Le subjonctif, grammatica, Frans leren; Vivienne Stringa

LUISTER HIER NAAR EEN LIEFDESKLACHT VOL MET SUBJONCTIF: VAN ALPHONSE ALLAIS

 
    HET GEBRUIK VAN DE SUBJONCTIF

 

De subjonctif is een werkwoordvorm die in het Nederlands vroeger veel gebruikt werd, maar tegenwoordig alleen nog heel zelden voorkomt. We noemen het de aanvoegende wijs. We kennen het nu nog in uitdrukkingen als: Leve de Koning, Leve de Koningin. In het Frans wordt deze vorm echter dagelijks gebruikt, en is nu eenmaal verplicht na bepaalde werkwoorden, uitdrukkingen, bijzinnen en bij bepaalde bedoelingen zoals een wens, twijfel of bevelen geven. Deze worden hieronder belicht.

Opmerking: de subjonctif wordt vaak gebruikt in een bijzin die na de hoofdzin komt, en de bijzin wordt dan ingeleid in combinatie met het woordje QUE (dat)

GEVOEL

Blijdschap : Je suis content que tu viennes.(Ik ben blij dat je komt)

Verdriet : Pierre est triste que Jeanne soit partie. (Pierre is niet blij dat Jeanne bij hem weg is)
Boosheid : Je suis indigné qu'il n'ait rien dit. (Ik ben verontwaardigd dat hij niets gezegd heeft.)
Verbazing : Je m'étonne qu'elle soit en retard. (Ik ben verbaasd dat hij te laat is.)
Angst : J'ai peur qu'il ait oublié notre rendez-vous. (Ik ben bang dat hij onze afpsraak vergeten is.)

Wens : Je souhaite qu'il vienne. (Ik wil dat hij komt.) J'aimerais que tu me dises comment faire. (Ik zou graag willen dat je me vertelt hoe het moet.)

Let op : het werkwoord SOUHAITER (wensen) krijgt wel een subjonctif, maar het werkwoord ESPÉRER (hopen) NIET: deze krijgt de gewone indicatief : J'espère qu'il vient, viendra.

Eis, bevel : Il faut que nous sortions. (Wij moeten uitgaan/weggaan.). J'exige que tu me dises la vérité. (Ik eis dat je me de waarheid zegt.)

Que personne ne vienne m'ennuyer !(Dat niemand me komt lastigvallen!) Je veux que viennes m'aider. (Ik wil dat je me komt helpen.)

Waarschijnlijkheid, onzekerheid, veronderstelling,Twijfel: Je doute qu'il soit allé la voir. (Ik betwijfel het of hij naar haar toe is gegaan.)
Mogeljkheid : Il se peut qu'elle soit partie. (Het kan heel goed dat zij al weg is.) Il est possible qu 'il fasse une bêtise. (Het is mogelijk dat hij een domheid begaat)

Waardering, spijt, goedkeuring, toestemming : J'apprécie que tu viennes me voir. (Ik vind het leuk dat je langskomt.) J'accepte qu'ils sortent avec leurs amis. (Ik vind het goed dat ze met hun vrienden uitgaan.)

Je suis désolé que tu aies autant de peine. (Het spijt me dat je zoveel verdriet hebt)
Raad : Il vaut mieux que tu partes tout de suite. (Het is beter als je gelijk weggaat.)
Verwachting : On s'attend à ce que les enfants puissent le faire. (We verwachten/rekenen erop dat de kinderen dat kunnen doen.)

    BEWERING EN OVERTUIGING

Sommige werkwoorden als PENSER (denken) en CROIRE (geloven) krijgen de gewone vorm (l'indicatif) bij de bevestigende vorm ;

maar bij de ontkennende of de vragende vorm kunnen ze zowel de indicatif als subjonctif krijgen :

Werkwoorden die een bepaalde mate van zekerheid aanduiden (penser, croire, trouver, être certain, être sûr...)

Bevestigende vorm : niet Ontkennende vorm Vragende vorm

Je pense qu'il a raison. (Ik denk dat hij gelijk heeft.)

Je crois qu'il va pleuvoir. (Ik geloof dat het gaat regenen.)

Je ne pense pas qu'il a raison. (weet het zeker)
Je ne pense pas qu'il ait raison. (Weet het niet zeker)


Je ne crois pas qu'il va pleuvoir. (Ik ben zeker dat het niet gaat regenen.)
Je ne crois pas qu'il pleuve. (Het zou kunnen regenen maar verwacht het niet.)

(ow+ pv draaien)

Penses-tu qu'il a raison ?
Penses-tu qu'il ait raison ?


