Voorwoord door Léo Ferré ''Les poèmes saturniens'' van Paul Verlaine, vertalingen, frans leren, Vivienne Stringa

 

          Voorwoord door Léo Ferré  ''Les poèmes saturniens'' van Paul Verlaine
paul-verlaine-1.jpg
 
De vogels waarnaar we kijken, aan zee, veilig van achter glas, geven wanhopig tekens, althans dat denken wij, want de materie die er tussen ons en hen is geeft ruimte aan afleiding en dromen, en wij wensen in hun voedsel- of gewoon discursieve geometrie een oratie te zien, een twijfel, een verhaal. De wanhoop van grote zeevogels is gelijk aan die van poëten. Ze zijn te ver van ons weg, in een azuur dat we met onze vinger en gedachte aanraken, en ze lijken er alleen maar voor ons TE ZIJN, voor onze siësta, ons geklets, onze meditatie. In de poëzie bestaat er niets anders dan wat wij er zelf mee kunnen.

 

De muziek in de verzen is, net als die in het geklap van de vleugels, afhankelijk van het moment. De vogel is een gevangene van zijn vlucht. De poëet is dat van zich zelf, ik bedoel van een spelling, van een prosodie, van een ritme. Kunst is een gevangenis zonder tralies waaruit men nooit ontsnapt; spleen is een cipier, pijn een tranensoep, techniek gekantkloste boeien. Les Saturniens of les Fêtes Galantes lezen betekent: een sluier oplichten en naar een schaduw kijken die je executeert. De beul is echt degene waarvan men denkt dat hij geketend is, hij dringt bij je binnen, behekst je, buigt je.

Oh de Grande Misère van de ijverige lezer die weer terugkeert naar zijn drugs, op het tijdstip dat hij zijn verslaving voelt, en die heel goed weet dat de geliefde stemmen nooit zullen zwijgen, de stemmen van het nachtkastje, onder de lamp die zijn kameraad is, aan het eind van bedrieglijke efemeride.


De poëet is een woordeningenieur, een patiënt ook, die weet hoe te lijden onder de zin. Zeggen dat Verlaine poëtisch geïnnoveerd en geleden heeft is een truïsme. Villon, Ronsard, Racine, Hugo en Baudelaire hebben ook op dezelfde manier geïnnoveerd en geleden. Zij hebben de woorden een zetel gegeven, een roeping, een welzijn waarover wij ons verwonderen dag na dag, wanneer die tussen onze tanden door stromen. De technieken waren beproefd vanaf het einde van de Middeleeuwen: er is niets meer om uit vinden, alles moet nu gezegd worden...


Toen Verlaine Les Poèmes saturniens in eigen beheer uitgaf, was hij niet Verlaine maar een schrijver die een beslissend tijdstip inluidde, ergens, dat tijdstip dat wij vandaag de dag weer herbeleven, achter het raam van een zoveelste uitgave. Verlaine was toen al weer de Andere, de poëet dat is de anderen, dat is de toekomst. De poëet schrijft aan de andere kant van het leven, vóór het leven. Hij zit tussen twee stadia. Hij hinkelt: de ene voet op het land, de andere in een universum zonder zwaartekracht, en om bij hem in de buurt te komen moeten we ons van ons menselijk omhulsel ontdoen, anders verraadt de zwaartekracht ons en verwijdert die ons van hem.


Verlaine had in de laatste jaren van zijn leven een stok die zwaar converseerde met schaduwen, laag bij de grond. Hij wist dat hij in een bizar noman's land aan het hakken was, en dat hij in zijn hoofd een ziek been had. Bij gebrek aan gekortwiekte vleugels misleidde hij en hinkelde hij... Een poëet hinkelt altijd een beetje.

