Twee weken Holland. Paul Verlaine (11)

wat ingetogen echo’s opwekt van deze te charmante namen !

    Mijn stem klinkt zwak. Tot mijn opluchting mag worden gezegd, tegenover de vermelde Heiligen, dat mij de nodige geestdrift ontbrak in deze galante opsomming, maar de akoestiek is goed.

    Alle schikkingen voor vanavond halfnegen zijn getroffen, we kunnen de stad eens afzien. Zeer mooi, deze stad : Vlaamse huizen dit keer, prachtige winkels, Nederlandse netheid. De kleine baksteen voelt zacht aan onder de voet en is aangenaam voor het oog. Weinig monumenten: een zeer bevallig stadhuisje, begin renaissance, met bekoorlijke beiaard. (Hier treft men minder openbare gebouwen met puien aan dan in België). Een paleis voor diverse tribunalen, ook heel kleintjes, en pseudo-gotisch vrees ik, perpendicularistisch als de Engelse katedralen, maar met één verdieping, wat vloekt met dit soort bouwkunst, dat zijn ware grootse schoonheid dankt aan zijn zwier, kijk naar Westminster Abbey, Canterbury, zoveel andere wonderen. In Den Haag biedt geen enkele kerk iets merkwaardigs over het algemeen, noch de katolieke noch de protestantse. Op een zondag, veertien dagen na mijn aankomst, wilde ik tijdens een ‘goddelijke dienst’ binnentreden in een reusachtig gebouw in rode baksteen en middeleeuwse kerkramen, maar dit werd me ontraden, want eenmaal binnen in die tempels mag men ze alleen verlaten op het einde van de psalmodieën en het sermoen !

    En we gaan ons aperitief bitter-Schiedam ditmaal pakken in een overgroot voor mij nieuw café.

    Helemaal in spiegels, zoals dat trouwens van de ‘Passage’; planten, crysanten. De café’s hier doen denken, maar dan in het groot, zeggen we in het grootse, aan die van Parijs. Er wordt gedronken en gerookt en bij het drinken verorbert men kleine, harde, gezouten taartjes. Zij die de zeer talrijke kranten en tijdschriften willen lezen in dit persland beschikken over lange tafels in een van de klaarste hoeken van de instelling.

    Maar het uur voor het avondmaal breekt aan. Zilcken heeft iets geflikt met een ‘huurrijtuighouder’ en een prachtige bijna-karos voert ons, rokers van Batavia-sigaren, vroeg naar Helene-Villa.

    Niettegenstaande de elkaar opvolgende sigaren onderweg, praten we veel met elkaar, Zilcken en ik. Een waar type, deze mijn gastheer, het volkomen type van een vreemdeling, die echter even goed Frans spreekt als gij en ik, zonder één fout of accent, het soort artiest, dat van nog duizend en meer zaken afweet daarbuiten, afwisselend, leerzaam en vinnig van konversatie, iemand naar wie men steeds kan luisteren. Hij is de zoon van een hoog staatsambtenaar, als jonge man was hij officieus de intieme sekretaris van de grote koningin Sophie, enige vriendin, de Egeria als het ware van de ongelukkige Napoleon III, die, als hij naar haar had geluisterd, zichzelf en ons de oorlog van 1870 zou bespaard hebben. Naar zijn fysiek beantwoordt Zilcken zo weinig mogelijk aan de opvatting, die men zich over een Hollander maakt ... volgens velen, volgens de Vlaamse schilders, ook volgens de literatuur, bijvoorbeeld volgens dat wonderbare verhaal van Edgar Poe Duivel op het belfort, met wiens masker trouwens het zijne enige algemene analogie vertoont. De klassieke tabakspot maakt plaats in hem voor een lange jonge man, mager, opgeschoten, altijd in beweging. Hij heeft een grote faam als schilder en etser in zijn vaderland en is allesbehalve een onbekende op onze nationale en partikuliere tentoonstellingen, waar hij jaarlijks sukses oogst.

    Maar we zijn terug op Helene-Villa waar het avondmaal vlug wordt verwerkt. Ik ga me boven ‘aankleden’, ik kom naar beneden om mijn nota's en heel wat boeken te nemen en we zijn op weg naar de glorie in de koets van de stalhouder die ons ook in de late uurtjes zal terugrijden. Mevrouw Zilcken vergat niet een ei mee te nemen, dat de spreker straks zal moeten zuipen om bij stem te zijn. Maar we betreden het angstaanjagende hol met zijn talloze zalen, de ene al strenger dan de andere. Ik slik mijn ei en treed mijn zaal binnen. Een goed honderdtal mensen, onder wie veel dames en juffers, die me met handgeklap verwelkomen. Ik klim de drie treden van het verhoog op en ga zitten tussen de twee flambeeuwen; met rechts een glas water, een suikerpot, een karaf, terwijl Zilcken een pak boeken neerlegt op de tafel, al mijn werken, de gedichten van de Romaanse School gedeeltelijk, H. de Regnier, Viélé-Griffin, Retté, Dubus, Rambosson, nog meer anderen, alles voor de te verklaren teksten zorgvuldig aangegeven door lange, witpapieren bladwijzers.

    Ik begin !

Paul Verlaine. Twee weken Holland.