gérondif; tegenwoordig deelwoord, FRANS LEREN; VIVIENNE STRINGA

  1. Il était vraiment surpris en entendant cela.

  1. Il l'a convaincue en lui disant des mots d'amour. 

HET TEGENWOORDIG DEELWOORD LE PARTICIPE PRÉSENT en LE GÉRONDIF UITLEG

 

Het tegenwoordig deelwoord kennen we ook in het Nederlands: "Daar moet je lopend naartoe".  In het Frans wordt deze werkwoordsvorm vaak gebruikt, en op meer manieren dan in het Nederlands.

De Franse taal is zo gevormd dat er niet teveel in zinnen gehakt moet worden. Dit stamt af van het Latijn, waarin ook het gerundivum voorkwam. Bijzinnen moeten bijvoorbeeld gemakkelijk gekoppeld kunnen worden aan hoofdzinnen, en zo is er een vloeiend en poëtisch taalgebruik ontstaan  Eén van de onderdelen die daarvoor zorgt is het tegenwoordig deelwoord.

Hoe ziet het tegenwoordig deelwoord er uit in het Frans, en hoe wordt het gevormd? De vorming van het tegenwoordig deelwoord is als volgt:  de stam van de eerste persoon meervoud tegenwoordige tijd + -ANT.

Het tegenwoordig deelwoord maakt deel uit van LE GÉRONDIF.

Het uiterlijke verschil tussen beide vormen is alleen het feit dat vóór le gérondif  EN komt te staan.

De verschillen in gebruik en grammatica worden hierna behandeld. 

Het participe présent is dus alleen het tegenwoordig deelwoord zelf.

 Le gérondif is de SAMENGESTELDE vorm met  EN.

Voorbeelden

Frans leren  Frans leren  Frans leren   Frans leren  Frans leren  Frans leren

   Frans leren Werkwoord 

Frans leren Stam 2e persoon mv

Frans leren Participe présent

Frans leren Gérondif

nager

nous nageons

nageant

en nageant

commencer

nous commençons  

commençant

en commençant

finir

nous finissons 

finissant

en finissant

écrire

nous écrivons

écrivant  

en écrivant

convaincre

nous convainquons

 convainquant

en convainquant

lire

nous lisons

lisant

en lisant

éteindre

nous éteignons

éteignant

en éteignant

Frans leren  Frans leren  Frans leren   Frans leren  Frans leren  Frans leren

Uitzonderingen : avoir (ayant -  en ayant), être (étant - en étant), savoir (sachant - en sachant)

LE GÉRONDIF

 GEBRUIK

"Al kletsend schreven de meisjes hun huiswerk op".

Met de gérondif  geeft men een actie aan die gelijktijdig gebeurt als de actie in de bijzin: men is bezig iets te doen. Er is gelijktijdigheid van de verbale actie. Maar let op: er moet ook gelijkwaardigheid , dat wil zeggen overeenkomstigheid zijn van het onderwerp in beide zinnen. De regel is dus dat beide zinsdelen hetzelfde onderwerp moeten hebben voor een gérondif.  Het gérondif heeft de waarde van een bijzin en kan verschillende functies hebben:

1. Tijd : Frans leren Elise s'est rappelé son enfance en lisant une histoire.

(= "pendant qu'elle lisait" - TERWIJL zij een verhaal las ...herinnerde zij zich haar kindertijd weer)

2. Manier : Frans leren Elle voulut m'attirer l'attention en toussotant.

(DOOR te hoesten...wilde ze mijn aandacht trekken)

3. Voorwaarde:  Frans leren En  analysant attentivement tous les détails, tu découvriras la solution correcte.

(ALS je nauwkeurig alle details analyseert...zul je de juiste oplossing vinden)

4. Reden :  Frans leren En freinant à temps, il a réussi à éviter un accident.

(= Parce qu'il a freiné à temps…) (OMDAT hij op tijd remde...kon hij een ongeluk vermijden)

5. Concessie :  Frans leren Tout en comprenant vos ennuis, je ne peux rien faire pour vous.

 (OOK AL begrijp ik uw problemen, ik kan niets voor u doen)

6. Tegenstelling : Frans leren La police a des soupçons tout en ignorant l'identité du coupable.

(De politie heeft wel vermoedens, maar de identiteit van de daders is onbekend) 

Deze zin kan ook zonder gérondif gebruikt worden, en ziet er dan zo uit : Frans leren La police a des soupçons mais ignore l'identité du coupable.

Hier gebruikt men het woordje "maar" als tegenstelling.

 In de tweede zin, heeft het dezelfde betekenis wanneer we er met het gérondif, TOUT en voor zetten: "terwijl...toch..." 