Crois-tu qu'il va pleuvoir ?
Crois-tu qu'il pleuve?

    Werkwoorden met een waardeoordeel over een gebeurtenis
Bevestigende vorm : GEEN subjonctif

Ontkennende vorm : SUBJONCTIF IS MOGELIJK !

Vragende vorm : ook beide (ow + pv draaien)

J'espère qu'il viendra.

 

 

Je me souviens qu'il est brun.

Je n'espère pas qu'il viendra. (espérer=souhaiter)
Je n'espère pas qu'il vienne.
(espérer=s'attendre à)

(Ik hoop niet dat hij komt)

 

Je ne me souviens pas qu'il est brun.
(zegt iets over mijn herinnering van de feiten: ik herinner me niet dat hij donker haar had)

Je ne me souviens pas qu'il soit brun.
(twijfel over zijn haarkleur)

Espères-tu qu'il viendra ?
(espérer =souhaiter)
Espères-tu qu'il viennes?
(espérer =souhaiter)


Te souviens-tu qu'il est brun ?
(vraag over je herinnering)

Te souviens tu qu'il soit brun ?
(twijfel over zijn haarkleur)

 
Werkwoorden die een verklaring geven
(dire, affirmer, déclarer, prétendre, nier...)
 
Prétendre que kan zowel de indicatif als de subjonctif krijgen, afhankelijk van gebruik en wat men wil uitdrukken in de bijzin die ingeleid wordt met que. Wanner prétendre que hetzelfde betekent als affirmer, beweren, kan het in de constructie prétendre que een subjonctif krijgen. Bijvoorbeeld:Je prétends que j'ai raison. Je prétends que j'aie raison. De laatste vorm wordt minder gebruikt, en is meer schrijftaal. Echter in de ontkennende vorm en de vragende vorm zien we vaker een subjonctif: Je ne prétends pas qu'il l'ait dit en ces termes mêmes. Prétendez-vous qu'il ait raison ?
 
De subjonctif wordt in dit geval gebruikt in de vragende en ontkennende vorm, om ook hier weer die nuance van twijfel, onzekerheid of waarschijnlijkheid uit te drukken.
 
Zie hieronder de volgende voorbeelden :
 
Bevestigende vorm Ontkennende vorm Vragende vorm (ow + pv draaien)

J'affirme qu'il a menti.

(Ik beweer - weet zeker- dat hij gelogen heeft.)

Tu nies qu'il a des preuves.

(Je ontkent dat hij bewijzen heeft.)

Tu nies qu'il ait des preuves.

(Je ontkent of hij misschien wel eens bewijzen heeft.)

Je n'affirme pas qu'il a menti

(Ik beweer niet dat hij gelogen heeft)


Je n'affirme pas qu'il ait menti.

(beide vormen mogelijk)

Tu ne nies pas qu'il a des preuves.

(zekere bewering)
Tu ne nies pas qu'il ait des preuves. (onzekerheid wordt gevoeld)

Affirmes-tu qu'il a menti ?

(Je weet zeker dat hij gelogen heeft ?)
 

Affimes-tu qu'il ait menti ?

(zou het mogelijk zijn dat hij gelogen heeft ?)

Nies-tu qu'il a des preuves ?
Nies-tu qu'il ait des preuves ?

(ontken je dat hij wellicht bewijzen heeft ?)

    Na de volgende onpersoonlijke uitdrukkingen
 
Uitdrukkingen met IL als onderwerp (het is...dat)

Il faut que, il est étonnant que, il est bon que, il est important que, il est intéressant que, il est naturel que, il est temps que, il est dommage que, il est inacceptable que, il est étrange que, il est impossible que , il semble que ...

Il est inacceptable que des étudiants spécialistes ne sachent pas écrire le mot «travail».

Il faut que vous fassiez ce devoir. (Jullie moeten dit huiswerk doen)


Il est étrange qu'il ne soit pas arrivé. (Het is vreemd dat hij niet is aangekomen.)

    Na bepaalde voegwoorden

    DOEL

pour que, afin que

de façon que, de manière que, de sorte que (opdat, hier zit een wens in)
(wanneer dat een doel is en niet een gevolg of resultaat)

Mets ton manteau pour que nous puissions partir. (Doe je jas aan, dan kunnen we tenminste weg.)

Allumons le feu de sorte que nous ayons bien chaud. (Laten we het vuur aansteken dan hebben we het tenminste lekker warm)

maar :
La musique des voisins s'est arrêtée de sorte que je me suis enfin endormie.

