QUESTIONNEMENT; VRAGEN STELLEN; UITLEG EN VOORBEELDEN; FRANS LEREN; GRAMMATICA; VIVIENNE STRINGA

VRAGEN STELLEN IN HET FRANS

Er zijn een aantal manieren om vragen te stellen in het Frans. Op deze pagina een kort overzicht van vraagwoorden, vraagzinnen en zinnen vragend maken.

Vragend voornaamwoord QUEL (Welk)

QUEL (Welk)  wordt verbogen als een bijvoeglijk naamwoord, omdat er een zelfstandig naamwoord bij hoort.

 

 

Enkelvoud

Meervoud

Mannelijk

QUEL

QUELS

Vrouwelijk

QUELLE

QUELLES

 

Mnl. ev.  Frans leren Quel jour sommes-nous ?
 
(Welke dag is het vandaag ?)

 

Vrl. ev.    Frans leren Quelle chemise vas-tu mettre ?

(Welk overhemd ga je aandoen ?)

 

Mnl. mv.   Frans leren Quels gants vas-tu porter ?   

(Welke handschoenen doe je aan ?)

 

Vrl. mv.   Frans leren Quelles lunettes dois-je mettre ?

 (Welke bril moet ik opzetten ?)

 

 VRAGENDE BIJWOORDEN

 

Functie

Nederlands

Frans

Voorbeeld

Tijdstip

Wanneer

Wanneer komt Pierre ?

Quand

Frans leren Quand viendras-tu ?

Frans leren Quand Pierre viendra-t-il ?

Frans leren Quand est-ce que Pierre viendra ?

Plaats

Waar

Waar is hij ?

Waar is Pierre ?

Frans leren est-il ?

Frans leren est Pierre ?

Frans leren Pierre est-il ?

Frans leren Où est-ce que Pierre est ?

Manier

Hoe

Hoe gaat het met jou ?

Hoe gaat het met je broer

 Comment

Frans leren Comment vas-tu ?

Frans leren Comment va ton frère ?

Frans leren Comment ton frère va-t-il ?

Frans leren Comment est-ce que va ton frère ?

Reden

Waarom

Waarom ga je uit ?

Waarom gaat Rose uit ?

Pourquoi

Frans leren Pourquoi sors-tu ?

Frans leren Pourquoi Rose sort-elle ?

Frans leren Pourquoi est-ce que Rose sort ?

Hoeveelheid

Hoeveel

Hoeveel kost dat ?

Combien

Frans leren Combien ça coûte ?

Frans leren Combien cela coûte-t-il ?

Frans leren Combien est-ce que ça coûte ?

VRAAGZINNEN / ZINNEN VRAGEND MAKEN

Hele zin: ‘Kom je ?'

1. Gewone zin met omhooggaande toon: tu viens ?

2. Omkeren van persoonlijk vnw en ww:  viens-tu ?

3. Met "EST-CE QUE": est-ce que tu viens ?

Met QUI en QUE : (wie en wat, onderwerp of lijdend voorwerp, of meewerkend voorwerp)

ONDERWERP

Vorm

Frans

Persoon : WIE

Uitgebreide vorm

Frans leren Qui est-ce qui

 

Wie gaat er met mij mee ?

Frans leren Qui est-ce qui vient avec moi ?

 

Eenvoudige vorm

Frans leren Qui

 

Wie gaat er met mij mee ?

Frans leren Qui vient avec moi ?

Ding : WAT

Uitgebreide vorm ►

Frans leren Qu'est-ce qui

 

WAT brandt er ?

Frans leren Qu'est-ce qui brûle ?

LIJDEND VOORWERP

Vorm

Frans

Persoon : WIE

Uitgebreide vorm

Frans leren Qui est-ce que

(* let op dat WIE

Wie nodig je uit ?

Frans leren Qui est-ce que tu invites ?

 in het Nederlands

Wie (=welke persoon/personen)

gaat Pierre allemaal uitnodigen ?

Frans leren Qui est-ce que Pierre va inviter ?

ook onderwerp kan zijn)

Eenvoudige vorm

Frans leren Qui met omdraaien van onderwerp/persoonsvorm

 

 Wie hoor je ?

Frans leren Qui entends-tu ?

 

Wie hoort Pierre ?

Frans leren Qui Pierre entend-il ?

Ding :WAT

Uitgebreide vorm

Frans leren Qu'est-ce que 

 

 Wat zie je ?

Frans leren Qu'est-ce que tu vois ? 

 

Wat wil Pierre ?

Frans leren Qu'est-ce que Pierre veut ?

 

Eenvoudige vorm

Frans leren Que met omdraaien van onderwerp/persoonsvorm

 

Wat wil je ?

Frans leren Que veux-tu ?

 

Wat wil die persoon ?

Frans leren Que veut cette personne ?

MEEWERKEND VOORWERP

Vorm

Frans

Persoon : wie + voorzetsel

Uitgebreide vorm

Frans leren A qui est-ce que / de qui est-ce que

Frans leren A qui est-ce que tu parles ?

(Tegen wie praat je ?) 

Frans leren De qui est-ce que Marie parle ?

(Over wie praat Marie ?)

 

Eenvoudige vorm

Frans leren A qui / de qui

Frans leren A qui parles-tu ?

(Tegen wie praat je ?)

Frans leren De qui Marie parle-t-elle ?

 (Over wie praat Marie ?)

Ding :

 aan wat, waaraan, waarvan, van wat, etc.

Uitgebreide vorm

Frans leren A quoi est-ce que/De quoi est-ce que

Frans leren A quoi est-ce que tu penses ?

(Waar denk je aan ?)

Frans leren De quoi est-ce que Jean rêve ?

(Waarvan droomt Jean ?)

 

Eenvoudige vorm

Frans leren A quoi/De quoi

Frans leren A quoi penses-tu ?

(Waar denk je aan ? aan wat denk je)

Frans leren De quoi Jean rêve-t-il ?

(Waarvan droomt Jean ?)

VRAGEN STELLEN IN HET FRANS