HET TEGENWOORDIG DEELWOORD (Participe présent)

GEBRUIK

Het tegenwoordig deelwoord, dat dus wordt gebruikt ZONDER EN, heeft ook diverse functies :

 Het participe présent met het onderwerp uit de hoofdzin; het geeft een nadere uitleg aan van het onderwerp :  

 Hier wordt het tegenwoordig deelwoord dan als een bijvoeglijk naamwoord of bijvoeglijke bepaling gebruikt.

Frans leren Ayant des ennuis financiers, cette compagnie envisage des licenciements.

(Dit bedrijf bereidt ontslagen voor omdat het financiële problemen heeft. OF : Vanwege financiële problemen ... OF : Het in financiële problemen verkerende bedrijf overweegt mensen te ontslaan. )

Het tegenwoordig deelwoord kan de volgende bijzin - functies hebben :

a. Betrekkelijk:  Frans leren Ce sont des structures  exprimant la comparaison.

(= qui expriment) (Het zijn structuren die een vergelijking uitdrukken)
b. Causaal (met reden) : 
Frans leren Etant accidenté, il ne participera pas à ce match.

(  = Parce qu'il est accidenté, ...) (Omdat hij een ongeluk heeft gekregen, zal hij niet aan deze wedstrijd meedoen)

Het tegenwoordig deelwoord kan ook een ander onderwerp hebben dan het onderwerp uit de hoofdzin :

Frans leren Il a imaginé son garçon escaladant cette montagne-là et il en a eu peur.

(Hij zag zijn zoontje al bergbeklimmend voor zich en daar werd hij bang van.)

Le participe présent drukt een gelijktijdigheid uit (simultanéité) :

Frans leren Je marche en chantant. (Ik loop te zingen - Ik zing terwijl ik loop)

Bij een voorafgaande handeling, die dus in de verleden tijd hoort te staan, gebruiken we de volgende samenstelling :

ayant dit, ayant fini, étant parti(e), s'étant intéressé(e) etc. (dit gezegd hebbend, toen het af was, omdat hij /zij etc. vertrokken was, omdat hij/zij etc. zich geïnteresseerd had voor ...)

Frans leren Ayant terminé son travail, il est sorti se promener.

(Toen hij zijn werk af had, ging hij naar buiten om te wandelen.)

 

Het tegenwoordig deelwoord :

 

Het tegenwoordig deelwoord / Le participe présent is een ONPERSOONLIJKE VORM van het werkwoord en eindigt op -ant. Het heeft geen verbuiging met een persoonlijk voornaamwoord.  Het tegenwoordig deelwoord /  Le participe présent geeft ook geen aantal aan.

Andere vormen van onpersoonlijke vormen zijn het infinitief en het voltooid deelwoord. Het voltooid deelwoord kan echter wel een verbuiging van mannelijk of vrouwelijk en enkelvoud of meervoud hebben in de samegestelde vorm "passé composé"

Een voorbeeld :

Elle nous a soumis à une discipline, nous demandant de pratiquer le piano chaque jour. (Ze onderwierp ons aan een discipline door ons te vragen om iedere dag het pianospelen te oefenen.)

Een hoofdzin en daarna een bijzin. In de hoofdzin is NOUS het lijdend voorwerp (wie of wat onderwierp zij ? ► ons).

In de bijzin staat wéér het voornaamwoord nous, nu vóór het tegenwoordig deelwoord: men zou kunnen denken dat het hier het onderwerp is van het tegenwoordig deelwoord; maar het tegenwoordig deelwoord wordt niet verbogen en is dus geen persoonsvorm.

Daarom is  nous hier niet het onderwerp, maar het meewerkend voorwerp van het werkwoord demandant (AAN ons vragende/ door AAN ons te vragen).

Er bestaan twee vormen van het tegenwoordig deelwoord : (le participe présent) :

de eenvoudige vorm: le participe présent simple, die gevormd wordt door de stam van het werkwoord in de imparfait en die eindigt op -ant ;

Frans leren demandant (imparfait : il demandait)
Frans leren finissant (imparfait : il finissait)
Frans leren pratiquant (imparfait : il pratiquait)

Uitzonderingen: avoir: ayant en savoir : sachant

de uitgebreidere vorm: le participe présent composé, die gevormd wordt met het hulpwerkwoord avoir of être in de vorm van het tegenwoordig deelwoord , en daarachter het voltooid deelwoord van het gebruikte hoofdwerkwoord:AYANT +volt. dlw. OF ÉTANT + volt.dlw.

 ayant pratiqué (te hebben gepraktizeerd/ gepraktizeerd hebbende/ "omdat [onderwerp] had gepraktizeerd, ...")
 étant tombé (gevallen zijnde/ "omdat [onderwerp] gevallen was, ...")

