Elsa Triolet: les Manigances, Frans leren, vertalingen

 

Les Manigances, Elsa Triolet, 1e hoofdstuk

~ * ~

 

In mijn familie word ik beschouwd als hét voorbeeld van egoïsme. Dit is al zolang aan de gang dat zelfs al zou ik me vandaag de dag helemaal aan mijn naaste opofferen en mezelf daarbij totaal vergeten, dan nog zouden ze daar het bewijs van egoïsme in zien, en een reden om egoïstisch te kunnen zijn. Ik zou lepralijders kunnen verplegen, me in de vlammen werpen om een kind te redden, mezelf helemaal kaalplukken om een gezin met veel kinderen te helpen, het zou niets helpen: nog zou ik als een egoïste sterven.

Misschien komt het omdat ik niet zo’n fraai karakter heb. Ik heb niet gehuild toen mijn vader stierf, ik huilde niet toen mijn moeder stierf. Ik ga ervan uit dat het feit dat het niet in me opkwam die onverschilligheid te verbergen er de oorzaak van is dat ik nu die reputatie heb. Mensen huilen volgens mij vaker om hun doden omdat ze zelf bang zijn voor de dood, ze huilen uit egoïsme. Ze huilen ook omdat ze zo gehecht waren aan de aanwezigheid van de gestorven man of vrouw. Maar ik ben helemaal niet bang voor de dood. Het leven ? ! Mijn God … blij toe als het is afgelopen. En voor wat mijn ouders betreft, ík was niet gehecht aan hun aanwezigheid, ík zou hen niet gaan missen. Ze hielden van me, vast wel … zo weinig dat ik er nu nog littekens van heb. Ik heb met mijn vader misschien één keer op gelijke voet gestaan : de nacht dat ik alleen met hem was gebleven, hij in zijn doodskist, ik op een stoel ernaast … hij zei niets en hij kon mezelf niet meer tegenhouden om hem op mijn eigen manier te mogen; hij hinderde me niet meer.

Mijn moeder was nog niet zo oud toen mijn vader doodging. Er ging even wat tijd overheen, en toen nam ze een minnaar. Die minnaar beviel me niet, en, zonder vooroordeel, hij wás ook onaangenaam. En toch heb ik veel moeite gedaan om ervoor te zorgen dat het nooit bij mijn moeder zou opkomen te denken dat ik dacht, of liever, heel goed wist dat ze met hem naar bed ging. Ik wilde haar niet storen, geen inbreuk maken op haar leven … Ziet u, men heeft heel vaak gedacht dat het respect dat ik voor andermans privé-leven had een vorm van egoïsme was. Ik probeer me zo goed en zo kwaad als het gaat te verdedigen. Mijn moeder ging in mijn ladekasten snuffelen, uit liefde voor mij, uit ongerustheid en waakzaamheid … Ik wist me van schaamte geen raad wanneer ik sporen vond van haar onhandige huiszoekingen. Ik ging er ook vandoor wanneer ik per toeval stuitte op de bewijzen van haar intimiteit die zij met de gemenerik in kwestie kon hebben. Ik walgde van hem op allerlei manieren, ik kreunde er van.

Ik herinner me ook dat ik een keer heel erg egoïstisch was geweest toen mijn moeder ziek was. Ziekte is een goede graadmeter van egoïsme. Er moesten bij mijn moeder poliepen weggehaald worden uit haar neus. Het liet me net zo koud als het jaar nul. Misschien omdat ik me altijd afstandelijk hield van mijn moeder, en dat moest ook, voor de goede gang van zaken, ik bedoel, een goede gang van zaken zonder al te ernstige schokken, zonder ontsporingen. En het is nogal niet vervelend om poliepen uit je neus te moeten laten weghalen, vooral omdat het op reis gebeurde, tijdens de vakantie.