De literaire situatie van Verlaine zit aangesloten op feitjes. Het is niet te vatten, maar achter elk vers ligt voyeurisme. Achter de woorden die hij getransmuteerd heeft ziet men Lucien Votti of Rimbaud, of Lettinois, die laat men ons zien. De criticus verlekkert zich en de lezer die eerst ongerust is, wordt wanhopig en laat uiteindelijk los. Het lijkt wel of de literatuurgeschiedenis deze hedendaagse mythologie een alkoof offert die sommige journalisten een leven geeft om de nachtkastjes in de gaten te houden of eenogig spiedend loert naar het sleutelgat. Er is al teveel over gezegd: Weten wat hij heeft doorgemaakt aan drama, schande, onzinnig berouw, op een weg groen van absint en "hoop", zoals hij het schreef, weten dat hij zijn duizelingwekkende reuzenschaduw  meesleepte over alles wat het best gemaakt is aan poëzie aan het einde van de XIXe eeuw - en dat alles alleen maar voor een handjevol genodigden, zoals Mallarmé, die hem erg bewonderde- , dat alles te weten, inclusief zijn scheiding van korte adem, en Brussel, en zijn moeder, half begrijpend, half ermee instemmend, en de ouwe Krantz, alles te weten tot in de anekdote, de roddels, en dan de balans opmaken, en zeggen dat hij een van de grootste Franse dichters is, noch Parnassien, noch symbolist, noch iets waarvan we accenten terug kunnen vinden in de hedendaagse poëzie, en ook te weten dat hij in 1960 "l'inflexion des voix chères qui se sont tues" heeft, maar die helemaal niet zwijgen als onze wil dat wil zien en voelen, en dat geen enkele ambachtsman van het gedicht "in vorm" niets kan schrijven zonder er over aan te halen tegen Lélian, alles te weten over het nutteloze en door te dringen in "het maagdelijke en het heftige" van zijn verzen, dat is regelrecht iets om je over te verontwaardigen en tegelijkertijd de vlam aan te wakkeren van de ingedutte en luie lezer.


Hij nam het Franse vers over toen Les Fleurs du Mal  uitkwam en heeft het in onze eeuw geplant. Het lijkt wel of Verlaine zich met zijn penneveer gebogen heeft over het einde van de  XIXe eeuw die buiten adem was,  en dat hij zijn vrijgevige gif heeft gelanceerd, zoals een atleet zijn speer werpt naar iets dat hij buiten het stadion denkt te zien.
De poëet gelooft altijd in een literair hiernamaals. Ik bedoel niet het nageslacht - want daar staan de schoolboeken bol van - maar een ruimtelijke mogelijkheid, een "music-land" waar geen onderscheid is tussen woord of geluid, waar in een bindende mist de heerlijkste gerechten van de ziel staan uitgestald.  Zielen eten, ergens, de kruimels van de schoonheid. De enige deugd van de poëzie is te buiten gaan aan de zoektocht naar de eisprong... De "menselijke hersenen" te laten dromen, dat was de wens van Baudelaire, en dat is het doel van elke poëet, dat is zeker ook de wens van Verlaine, in dat "saturnisch" en "galante" boek dat zich zal openen als een vrouw, lezer, als je dat wilt.


De poëet geeft charme. Het is aan de lezer om daar in te grazen. Er is maar één poëzie en er zijn duizend manieren om die te lezen, om die naar buiten te horen komen uit de gedrukte pagina en te horen zingen, als de oogvogel zich daar naar kan schikken. Er zijn speciale tijdstippen waarop de meest verlaten Saturnien ons omvat, ons omringt, zonder dat er op de bedoelingen van Verlaine hoeft te worden aangedrongen op hét bepaalde moment van het dichten, of op het moment van het maken van de lay-out of over de astrologische gegevens die de literatuurrecensent afpakt om te gebruiken wanneer hij zich machteloos voelt.

Wat maakt het mij uit of, om met vriend Lepelletier te spreken, de meeste Saturniens het resultaat zijn van een langzaam en zeer serieus werk, zonder enig anecdotisch gegeven, wat maken mij de interessante dingen uit die Jacques-Henry Bornecque laat zien in zijn complete en vriendelijke boek dat hij schreef over de Saturniens, die ertoe neigen me te bewijzen dat de Vrouw erin gezocht moet worden en dat hij haar tijdens het zoeken ook vindt, arm nichtje Elise Moncomble, jong gestorven en zij had de drukkosten van het boek betaald. We weten wat dat betekent : degene aan wie het boek is opgedragen heeft ook vaak de kosten van de opdracht. Is zij die vrouw uit de Rêve familier ? Er is altijd ergens een vrouw voor wie men schrijft, voor wie kan lezen. De vrouw komt eerst, daarna het gedicht, zij stroomt door de aderen van de kunstenaar. Verlaine was androgyne, dat verkondigde hij in het openbaar, en daar wordt men ook flink aan herinnerd bij elke zin die daar betrekking op heeft. De andere dichters, alle anderen, zijn ook androgyne. De meesten in het geheim: zij schamen zich voor de vrouw die zij in zich dragen. In Les Saturniens, een oude vrouw:
"Wij waren alleen, en met zijn tweeën liepen we te dromen...