(De muziek bij de buren stopte zodat ik eindelijk heb kunnen inslapen.)

VOEGWOORDEN VAN TIJD

avant que ( + ne, niet verplicht)
(attention : «après que» krijgt de gewone vorm)

jusqu'à ce que (totdat)

en attendant que (in afwachting van, afwachtend tot)

Je dois finir mon travail avant qu'ils (ne) viennent.


Je ne partirai pas jusqu'à ce qu'il fasse nuit.

Sa mère garde le secrêt en attendant qu'il grandisse.

    VOORWAARDE

à condition que, (op voorwaarde dat)
à supposer que,
pourvu que

Je veux bien faire une promenade à condition que tu sortes avec moi.

    CONCESSIE

bien que, quoi que (hoewel, ook al)

Sortons, bien qu'il fasse froid dehors.

    RESTRICTIE

à moins que + ne (of het moet zo zijn dat...)

Je vais sortir, à moins qu'il ne pleuve.

    VREES

de peur que + ne
de crainte que + ne (uit angst dat)

Je ne dis rien, de peur que tu ne te méprennes sur mes propos.

    Criteria van betekenis- en zinsopbouw (in sommige afhankelijke zinnen aan het begin van de zin)

Afhankelijke zinnen beginnend met "que" met een oordeel van de spreker.

Que..., (Dat hij ontslagen is, verbaast me niets)

Qu'il soit intelligent, c'est indiscutable.
Qu'il soit licencié, cela ne m'étonne pas.

    Criteria van betekenis- en zinsopbouwcriteria (in een betrekkelijke bijzin afhankelijk van het voorafgaande)

voorafgegaan door een overtreffende trap

le seul, l'unique, le premier, le dernier, le meilleur (de enige)

C'est la seule qui ait répondu à mon invitation.(Het is de enige die op mijn uitnodiging is ingegaan.)

Voorafgegaan door een onbepaald woord

personne, peu de, rien, quelque chose ...

Je ne connais personne qui puisse réussir ce travail. (Ik ken niemand die dit werk zou kunnen doen.)

Voorafgegaan door een onbepaald woord

un / une

Je cherche une personne qui sait le français. (Ik zoek iemand die Frans kent.)
(= een specifiek persoon met de eigenschap dat deze het Frans beheerst)

Je cherche une personne qui sache le français.
(maakt niet uit wie, als de persoon maar Frans spreekt)

Opmerking: Uitdrukkingen met À krijgen in de subjonctif CE erachter :

 -jusqu'à ce que tu viennes. (Totdat je komt)

 -de manière à ce que ... (opdat...)

 -consentir à ce que ... (ermee instemmen dat...)

 -s'attendre à ce que ... (verwachten dat...)

    Overeenstemming van de tijden uit de hoofdzin met de subjonctif in de bijzin

Tijd werkwoord uit de hoofdzin

 
Tijd werkwoord subjonctif uit de bijzin
Procédé dat plaatsvindt gelijktijdig of datgene uit de hoofdzin
Procédé dat plaatsvindt voorafgaand aan datgene uit de hoofdzin: Verleden tijd van de subjonctif

Tegenwoordige tijd

J'ai peur qu'elle parte. (Ik ben bang dat ze weggaat.)

J'ai peur qu'elle soit partie. (Ik ben bang dat ze weg is gegaan)

Voltooid dlw.

J'ai eu peur qu'elle parte. (Ik was even bang dat ze wegging)

J'ai eu peur qu'elle soit partie. (Ik was even bang dat ze weg was gegaan.)

Verleden tijd

J'avais peur qu'elle parte (partît). (Ik was bang dat ze wegging)

J'avais peur qu'elle soit (fût) partie. (Ik was bang dat ze weg was gegaan)

Toekomende tijd

J'aurai peur qu'elle parte. (Ik zal bang zijn dat ze weggaat)

J'aurai peur qu'elle soit partie. (Ik zal dan bang zijn dat ze weg is gegaan)

Conditionnel

J'aurais peur qu'elle parte (partît). (Ik zou bang zijn dat ze wegging)

J'aurais peur qu'elle soit (fût) partie. (Ik zou bang zijn dat ze weg was gegaan)

Conditionnel + volt. dlw.

J'aurais eu peur qu'elle parte (partît). (Ik zou bang zijn geweest dat ze wegging)

J'aurais eu peur qu'elle soit (fût) partie. (Ik zou bang zijn geweest dat ze weg was gegaan)

 

 

Drie oefeningen van verschillend niveau om de kennis van de subjonctif te testen

    HET GEBRUIK VAN DE SUBJONCTIF