WERKWOORDVERVOEGINGEN; overeenstemming van tijden in verschillende zinsdelen; Frans leren à la française; Vivienne Stringa

VOLGENDE PAGINA.

WERKWOORDEN: Overeenstemming van tijden in de hoofdzin en bijzin

Basisdefinitie

Overeenstemming van tijd is de verbinding die er is tussen de werkwoordstijden van de hoofdzin en die van de bijzin. Een bijzin begint vaak met QUE (dat).

De overeenstemming van tijden gebeurt volgens een aantal regels. Wat vooral telt is dat de zin moet kloppen en goed moet klinken.

Bijvoorbeeld, de subjonctif; Kies:  Il fallait que vous sachiez votre texte ► Il fallait que vous sussiez votre texte. (Jullie moesten jullie tekst kennen)

Het uiterlijk van de zin drukt de manier uit waarop het verloop of de voltrekking van een handeling gebeurt. Deze handeling kan gepresenteerd worden als nog bezig zijnde (eenvoudige vorm) of reeds voltrokken (samengestelde vorm met hulpwerkwoorden avoir of être).
- Il conduit, il conduisait, il conduira la voiture (hij bestuurt, bestuurde, zal de auto besturen)NOG BEZIG
- Il a, il avait, il aura conduit la voiture (hij heeft, had, zal de auto hebben bestuurd)VOLTROKKEN

Tijden en wijzen van de werkwoorden

Het werkwoord uit de bijzin staat in één van de volgende wijzen: de INDICATIF als de handeling reëel is, de SUBJONCTIF als de handeling niet zeker is, of de CONDITIONNEL als de handeling onder een bepaalde voorwaarde valt.

Het werkwoord uit de bijzin moet overeenkomen met de tijd die geldt voor het moment waarop de handeling zich afspeelt en moet in verhouding staan met de andere handelingen uit de zin:
- Je crois qu'il pleut (maintenant = nu = gelijktijdigheid).
- Je crois qu'il pleuvra (demain = morgen = er na).
- Je crois qu'il pleuvait (hier = gisteren = voorafgaand).

Overeenstemming van tijd die bepaald wordt door de betekenis. (de bijzin staat in de indicatief)

De feiten worden chronologisch verteld :

1 - Als het werkwoord uit de hoofdzin in de tegenwoordige tijd staat of in de toekomende tijd, dan komt het werkwoord uit de bijzin in de tijd te staan die bepaald wordt door de betekenis van de zin (kwestie van logisch denken) :

- Je suppose... (ik veronderstel...tegenwoordige tijd):

... qu'il chante actuellement. (...dat hij nu zingt. tegenwoordige tijd)
... qu'il chantait en prenant sa douche (...dat hij zong toen hij zijn douche nam onvoltooid verleden tijd)
... qu'il chanta dimanche dernier. (...dat hij afgelopen zondag heeft gezongen. passé simple, oftewel verleden tijd of voltooid deelwoord) 
... qu'il a chanté  hier. (...dat hij gisteren heeft gezongen. ind. passé composé) 
... qu'il avait chanté avant son mariage. (...dat hij voor zijn huwelijk wel zong.  plus-que-parfait, verleden van de verleden tijd)   
... qu'il chantera  demain. (...dat hij morgen zal zingen.  toekomende tijd)

 2. -  Als het werkwoord uit de hoofdzin in de verleden tijd staat, kan het werkwoord uit de bijzin in de volgende tijden staan :

Onvoltooid Verleden tijd of passé simple indien het feit tegelijkertijd plaatsvindt :
- J'ai cru (voltooid deelwoord) qu'il chantait (onvoltooid verleden tijd) à notre arrivée (Ik dacht dat hij zong bij onze aankomst).
- Il nous salua (Passé Simple) dès qu'il entra (Passé simple). (Hij groette ons zodra hij binnenkwam)

Toekomst van de verleden tijd of conditionnel indien de tijd erna komt :
- J'ai pensé (volt. deelw.) qu'elle chanterait (conditionnel) demain (ik had gedacht dat zij morgen wel zou zingen).
- J'ai pensé (volt. deelw.) qu'elle aurait chanté (conditionnel verleden tijd) avant-hier (ik had gedacht dat zij zou hebben gezongen eergisteren.