De poëet was die dag waarschijnlijk met zijn dubbelganger aan het wandelen, want, dixit Lepelletier of zo ongeveer, de Saturniens zijn alleen maar een stijloefening!
Verlaine is de literatuur binnengekomen door Saturnus te sublimeren. We weten, voor de rest, dat in de astrologie alles getimed is en dat de ziel verstrengeld zit aan de hemelkaart als een automobilist aan een wegenkaart in onbekend gebied. Op de Verlaine-weg lag Saturnus,  daar had hij zich zelf
tenminste van overtuigd. Hij heeft de "planeet der wilden" niet veracht, want, "diegenen daar die geboren zijn onder (zijn) sterrenbeeld hebben, boven alle anderen,  "Een groot deel ongeluk en een groot deel gal"... zei hij. Hij schikte zich daar naar. Zelfgenoegzaamheid in het ongeluk is een duidelijk teken in artisitiek creëren. Het ongeluk glanst, voor je, je werpt je er in en je veroordeelt jezelf er dan toe. Echte schoonheid zit alleen maar in verdriet, hoe divers afhankelijk van geslacht dat ook is... Verlaine was mooi als Saturnus.
"Hypocriete lezer - mijn gelijke - mijn broer!", schreef Baudelaire, met zijn boeket zieke bloemen helemaal vastgebonden en klaar om geofferd te worden.
"Nu, ga, mijn Boek, waar het Toeval je heen brengt",  schrijft Verlaine, en dat is het laatste vers van de proloog van les Saturniens.

Dat er een ontmoeting bedoeld werd, daar kan niemand aan twijfelen, en wat er lucide en bevroren is bij de een, maakt plaats voor een gevoel van ontslag bij de ander, voor een loslaten vooraf. En het is weer Saturnus die hem in die toestand brengt. De mens zal een moeilijk leven lang bewijzen dat geloven in een ongelukkig of tragisch Lot hetzelfde is als dat lot dan zelf bepalen, het er zelf door ommuurd worden. Baudelaire was van marmer. Verlaine varieerde met de maan.
Als Les Fleurs du Mal nog tot aan de drempel van de Verlainepoëzie duwt, betekent dat dat hun "diepe retoriek" zoals men dat zei, in de weg stond van alles wat er in de tuinen daarnaast groeide. Hoe kan men naar een zieke hemel kijken, een heimelijke vrouw, hoe kan men een zwaar parfum ruiken, hoe kan men zichzelf zijn bij de cynische schoonheid van de "Fleurs"  in 1857, als je een jonge poëet bent, in de boetiek van cesuren en hiaten, en van al de andere formele verplichtingen die van de poëet een versificator, een arbeider maken. Toen het vers bij het uitkomen van Les Fleurs du Mal in ons gezicht werd gegooid, viel er wat poeder uit de pollen van die bloemen op de eerste verzen van Lélian. Zodoende zweeft er soms, vooral in de Saturniens, veel meer dan in Les Fêtes Galantes, de  schaduw van 1857 die Les soleils mouillés zich nog lang zullen herinneren, zelfs na Verlaine, in onze eeuw. De enige wanhoop van zonnen is wel die schaduw die hen achtervolgt, als de slang van Apollinaire.

Alleen al bij het duiken in Les Saturniens kan men begrijpen dat het ongeluk iets is wat men aangaat, dat het soms een beroep is, immers schrijven is een beroep en het witte lege vel voor je krijgt net zo goed de rekening van de wasvrouw als de hexameter! De bestaansreden van de poëet? Dat is dit; het lege vel, de pen, het woord. De rest is anecdote. Je moet toch accepteren om Verlaine te zien op een gegeven moment buiten zijn avonturen als hij zijn gedachten glad maakt, oppoetst, ja, volgens de wijsheid van Boileau,  met zijn hart en ziel in zijn hand op het manuscript krabben,  met eveneens zijn kritische geest, de supreme eenzaamheid van de kunstenaar die zich niet meer inlaat met dagelijkse beslommeringen en die hard werkt. De technieken zijn kil zoals de "Muse" kil is, een idiote uitvinding waardoor je de aankleding mag laten versloffen, en ook de haast om maar niet meer twee keer per dag te eten zoals iedereen,  en dat vluchtgedrag dat uit het lange haar loopt van die sinsitere personages die "poëet" worden genoemd, met de geamuseerde onverschilligheid waardoor zij juist zo anders zijn dan de rest. Ze zijn slecht gekleed want ze hebben geen geld, ze hebben lang haar omdat het bij de kapper een imbeciele hel is. Het enige echte probleem van de dichter is het stijlprobleem.