Want die verschrikking was er ook nog, de vakantie … Met vakantie moest en zou mijn moeder mij altijd overal mee naar toe slepen; mijn vader bleef in Parijs. Het was al een kwelling toen ik nog heel klein was, toen ik nog op de tast leefde. Mijn moeder, die was aardig, gezellig, en had weinig geld, en zij ging naar derderangs gezinspensions. Ze hield van mensen, maakte met iedereen contact, had altijd wat te vertellen, kon goed luisteren … Ik haatte die dikke grove lakens, de waskom en de lampetkan, de eetzaal met de smerige tafellakens, de pukkelkoppen die met me wilden flirten … Ik droomde van mijn eigen bed, mijn eigen muren, mijn piano, mijn Parijs, en van degene die misschien wel op me wachtte …

Mijn moeder stond nooit stil bij het feit of zij misschien toevallig inbreuk op mijn leven zou maken, of waar ik van droomde, wat ik voelde, wat ik wilde worden. Ze stoorde mij, drong zich aan me op, drong mij goede dingen op die zij voor mij had uitgekozen, offerde zich zo ongelukkig aan me op dat ik maar een ding wenste :  van haar af te zijn.

Maar om even terug te komen op die neuspoliepen … Mijn moeder kreeg een huilbui vlak voor ze naar de kliniek ging, niet omdat ze bang was voor de operatie, maar vanwege mijn drakerige onverschilligheid. Ik dacht er niet over om met haar mee te gaan, haar te vragen wat er zou gaan gebeuren, of ze pijn had, of ze bang was … niets. Toch was ik al vijftien en ik begreep al heel goed dat het niet prettig was, zo’n kleine operatieve ingreep. Ik dacht er gewoon niet aan, aan alles wat met mijn moeder te maken had, ik wilde het niet horen, niet zien, en vooral niet tijdens de vakantie. Alles bij haar hinderde me, stoorde me. Ze hield niet veel van me, heel weinig, ze deed immers niets om mij een plezier te doen, maar wel alles om me te modelleren.

Daarna kreeg ik het voor elkaar om op mezelf te gaan wonen en zangles te nemen. Mijn moeder is uiteindelijk naar haar lieflijke geboortehuisje teruggegaan, in Brive, met een tuintje, maar ze zou me niet gevraagd hebben om met vakantie naar Brive te komen … Nee, we moesten met haar karige spaarcentjes op reis met zijn tweetjes, naar Zwitserland, naar Italië, ze ontzegde  zich allerlei dingen om me mee naar zee te nemen en naar de bergen en ik beantwoordde haar opofferingen met de meest zwartgallige ondankbaarheid. Wat heeft ze niet allemaal voor me opgeofferd, mijn arme moeder, voor mijn ongeluk ! Wat heeft ze me niet allemaal laten missen, ontwrichten, verstikken … Altijd maar weer moest ik overal mee ophouden, opdat ik op de meest intense momenten van mijn leven, vanuit mijn werk,  mijn plannen en mijn verwachtingen, naar een of ander strand zou gaan, of gotische kunst met haar moest gaan bewonderen … Ik vergezelde haar, natuurlijk vergezelde ik haar, om te huilen en een hekel aan haar te krijgen, jazeker, een hekel aan haar te hebben. Egoïsme ! Dat is zo eenvoudig nog niet, egoïsme.

Ik heb familie in verschillende uithoeken van de provincie, notarissen, kleine industriëlen en grote agrariërs … Mijn vader kwam ook uit Brive, net als mijn moeder. Hij was naar Parijs getrokken en had zijn vrouw meegenomen. Zij zijn de provinciaaltjes gebleven zoals toen zij er waren aangekomen, maar ik ben als Parisienne ter wereld gekomen. Mijn vader was ambtenaar, met een leventje dat lijnrecht was, en ondanks de snuisterijtjes van mijn moeder bleef ons huis altijd een notariskantoor.

Mijn vader was al een hele tijd dood toen ik een zangtournee begon waardoor ik een beetje bekend werd. Daarvóór had ik alleen in kleine nachtclubjes gezongen en de familie rilde : een zangeres met “ realistisch repertoire ”, dat stelt niet veel voor … Maar toen ik succes begon te krijgen werd het nog erger : kijk haar nu, zo verwaand, verloochenaar, en, vooral, nog egoïstischer dan eerst.