(Voor de keuze van het hulpwerkwoord, zie de pagina Werkwoordvervoegingen / Conjugaison /formes du verbe.

Voor de uitgang van het voltooid deelwoord, zie de pagina "Accord du participe passé" , "Accord du  participe passé employé avec avoir" en "Accord du participe passé employé avec être"/ verbuigingen en uitgangen van het voltooid deelwoord.)

Let op !

Gemaakte fouten :

 Het tegenwoordig deelwoord is in de meeste gevallen hetzelfde woord als het  bijvoeglijk naamwoord van dat werkwoord, en wordt ook zo geschreven.

 Voorbeeld: le participe présent van het werkwoord pratiquer is pratiquant, net als het bijvoeglijk naamwoord.

Bij het werkwoord fatiguer is het  tegenwoordig deelwoord fatiguant, bij het werkwoord  différer is het différant ;

MAAR :

de bijvoeglijk naamwoorden van deze werkwoorden zien er als volgt  uit : fatigant, différent.

VOORBEELDEN :

Frans leren Cette journée a été fatigante. Deze dag was erg vermoeiend. (bijvoeglijk naamwoord: een vermoeiende dag )

Frans leren Fatiguant les enfants jusqu’à l’épuisement, cette journée sera heureusement suivie d’une bonne nuit de sommeil.

Omdat deze dag de kinderen tot uitputting heeft vermoeid, komt er gelukkig een goede nachtrust achteraan.

(werkwoord met het tegenwoordig deelwoord: deze dag heeft vermoeid)

Om het onderscheid tussen beide vormen (het tegenwoordig deelwoord op -ant OF het bijvoeglijk naamwoord op -ant) te kunnen maken, is er een handig hulpmiddeltje :

Men zet het woord tussen de ontkennende vorm ne...pas :  bij een participe présent zal de zin kloppen.

Maar hebben we te maken met een bijvoeglijk naamwoord, dan klopt de zin helemaal niet.

(want tussen ne… pas moet namelijk ALTIJD een werkwoord komen !) :

Frans leren Cette journée a été ne fatigante pas. (onjuist)
Frans leren Ne fatiguant pas les enfants jusqu’à l’épuisement, cette journée … (juist)

Het onderwerp van het participe présent kan er wel staan en uitgesproken worden, maar het kan het tegenwoordig deelwoord niet vervoegen : 

Frans leren Ces revues leur plaisant énormément, ils en font la collection.

(Omdat deze tijdschriften hen enorm bevallen, verzamelen zij ze.)
Het onderwerp van het werkwoord plaire (" ces revues ") staat er wel, maar het vervoegt niet het werkwoord ; en  " leur " is hier het meewerkend voorwerp.

Het onderwerp van het tegenwoordig deelwoord wordt als bekend verondersteld en in de meeste gevallen is dat onderwerp hetzelfde als het onderwerp van het hoofdwerkwoord ; maar het moet er wel altijd staan wanneer het tegenwoordig deelwoord het eerst komt.

Frans leren Ayant pratiqué le piano toute la matinée, les enfants ont pu jouer dehors avec leur chien.

(Omdat ze de hele ochtend piano hadden gespeeld, mochten de kinderen buiten gaan spelen met hun hond / Omdat de kinderen de hele ochtend piano hadden geoefend, mochten ze buiten gaan spelen met hun hond.)

Het bekend veronderstelde onderwerp van ayant pratiqué, les enfants, is ook het onderwerp van het hoofdwerkwoord ont pu jouer.

Kijk maar eens wat er gebeurt wanneer het veronderstelde onderwerp verandert: let op het verschil in betekenis in de volgende zin, waarin leur chien het veronderstelde onderwerp wordt van ayant pratiqué :

Frans leren Ayant pratiqué le piano toute la matinée, le chien a pu jouer dehors avec les enfants …

(Omdat de hond de hele ochtend piano had gespeeld, mocht hij buiten spelen met de kinderen. )

Het is dus aan te bevelen om de volgende verwarrende zinnen te vermijden, omdat het veronderstelde onderwerp van het participe présent niet hetzelfde is als het onderwerp van het hoofdwerkwoord :

-Demeurant tout près de chez moi, j’ai offert à Caroline de la reconduire chez elle.
Het is beter om te zeggen :

Frans leren Parce que/Comme  Caroline demeure tout près de chez moi, je lui ai offert de la reconduire chez elle.
-Masquant mal sa nervosité, les mots qui sortaient de la bouche de Carl étaient mal articulés et souvent mal choisis.
Het is beter om te zeggen :  

Frans leren Masquant mal sa nervosité, Jean a mal articulé ses mots et les a souvent mal choisis.

