Delend lidwoord en lidwoord, Frans leren; Grammatica; Vivienne Stringa

LIDWOORDEN en het DELEND LIDWOORD

 

Mannelijk

Enkelvoud

 Mannelijk ev.

 met klinker

 Vrouwelijk

 Enkelvoud

 Vrouwelijk ev.

 met klinker

  Mannelijk en vrouwelijk

  meervoud

1. Bepalend

lidwoord

(de, het)

LE

(le livre)

L'

(l'arbre )

LA

(La table)

L'

(l'école)

 LES (livres, arbres, tables, écoles)

2. Onbepaald Lidwoord

 (een)

UN

(un livre)

 UN

(un arbre )

UNE

(une table)

UNE

(une école)

 DES (livres, arbres, tables, écoles)

  

3. Delend

lidwoord

(niet vertaald)

DU (pain)

DE L' (encre) 

DE LA (bière)

DE L' (eau)

 DES (livres, arbres, tables)

1. HET BEPALEND LIDWOORD (de, het) :

Wanneer gebruiken we dat in het Frans?

VOORBEELDEN

Bij een bepaald persoon of ding

Voici le cadeau que je t'ai promis. (Hier is het cadeau dat ik je beloofd heb)

La fille de Jacques. (De dochter van Jacques)

Bij een algemene of abstracte term bij iedereen bekend

La musique, le soleil (De muziek, de zon)

La loi, la  patience (De wet, het geduld)

Bij een specifieke term uit een bepaalde categorie

Le chien est un animal fidèle (De hond is een trouw dier ► honden zijn trouwe dieren)

Bij een titel   

Le duc de Normandie (De hertog van Normandië)

Bij een familienaam (om alle leden aan te geven)

Les Dupont  (let op: de naam zelf verandert niet, het betekent 'de familie Dupont')

Bij een taal of een vak

Le français, l'anglais

Maar niet met het werkwoord parler :  parler anglais

Bij alle geografische namen:

Behalve bij steden :

Er zijn uitzonderingen, zoals :

En: bij deze landen geen lidwoord:

La France, Les Antilles (Frankrijk, de Antillen)

Paris, Amsterdam

Le Mans, La Haye, Le Havre

Israël, Tahiti, Haïti, Hawaii

Bij data

Je suis né le 18 juin (ik ben geboren op 18 juni)

Bij de dagen van de week wanneer het om een gewoonte gaat

Le samedi, je ne sors pas. ('s Zaterdags/Op zaterdag ga ik nooit uit)

Bij prijzen per hoeveelheid

Cela coûte un euro le kilo. (Dat kost een euro per kilo)

Je gagne dix euro (de) l'heure. (Ik verdien tien euro per uur) 

Bij lichaamsdelen met een wederkerend werkwoord

Tu te laves les mains. (Jij wast je handen)

Iil s'est cassé la jambe. (Hij heeft zijn been gebroken)

Bij bepaalde uitroepen

Oh, la belle maison!! (Oh, wat een mooi huis!)

Bij de overtreffende trap

Le plus grand amour (De grootste liefde)

La plus belle fille  (Het mooiste meisje)

Let op: le en la veranderen in l' voor een zelfstandig naamwoord dat met een klinker begint!

Un orage, l´orage, l'encre (Een onweer, het onweer, de inkt)

Une armoire, l'armoire (Een kast, de kast)

 2. HET ONBEPAALDE LIDWOORD (een):

Wanneer gebruiken we dat in het Frans?

VOORBEELDEN

Het enkelvoud: UN, UNE

Bij personen of voorwerpen waarover nog niet is

gesproken

J'ai vu une dame avec une canne.

(Ik zag een mevrouw met een wandelstok)

Bij een eenheid van een algemeen geheel

Un chien reste toujours fidèle à son maître.

 (Een hond blijft altijd trouw aan zijn baas)

Voor een onderdeel, hoeveelheid van een geheel

Un verre de lait. (Een glas melk)

Bij bepaalde uitroepen

Il a un de ces culots! (Hij heeft me toch een lef!)

Het meervoud:

In het Nederlands is er geen lidwoord bij het meervoud van "een";

maar in het Frans is er wel een lidwoord: 

un of une wordt dan ► DES

(Zie ook hieronder bij 3. het delend lidwoord)

Il a des chiens (Hij heeft honden)

Elle a des fleurs rouges (Zij heeft rode bloemen)

! Let op !

  1. Wanneer ‘des' vóór  een bijvoeglijk naamwoord en een
  2. zelfstandig naamwoord staat, wordt het DE :

Elle a de belles fleurs. (Ze heeft mooie bloemen)

Il a de petits chiens (Hij heeft kleine honden)

Let op!

