Twee weken Holland. Paul Verlaine (25)

Romaansen gebeurt, beter ‘expansie’ genoemd ? - En ik besloot beleefd met het shakespeariaanse woord : ‘Valt te bezien !’, na vijf, zes aanhalingen tot staving van mijn zeggen.

    Over het tweede gedeelte zeg ik maar niets ... Ik had iets onuitgegevens willen lezen, want ik ken niets (wat ben ik een afschuwelijk komediant), zo dodelijk vervelend, zo saai, zo embêtant, om weer eens dat vervloekte moderne Frans te gebruiken, dan het opnieuw zeggen voor de tiende, de twintigste keer van van verzen, die langgeleden verschenen, nog langer, en die we niet meer aanvoelen als weleer ... Maar mijn onuitgegeven dingen, waren een beetje, een heel klein beetje ! licht. In die tijd kende ik nu eenmaal... artistieke neigingen. Ik beperkte me dus zoveel mogelijk verzen en proza van mezelf mee te delen, met mijn ietwat doffe, maar trillende stem, eens op dreef. Sukses van handdrukken, een beetje afkammerij (altijd heerlijk, o zwak menselijk hart ‘van wie en van wat’ !) vanwege vrienden, goede, werkelijk openhartige, jonge en ware sympatie. Bij het buitenkomen na deze waarlijke schone avond, gaf ik blijken, in alle waarheid, ik mag het u verzekeren, van een zware vermoeienis, en enkele heren, Tak moest een trein halen voor de voorstad waar hij woont, en Kloos nam afscheid, ook hij, zoals gewoonlijk zeer vermoeid, naar het mij leek, - waren bereid mij tot bij mijn gastheer te vergezellen, die mij verwelkomde met de Figaro in de hand, - het ging erin over de stomme katastrofe in de Rue des Bons Enfants, de dag voordien in Parijs, en die noch ik noch mijn nieuwe vrienden in de gelegenheid waren geweest te vernemen uit de telegrammen van de lokale kranten. Nog wat nakaarten, een sigaar en een glasje schiedam, en de ‘goeienavond’ van weerszijden bracht me spoedig tot op de drempel van mijn kamer, waar ik in bed alle ‘bijzonderheden’ las. Maar spoedig blies ik de kaars uit, - en sliep in, steeds minder en minder snappend van de ‘militante’ anarchie.

    Grote dag vandaag ! Overladen programma. Voor het noenmaal bezoek aan het Hoofdmuseum ... waar zich de Nachtwacht bevindt, na het eten wandeling door de ‘ongure’ en aartsschilderachtige buurten van de stad, avondmaal, tweede lezing, nadien tocht langs de ‘amusementsoorden’.

    Thee drinken met Israëls (De oude huishoudster doet uitstekend haar werk en nergens, niet eens in het klassieke Albion, beter thee gedronken, ‘the drink which warms people, but never intoxicates them, Sir !’)

    Tak en Toorop nemen me mee na Israëls op de hoogte te hebben gebracht van de reeds vermelde grootse plannen, hij bereidt zich voor op een nachtelijke terugkeer.

    Een tram, kanalen, een plein, een gepolychromeerd gebouw met torentjes, het enig ernstige in Amsterdam; schoon noch lelijk, onweersprekelijk groots. Een monumentale trap voert naar een reusachtige zaal, het groot schip van een katedraal, met iets diskreets verlichts, als een altaar beschenen in het donker, helemaal op de achtergrond. Zijbeuken half gescheiden door weidse pluchen gordijnen goed aangepast bij de weliswaar bakstenen muren vol bevallige geometrische figuren. Om een of andere reden voortgestuwd, doorliepen we een voor mijn part aangename blik werpend, rechts en links, ook een verwonderde, vooral op landschappen van Ruysdael, dieren van Potter, zeg ik, rijen mooie portretten en groepen zwarte konterfeitsels met schitterende radkraag of kraagje. Toch enkele minuten verpozen bij de Staalmeesters van Rembrandt, prachtig, magisch doek ! met fraaie personages, uitstekend, uitermate logisch geplant! Vlak tegenover is men op de idee gekomen, barok of logisch, een schilderij op te hangen van Troost, talentvol pastellist uit de 18de eeuw. Eveneens een tros mensen (in regentenpruik met een overbevallig lint dat neervalt op de schouders). Ze zijn louter hemelsblauw, rooskleurig, allesbehalve goedzakkig. Het zijn de regenten van een weeshuis, die op meesterlijke wijze in hun hardvochtig en lichtzinnig voorkomen de leidende klassen, door de Indische Compagnie rijk geworden, voorstellen - hoewel rechts van dit doek toch een spichtige wees, soort schurftige hond, die eerbiedig wegkruipt. Ik stel me voor wat de Staalmeesters aan de overkant denken over hun landgenoten van twee eeuwen later, en over

‘Hun gedrag nog erger dan hun ... dos !’

    Troost en zijn zorgvuldig maar bedorven talent vinden we terug in een zijzaal, die de monstergalerij zou kunnen heten. Men treft er heel wat lijken aan, min of meer in stukken gesneden door die en gene chirurg. Aan de overkant weer een Rembrandt, ongelukkig in de lengte verbrand, maar waarin het volle genie, al de hogere waarachtigheid naar voren treedt van de Meester, die niet aarzelt ons de geopende buik te tonen, de doorboorde schedel en de hersenen van een onderwerp, de hand van de chirurg, die losweg zijn scalpel laat gaan tussen de kwabben van een in ontbinding verkerende hersenpan.

Paul Verlaine. Twee weken Holland.