Ben ik nou echt zo’n monster dat men zegt dat ik ben ? Ik observeer mezelf, ik houd mezelf heel goed in de gaten … Maar, eerlijk, mijn familie heeft me altijd dwarsgezeten, en er is niets veranderd in de gevoelens die ik voor hen heb. En sinds ik mijn moeder niet meer hoef te sparen, houd ik me op afstand voor zover zij mij daartoe de mogelijkheid geven. En, eigenlijk zie ik in dat ik best wel wat aardige eigenschappen heb. En die zijn dat des te meer omdat het gebaren uit reflexen zijn, en ook al zie ik het af en toe bewust, anderen weten daar nooit iets van. Maar laten we het daar maar niet over hebben, want het zou nog eens gênant kunnen zijn, voor mezelf, en voor degenen die het aangaat.

Ik vertel dit allemaal om bij die bewuste avond aan te komen, toen van het één het ander kwam, vanwege het denkbeeld dat men van mijn egoïsme maakt, en van mijn reacties op die denkbeelden … Kortom …

Mijn tante Eugenie was voor een paar dagen naar Parijs gekomen. Ik vind haar het leukst van de hele familie. Ik mag haar wel. Ik heb respect voor haar grijze haar, haar roze huidskleur, de manier waarop zij haar landgoed beheert, hoe zij haar gezin bestiert, haar kinderen en haar kleinkinderen. Daarbij komt nog dat mijn vroegere zangleraar, een componist van lichte muziek wiens succesjaren ook voorbij zijn, eveneens naar zijn geboortestreek is teruggegaan en nu dus naast het landgoed van tante Eugenie woont. Hij is vrijgezel, en in het huis van tante Eugenie zitten altijd wel twintig personen aan tafel en hij is daar nu ook kind aan huis. En het is namelijk zo, ik heb alles aan mijn zangleraar te danken, mijn stem, mijn vak, mijn carrière en zelfs mijn echtgenoot : die heb ik tijdens zangles ontmoet. Ik ben helemaal toegewijd aan mijn zangleraar. Dat maak ik hem ook kenbaar door alles wat ik hem toestuur, zoals boeken, truien, platen, lekkere wijn, zeg maar alles wat hem naar mijn idee plezier kan doen. Voor hem ben ik een en al affectie en vriendschap, en omdat ik weet dat hij het goed heeft bij tante Eugenie ben ik haar dankbaar.

Ik heb tante Eugenie meegenomen naar een voorstelling. Ik was heel erg moe die avond, heel erg moe … Mijn benen leken wel van lood, mijn oogleden ook. Tante Eugenie zou de volgende dag weer naar huis gaan, en ze vroeg me in de taxi : “ Clarisse, wat had je eigenlijk voor meneer Thomas in gedachten ? ” (Meneer Thomas is mijn zangleraar.) “ Niets,” zei ik, “ ik was zo moe … ”

     “ Wat ben jij toch een egoïst …”

De lange gang van de ingang van de Olympia stond vol. Ik kon geen wisselgeld vinden om het programmaboekje te kopen, en ik dacht dat het te lang zou duren voor tante Eugenie, en ik werd geïrriteerd … Ik had er eerder aan moeten denken, alvast wisselgeld moeten hebben … En ik ken zoveel mensen in Parijs, en overal stonden fotografen … Door dat alles kon ik me niet zoveel met tante Eugenie bezighouden en ze zou kunnen denken dat ik nog genoot ook van al die aandacht die ik van die mensen kreeg.

Dat was natuurlijk dom van me, want tante Eugenie kent Parijs goed, ze weet hoe het er aan toe gaat daar, en zoiets dacht ze vast helemaal niet.

