Twee weken Holland. Paul Verlaine (16)

Weldra stond mijn tweede lezing op haar pootjes. Ik kortte fel de lof in van de ene en de andere, zonder nochtans één voorname regel op te geven. En we trokken de stad in met de koets. Onderweg merkten mevrouw Zilcken en ik op - het moest zondag zijn - hoeveel militairen op wandel waren, meestal flinke jongens, maar zo jong ! In hun blauwe kapotjas, die hun tot aan de hielen reikte, de politiemuts rechtop, op zijn Belgisch, kuierden de kerels niet alleen langs het kanaal, waar, in de zonsondergang ook de pracht stierf van de grote bomen, maar ze hielden bij hun leest lieve en mollige landgenoten.

    We zijn er. Halte bij de garderobe. Mevrouw Zilcken, die de dag voordien een ei had weggestopt achter een borstbeeld op een kast, klutst het en ik slik het mengsel binnen.

    Dezelfde zaal van gisteren. Minder publiek, maar bekende en sympatieke figuren, en, dit keer de groet aan Holland en de hulde aan de ‘s-Gravenhagenaars terzijde latend, ga ik dadelijk mijn onderwerp te lijf. Om eens te veranderen spreek ik over het vrije of blanke vers, waaraan ik me, misschien tot mijn ongelijk, niet kan wennen. Voor mij is het ware vrije vers dat van La Fontaine. Wat de blanke verzen betreft, talloos zijn de probeersels en de mislukkingen. Zelfs Louis Bonaparte, die een zo goed mogelijk koning trachtte te zijn onder de bestendige, soms pietluttige en altijd harde waakzaamheid van zijn verschrikkelijke broer, heeft een volledige bundel dergelijke verzen geschreven, waaruit ik deze ... papieren bloem pluk. Het gaat om ergens een Leocadia, die aan de haar knuffelende toevallige Lindor zegt :

 

‘Uw liefde,

Verboden,

Lijkt mij

Onbescheiden’.

    Zonder deze koninklijke perfektie te willen vergelijken met de meer oordeelkundige en vooral bekwamer inspanningen van enkele van onze jonge hervormers, ligt daar nochtans van de ene naar de anderen geen nader en gladder helling dan een eerste indruk zou laten vermoeden? - Daarop volgen enkele citaten... en een onderbreking. - Een flinke grog krikt me weer op en ik bestijg opnieuw het spreekgestoelte, daar het eerder moeilijk is, tenzij... wie weet nochtans met vrije verzen ?, te zeggen dat ik opnieuw de tafel bestijg. O armoe van het Frans. Hoog tijd wordt het dat de vreemdelingen ons ter hulp snellen ?

    Wat mij betreft, timeo Danaos ! ik wantrouw de Grieken, en leve het goede oude Frans, zelfs van deze dagen.

    Het vervolg van de lezing bestond nadien uit lange citaten van mezelf. Sagesse liep nog altijd op kop. Toen ik klaar was, werden we uitgenodigd, Zilcken en ik, op een avond bij de familie Havermans, hij, talentvol schilder, zij een zeer vriendelijke Javaanse, die mij, zodra ik het salon betrad, in verlegenheid bracht door een uiterst origineel verzoek.

    Charmante vergadering. Een meneer opende de avond met enkele stukken van eigen kompositie, waarin hij met ongelijke kracht schijnt te strijden met liturgische zangen uit de katolieke kerk bij een begrafenis. Hij gaf de juiste toon aan. Op elke zitting, die naar vergenoegen streeft, moet de vrolijkheid liever crescendo gaan, in plaats van dadelijk forte te worden, en de inzet van dit aangenaam symposium geschiedde volgens de gangbare regel. In Th. Gauthier staan daar verzen over te lezen :

‘Om tot drinken aan te zetten

Op Trimalcions banket,

Kwam een spook, ivoren speelgoed,

Ongenodigd aangezet.’

Paul Verlaine. Twee weken Holland.