Le Pronom, Voornaamwoorden, frans leren

LE PRONOM : het voornaamwoord

Het voornaamwoord in het Frans kent vele vormen.

De bekendste zijn, net als in het Nederlands, de Persoonlijk voornaamwoorden

Daarnaast kennen we ook :

Betrekkelijk voornaamwoorden 

 Aanwijzend voornaamwoorden

 Bezittelijk voornaamwoorden

Een voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord om  herhalingen en hinderlijke klanken te vermijden :

Voor scholen en docenten La voiture est si puissante, que la voiture peut rouler très vite... wordt vervangen door  La voiture est si puissante, qu'elle peut rouler très vite. (Die auto is zo krachtig, dat die auto heel snel kan rijden ► hij heel snel kan rijden)

Voor scholen en docenten Le chien court très vite, et la queue du chien forme un panache.► wordt vervangen door  ► le chien court très vite et sa queue forme un panache. (De hond rent heel hard, en de staart van de hond krijgt de vorm van een pluim ►en zijn staart krijgt de vorm van een pluim)

Plaats en functies van het voornaamwoord

Het voornaamwoord vervangt het zelfstandig naamwoord en krijgt dezelfde functie van dat znw (onderwerp, lijdend voorwerp). Het kan daarom dus mannelijk, vrouwelijk, enkelvoud of meervoud zijn. Verder kan een voornaamwoord ook een bijvoeglijk naamwoord, een hele zin of een gedeelte, een hoofdzin of een bijzin vervangen.

Représentant: De verwijzing

De verwijzing vervangt iets of iemand in de tekst :

Voor scholen en docenten Le train qui arrive.

(De trein die aankomt. Het (betrekkelijk) voornaamwoord qui is de vervanger van train).

Bij le représentant onderscheiden we twee vormen: 

1. - Anaphore/  anafoor:
Wanneer het zelfstandig naamwoord voor het voornaamwoord staat, noemen we dit een anafoor.

Voor scholen en docenten Cette visite du musée est formidable et je suis heureuse de la faire connaître.

(cette is een aanwijzend voornaamwoord, visite is het onderwerp en het voornaamwoord la is een anaphore dat het antecedent visite vervangt en er naar verwijst)

Let op : soms moet vanwege de betekenis de zin aangepast worden :

Voor scholen en docenten Le directeur a proposé un travail, il n'a pas l'air facile. (Wat is er niet makkelijk, de directeur of het werk?)

In dat geval moet men het bedoelde er toch nog even bijzetten :

Voor scholen en docenten "Le directeur a proposé un travail, cette tâche n'a pas l'air facile",

ou sinon "le directeur a proposé un travail, et cet homme n'a pas l'air facile".

2. - Cataphore / katafoor:
Wanneer het vervangen woord nog niet genoemd is en achter het voornaamwoord staat, dan heet het een cataphore / katafoor:

Voor scholen en docenten Pendant ton absence, ça a brûlé rapidement.

(Er is nog niet precies verteld wat er verbrand is ).  

Voor scholen en docenten Pensez-vous que celui-là soit bon ?

Antécédent

L'antécédent, het antecedent, is het zelfstandig naamwoord dat vervangen moet worden, of dat er nu voor of achter staat.
Let op: Let er op dat het antecedent wel altijd makkelijk kan worden geïdentificeerd, en dat er geen verwarring in de zin ontstaaat.

L'antécédent / Het antecedent dat het voornaamwoord vervangt en ernaar verwijst, is: 

  1 een eigennaam of zelfstandig naamwoord (met of zonder lidwoord) :

Voor scholen en docenten Un voyage organisé est-il indispensable ?

("Un voyage organisé" is de nominale groep van het voornaamwoord il)

Voor scholen en docenten Comme il est en retard l'écolier court dans la rue.

(L'écolier wordt hier antécédent van het voornaamwoord il genoemd, hoewel hij na het voornaamwoord komt )

Voor scholen en docenten Roméo est en voyage, il rentrera demain.

(Roméo is het antécédent van het voornaamwoord il).

2 een voornaamwoord Het voornaamwoord komt meestal net na het woord dat hij vervangt :

Voor scholen en docenten L'écolier qui court dans la rue est en retard.

(l'écolier is het antecedent van het voornaamwoord qui)

Voor scholen en docenten Tu as un jouet qui est beau. (Tu as un jouet, il est beau).

3 Een bijvoeglijk naamwoord :


Voor scholen en docenten Intelligente, elle le deviendra sûrement.

Voor scholen en docenten Insolent que tu es.


Soms kan een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord als bijvoeglijk naamwoord fungeren. Dan wordt het vervangen door het voornaamwoord "le" dat hetzelfde is als cela :

Voor scholen en docenten Adulte, je ne l'étais pas encore.

(Adulte, je n'étais pas encore cela  Volwassen, dat was ik toen nog niet). 

