitaillé !... Le reste m’est égal. Honoré Daumier.    Verzen kun je niet eten, met schilderijen kun je je niet kleden, en standbeelden kan je niet eten. Raphaël en Michelangelo, wat bewijst dat ? Citeer mij eens namen die de mensheid van nut waren, zoals die van Pitt en Jacquart, maar die poëten van u, dat zijn van die ijdele dromertjes die er hun brood niet eens mee kunnen verdienen en dan nog om een standbeeld vragen ook !

Ah, dwazen toch ! Heeft een ziel ook niet haar behoeften en wensen ? En als jullie in jezelf dat instinct voelen dat er naar snakt om gevoed te worden, maar dan niet met jullie spullen en etenswaren, als het instinct vraagt om verwarmd te worden, maar dan niet met jullie brandstoffen, en als het vraagt om zich te kleden maar niet met jullie zijdezachte stoffen, maar om iets heel groots te doen om die ziel te stillen die zo'n immense dorst heeft naar het oneindige, en die dromerijen, verzen, en melodieën nodig heeft, extases ook, die zich moet warmen aan het vuur van het genie, en zich moet omringen met mystiek en poëzie, nou, als jullie dat niet in je voelen, met welk recht komen jullie me dan praten over intelligentie en denken ? Dan hebben wij niets gemeen. Voor een menselijke geest die opbouwt en afbreekt, handel drijft en bedriegt, kan ik het nog begrijpen, maar voor een ziel weiger ik dat ; die ziel heeft u niet. Juist u ziet in letters alleen maar een komedie waarom u ondanks uzelf moet lachen zoals de farcen op de kermis, en in een schilderij ziet u slechts gemalen kleurpigmenten die uitgesmeerd zijn over een doek, en in architectuur ziet u alleen maar iets waarmee u douanes en opslagplaatsen zou kunnen bouwen. Ik laat aan u de luxe, de handel, de industrie, de havens en fabrieken, de stoffen en de metalen, maar laat mij dan huilen in het theater, laat mij naar Mozart luisteren, Raphaël bewonderen, en een hele dag dromend naar Oceaangolven kijken ! Laat mij dan met mijn dromerijen, mijn futiliteit, mijn holle ideeën ; ik word sloom van uw fatsoenlijke nette verstand, uw positivisme doet me afgrijzen.

    Wat men tegenwoordig beschouwt als van sterk secundair nut ging vroeger door voor de meest dringende noodzaak ; kunst leek zo edel in de Oudheid dat men er het ontstaan van de goden aan toeschreef, poëzie bij de Grieken was een hymne, tragedies werden op religieuze feesten gespeeld, en het publiek van dertigduizend toeschouwers luisterde daarbij naar het allergrootste van de mens, de poëzie, die afbeeldde wat er het allermooiste in de natuur is, de goddelijkheid. Dat was de mooie tijd van de kunst, waarin de priesters van het denken in dezelfde rang stonden als de priesters van God ; poëzie was een godsdienst en het genie had zijn altaren.

    Toen de Grieken waren overwonnen, legden zij toen niet hun juk op Rome, hun meesteres, door middel van hun oratoren en kunstenaars ? Cato voorzag heel goed deze overwinning, van de overwonnenen op de overwinnaars, maar kon niemand waarschuwen, en hij moest toen zelf op zijn oude dag nog de taal van de slaven gaan leren. Athene drong dus Rome binnen, zoals Etrurië er al eerder was gekomen, met mime en narren. De stad was de heerseres van de wereld, en was veroordeeld om vervolgens de kiem te worden van alle beschavingen die zij had verslagen en die zij toen wel moest absorberen. Zeker, de overwinnaar kan havens vernietigen, vloten verbranden, fabrieken afbreken, rivieren omleiden, kanalen dichtgooien en volkeren aan de ketting leggen, maar de geest ? Waar vinden jullie dan ketens om Proteus aan vast te binden terwijl hij met geluiden praat, hij die zich met stenen opricht, en met woorden denkt en spreekt ? Welke dijk zal deze kolkende stroom stoppen ? Waar is de gevangenis om deze zon op te sluiten ?