Plus-que-parfait of passé antérieur, de verleden tijd in de verleden tijd indien het feit ervóór plaats had :
- J'ai cru (volt. deelw.) qu'il avait chanté (verleden van verleden tijd) hier (Ik dacht dat hij had gezongen).
- Il chanta (Passé Simple) dès qu'il eut obtenu (verleden van het verleden) le silence. (Hij is gaan zingen zodra hij het stil had gekregen).

Als een handeling plaatsvindt TERWIJL er ook een ander plaatsvindt, (dat wil zeggen noch ervoor, noch erna) dan gebruikt men de combinatie imparfait / passé simple
De imparfait beschrijft een actie die duurt : Je regardais la télévision...(ik keek naar de televisie...)
De passé simple beschrijft een plotselinge actie : ... lorsque Pierre entra dans la pièce (...toen Pierre binnenkwam).

Het werkwoord uit de bijzin staat in de subjonctif.

1 - Als het werkwoord uit de hoofdzin in de tegenwoordige tijd staat of in de toekomende tijd, dan staat het werkwoord in de bijzin in :

Tegenwoordige tijd van de subjonctif , om de gelijktijdigheid aan te duiden of een gebeurtenis achteraf:
- Il veut (tegenwoordige tijd ) qu'elle parte (subj. tegenw. tijd) de suite (Hij wil dat zij direct vertrekt).
- Il demande que tu commences immédiatement (Hij eist dat je gelijk begint) .
- Il voudra
(toekomende tijd) qu'elle parte (subj. tegenw. tijd) plus tard (Hij zal willen dat zij later vertrekt).
- Il faudra que tu lises les conditions du contrat avant de signer (Je zult die contractvoorwaarden eerst moeten lezen voordat je tekent).

In de verleden tijd van de subjonctif om aan te geven dat het eerder heeft plaatsgevonden :
- Je veux (tegenw. tijd) qu'il soit parti (verleden tijd subj.) à mon arrivée (Ik wil dat hij weg is als ik aankom).
- Il doute qu'elle ait écrit (Hij twijfelt eraan of zij geschreven heeft).

2 - Als het werkwoord uit de hoofdzin in de verleden tijd staat, dan staat het werkwoord uit de bijzin in :

De verleden tijd van de subjonctif om gelijktijdigheid of een handeling achteraf aan te duiden :
- Je voulais... (Ik wilde...) (verleden tijd)
- Je voulus...  (Ik heb gewild/ik wilde... ) (passé simple)
- J'ai voulu...(Ik heb gewild...) (voltooid deelwoord)
- J'avais voulu...(Ik had gewild...) (plus-que-parfait)
- J'eus voulu... (Ik had gewild...) (verleden tijd vervoegd met hulpwerkwoord in de passé simple )

... qu'elle partît
sur-le-champ. (...dat ze onmiddellijk wegging)(subj. imparfait) ( SUR-LECHAMP=IMMÉDIATEMENT)
... qu'elle écrivît plus tard.  (...dat ze later zou schrijven) (subj. imparfait) 

In de plus-que-parfait van de subjonctif om het voorafgaande aan te duiden:
- J'ordonnais...(Ik gaf het bevel...) (ind. imparfait)
- J'ordonnai...(Ik heb het bevel gegeven...) (passé simple)
- J'ai ordonné...(Ik heb het bevel gegeven...) (voltooid deelwoord)
- J'avais ordonné...(Ik had het bevel gegeven...) (plus-que-parfait)
- quand j'eus ordonné...(toen ik het bevel had gegeven...) (passé antérieur)

... qu'il fût parti (...dat hij vertrokken was) (subj. plus-que-parfait ).
... qu'ils eussent écrit (...dat zij geschreven zouden hebben).