Dan was er ook nog de voorstelling : ik voelde me ineens verantwoordelijk voor de voorstelling … Ik zou een leuke avond hebben gehad als tante Eugenie me er niet aan herinnerd had dat ik een egoïste was. Maar nu maakte ik me zorgen over de voorstelling: misschien had ik de verkeerde uitgekozen, en had ik niet genoeg rekening gehouden met de smaak van tante Eugenie. Gelukkig maar dat we goede plaatsen hadden gekregen. Waren die acrobaten goed ? Ze werkten in een doodse stilte die onderbroken werd door applaus dat van bovenaf naar beneden kwam rollen als grind uit een laadbak die leeggegooid wordt. Links van mij zat een stel dat er netjes uitzag, uit mijn ooghoek kon ik het profiel van de man zien, mijn buurman, net zo onbeweeglijk als zijn schouders, en hij had zijn handen op zijn knieën. Waren die acrobaten misschien niet belangrijk ?  Maar iedereen klapte behalve mijn buurman, en tante Eugenie lachte en klapte ook. De jongleur vond ik geweldig goed … hoewel hij niet zo geweldig, niet zo mooi, en niet zo handig was als die keer toen ik hem ergens anders had zien werken … toen was hij gewoon fantastisch, ongelooflijk … Maar waarom bleven de buurman en zijn vrouw zo onverstoorbaar ? Ik voelde me zelfs verantwoordelijk voor het publiek dat misschien niet zo begrijpend was. Klapten ze misschien teveel, of te weinig ? Het zag er niet naar uit dat tante Eugenie het me kwalijk nam, en ze leek zelfs erg blij.

Toen kwam de pauze. Het was een première. De fotografen mikten op mij. Bij een première krijgen ze volgens mij vast instructies : want ze rennen altijd allemaal naar dezelfde bekendheden toe. En toch worden die foto’s nou nooit in de krant gezet! De hele avond staan er wel vijftig camera’s op Françoise Sagan gericht, en de volgende dag zie je de tronie van een minister die ook in de zaal zat zonder dat iemand het wist … of vice versa. In ieder geval, die avond was het mijn beurt en doordat tante Eugenie erbij was had ik liever onder de grond gezeten. Gelukkig was er een ander stuk lokaas verschenen en de hele zwerm vloog daar als één man naartoe. En trouwens, tante Eugenie wilde het publiek zien en toen zijn we naar de foyer gegaan en de massa ingedoken. Dat maakte de zaak er niet eenvoudiger op, want Marc, mijn man, zou naar ons toekomen op onze plaatsen in de zaal. Maar ja, wanneer je maar zelden in Parijs komt en dan ook nog maar voor heel korte tijd, dan wil je mensen zien en het zou egoïstisch van me zijn geweest als ik op mijn stoel in de zaal was blijven zitten.


Momenteel zing ik niet. Ik heb een zware klap te verwerken gehad, een auto-ongeluk, met Marc en een paar vrienden. En ik kom de schok maar heel langzaam te boven … ik ben nog steeds afwezig, en ik heb overal pijn. Mijn gebroken been blijft maar slap. Het idee om weer te gaan zingen doet me pijn. Maar toch zal ik weer moeten … Als ik naar nieuwe liedjes luister doe ik dat nog steeds en passant, maar ik zal me er toch weer voor moeten gaan interesseren, hoe dan ook. De kost moet verdiend worden … voordat de verzekering de schade betaalt, voor de materiële kant van de zaak, want de schade van het andere … Het gedrang van de menigte brengt mensen naar me toe die ik ken, sommigen hebben het nog over het ongeluk, ze irriteren me mateloos met hun condoleances … Elke keer als iemand me aanhoudt voor een gesprek weet ik niet of ik moet voorstellen, en ik zie tante Eugenie al denken dat ik slecht ben opgevoed en egoïstisch dat ik haar zo laat vallen. Soms verlies ik haar helemaal uit het oog !

    “ Misschien”, zegt ze tegen me als de massa haar gelukkig weer naar me toe gedreven heeft, “ zou je meneer Thomas gewoon alleen maar een bos bloemen kunnen sturen ? ”

Alsof ze die hele tijd aan niets anders had gedacht !