Bij een ONTKENNING worden un, une en des : DE

(of D'  bij een klinker) :

Tu as une soeur (Jij hebt een zus)

Tu n'as pas de sœur (Jij hebt geen zus)

J'ai vu des canards (Ik heb eenden gezien)

Je n'ai pas vu de canards (Ik heb geen eenden gezien)

Uitzonderingen op deze regel van de ontkenning:

1. Na de volgende werkwoorden:

aimer (houden van)

préférer (liever hebben)

détester (een hekel hebben aan)

adorer (gek zin op)

haïr (haten)

  dan gebruiken we wel  LE, LA, of LES

(zie ook hieronder bij delend lidwoord)

Je n'aime pas les fruits (Ik hou niet van fruit)

Je ne déteste pas le bruit (Ik heb geen hekel aan herrie)

2. Bij het werkwoord ÊTRE verandert er niets bij de ontkenning:

C'est une plante.  (Het is een plant)

Ce n'est pas une plante. (Het is geen plant) 

Ce sont des canards. (Het zijn eenden)

Ce ne sont pas des canards. (Het zijn geen eenden) 

3. Wanneer er een getal wordt aangeduid met un of une,

dan verandert dit niet bij een ontkenning:

Il n'a pas une voiture; il en a trois. (Hij heeft niet  één auto; hij heeft er drie)

4. DES als lidwoord (1) moet niet verward worden met:

DES als resultaat van de + les (2),

waarbij DE de functie heeft van het voorzetsel 'over, van':

 (1) Tu as des animaux; (Je hebt dieren)

Tu n'as pas d'animaux. (Je hebt geen dieren)

(2) Je te parle des voisins; (Ik heb het met je over de buren)

Je ne te parle pas des voisins  (ik heb het niet met je over de buren)

 3. HET DELEND LIDWOORD :

Wat is dat ?

L'ARTICLE PARTITIF

In het Nederlands gebruiken we niet altijd een lidwoord.

Zoals bij : ‘Ik eet kaas, ik eet brood, ik drink wijn, ik drink melk'.

  Dan gaat het om algemeenheden zonder bepaalde hoeveelheden.

  Ook is het zo dat we in het Nederlands zeggen:

Ik heb EEN boek; ik heb boeken; ik heb EEN fiets, wij hebben fietsen.

  Het meervoud van 'EEN' krijgt dus ook geen lidwoord in het Nederlands.

In het Frans gebruikt men wel ALTIJD een lidwoord;

en wanneer dat gebeurt wanneer er in het Nederlands GEEN LIDWOORD staat, dan heet dat :  

HET DELEND LIDWOORD

l'article partitif :   Eigenlijk: een lidwoord in delen

Het is te herkennen aan het woordje DE dat in combinatie met het lidwoord komt te staan. Er zijn verschillende uitvoeringen, afhankelijk van getal en geslacht:

mannelijk : de + le       = DU

vrouwelijk:                   =  DE + LA

mnl. of vr. met klinker  = DE + L'

meervoud: de + les     = LES

Wanneer en hoe gebruiken we het delend lidwoord? VOORBEELDEN met de vertaling

Bij ONBEKENDE HOEVEELHEDEN

(abstract, algemeen en massa)

ONBEKENDE HOEVEELHEDEN

Mannelijk Enkelvoud : (de+ le) ► = DU

DU

du pain, du lait, du vin, du fromage (brood, melk, wijn, kaas)

Vrouwelijk Enkelvoud : DE LA  

DE LA

 de la viande, de la bière, de la moutarde (vlees, bier, mosterd)

 Mnl./ vrl. enk. + Klinker: DE L' 

DE L'

Avez-vous de l'argent? (Heeft u geld?)

Tu bois de l'eau (Jij drinkt water)

 Meervoud : (de + les) ► = DES   

DES

des endives, des vélos, des tables, des sandwiches (witlof, fietsen, tafels, boterhammen)

NA EEN ONTKENNING : altijd DE

NA EEN ONTKENNING

 Enkelvoud

Mannelijk   : DE

Il prend du lait (hij neemt melk)

 Il ne prend pas de lait (hij neemt geen melk)

Il mange du fromage (hij eet kaas)

Il ne mange pas de fromage (hij eet geen kaas)

Vrouwelijk : DE

Elle veut de la viande (ze wil vlees)

Elle ne veut pas de viande (ze wil geen vlees)

 Klinker: D'

Elles boivent de l'eau (zij drinken water)

Elles ne boivent pas d'eau (ze drinken geen water)

Meervoud:

mannelijk : DE

vrouwelijk: DE

(mnl of vrl) met klinker:

Tu ramasses des champignons? (Raap je champignons?)

Je ne ramasse pas de champignons  (ik raap geen champignons)

Il mange des poires? (Eet hij peren?)

