Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande. 35

Uit : Brieven van Johan Thorn Prikker. Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896.    Johan Thorn Prikker . Frans leren, Vivienne Stringa

Amsterdam, W. Versluys, 1897.

20 november '92.

We hebben hier gehad, Paul Verlaine Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896.   Paul Verlaine par Willem Witsen 1892. Johan Thorn Prikker . Frans leren, Vivienne Stringa, met hem gegeten, gepraat, gewandeld. Dat was een evenement ! Ik zie ons nog zitten ‘s middags, den dag na zijn aankomst in Linke. Verwey was overgekomen. Veth was in Den Haag, en alle anderen, allemaal voor Verlaine. We waren eerst van plan hem gezamenlijk af te halen, maar na langdurig debat werd besloten, dat een paar onzer hem zouden afhalen aan den trein. We gingen tegen zeven uur naar het station. De trein komt aan. Verlaine stapt er uit. Al onze mooie plannen van ontvangst ineens in duigen. Wát een figuur, niet, zooals je denkt uit de portretten een klein, gebogen mannetje, maar een groote kerel, met zoo'n stierennek, ruige wenkbrauwen, gitzwart, zijn oogen donker daaronder, bij het minste schitteren ze. Het was ineens 'voorstellen', een beetje deftig nog, dan in rijtuigen gestapt en dan naar Riche, waar we zouden eten.

    Verlaine was daar al net als hij later was. Hij dronk voor het diner een bittertje, heel leuk, had het woord, vertelde over kunst. Hij zeide, woordelijk vertaald : “wat ik maak is beter dan wat een kantoorklerk schrijft, maar het is niets om trots op te zijn. Ik kan het niet helpen, dat ik zoo ben, het ligt aan heel toevallige dingen, daarom mag ik me niet boven een ander verheffen. Ik beschouw kunst als een handwerk. (Je suis travailleur.)” Wat was hij gewoon, hij at alsof hij met zijn beste vrienden at, vond het heel gewoon, als we hem om strijd uitteekenden, keek als je klaar was naar het portretje, zei : “c'est bien ça” of “c'est mauvais”, doodgewoon. Hij at met grooten eetlust, dronk een flink glaasjen wijn, vulde zijn eigen glas en dat van zijn buurlui (Toorop en Veth) geregeld. Zei nu en dan “c'est bon ça”. Hij had voor zijn verschijnen, zeker om deftig te zijn, een hoogen hoed opgezet, maar het duurde niet lang of hij nam uit zijn koffer een slappen hoed en zoo'n zijden foulard, en zei “dat is gewoner”, meer “moi-même”. Dienzelfden avond, in de Bordelaise, zei hij aardige woorden over anarchisme. Hij beweerde, wanneer je artiest bent moet je vanzelf anarchist zijn. Als je om je heen de sjappies (pignoufs) ziet, wil je er wel eens een paar van in de lucht zien. Den volgenden avond heeft hij

voorgelezen in de Loge. Hield een revue over de verschillende jongeren. Las ten slotte een paar van zijn eigen verzen. Hij was het ongemakkelijke te boven, de zaal met al die menschen, hij las zacht, als voor zich uit, zonder verheffing van stem, zat met zijn hand onder zijn hoofd te praten. Maar wat een kracht in zijn stem. Zijn laatste handgebaartje bij zijn : “mais ce que j'ai, mon Dieu, je vous le donne” vergeet ik nooit. Even lichtte hij zijn hand op, en bracht zijn vingers iets naar achteren, heel mooi.

    Al die Amsterdammers waren er dien avond. Witsen, Kloos, Boeken, Holst, Delang, Tideman, en nog een paar vreemden, uit andere plaatsen. Den volgenden avond heeft hij weêr gelezen in den Haag. Den daarop volgenden dag hebben we een groot diner gehad in Restaurant Royal. Dat vond Verlaine wel aardig, hij beweerde dat hij stil leefde, maar als hij eenmaal uit is, dan houdt hij wel van een diner of zoo iets, en de wijn is bovendien heel goed in den Haag, zei hij. Tusschen die gebeurtenissen heeft Verlaine nog gelezen in Leiden en Amsterdam. Daar werd hij met eerbied ontvangen. Van het station zijn ze gereden naar de kamer van Witsen, die was versierd met bloemen en mooie dingen. Aan de deur stonden Isaac Israëls en Boeken, met hun hoed in de hand.

    In dien tusschentijd was ook in den Haag verschenen de Sar en Péladan. Hij gaf lezingen over “ Le mystère, l'art et l'amour ”.

    ‘s Avonds zijn we met Verlaine, die Zaterdag was teruggekomen, naar de lezing gegaan. Dat waren juist twee contrasten, de Sar en Verlaine. De Sar zag er prachtig uit, had hooge, grijze kaplaarzen tot boven den knie, een paarse blouse met strepen op den rug, en heel fijn geplooid van voren. Hij droeg een zwarte das met witte kant. Je kent zijn portret zeker wel, met zijn langen, zwarten baard, zijn aureool van zwarte haren, en heel bleeke gelaatskleur. Bovendien draagt hij in plaats van een jas een monnikspij met groote kap, die hij 's avonds op zijn kop zet. Enfin, hij geeft zich op den eersten indruk als een poseur. De Sar vertelde een heel boel moois over kunst, en vond b.v. het landschap van de moderne schilders afschuwelijk, “ ce n'est que de peinture ”, hij wou meer de ziel van het landschap zien, niet het portret van de boomen enz. Besprak den Salon Rose et Croix, vertelde iets van de bedoeling dier tentoonstelling in tegenstelling met de gewone salons in Parijs. En hield een groote conferentie over “ De Vrouwen ”. Hij vond ze afschuwelijke wezens, die altijd ver beneden den man

PAUL VERLAINE. QUINZE JOURS EN HOLLANDE