    “ Bloemen ? ” zeg ik. “ Maar waar kun je die op dit tijdstip nu nog krijgen ? ”

“ In Parijs ? Maar kon je in Parijs niet op elk uur van de dag bloemen krijgen ? ”

Ze bedoelt eigenlijk : “ Kind, jij hebt niet alleen niets voor meneer Thomas gedaan, maar nu vertik je het ook nog om drie stappen voor hem te doen om een bosje bloemen te kopen! ” Ik weet nu al dat ik na de voorstelling bloemen moet gaan kopen, ook al zou ik het met de dood moeten bekopen … Ik wil en ik kán de bijgedachte niet verdragen van : ‘ Natuurlijk, zij weer met haar egoïstische gedrag …’

Maar hoe doen in Godsnaam die niet-egoïsten dat dan, om altijd maar beschikbaar te zijn ? Je moet dan dus je eigen leven onderbreken, je werkzaamheden, een passie, een onderneming … dát onderbreken voor drie keer niks ! Ik kan er zo slecht tegen, tegen dat gedoe met die bloemen, dat ik het alleen maar kan verklaren door de gevolgen van het ongeluk. Mijn hemel, wat vind ik alles moeilijk !

Wanneer ik Marc zie verschijnen in de mist van sigarettenrook boven alle hoofden uit, lucht me dat enorm op. Hij kijkt van bovenaf naar me, met een bezorgde blik, en een zwarte baard … “ Emportés par la fou-ou-le …” brult de plaat die erg passend is, en die alle stemmen en stappen overstemt. De mensen van het balkon staan op de traptreden, ze staan dicht op elkaar, tegen elkaar aan en ze kijken naar de mensen van de orkestbak in hun ketel beneden, waar de menigte in grote luchtbellen bubbelend kookt en zich uit de brede passage wurmt naar de boulevard toe. Het licht doet pijn aan mijn ogen en de bankschroef van de mensenmenigte is onverdraaglijk voor me. Als ik voor twee stuivers verstand had, dan zou ik nu naar huis gaan, en naar bed gaan.

Marc kon geen parkeerplaats in de buurt van de schouwburg vinden, hij heeft toen de auto maar weer thuis in de garage gezet en is met een taxi gekomen. Het gaat beter met me nu hij naast me is komen zitten. Marc, dat is mijn man. Hij schrijft mijn liedjes, tekst en muziek, hij gaat over mij en onze zaken. Hij is twee keer zo groot als ik, hij heeft grote handen, warm en zacht.

De voorstelling is laat afgelopen.

Ik zeg :
    “  We moeten naar de Hallen toe om bloemen voor meneer Thomas te kopen.”
    “ Maar het is maandag …” protesteert Marc.
    “ Ach, word je daar soms moe van ? ” Tante Eugenie is hypocriet.

Ik houd vol : ik wilde bewijzen dat er geen bloemen in Parijs te krijgen waren, na middernacht, en dat het niet uit egoïsme was dat … maar we gingen ze halen, bij de Hallen, in Montmartre …

 
We moesten de taxi uit toen we in de buurt van de Hallen kwamen : grote vrachtwagens en een onverbiddelijke politieagent versperden de weg. Vanaf daar krioelde het als levende langoesten in een tobbe. Sinds ons ongeluk ben ik bang voor voertuigen, en vooral vrachtwagens, die blinde pantsers die zo langzaam bewegen, dodelijk langzaam. Ze waren nog maar net begonnen met het uitladen van de handelswaar, van boven, in de breedte, alles was nog heel keurig opgestapeld, de manden en de kisten, en het cement op de grond was nog helemaal schoon, en netjes geveegd …

