Twee weken Holland. Paul Verlaine (12)

    Totnogtoe had ik slechts één keer in het openbaar geproken. En dit was in 1869 ! Ziehier waarom en hoe. Samen met een vriend had ik ingestaan voor een individu, een Pools balling, voor een bedrag van enkele honderden franken voor die martelaar, en zulks namens een kredietmaatschappij, genoemd Société du Prince Impérial. Daar de held van wie sprake kort daarop een goeie morgen het Doulce France vaarwel zei, viel mij iets zeer bevelachtigs te beurt, ondertekend door de vrederechter van het XIII de arrondissement in Parijs. Op de gestelde dag was ik present en toen de magistraat me vroeg wat ik te zeggen had, riep ik uit ‘voor acht dagen uitstellen’. Dit werd me toegestaan. Wat er van mijn sprekerstalent terecht kwam ? Daar ik me acht dagen later niet aanbood (ja, waarom niet ?), vermoed ik dat ik bij deze brave maatschappij nog altijd in het krijt sta ... een jaar later bestond ze al niet meer.

    Maar dit dubbel triomfantelijk voorgaande stemde me allesbehalve gerust, zal ik het maar bekennen ? En ik trilde een beetje, toen ik de sakramentele woorden uitsprak ‘Dames en Heren’, gevolgd door mijn groet aan Holland, u reeds bekend. De diepste ondergrond van mijn gedachte, waarschijnlijk twijfelt gij er niet aan, was dat ik er zo gauw mogelijk wilde van af zijn. Gelukkig had ik onderweg een lieftallig zinnetje voor Den Haag in elkaar geknutseld, met onder meer ‘deze waarlijk koninklijke stede waar welstand en welvaren enz.’. Dit sloeg in en van dat moment af vatte ik mijn onderwerp met iets minder schuchterheid aan. Ik sprak zeer zorgvuldig over de hedendaagse poëzie, opklimmend tot het romantisme en de hedendaagse Parnassus, waaraan ik een verdiende hulde bracht, daarna ontleedde ik, verklaarde ik naar beste vermogen de schakeringen van het decadisme en het symbolisme en de geheimen van de Romaanse School, alles samenvattend met een grote goeienavond aan al deze diepzinnige woorden, om in de mode te blijven zou ik ‘abscons’ moeten zeggen - die daarom niet, gelukkig, het talent ontnemen aan wie er hebben, hoewel het hun behaagt zich te omhangen met deze ietwat ... schreeuwende pakken. En tot staving van mijn thesis citeerde ik massa's verzen van mijn kameraden en vrienden, die ik tot mijn voldoening dikwijls op handgeklap deed onthalen.

    Daarna stapte ik over naar mezelf, van mijn biografie, zo ingewikkeld voor wie ze ernstig zou willen ondernemen, een diskrete maar openhartige schets brengend. En ik las verzen van mij - fragmenten uit Sagesse werden door de aanwezigen het meest gesmaakt.

    Eigenlijk werd het een sukses. Slechts drie dingen werden mij verweten, mijn stem was een beetje omfloerst, ik had niet genoeg eigen verzen gelezen, ik had alles ineens afgewerkt in plaats van halverwege wat te rusten en ook wat respijt te geven aan de toehoorders, zoals het hier de gewoonte is.

    Maar daar staan Zilcken, mevrouw Zilcken, Toorop, Verwey, die mij meenemen, en dit keer trekken we te voet naar de Passage, die vlakbij is, en waar we een koffiehuis overrompelen.

Want overrompelen is het inderdaad, de grote ruimte tot op dat ogenblik verweesd, werd in een ommezien gevuld door een menigte, die, hoewel Hollands, het luidruchtig vooral over mij had ; dit durf ik, misschien terecht, ten minste onderstellen.

    Gelukwensen waren me reeds ginder overgemaakt, toen ik van mijn verhoog stapte. (In hetzelfde lokaal moest ik de volgende dag na deze ‘première’ nog eens optreden). Waarschijnlijk te vurige lof, maar klaarblijkelijk goedgemeend en uit ganser harte, wat me werkelijk genoegen deed. Deze loftuitingen gingen gepaard met twee zachte verwijten. Eén minder althans dan straks in de zaal; ik had mijn lezing moeten splitsen en meer eigen gedichten moeten lezen. Deze tweede aanmerking werd mij vooral gemaakt door de studenten van Leiden en Amsterdam, gekomen om me uit te nodigen ook bij hen te komen spreken.

    Maar er waren niet alleen studenten in deze samenkomst van ‘geletterden’, lieve jonge mensen en vurig mededeelzaam. Aan één van de vele verspreide tafeltjes van het kolossaal café, ontwaarde ik een jonge man met een nog machtig maar reeds verwoest gezicht, die, eenzaam, zat te drinken en te roken, en zweeg. Ik vroeg aan een reeds vertrouwd gebuur, wie deze merkwaardige figuur was. Mij werd geantwoord: “ Het is Willem Kloos Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896. Willem Kloos, poète néerlandais (1859-1938), photographie Willem Witsen. Frans leren, Vivienne Stringa, de goddelijke zwijger, extra nerveus en ingekeerd. Grootmeester van de literaire beweging in Holland, had door zijn kritieken in de Nieuwe Gids buitengewone invloed, begon de oorlog in 1883 met zijn beruchte inleiding op de posthume verzen van Jacques Perk (gestorven toen hij 23 was), schreef de meest groots schoonste verzen uit onze letteren.

    Ziekelijk, dikwijls dood, maar onsterfelijk. Voornaamste werk : Het boek van kind en God (1889).

Paul Verlaine. Twee weken Holland.