    Is Italië niet al honderden keren overwonnen, en dan ook nog door allerlei verschillende volkeren : Herules, Hunnen, Gothen, Franken, Duitsers, Noormannen, Spanjaarden, Saracenen ? De hele wereld is over haar heen gelopen en heeft haar vertrapt. Maar wat zijn al die volkeren steeds kort gebleven ! Omdat ze al snel stierven van de hitte onder die zon van de Midi, op dat vrije en vruchtbare land waarin zo veel grootse zaken zijn gebeurd en gezien, en dat zo trots de ruines van oude steden toont zoals nu onze moderne landen hun levende steden tonen ! Want het stof is wijdverbreid, de as heeft roem ; alles wat een ziel van een dichter of een schilder heeft, wil dat niet naar die heilige grond der kunst gaan, waar de stenen onsterfelijk zijn, en waar de overblijfselen nog steeds toekomst hebben ? We citeren altijd Carthago en Venetië als degenen die machtig zijn geworden door hun handel ; het waren, dat is wel waar, grote steden, en hun rijkdom lijkt door de geschiedenis heen nu voor ons iets kolossaals en geweldigs. Maar voelen we in dergelijke regeringen niet alleen behalve die kracht en zeldzame macht ook iets monsterachtigs en wreeds ? Bestaat er in de moderne tijd een triestere troon, een luguberder en bloediger glorie dan de stad Venetië met haar volk van spionnen en beulen, en zit in onze ogen de naam Carthago niet vol afschuw en cynisme ? Nederland is ook tot grote hoogten verheven door de handel, en dat volkje handels- en zeelieden moest eerst tegen de oceaan vechten en daarna tegen heel Europa, en is toen machtig geworden door de gevaren van de eerstgenoemde te dompteren en de rijkdommen van laatstgenoemde, maar heeft het nu niet een miserabel en pietluttig aanzicht tussen het edele Frankrijk en het mystieke Duitsland, twee landen die de meeste toekomst hebben ? Frankrijk, dwaas, losgeslagen, vrolijk, had Europa al veroverd met haar letteren voordat Napoleon het met zijn zwaard overwon, en wat blijft er over van het zwaard van onze keizer ? Elke staat heeft er een scherf van meegenomen, elke koning heeft de rijkdom verdeeld en het op zijn troon gezet. De keizer en het keizerrijk zijn dood, maar onze dichters zijn levend, Corneille leeft, Racine leeft, Voltaire heerst nog steeds, en zijn taal, die zuivere en loepzuivere taal, zoals hij die heeft gemaakt, wordt overal gesproken, aan elk hof. Zijn het niet onze stukken die vertaald zijn en gespeeld worden in Londen, in Wenen, in Sint Petersburg ? En Italië, vaderland van Dante en Vergilius, zo arm en triest, is dat in onze ogen niet veel groter en majestueuzer dan Engeland, zelfs met haar hele vloot, haar India, haar miljoenen mensen en haar trots ? En, wat is er over van Carthago ? En van Venetië ? Waar zijn al die schepen, die schatten, die macht, die rijkdom die de hele wereld wel wilde hebben ?

 

     Vraag me maar niet wat er over is van Athene en Rome, hun herinnering houdt de hele wereld bezig. Natuurlijk, handelsrelaties waren een welkome vernieuwing voor de moderne landen, en het was een geweldige zet van de Voorzienigheid om het belang van de mens te bedienen om hen verbonden te laten zijn ; de industrie geeft landen een onuitputtelijke bron van rijkdommen die de oude beschavingen in hun nobele trots niet kenden ; bij ons knopen handelsrelaties politieke banden aan, maar voor alles zijn er ook nog ideeën die uitgewisseld worden. Waren er niet twee eeuwen strijd voor nodig tussen Europa en Azië, tussen het Christendom en de Islam, voordat het Oosten en het Westen hun producten uitwisselden ? Men had de hele XVIe en XVIIe eeuw nodig, plus de Dertigjarige oorlog en duizenden gevechten, opdat het Noorden en het Zuiden, de protestanten en de katholieken het met elkaar eens konden worden. En dan komen Shakespeare en Byron bij ons langs, terwijl spelden en stoffen uit Engeland worden tegengehouden ; voor het genie is er geen controle, want hij is vrij is onsterfelijk.