Het is altijd vervelend wanneer het lijkt of je daar zo lui niets staat te doen met je sloffen aan en bij die bedrijvigheid van de Hallen staat te kijken, ook al is dat maar gezichtsbedrog, want die mensen die liggen ook lekker te slapen wanneer wij werken. En trouwens, ze zien anderen niet eens staan, ze zouden het nog leuk vinden ook, mocht de gelegenheid zich voordoen, om je dood te rijden onder hun tonnen gewicht die op het asfalt drukken ; de kracht van de mannen, de motoren, het geweld van de abattoirs, de bewegende massa’s die tegen elkaar aanstoten als de mensen in de foyer van l’ Olympia … het is hier een wereld die alle proporties te buiten gaat en gevaarlijk is voor degene die zich er in waagt, als een wereld onderzee. Nergens anders dan rondom het bewegende en diepe ochtendschemerlicht van de Hallen is het licht zó meedogenloos, zó hard, je wordt verblind door de aanliggende restaurants, ze laten je struikelen …

En toch zou ik gewend moeten zijn aan het verblindende licht van de afgrond, waarachter, in een immens diep gat, de menigte hijgt …

    “ Daar zijn bloemen ! ” roept tante Eugenie.

Maar het was alleen maar rood en blauw inpakpapier dat glom onder het licht van een uithangbord van een restaurant. We gingen er binnen.

Aan de toonbank stonden vrouwen met hun schorten en gebreide, zwarte omslagdoeken over hun schouders naar ons te kijken, de mannen negeerden ons. Ik was blij even te kunnen zitten. Marc en tante Eugenie hadden honger, we hadden geen tijd gehad om te eten voordat we naar de schouwburg waren gegaan. Maar ik had niet zo’n honger. Wat kan een mens een hoop hebben, wat kan hij een kracht hebben om net te doen alsof … Ik was zo moe dat ik in een toestand van bijna buiten bewustzijn was, en trouwens, ik geloof dat ik inderdaad ook af en toe de draad kwijt was, dat ik geen notie van tijd meer had en toch praatte ik, at ik … Als mijn oude meester, of Marc, geweten hadden hoe erg ik me moest beheersen … dan hadden ze misschien wel een ambulance gebeld.

Af en toe kreeg ik door de pijn in mijn been mijn luciditeit weer terug. Ik zag jongelui op het trottoir staan … Ze keken het restaurant in, een van hen duwde de deur open, een tweede kwam er achteraan, de anderen bleven buiten staan. Ze droegen allen rekrutenmedailles, ze waren nog heel jong. Wanneer ik rekruten zie, dan krijg ik pijn. Ik keek naar hen met het snijdende gevoel van wat hen stond te wachten, en dat voelde ik in mijn gebroken been. Niemand sloeg acht op hen, en zijzelf vroegen zich vast af of ze genoeg bij zich hadden om wat bij de tapkast te kunnen bestellen.

    “ Ober ”, riep tante Eugenie, “ waar kunnen we hier bloemen krijgen ? ”

    “ Er zijn op dit tijdstip geen bloemen te krijgen mevrouw, bloemen die zijn er ’s middags pas, tegen zessen … En trouwens, ook niet op maandag …”

    “ Hoe kan dat nou … Geen bloemen in de Hallen? Helemaal nergens ? ”

    “ O, misschien wel ergens op een karretje … Dan moet u ze in het voorbijgaan eraf trekken …”

Zelfs tante Eugenie realiseerde zich dat het zo goed als onmogelijk was om de Hallen af te struinen om op zoek te gaan naar bloemen.

We hebben heel lang zitten eten … Het had geen zin om een taxi te bellen, want die konden de Hallen toch niet binnenkomen. Het beste was om naar de Boulevard Sébastopol te lopen, daar zouden we vast wel een taxi vinden.

Het krioelde er nog steeds. Vrachtwagens stonden zij aan zij, overal karretjes en steekwagentjes … tussen de opgestapelde handelswaar, stapels die maar hoger en hoger werden en al tot de eerste verdieping van de huizen kwamen.