Belangrijk :

De imparfait of de plus-que-parfait van de subjonctif wordt vandaag de dag alleen maar in de schijftaal gebruikt en in het bijzonder in de literaire schrijftaal. Daarom worden er in de spreektaal en soms in de gewone schrijftaal de volgende twee vervangingen gebruikt :

De imparfait wordt vervangen door de tegenwoordige tijd :
- Il fallait que vous sachiez (subj. tegenw. tijd) conduire pour obtenir votre permis (U moest kunnen rijden om uw rijbewijs te kunnen halen) (In plaats van : Il fallait que vous sussiez (subj. verleden tijd) conduire pour obtenir votre permis).

De plus-que-parfait wordt vervangen door de verleden tijd :
- Il fallait que nous ayons su (subj. verleden) conduire pour obtenir notre permis (Wij hebben moeten kunnen rijden om ons rijbewijs te kunnen halen) (In plaats van : Il fallait que nous eussions su (subj. plus-que-parfait) conduire pour obtenir notre permis).

VERPLICHTE OVEREENSTEMMING VAN TIJDEN

 

In het Frans moeten sommige werkwoordstijden uit  twee zinsdelen in overeenstemming zijn. Deze verplichte overeenstemming van tijden hangt af van de directe of de indirecte rede.

De directe rede is : een spreker kan tegenover een of meerdere sprekers kiezen om te spreken over een situatie waarin hij zelf voorkomt. Hij spreekt, hij communiceert.

De indirecte rede is: wanneer de spreker een gebeurtenis vertelt (of een reeks gebeurtenissen) waarin hij zelf niet voorkomt, dan heeft hij het alleen over de feiten en hoe die zijn gebeurd.

 

Dan worden de tijden anders: De tegenwoordige tijd van het gezegde wordt dan vervangen door een onvoltooid verleden tijd en het voltooid deelwoord door een plus-que-parfait :


- Je fais ce que je souhaite. ► récit ► Il faisait ce qu'il souhaitait.

- Ik doe wat ik wens te doen. ►verhalend ► Hij deed wat hij wenste te doen.
- Je crois que je me suis perdu. ►  récit ► Il croyait qu'il s'était perdu.

- Ik geloof dat ik verdwaald ben. ► verhalend ► Hij geloofde dat hij verdwaald was.

 De toekomende tijd of de toekomst uit het verleden wordt vervangen door een conditionnel tegenwoordige tijd of een conditionnel verleden tijd:

- Il est prévu (tegenw. tijd) qu'on vous téléphonera (toekomende tijd) dès qu'une décision sera prise (toekomende tijd).

► récit ► Il était prévu (verleden tijd) qu'on lui téléphonerait (conditionnel tegenw. tijd) dès qu'une décision serait prise (conditionnel tegenw. tijd).

Het is voorzien dat men u zal bellen zodra er een besluit zal zijn genomen. ► verhalend ► Het was voorzien dat men hem zou bellen zodra er een beslissing zou zijn genomen.

 - Il est prévu (tegenwoordige tijd) qu'on vous téléphonera (toekomende tijd) dès qu'une décision aura été prise (toekomende tijd in het verleden).

► récit ► Il était prévu qu'on lui aurait téléphoné (conditionnel verleden tijd ) dès qu'une décision aurait été prise (conditionnel verleden).

Het is voorzien dat men u zal bellen zodra een besluit genomen zal zijn geweest ► verhalend ► Het was voorzien dat men hem zou hebben gebeld zodra een beslissing genomen zou zijn geweest.

VOLGENDE PAGINA.

WERKWOORDEN: Overeenstemming van tijden in de hoofdzin en bijzin