    Dichters zijn als standbeelden die men in ruïnes vindt ; we vergeten die soms lange tijd, maar dan vinden we ze weer intact terug onder stof dat geen naam meer heeft ; alles is vergaan, alleen de standbeelden blijven. En hoort u dan toch niet weerklinken : Dit is een poëet, holle geest ! Dat zijn verzen, futiliteiten ! welnu, deze dichter en deze verzen zijn onsterfelijker dan uw paleis waarvan de stenen afbrokkelen, dan uw keizerrijk dat uiteenvalt, dan uw schatten die kwijt raken, en deze godslastering komt van het belang dat het hart en daarna de ziel heeft uitgedroogd. Eerst heeft men gelogen, maar nu denken heel veel mensen dat zij gelijk hebben, en dat de industrie nuttiger is dan poëzie, dat het lichaam meer waard is dan de ziel. Maar het is wel de ziel die het lichaam bestuurt ; zonder de kunst, waar zouden wij dan zijn ? Ach kom ! Corneille en Racine hebben meer gedaan voor Frankrijk dan Colbert en Lodewijk XIV. Is het niet vreselijk en absurd om onophoudelijk te beweren dat een scheepslading meer waarde heeft dan een chef d'oeuvre, dat een lakenstof meer waarde heeft dan een gedicht ? Wat vertellen die scheepsladingen en uw lakens u dan ? Ze raken leeg en verslijten ; maar Homeros, is die soms versleten ? Jullie winkels puilen uit van handelswaar, maar maakt u voor mij op bestelling ook eens een Tartufe, Othelle, Cinna ? Frankrijk kan in een jaar miljarden opleveren ; maar in een eeuw maakt zij nog geen tien regels Corneille.

    Laat mij dan eens oog in oog staan met de graaf van Northumberland, die 17 miljoen aan inkomen heeft, of zet de man die het monopolie op alle exploitaties heeft tegenover de harlekijn Shakespeare. Wat zal de eerste doen ? Hij zal me zijn marmeren paleizen laten zien, zijn gouden schalen, zijn smaragdtapijten, zijn landerijen, zijn oogsten en opbrengsten, zijn fabrieken, zijn dienaars die hij betaalt, zijn honden en zijn rijtuigen ; welke van die twee doet dat ? Maar de ander leest me verzen voor, dat wil zeggen hij spreekt mijn ziel toe, hij beroert de snaar van de lier, haalt er melodieën uit, extases ; dat wil zeggen dat hij me raakt, dat hij me laat huilen, dat hij me groots maakt en trots, dat ik zomaar begin te trappelen, dat het enthousiasme mij overmant en dat ik gelukkig ben dat ik het heb mogen aanhoren, dat oeuvre, en dat ik hem benijd, dat ik hem adoreer in mijn hart, dat ik tempels voor hem bouw !

    Ik moet toegeven, ik at ook van de oogsten van de eerste ; zijn schepen brachten me suiker, zijn vee bracht me wol, zijn fabrieken brachten me lakenstof ; maar de dichter ! Zijn naam moge gezegend zijn, zoon der hemelen ! Want je hebt me laten proeven van de vreugden die handel, macht en rijkdom me niet kunnen geven, geluksgevoelens die koningen niet kunnen brengen ; je hebt in mij alle wellust van mijn ziel opgewekt, je hebt me alle geluk in mijn hart gegeven, je hebt me laten huilen ; die andere was mijn kleermaker en mijn schoenmaker ; jij, jij bent mijn engel en mijn liefde, dank, want je bent dichter ! Dus, laten we niet vergeten dat de geest, zowel in de geschiedenis als in het leven, altijd het lichaam heeft gedirigeerd. Wat een kind nodig heeft, zijn dat niet de plaatjes,de prenten, het gelach en de verhaaltjes van de voedster ? Pas daarna, als het vlees tot hem spreekt, gaat zijn lichaam lijden, dan krijgt hij lust, wordt hij jaloers, sensueel, listig en gaat hij liegen en bedriegen ; zijn geest keek altijd alleen maar toe en aanschouwde wat, maar nu laat hij hem werken, hij graaft valkuilen en bekokstooft streken. Zo gaat het ook met de volkeren : eerst zijn ze poëten en priesters, strijders en wetgevers, handelaren en industriëlen ; het is nu aan de toekomst om deze kiemen vruchtbaar te maken voor de toekomstige beschavingen. Handel is dus de eerste verstrekker van rijkdommen, zoals de industrie de strijd is van de mens tegen de natuur, met machines die intelligent en scheppend zijn geworden; daarin zit de essentie van het materiële welzijn van een heel volk, dat is niet niks. Voed en kleed een mens, dat zijn maag gevuld moge zijn met wijn, zijn lichaam bedekt met diamanten, maar hij zal verdrietig sterven, afgetakeld, lelijk geworden, want zijn ziel moet een vruchtbare weide hebben om in te grazen, onzichtbaar als God, maar sterk met ons zoals hij dat is over zijn schepping. Kunst is dus het naar buiten komen van de ziel op de hoogst mogelijke manier, daar zit haar oeuvre. Beledig haar niet, dat zou laster zijn !

 Les Arts et le commerce

Kunst en commercie. Gustave Flaubert. Vertaling Vivienne Stringa