L'imparfait et le passé simple; onvoltooid verleden tijd; passé simple; werkwoorden; grammatica; Frans leren; Vivienne Stringa

 

L'IMPARFAIT en LE PASSÉ SIMPLE

De verleden tijden in het Frans kunnen voor problemen zorgen, omdat ze niet overeenstemmen met de Nederlandse tijden.

We hadden al  Hier  gezien hoe de verleden tijd l' IMPARFAIT gebruikt werd, naast het voltooid deelwoord le PASSÉ COMPOSÉ. Er is echter nog een verleden tijd, die wij in het Nederlands helemaal niet niet kennen: LE PASSÉ SIMPLE. Het betekent eigenlijk de eenvoudige verleden tijd. Het kenmerkende van deze tijd is in ieder geval dat hij voornamelijk, voor het grootste gedeelte, in verhalende teksten voorkomt, en meestal in literair werk. We kunnen dus zeggen dat hij gebruikt wordt in de SCHRIJFTAAL.

De  beschrijving ervan komt terug in het tweede gedeelte van deze pagina. Om te beginnen eerst nog even een herhaling van de IMPARFAIT :

L'IMPARFAIT (de onvoltooid verleden tijd)

VERVOEGING

De uitgangen van de imparfait zijn voor de drie werkwoordgroepen altijd hetzelfde: 

je ...-ais, tu ...-ais, il/elle ...-ait, nous ...-ions, vous ...-iez, ils/elles ...-aient

(Zie voor alle vervoegingen ook de pagina van de werkwoordvervoegingen: zie de links onderaan deze pagina)

GEBRUIK

 De Imparfait wordt gebruikt voor een gebeurtenis of situatie in de verleden tijd die langere tijd duurde of nog voortduurt : we beschrijven er dus noch het begin, noch het einde van. 

Voorbeeld: La faible lumière ruinait la santé de la femme peintre. (Het zwakke licht beschadigde de gezondheid van de schilderes.)

De Imparfait is de tijd die gebruikt wordt voor een beschrijving van iets in het verleden. 

Voorbeeld:  Le cadre était ovale, magnifiquement doré et guiloché dans le goût moresque. (De lijst was ovaal, prachtig verguld en guiloche gegraveerd in Moorse stijl.)

De Imparfait kan ook een gewoonte of een herhaaldelijk voorkomende gebeurtenis voorstellen. 

Voorbeeld: Il prenait son petit déjeuner à 7h. (Hij ontbeet altijd om 7 uur. )

De Imparfait wordt gebruikt in een voorwaardelijke ondergeschikte bijzin waarbij de hoofdzin in de conditionnel staat. 

Voorbeeld:Si vous reveniez demain, vous le rencontreriez certainement. (Als u morgen terugkwam, dan zou u hem zeker zien.)

Le passé simple (verleden tijd, schrijftaal)

Vervoeging

De werkwoorden uit de 1e groep ( -er) hebben de volgende uitgangen:

je... -ai, tu...-as, il/elle...-a, nous ...âmes, vous... âtes, ils/elles ...-èrent.

Voorbeeld: je criai, tu mangeas, il lança.

De werkwoorden uit de 2e groep  hebben de volgende uitgangen:

je ... -is, tu ... -is, il ... -it, nous ... îmes, vous ...-îtes, ils/elles... -irent. 

Voorbeeld: je saisis, nous finîmes.

De werkwoorden uit de 3e groep hebben de volgende uitgangen:

op - i- ; Voorbeeld: je vis, je souris, j'attendis, je fis, je fuis. 

op - u- ; Voorbeeld: tu lus, tu sus, tu vécus, tu aperçut, tu dus. 

op - in-; Voorbeeld: Il vint, il tint; il devint, maintint, il parvint. 

(Zie voor alle vervoegingen de pagina van de werkwoordvervoegingen: links onderaan deze pagina)

Gebruik

De passé simple wordt gebruikt voor een plaatsing  van een precieze, duidelijk afgebakende en op zichzelf staande gebeurtenis in het verleden. De gebeurtenissen zijn al af (gemaakt). De passé simple is de tijd voor een (geschreven) verhaal uit het verleden. We vinden deze werkwoordvorm dan ook het vaakst in boeken terug. Het kan vertaal dworden door de gewone verleden tijd (OVT)

Voorbeeld:  Il trembla et il devint très pâle, et il fut frappé d'effroi. (Hij trilde en werd helemaal bleek, en hij werd door angst bevangen.)

De passé simple is het tegenovergestelde van de imparfait waarmee het vaak gebruikt wordt. Het drukt een plotselinge gebeurtenis uit, die plaatsvindt tijdens het verhaal dat in de imparfait staat. 

Voorbeeld: La fête battait son plein lorsqu'un orage éclata. (Het feest was in volle gang toen er een onweer losbarstte.)

Opmerking: De passé simple hoort bij de schrijftaal (la langue écrite). In de spreektaal wordt de passé simple vervangen door de passé composé (het voltooid deelwoord) .

Schrijftaal: il décida de partir. (Hij heeft besloten te vertrekken)

Spreektaal: Il a décidé de partir.  (Hij heeft besloten te vertrekken)

L'IMPARFAIT en LE PASSÉ SIMPLE