Twee weken Holland. Paul Verlaine (23)

Mijn nieuw verblijf ligt helemaal aan het uiteinde van de stad tegenover een park ... in aanleg. We slaan rechtsaf en stappen voorbij een gloednieuwe kerk in vage gotiek en roze baksteen en met

‘Een toren die stil wijst met hemelwaartse vinger’.

    Die kant gaan we uit, na links een kerkhof te hebben gelaten, waar niet meer begraven wordt, volgeplant met mooie oude bomen, nog half beblaard (laatste weldaad van de doden, die, mensen toch, doen wat ze kunnen) ; tot bij een gerieflijk en klaar postkantoor, waar ik een telegram verstuur - heildronk voor het maandelijks banket van La plume, waar ik pleeg aan te zitten. Dan nemen we een trammetje, lichtgroen en snoezig, dat ons eerst door de laan van gisteravond voert, inderdaad bezet met waarschijnlijk volkse schouwburgen, zangcafés, restauraties, - mede met de dierentuin, die mij prachtig toeschijnt, met een ongeveer luidend inschrift, een land van dierenschilders waardig :

NATURAE ARTIUM NURICI.

Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896. Frans leren, Vivienne Stringa

    Want deze onloochenbare, bijna onvermengde noorderlingen houden van puntig Latijn, - en hebben gelijk in de grond, thans een traditie !

    Daarna komen de kanalen, de grachten. Al die, waarover we met ons wagentje rijden, steken opgepropt met velerlei boten, dan is het de Amstel en het IJ, majestueus tot met oorlogsbodems toe, in wateren soms zwellend van de nabije zee. Want ge weet dat Holland sedert twintig jaar in oorlog is in Indië met de voortreffelijk bewapende ‘inboorlingen’, - en dit bij het toekijken van Russen en Engelsen, beide geburen met spitse ellebogen. We zien zelfs een regiment veteranen voorbijtrekken, die zullen inschepen, - in sombere veldkledij, - ook politiemuts, recht op het hoofd, maar een beetje in de nek.

Ze hebben niets gemeens, deze gedienden-met-strepen met de zwierige pronkers uit 's-Gravenhage. Hun knevel

‘hangt door als oude vlaggen’

en, mocht hun hart kloppen voor een of andere schone, onafhankelijk van de vergeeflijke garnizoensbattementen, dan is het voor een lustige zwarte of kleurlinge van ginder ver.

    Het vlinder-trammetje brengt ons eindelijk op de Dam (of Dijk), centraal punt van de stad. Ik bewonder niet al te fel een fontein, of iets dergelijks, ‘monumentaal’ herinnerend aan ik weet niet wat, - ik ga evenmin erg op, na deze eindeloze stoet partikuliere, tedere, vreemdsoortige, soms paradoksale bouwsels, baksteen ondersteund door dikwijls witgeverfde steen en de paradoksale gepunte gevels of met talloze treden, en de vrolijkheid van alles samen, - in het paleis uit de zeventiende eeuw, koninklijk sedert Louis Bonaparte - vandaag, geloof ik, louter gemeentelijk, zwaar zwartrood gebouw, met niets anders voor zich dan zijn massa. Tak zegt me dat dit paleis de grootste danszaal van de wereld bevat, iets waaraan ik mijn been veeg! (Want ge moogt weten, terloops, mocht ik het u nog niet hebben verklapt, dat ik tengevolge van zeven jaar reumatiek een been meesleep dat voor driekwart blijft hangen).

    Maar Tak, nadat hij in een kiosk bij een dame de Franse bladen van ... gisteren heeft bemachtigd, sleept me mee in een tamelijk smalle straat, drukbewandeld, genoemd Kalverstraat, met schitterende winkels, eerder verwarde en rijke uitstalramen zoals in Londen, en niet leep achteloos gevuld zoals in Parijs, de beste manier, vol duizend stedelijke verlokkingen. Reeds was ik aan het lanterfanten, mijn neus op de ramen, toen Tak me zei: ‘Daar gaat het niet om. Hier vlakbij hebben we een afspraak. Nog een paar stappen en we zijn er.’

    En we trekken een bodega binnen, een goeduitziende, waar twee Franse kranten te lezen liggen, L'amusant en Journal pour rire ! (‘De leuke’ en ‘Het lachblad’). We treffen er Kloos aan met andere vrienden van gisteren, die we na een babbeltje en een borrel schiedam-bitter verlaten. Waar trekken we nu naartoe ?

Paul Verlaine. Twee weken Holland.