Il ne mange pas de poires (Hij eet geen peren)

Voulez-vous des endives ?  (Wilt u witlof)

Je ne veux pas d'endives (Ik wil geen witlof)

! LET OP ! na de werkwoorden 

► aimer, détester, préferer, adorer, haïr:

Je prends du thé (Ik neem thee)

Je ne prends pas de thé (ik neem geen thee)

► J'aime le thé (Ik houd van thee)

► Je n'aime pas le thé  (ik houd niet van thee)

Je déteste le vin (Ik heb een hekel aan wijn)

► Je ne déteste pas le vin (Ik heb geen hekel aan wijn)

En ook om iets te preciseren:

Ce n'est pas du vin, c'est de la bière

 (Het is geen wijn, het is bier!)

 En verder nog het volgende :  

Natuurverschijnselen: delend lidwoord

Il y a du brouillard (er is mist)

Il y a du vent (het waait)

Il y a de l'orage  (het onweert)

Met het werkwoord faire, om een bezigheid aan te duiden: delend lidwoord

Il fait du sport (Hij doet aan sport)

Il fait de la musique (hij maakt/speelt muziek)

Il fait de la politique (hij doet aan politiek)

Met het werkwoord jouer de (+ een muziekinstrument = een muziekinstrument bespelen)

Il joue du piano (hij speelt piano)

Elle joue du saxophone (zij speelt saxofoon)

Ils jouent de l'orgue (zij spelen orgel)

Uitdrukkingen met het werkwoord avoir: delend lidwoord

Avoir du succès (succes hebben), avoir du courage (moed hebben, moedig zijn), avoir du caractère (karakter hebben), avoir de la volonté (wilskracht hebben)

 Alleen DE bij: 

Il a beaucoup d'argent (Hij heeft veel geld) 

Elle est couverte de dettes (Ze zit diep in de schulden)

Alleen DE bij woorden om een hoeveelheid aan te geven:

Beaucoup de vin (veel wijn), trop de travail (teveel werk), assez de nourriture (voldoende, genoeg eten/voedsel), un tas de choses (een heleboel dingen)

Une foule de gens (een massa mensen), un groupe de danseurs (een groep dansers), un kilo de pommes (een kilo appels), un bouquet de roses (een boeket rozen), un litre de lait (een liter melk)

Moins de voitures (minder auto's), plus d'arbres (meer bomen), autant de plaisir (net zoveel plezier), un peu de cognac (een beetje cognac), peu de monde (weinig mensen)

En bij deze uitzonderingen, waar er wel een lidwoord bij komt :

 La moitié de la maison (de helft van het huis), la plupart des produits (de meeste/het merendeel van de producten), la majorité de la population (de meerderheid van de bevolking), un grand nombre des camions (een groot aantal vrachtwagens)

In sommige gevallen is er in het Frans geen lidwoord:

 Wanneer ? VOORBEELDEN met vertaling

Na de voorzetsels AVEC (met), SANS (zonder), EN (in)

Prends-tu ton thé avec ou sans sucre ? (Drink je je thee met of zonder suiker?)

Elle se marie en blanc ou en noir? (Trouwt ze in het wit of in het zwart?)

Bij sommige spreekwoorden en gezegden

Oeil pour œil, dent pour dent (Oog om oog, tand om tand)

Noblesse oblige (Adel verplicht)

Bij bepalingen

Juliette, fille de M. Dupont, est nee à Paris en 1990. (Juliette, dochter van mijnheer Dupont, werd geboren in 1990 in Parijs.)

Na de volgende uitdrukkingen:

Être accompagné de copains (vergezeld van vrienden)

Être entouré de policiers (omringd door politieagenten)

Être rempli de vin (gevuld zijn met wijn)

Être précédé de publicités (voorafgegaan worden door reclame)

Être plein d' histoires (vol zijn van/ vol zitten met verhalen)

Être orné de médailles (versierd zijn met medailles)

Être suivi de membres de sa famille (gevolgd worden door zijn familieleden)

Être couvert de peinture (bedekt met verf/onder de verf zitten)

Avoir besoin de vitamines (vitamines nodig hebben)

Na voorzetsels par (door), avec (met), sans (zonder) + abstract zelfstandig naamwoord :

Avec impatience (met geduld), Par inadvertance (door onoplettendheid), Sans difficulté (zonder problemen), Avec énergie (met energie)

Maar: met een bijvoeglijk naamwoord komt er wel een lidwoord: 

Avec une grande impatience (Vol ongeduld)

Avec une vive énergie (Met een levendige energie)

En ter herhaling: Bij een absolute ontkenning:alleen DE

Je ne bois pas d'alcool (Ik drink geen alcohol)

LIDWOORDEN en het DELEND LIDWOORD