Op de Boulevard Sébastopol was het niet veel beter. De wagens arriveerden in rijen dicht op elkaar, de stoplichten op de kruisingen sprongen van rood op groen, van groen op rood, zonder dat er een lege taxi verscheen, of ze moesten ergens in het drukste gedeelte van het verkeer zitten, en ik hield met al mijn krachten Marcs arm vast opdat hij er niet in zou duiken om er eentje uit te vissen … Platgereden, ik zag heel duidelijk, heel helder, Marc voor me, platgereden, ik zag alles over zijn lichaam heen rijden, zonder dat ze stopten. Ik stond aan het trottoir vastgenageld, en ik slaakte kleine kreetjes. Marc werd boos, probeerde zijn arm los te maken uit mijn hand waarmee ik hem krampachtig vasthield, ik leunde met heel mijn gewicht op zijn arm, met het gevaar dat ik hem mee zou trekken zoals een drenkeling zijn redder meesleept. “ Dan staan we hier morgen nog ! ”

Hij rukte zich los en dook weg … De straat steigerde, en zonk toen weg in een diepe stilte … ik hing aan de arm van tante Eugenie, mijn hart sloeg niet meer … Het duurde meer dan een eeuwigheid. Totdat de oversteekplaats zich voor ons opende als de Rode Zee … Op de stoep aan de overkant, onder het rode stoplicht, was Marc, naast het geopende portier van een taxi, hij wenkte ons. We staken over. Ik liep alsof ik niet verlamd was.

     “ Ik heb nog bloemen thuis staan,” zei ik, toen we eenmaal in de taxi zaten, “ die zijn nog vers, van vanochtend, en nog goed. Die zijn me gestuurd door iemand die smaak heeft. Je zou ze voor meneer Thomas kunnen meenemen, tante Eugenie …”

    “ Maar beslis dat dan wel nu,” zei Marc.

Tante Eugenie neemt de trein van acht uur ’s ochtends, ze moet haar koffers nog pakken, en ze verblijft in de Porte d’Orléans, terwijl wij boven op Montmartre wonen.

    “ Goed dan,” zegt ze, “ laten we die dan maar even gaan ophalen …”

Marc geeft het adres aan de chauffeur en we rijden weg. De conciërge zal gaan mopperen voor dat heen en weer gedoe na twee uur ’s nachts. Jammer dan. Het verliep inderdaad ook jammerlijk … Tante Eugenie begon net heel hard te praten toen we langs de conciërgewoning liepen, en de conciërge riep: “ waar gaat u heen ? ” Hij kwam zelfs zijn bed uit om te kijken wie er langs kwam. Goed …

Wij wonen tegenover Parijs, het is hetzelfde uitzicht als vanaf de ophoging voor de Sacré-Coeur. Het is klein bij ons thuis, en Parijs lijkt daardoor ook alleen maar groter. Ik doe de deur van het balkon open … het is koud, de hemel is gespikkeld met sterren en Parijs ademt aan onze voeten. Dat beneemt ons dan ook even de adem. “ Er komt ijzel op de weg, ” zegt tante Eugenie tenslotte, “ eerst was er zon, en kijk nu, het vriest … Kindje, waar zijn de bloemen ? ”

Ik had ze in een emmer gezet, omdat alle vazen te klein waren. Tulpen, irissen, narcissen, prunussen … Er waren er zoveel, zo mooi, zo vers, zo teer … ik ging een plastic kledinghoes zoeken in de kast van Marc, maar het boeket was zo groot dat we toch nog de uiteinden van de prunus eraf moesten knippen.

    “ Die verwelken toch wel voor morgenavond …” zei Marc terwijl hij naar ons stond te kijken.

    “ Helemaal niet … Ik zet ze vannacht in het bad, dan zien ze er morgen geweldig uit. ”

Tante Eugenie was nog helemaal fris. Toen de bloemen eindelijk ingepakt waren, wilde ze dat ik een prul ging zoeken voor meneer Thomas om bij de bloemen nog te geven : “ Kijk niet zo boos kindje, wees niet zo egoïstisch, morgen kun je om twaalf uur opstaan …”

Dat was ook zo, ik kan om twaalf uur opstaan, terwijl zij met de trein van acht uur ’s ochtends moet. Maar wat voor een prul moet ik nou gaan zoeken … Ik weet het niet. Ik voel dat ik niet goed word. Tante Eugenie dringt niet aan.