Het Franse vers heeft alles gegeven wat mogelijk was aan structuren. Rijm, wat is nu eigenlijk rijm, behalve dan dat eenogige woord aan het eind van de zin dat maar aan één kant kan zien? Het ritme? Wat hebben we voor nieuws te leren over het ritme sinds de Grieken? De cesuur? Het enjambement? ...

"Beaux enfants, vous perdez la plus
Belle rose de vo chappeau;
Mes clers pres prenans comme glus,
Se vous alez a montpipeau."

Villon zat al op de trap van Hernani! Er is niets meer uit te vinden... Alles moet gezegd worden.
Stijl, dat is die franje van de ziel die overlegt met de dichter en die `les sanglots long des violons de l´automne` maakt. Stijl is die diepe kwaliteit, onverdiend, die beslist over de mens en waardoor we vleugels  aan de armen van de dichters
naaien. Stijl, dat is:

"Votre âme est un paysage choisi."

Stijl, dat is niet
door Saturnus omhulde gedichten te ondertitelen met Melancholia, Paysages tristes en Caprices, stijl dat is ook niet de achttiende eeuwse schaduw van een literaire Watteau in expositienood, stijl is alles dat stroomt, zonder een nodeloos geluid, als een zegening:

"Et la nuit seule entendit leurs paroles".

Het leven van Verlaine is een misverstand. Als man hield hij van de Vrouw, als vrouw hield hij van de mannen. Ondertussen schreef hij. Het misverstand zit hem in de haltes tussen de geslachten. Ik herhaal deze biografische details alleen maar omdat ik me verwonder over het dubbelhartige, om niet te praten over de veelheid ervan. Mathilde, Rimbaud, Lettinois, de oude Krantz: hij begint met een maagd en eindigt met een hoer zonder beroep. Ondertussen beminde hij, als een bezetene, en het is die Liefde die mij interesseert, die liefde die zo puur was, wat de specialisten van de pikante details er ook van mogen denken, de specialisten van de passies die "vuilnis" wordt in de kranten en tijdschriften, in bed ook, als de lampen aangaan voor het gerommel in de nacht. Poëten, als ze leven, worden ze geslagen, men spot met hen, men zet hen in de gevangenis. Wanneer zij dood zijn, gaat men in hun leven snuffelen, het liefst met een zwijnensnuit, en men snuffelt het liefst aan de kant die men zo makkelijk "zonde" noemt. Verlaine, wat een geweldig doelwit voor die soupeurs met een speciale smaak! Verlaine wordt nog gegeten, in de literatuur waar sommige docenten net alsof doen, met "laten we dat maar overslaan" en etcetera's waar men wel bij stil staat en over napraat in cafés, na het college, of in de kleine "notes et variantes" aan het einde van het boek, stiekem, want de vlam van respectloosheid en de "goede tradities" moet toch aangewakkerd blijven.

Het boek dat je in je handen hebt, lezer, is een magie. Het is geschreven door een poëet genaamd Verlaine en waarvan het je niet veel moet kunnen schelen dat hij dit of dat was, dat hij hier of daar geleefd heeft, dat hij gelachen, gehuild, gegromd heeft. Een poëet, die gromt, en dat is nu net wat "de goede zielen" zo tegen de borst stuit. In het gegrom van poëten, net als in het gegrom van honden, zit altijd wel een beetje onschuld waardoor onze menselijke toestand altijd weer im frage gesteld wordt, want in werkelijkheid, zijn poëten geen mensen. Engelen? ... Waarom niet? Engelen daar ergens, die slapen met engelen, en we kunnen ons inbeelden dat het niet verboden is in dit land waar de sterren geen geslacht hebben, waar de hel geen seizoenen meer kent, waar de verlovingsring zijn hoofd naar Saturnus draait.  Léo Ferré

 

 

    

Accueil Contact Bijles

     TV5  ''Merci professeur''     Slate, Actualiteiten op het net    Opéra national de Paris
     Fédération internationale van docenten Frans    Musée du Louvre    Arté
     BNF: Bibliothèque nationale de France     Le Monde diplomatique    Ecoutez France Culture
     Studenten infos    Musée d'Orsay    Ecoutez France inter
     Romans, Livre Inter    Tv5 monde, web télé   Betere weergave bij
  Firefox. nl    Google Chrome    Opera    01-16-1.png