LET OP ! Wanneer het tegenwoordig deelwoord een wederkerend werkwoord is (zoals bijvoorbeeld  : se blesser, s’ennuyer, se préparer), dan moet het wederkerende voornaamwoord van hetzelfde geslacht en getal zijn als het veronderstelde onderwerp.

Frans leren En se préparant pour aller voir leur chien au refuge, les enfants chantaient. (Ils se préparent)

(De kinderen zongen terwijl zij zich klaarmaakten om hun hond te gaan zien in het asiel.)
Frans leren En nous préparant pour aller au cirque, nous chantions. (Nous nous préparons)

(Terwijl we ons klaarmaakten om naar het circus te gaan, zongen we.)

Voorbeelden met de vertaling

Frans leren J'écoute la radio en travaillant.

 (Ik luister naar de radio terwijl ik werk)

Frans leren Ils regardent la télévision en mangeant.

 (Zij kijken televisie tijdens het eten/terwijl ze eten)

Frans leren En me douchant, je pense à ce que je vais faire pendant la journée.

  (Tijdens het douchen denk ik aan wat ik die dag ga doen.)

Frans leren Il aime parler en plaisantant.

  (Hij maakt graag grapjes als hij praat.)

Frans leren Vous ne devez pas parler en mangeant.

 (U moet niet praten terwijl u eet.)

Frans leren En venant, achetez du pain.

  (Koop brood onderweg hierheen.)

Frans leren Il pensait beaucoup à ses affaires en rentrant chez lui.

  (Op weg naar huis dacht hij veel na over zijn zaken.)

Frans leren Je vous dis ceci en passant : méfiez-vous de ce monsieur !

  (Ik zeg U dit even terzijde: vertrouw die man niet!)

Frans leren Il m'a dit bonjour en entrant.

 (Hij zei me gedag toen hij thuiskwam.)

Frans leren Il était vraiment surpris en entendant cela. 

(Hij was echt verbaasd toen hij dit hoorde.)

Frans leren En attendant Catherine, il regardait les nuages.

 (Terwil hij op Catherine wachtte, keek hij naar de wolken.)

Frans leren C'est en forgeant qu'on devient forgeron. (proverbe) (Spreekwoord)

Frans leren Il l'a convaincue en lui disant des mots d'amour.

  (Hij overtuigde haar door haar liefdeswoordjes te zeggen.)

Frans leren Elle pensait à son bonheur en lui écrivant.

 (Zij dacht aan haar/zijn geluk toen zij hem schreef.)

Frans leren Il a répondu en riant : D'accord, on se marie demain !

 (Hij antwoordde lachend: Oké, we gaan morgen trouwen!)

Frans leren En sortant son portefeuille, il s'est aperçu qu'il n'avait plus d'argent.

 (Toen hij zijn portefeuille tevoorschijn haalde, zag hij dat hij geen geld meer had.)

Frans leren Tout en marchant, il réfléchissait à ce qu'il allait lui dire.

 (Al lopende dacht hij de hele tijd na over wat hij hem/haar ging zeggen.)

Frans leren Il rêve de l'avenir en s'imaginant être riche.

 (Hij droomt van de toekomst, zich inbeeldend dat hij rijk zal zijn.)

Frans leren L'arbre est tombé en faisant un grand bruit.

 (De boom viel om met veel lawaai.)

Frans leren On gagne de l'argent en travaillant.

  (Men verdient geld door te werken.)

Frans leren J'ai trouvé ce travail en lisant les petites annonces.

  (Ik vond deze baan bij het lezen van de advertenties.)

Frans leren Il fait beaucoup de gestes en parlant.

  (Hij maakt veel gebaren als hij praat.)

Frans leren Il continuait à marcher, ne sachant pas vraiment où il allait.

  (Hij liep door, ook al wist hij niet echt waar hij heen ging.)

Frans leren En arrivant, il pensa qu'il avait oublié les clés.

   (Hij dacht dat hij zijn sleutels vergeten was toen hij aankwam.)

Frans leren Elle lui a raconté l'histoire en pleurant.

  (Ze heeft hem het verhaal huilend verteld.)

Frans leren Elle l'a écouté en sachant qu'il mentait.

  (Ze luisterde naar hem terwijl ze wist dat hij loog.)

Frans leren J'ai accepté en hésitant.

  (Ik heb het twijfelend geaccepteerd.)

Frans leren Il est mort en dormant.

  (Hij is gestorven in zijn slaap.)

Frans leren Il est parti en courant.

 (Hij is weggerend.)

Frans leren J'ai appris le français en faisant des exercices.

 (Ik heb Frans geleerd door oefeningen te doen.)