Le verbe - concordance des temps

Werkwoorden:  concordance des temps (overeenstemming van tijden)

 

De concordance des temps, overeenstemming van tijden, is de overeenstemming van werkwoordtijden tussen de hoofdzin en bijzinnen.

Concordance des temps : bepaald door de betekenis

Hierbij gaat het om de chronologische relatie tussen hoofd- en bijzin:

-      je crois qu'il pleut (présent/ tegenwoordige tijd) (ik geloof dat het regent)

-      je crois qu'il pleuvait (imparfait / onvoltooid verleden tijd) (Ik geloof dat het regende)

-      je crois qu'il pleuvra (futur / toekomende tijd) (Ik geloof dat het zal regenen)

 

De voltooide tijden : drukken een tijd uit die anders is dan de tijd waarin de verteller vertelt (verleden of toekomst) maar die wel af is:  

-      je te raconte ce que je vois (Ik vertel je wat ik zie)

-      je te raconte ce que j'ai vu (antériorité/ voorafgaand) (Ik vertel je wat ik heb gezien)

-      je te racontais ce que je voyais (Ik vertelde je wat ik zag)

-      je te racontais ce que j'avais vu (antériorité dans le passé/ voorafgaand in het verleden) (Ik vertelde je wat ik had gezien)

-      je te raconterai ce que je verrai ( Ik zal je vertellen wat ik zal zien)

-      je te raconterai ce que j'aurai vu (antériorité dans le futur / De voltooide toekomst of de 'voltooid tegenwoordige toekomende tijd'(v.t.t.t.)  (ik  zal je vertellen wat ik zal hebben gezien)

-      il partit dès qu'il entendit le signal (hij vertrok zodra hij het signaal hoorde)

-      il partit dès qu'il eut entendu le signal (antériorité dans le passé /voorafgaand in het verleden) (hij is vertrokken zodra hij het signaal had gehoord).

 

Concordance des temps obligatoire: de verplichte overeenstemming van tijd

In sommige gevallen is de relatie tussen de tijden een vaste grammaticale regel.

présent + présent = ► imparfait + imparfait ; (tegenwoordige tijd + tegenwoordige tijd = ► verleden tijd + verleden tijd)

-      je fais ce que je veux (présent + présent). (Ik doe wat ik wil)

-      il faisait ce qu'il voulait (imparfait + imparfait). (Hij deed wat hij wilde)

 

futur + futur antérieur =► conditionnel + conditionnel passé; (toekomende tijd + voltooide toekomst = ► conditionnel + verleden tijd conditionnel)

-      il est convenu qu'on vous préviendra (futur) dès qu'une décision aura été prise (futur antérieur). (Er is afgesproken dat u ingelicht ZAL worden zodra er een besluit zal zijn genomen)

-      il était convenu qu'on vous préviendrait (conditionnel) dès qu'une décision aurait été prise ( verleden tijd conditionnel) (Er was afgesproken dat u ingelicht ZOU worden zodra er een besluit zou zijn genomen)

présent + passé composé = ► imparfait + plus-que-parfait ;(tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord =► verleden tijd + voltooid verleden tijd)

-      je crois que je me suis trompé (tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord) (Ik geloof dat ik me vergist heb)

-      il croyait qu'il s'était trompé (verleden tijd + voltooid verleden tijd). (Hij dacht dat hij zich vergist had)

 

Concordance des temps: overeenstemming van de tijden in de subjonctif

Wanneer het werkwoord uit de hoofdzin in de tegenwoordige tijd of in de toekomende tijd staat, dan staat de bijzin in de tegenwoordige subjonctif :

-      je crains qu'il ne soit trop tard (présent + subjonctif présent). (Ik vrees dat het te laat is)

 

Wanneer het werkwoord uit de hoofdzin in een verleden tijd staat (verhalend) , dan staat de bijzin in de de imparfait du subjonctif (verleden tijd subjonctif):

-      je craignais qu'il ne fût trop tard (imparfait + imparfait du subjonctif). (Ik vreesde dat het te laat was/ "ware")

 

Om in de bijzin uit te drukken dat iets af is, gebruikt men ofwel de verleden tijd ofwel de voltooid verleden tijd van de subjonctif:  (plus-que-parfait du subjonctif) :

-      je crains que mes paroles n'aient été mal interprétées (présent + passé du subjonctif). (Ik vrees dat mijn woorden verkeerd geïnterpreteerd zijn geworden)

-      il craignait que ses paroles n'eussent été mal interprétées (imparfait + plus-que-parfait du subjonctif).(Hij vreesde dat zijn woorden verkeerd geïnterpreteerd zijn geweest)

 

Opmerkingen

 

In de spreektaal gebruikt men vaak de tegenwoordige tijd of het voltooid deelwoord van de subjonctif in plaats van de verleden tijd of de v.t.t.t.

 

Dat wil zeggen dat men alleen de tegenstelling van het wel of niet voltooide uitdrukt :

-      j'avais peur qu'il soit trop tard (subjonctif présent = niet voltooid) (Ik was bang dat het te laat was)

-      il avait peur que ses paroles aient été mal interprétées (passé du subjonctif = voltooid) (Hij was bang dat zijn woorden verkeerd geïnterpreteerd waren)

 

Zelfs in het verzorgd taalgebruik worden deze tijden nauwelijks gebruikt, behalve in de derde persoon (maar bij être en avoir mogen alle personen gebruikt worden) :

-      je craignais que vous n'arriviez en retard à l'hôtel (subjonctif présent). (Ik was bang dat u te laat zou aankomen bij het hotel.)

et niet :

-      je craignais que vous n'arrivassiez en retard (imparfait du subjonctif). (Ik was bang dat u misschien wel eens te laat moge zijn gekomen in het hotel)

 

Werkwoorden:  concordance des temps (overeenstemming van tijden)