Marc belt een taxi. Over drie minuten komt die. Tante Eugenie kust me lief, bedankt me voor de leuke avond. Marc wil met haar meegaan, natuurlijk protesteert ze, en natuurlijk gaat hij toch met haar mee.

Ik blijf alleen achter, ik blijf op hem wachten, ik kleed me niet uit, ik wacht, ik sta op de uitkijk … Een ongeluk zit in een klein hoekje, dat heb ik wel gezien, in een handomdraai, in een ogenblik dat je net kan denken: daar is het !… Ik kijk naar Parijs. Marc is daar ergens, in die uitgestrektheid, ergens tussen die daken, ergens beneden op straat. Ik wil me niets inbeelden, niets.

Als Marc binnenkomt, vindt hij me klappertandend op het balkon. Het is vier uur ’s nachts.

    “ Ik ben echt een vuile egoïste,” zeg ik terwijl ik me uitkleed, “ als ik bedenk dat tante Eugenie, om meneer Thomas een pleziertje te doen, dat enorme boeket helemaal moet meeslepen …”

    “ Niet zo overdrijven,” zegt Marc, “er bestaat ook nog zoiets als dragers. Het maakt ook niets uit, jullie altijd met die cadeautjes voor elkaar om vriendschappen te onderhouden …”

Hij doet het licht uit en valt direct in slaap. Ik ben werkelijk uitgeput en ik heb zo’n pijn aan mijn been … Ik kijk naar buiten door het raam naar Parijs en in mijn mond zit de bittere smaak van mijn egoïsme. Ik denk bij mezelf dat het maar goed was dat tante Eugenie zoveel energie had, want dan zou mijn waarde meester niet teleurgesteld zijn wanneer hij haar zou zien aankomen zonder een groet van mij … hoewel, als hij ook maar éven had geweten wat het mij gekost had, dan had hij alles liever dan dat gehad. En omdat hij dat niet kan weten, zal hij heel blij zijn. Heel erg blij.

Toen ik wakker werd, was Marc al weg.

Hij moest niet veel geslapen hebben. Ik dacht even aan tante Eugenie : ze zou nu in de trein zitten, met de bloemen in het bagagenet, die aan het verwelken waren …
 

Het telefoontje kwam tegen de avond. Het was mijn oom die het me vertelde. Hoe was het gebeurd … Toen tante Eugenie net was thuisgekomen had ze meneer Thomas gebeld, want anders zouden de bloemen helemaal verwelkt zijn. Meneer Thomas was gelijk in de auto gestapt – het was maar drie kilometer – en toen hij verheugd en enthousiast aankwam wilde hij alles weten over mij, over Marc …

Hij zou de volgende dag terugkomen met de lunch, om verder te praten met tante Eugenie die eigenlijk nu toch wel heel moe en ook een beetje ziekjes was geworden … Ze liepen met hem mee het huis uit naar buiten. Het was hetzelfde weer als de vorige dag, mooi helder weer. Overdag had de zon geschenen, maar ’s avonds was het weer koud geworden, en het vroor zelfs. De auto van meneer Thomas stond voor het hek geparkeerd, tante Eugenie en haar man liepen de tuin door met hem …

Op een paar meter van het hek is meneer Thomas uitgegleden over een bevroren regenplas. Hij is eerst nog een stuk doorgegleden voordat hij plat op zijn rug viel. In één keer dood. De bloemen die hij liet vallen bij zijn val, kwamen verspreid om hem heen terecht. Dat waren de eerste die ze op zijn borst legden, hoewel ze toen al helemaal verwelkt waren.

 

~ * ~
 

Les manigances : Journal d'une égoïste, Elsa Triolet, 1e hoofdstuk

Fragmenten uit mijn vertalingen; voor het complete werk, kunt u contact met mij opnemen via het Contactformulier@

Terug Elsa Triolet