4 Een werkwoord : 

Voor scholen en docenten Mourir, c'est partir un peu !

(Het voornaamwoord ce komt vóór het werkwoord mourir ► Mourir, cela est partir un peu ! ).

5 Een bijwoord :

Voor scholen en docenten il vit, il est très bien logé.

(Het betrkkelijk voornaamwoord verwijt naar het bijwoord van plaats ).

 6 Een zin of gedeelte van een zin :

Voor scholen en docenten J'appréciais ses poèmes romantiques. Je ne les aime plus.  

Nominale voornaamwoorden
Deze voornaamwoorden verwijzen nergens naar, en vervangen ook niets of niemand.

Zij wijzen alleen maar direct een wezen of een ding aan :

Voor scholen en docenten On veut vivre

Voor scholen en docenten Aucun ne survivra

Voor scholen en docenten Qui a crié ?

 Onzijdig neutraal voornaamwoord

In het Frans bestaat het ONZIJDIG voor persoonlijk voornaamwoorden (il, le, se, en, y), aanwijzend voornaamwoorden (ce, ceci, cela) of onbepaalde voornaamwoorden (rien, quelque chose, tout, autre chose).

De algemene regel is dat het voornaamwoord het getal (enkel- of meervoud) en geslacht krijgt van het woord dat hij vervangt :

Voor scholen en docenten Les cols sont-ils ouverts ? Ils le sont.

Voor scholen en docenten Le chien et le chat vont se battre. Non ils sont enfermés séparément.

Maar sommige persoonlijke voornaamwoorden kunnen onzijdig worden, meestal om dingen en dieren te vervangen :

Voor scholen en docenten Il pleut, je le savais.

(il en le verwijzen niet naar een bepalend woord)

Het voornaamwoord le van de derde peraoon is onzijdig wanneer het een bijvoeglijk naamwoord of een bijzin vervangt:

Voor scholen en docenten S'il vous téléphone, dites-le-moi aussitôt.

(le vervangt de bijzin "s'il vous téléphone").

Wanneer het voltooid deelwoord na het onzijdig woord - l' - komt, en het woordje cela vervangt, dan wordt het deelwoord niet verbogen :

Voor scholen en docenten La vitesse est plus rapide que nous ne l'avions demandé.

(La vitesse est plus rapide que nous n'avions demandé cela) - Maar wel : La vitesse, nous l'avions demandée moins rapide. Immers, het vrouwelijke woord vitesse komt vóór de persoonsvorm te staan en vervangt niet het woord cela.

Noot : Men kan niet naar een zelfstandig naamwoord verwijzen zonder lidwoord, maar schrijf of zeg dan:

Voor scholen en docenten Le prisonnier a demandé sa grâce et l'a obtenue EN NIET Le prisonnier a demandé grâce et l'a obtenue.

Er zijn zes categoriën voornaamwoorden:

Het persoonlijk, aanwijzend, bezittelijk, betrekkelijk, vragend en onbepaald voornaamwoord

 

Enkelvoud, onderwerp, accentuering
Meervoud onderwerp, accentuering

1re personne

je, me, moi

nous

2e personne

tu, te, toi

vous

3e personne

il, elle, lui, le, la, se, soi, en, y

ils, elles, eux, les, leur

 

Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk

ce, celui, celui-ci, celui-là

ces ceux, ceux-ci, ceux-là

Vrouwelijk

cette, celle, celle-ci, celle-là

ces, celles, celles-ci, celles-là

Onzijdig

ça, ce, ceci, cela

ces

 

Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk

le mien, le tien, le sien,
le nôtre, le vôtre, le leur

les miens, les tiens, les siens,
les nôtres, les vôtres, les leurs *

Vrouwelijk

la mienne, la tienne, la sienne,
la nôtre, la vôtre, la leur

les miennes, les tiennes, les siennes,
les nôtres, les vôtres, les leurs *

 

Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk

lequel, duquel, auquel

lesquels, desquels, auxquels

Vrouwelijk

laquelle, de laquelle, à laquelle

lesquelles, desquelles, auxquelles

Onverbogen

qui, que, quoi, dont, où

 

Enkelvoud
Meervoud
Masculin

lequel, duquel, auquel

lesquels, desquels, auxquels

Féminin

laquelle, de laquelle, à laquelle

lesquelles, desquelles, auxquelles

Interrogatifs invariables

qui, que, quoi

Niet verbogen

autrui, nul, on, personne, qui, quiconque, rien, tout un chacun...

Verbogen

certain/certaine (s), même, tout, un...

Alleen
enkelvoud

aucun/aucune, chacun/chacune, d'aucuns/d'aucunes, l'un/l'une, l'autre, l'un et l'autre/l'une et l'autre, ni l'un/l'une ni l'autre, quelqu'un/quelqu'une, pas un/pas une, tel,...

Alleen meervoud

autre/autres, certains/certaines, d'autres, nuls/nulles, plusieurs...