Twee weken Holland. Paul Verlaine (2)

speelkaarten schijnen, gereed om te worden omvergeblazen. De witte pluim uit de lokomotief, de enige zo te zeggen, maar dan een mooie, uit onze effen geschaafde maatschappij, ontplooit zich lief en zwierig boven en over de wentelende streek.

    Afwisselend, als ge wilt, mag het trajekt van de sneltrein heten tussen Creil en Saint-Quentin : ruime, aaneengesloten landouwen zonder verveling tenzij voor het vleselijk oog, alleszins niet voor het geestelijke of, zeg ik liever, het sociale? Want ze spreken deze velden, als één grote en forse kultuur, die op dit moment nagenoeg bestaat uit lange voren, wachtend op de uittocht van de winter om te groenen, en op die van de lente, als groen, om op te rijzen tot halm en aar. Langzamerhand wordt het land zwarter, zeldzame bomen staan zich te wringen en verschrompelen tot verminkte geraamten. Rokende fabrieken, zwart, en daar hebben we de baksteen! De baksteen van het Noorden, zich ophopend, bloedrood, tot geweldige of belachelijke bouwsels voor industrieel nut. In de verten, hoge sombere, bijna onheilspellende schouwen met het trage stijgen van ontrolde vlokken, - om dan als roeten slangen recht te staan, de nakende geboorte voorspellend van de mijnstreken ...

    - ‘Saint-Quentin ! Twintig minuten stilstand !’

    Dit wordt geroepen door een bediende in donkergroene geribde jas, die de Engelsen corduroy heten, met blinkende zwartleren pet en de koperomrande klep van de Compagnie du Nord, in de langzame, zachte, vette en koppige uitspraak van de Picardiërs (met Picardiër bedoel ik een bewoner van het gebied gelegen tussen Amiens en Duinkerke, meer niet, - Duinkerks gaat over in Vlaams). O dit accent ! Ch‘l’ acchin ! Onlangs las ik een trouwens uitstekend geschreven artikel over Desrousseaux, de in gewesttaal schrijvende Rijselse dichter, de terecht beroemde auteur van het meesterlijk gedicht, één gratie en weemoed, P'tiot Quinquin, dat ginds, vooral ginds het accent, overwegend in de streektaal, mat en dof klinkt. Dof ? zeker, - welke ernstige gewesttaal is het niet, opgedrongen door de gebukte, letterlijk neerdrukkende arbeid op het veld ? Maar mat ? Ha, neen! En verder, wat er ook van zij, deze gewestspraak heeft Marceline Desbordes-Valmore ongetwijfeld gekend, gekregen, gesproken ...

    Maar ik ben reeds aan het afwijken, denk ik, zelfs aan het afdwalen om niet te zeggen uit weiden,

en ik zit nog niet eens tussen een lamp en een glas suikerwater. Gij vraagt me geen lezing, gij wilt een reisverslag. Ik herneem dus, vooruit, rijden maar !

    Laten we echter toch maar, eer de wagens voor het buitenland aan het schokken gaan, het profiel van de stad groeten, met haar prachtige van ver massief aandoende basiliek, dit dank zij de afwezigheid van elke toren, van elk torentje, - en de Aisne, zeer mooi in haar loop.

Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896. Frans leren, Vivienne Stringa

En langzaam zet de trein zich in beweging, zwaarweg, om de voorsteden met de lage, witgekalkte huisjes aan elkaar te rijgen, terwijl het ganse kindervolkje op de drempel komt gelopen om de ‘ijzerweg’ te zien voorbijrijden, ‘smoutstuiten’ te eten en zich de vlaskop te krabben, - of de pikdonkere bos, want dit is het gebied waar

‘jaren aan een stuk vurig Kastillië neerstreek’.

    Wat die Spanjolen betreft, ons opgedrongen gasten eeuwenlang, laten we op de drempel van het vaderland een groet brengen aan deze nooit van glorie gespeende en zo beproefde vlakten, waar, na enkele heldhaftige inspanningen, na vier, vijf en zes generaties afstand, wel Frankrijks moed, opgezweept tot het krankzinnige toe, zou ten ondergaan, niet echter zijn eer, om de duivel niet! Groeten we een laatste maal Saint-Quentin, dat, parallel met ons Parijs Buzenval, de laatste donderslagen van dit onweer hoorde, die gemene oorlog van 1870-71 !

    Niets meldenswaardigs tot aan de Belgische grens, behalve een onbeduidende bijzonderheid : de telegraafpalen zijn geen lange staken meer, maar staan kegelvormig gesplitst en hellen achterwaarts over. Dit keer alsof het om de benen ging van strakzatte reuzen, die om zichzelf draaien en op het punt staan te vallen. Deze waggelende gezellen moeten mij gezelschap houden tot in Den Haag en, iets later, tot in Leiden en Amsterdam.

Paul Verlaine. Twee weken Holland.