La Négation Ontkenning; ontkennend maken

ONTKENNINGEN

De belangrijkste ontkennende vormen in het Frans. Op de puntjes komt de vervoegde werkwoordsvorm, de persoonsvorm. In de voorbeelden wordt ook de plaats van de ontkenning met voltooid deelwoorden en hulpwerkwoorden gegeven. Onderaan de pagina staat een link om oefeningen te maken.

ne... pas  (niet)
ne... pas de (geen)
ne... pas encore (nog niet) 

ni... ni... (noch...noch)

 ne... plus (niet meer)
 
personne... ne (niemand, ow)
ne... nulle part (nergens)

 ne... jamais (nooit)

ne... personne (niemand, lv)

 ne... que (slechts)

ne... rien (niets)

ne... aucun(e) (geen enkele) lijdend voorwerp/bepaling

aucun ne... (geen van de/niemand) onderwerp

ne... guère (nauwelijks)

NE ... PAS  (niet), geen)

Je NE comprends PAS.  (Ik begrijp het niet) 

Cet exercice, je NE le comprends PAS.  Cet exercice, je NE veux PAS le faire. Je N'ai PAS compris. Cet exercice, je NE l'ai PAS compris.

Cet exercice, je N'ai PAS voulu le faire.
(Deze oefening begrijp ik niet /wil ik niet maken / heb ik niet begrepen / heb ik niet begrepen/ heb ik niet willen maken)
 
NE ... PAS  DE (geen)

Il NE mange PAS DE pommes (Hij eet geen appels) Elle NE mange PAS DE viande (Zij eet geen vlees)

Je NE fais PAS D'exercices. (Ik maak geen oefeningen)

Je N'ai PAS D'argent. (Ik heb geen geld.)

NE ... PLUS (niet meer)

Je N'ai PLUS d'argent. (Ik heb geen geld meer.)

De l'argent ? Je N'en ai PLUS.  Mes dettes ? Je NE peux PLUS les payer.  Je NE suis PLUS allé au cinéma depuis deux ans. (Geld? Dat heb ik nie tmeer. Mijn schulden? DIe kan ik niet meer betalen. Ik ben al twee jaar niet meer naar de film geweest.)

Des films ? Je NE suis PLUS allé en voir depuis deux ans. (Films? Die ben ik twee jaar niet meer gaan zien.)

NE ... JAMAIS  (nooit)

Elle N'écrit JAMAIS. (Zij schrijft nooit.) Elle N'a JAMAIS dit pourquoi. (Ze heeft nooit gezegd waarom) Ses amies ? Elle NE veut JAMAIS les voir. (Haar vrienden? Die wil ze nooit zien) Elle a des problèmes, mais elle N'en a JAMAIS parlé. (Ze heeft problemen, maar daar heeft ze het nog nooit over gehad)

Elle N'a JAMAIS voulu nous dire pourquoi. (Ze heeft ons nooit willen zeggen waarom)

NE... RIEN (niets)

Il NE fait RIEN. (Hij doet niets.)

Sur la lune, il N'y a RIEN. (Op de maan is niets) Elle NE m'a RIEN dit. (Ze heeft me niets verteld) Je NE lui ai RIEN répondu. (Ik heb haar niets teruggezegd) Cela NE nous a RIEN coûté. (Dat heeft ons niets gekost) Demain, je NE vais RIEN faire. (Morgen ga ik niets doen)

NE ... PAS ENCORE (nog niet)

Je N'ai PAS ENCORE mangé. (Ik heb nog niet gegeten.)

Ils N'ont PAS ENCORE décidé. (Ze hebben nog niet besloten) Vous N'avez PAS ENCORE fini ? (Zijn jullie nog niet klaar?) Nous N'avons PAS ENCORE commencé. (We zijn nog niet begonnen) Tu NE lui as PAS ENCORE écrit ? (Heb je hem/haar nog niet geschreven?)

Elle NE m'a PAS ENCORE répondu. (Ze heeft me nog niet geantwoord)

NE... PERSONNE  (niemand)

PERSONNE NE lui parle. (Niemand praat met hem.) ► ONDERWERP

PERSONNE N'habite ici. (Niemand woont hier) Je N'ai rencontré PERSONNE. (Ik ben niemand tegengekomen) Je N'ai parlé à PERSONNE. (Ik heb met niemand gesproken)

Je NE connais PERSONNE ici. (Ik ken niemand hier.) ► LIJDEND VOORWERP

Je NE connais PERSONNE ici.  Il NE parle à PERSONNE. (Ik ken niemand hier. Hij praat met niemand)

NE... AUCUN (e) (GEEN ENKELE)

Il N'a AUCUN ami. (Hij heeft geen enkele vriend.)

Il NE lit AUCUN livre. (Hij leest geen enkel boek) Des romans ? Il N'en a lu AUCUN. (Romans? Daar heeft hij er geen enkele van gelezen) Sur la lune, il N'y a AUCUN signe de vie. (op de maan is geen enkel teken van leven.) Il N'a AUCUNE chance de réussir à cet examen. (Hij heeft geen enkele kans voor dit examen te slagen)

Je N'ai rencontré AUCUN problème pour cet examen. (Ik heb geen enkel probleem gehad bij dit examen) Des difficultés ? Je N'en ai eu AUCUNE. (Moeilijkheden? Die heb ik totaal niet gehad)

AUCUN des élèves N'a fait l'exercice (Geen van de leerlingen heeft de oefening gemaakt)

NI ... NI (noch...noch)

Je N'aime NI le vin NI la bière. (Ik hou noch van wijn noch van bier.)

Je NE mange NI pommes NI poires. (Ik eet appels noch peren) Je N'ai NI argent NI fortune. (Ik heb geld noch kapitaal) Je N'ai compris NI le début NI la fin. (Ik heb noch het begin noch het einde begrepen)  Elle N'a parlé NI à moi NI à mes amis. (Ze heeft noch met mij noch met mijn vrienden gesproken)

NI vous NI moi NE sommes riches.(Zowel U als ik zijn wij beiden niet rijk) NI lui NI elle NE sont partis en vacances.(Noch hij noch zij is op vakantie gegaan)

ne... nulle part (nergens)

Il NE va NULLE PART (Hij gaat nergens heen) Cela NE mène NULLE PART (Dat leidt nergens toe)

ne... que (slechts, alleen maar)

Elle NE sort QUE pour faire des courses  (Ze gaat alleen maar voor boodschappen eruit) Il N'a QUE cette paire de chaussettes. (Hij heeft alleen dit paar sokken maar) Cette veste NE coûte QUE vingt euro. (Dit jasje kost slechts twintig euro)

ne... guère (nauwelijks)

La vieille dame NE sort GUÈRE. (De oude dame komt nauwelijks de deur uit)