Twee weken Holland. Paul Verlaine (15)

 

‘Geen hand van adellijken bloede,

Van ietwat heilige sier-prelaat,

Nochtans verhoogt haar zachte welving

Re fijnheid van haar broze staat.’

     De jongensneus is eveneens een goed gevat trekje.

   Ik dankte hartelijk de dichter en drukte hem stevig de hand, toen de preciese Zilcken, altijd in de weer, ons zei : - Laten we vlug vertrekken als we op tijd willen zijn.

     Ik weet niet of het de dag van schitterend weer of die met de vele regen was, maar de bomen langs het kanaal waren prachtiger dan ooit, van een hogere schoonheid, maar hun roodzwarte en gouden blaren spraken als van rouw - zoals de weidse begrafenissen, goud en rood in Antwerpen. - Men voelde een ernstige winter op komst, wist dat deze heerlijke eeuwelingen weldra tot geraamten zouden verworden.

    Onderweg namen we Toorop en Bosch op, ander verdienstelijk schilder, te nederig.

    Het Haagse museum, het Mauritshuis Paul Verlaine, Quinze jours en Hollande, Lettres à un ami.   Johan Thorn Prikker  Brieven  Philippe Zilcken  Souvenirs la Revue Blanche 1896.    Le musée de La Haye, Mauritshuis. Frans leren, Vivienne Stringa, is een bekoorlijk oud paleis van Maurits van Nassau, gelegen bij het Plein en het Binnenhof (hof van Holland). Het staat afgezonderd, mooie grijze steen, aan de Vijver, een nog bestaande vijver, rechthoekig en beschaafd van uitzicht, waar het paleis van de graven aan grensde. Ik durf deze instelling een gerieflijk museum noemen, zoals mijn vermoeide ogen en mijn arme benen, die sedert acht jaar, en dit is mijn groot ongeluk, hun diensten weigeren, er om vragen. Men kan gaan zitten, zeer gerieflijk en zeer dikwijls, en diskreet interieur-licht dempt elke straffe noot, eerder zeldzaam zij gezegd, bij deze verfijnde oude Hollanders. Dit gelijkt niet op een ‘museum’, een meestal afschuwelijk iets, zoals biblioteken - nietwaar ?, maar op een paleis, dat vol hangt met doeken, louter geschikt voor de blijdschap onzer ogen ...

 

    Trapleuning in gesneden eik, die de bewondering afdwingt van alle ware bezoekers.

    Zalen op het gelijkvloers en op de eerste verdieping.

    Misschien geen buitengewone werken, zoals in het Amsterdams Museum, waarvan de slecht begrepen overtollige luxe allicht de daar bijeengegaarde wonderen zou kunnen bederven. Ik bewonder, helaas te vlug, want een beeld van een zaalwachter, versierd aan de hals met een breed goudgeel lint (de kleur van het huis van Oranje) en waaraan een zilveren medaille bengelt, waarschuwt ons dat we maar een kwartier tijd meer hebben ; ik bewonder in de vlucht, dit is het moment om het nu of nooit te zeggen, (maar ik onderga vooral de weldoende warmte van de verlichting, helemaal anders dan de vale in de meeste van onze musea), niettegenstaande de looppas kan ik mij rekenschap geven van de sublieme ‘perfektie’ - ik meen dat dit het ware kenmerk is van de oud-Nederlandse kunst, van heerlijke Van Dijcks (bijna een hispanisant, zeg!), Holbeins, een wonderlijk landschap van de grote schilder Vermeer ; ook de vermaarde ‘Stier’ van Potter, die Napoleon naar Parijs had meegenomen, maar die hier na 1815 onder geleide is teruggekeerd; Ruysdaels, Terburgs, de vermaarde ‘Anatomische les’, de ‘Officier’ en de ‘Simeon’ van de grote Hollander, over wie ik u, als gij het goedvindt, lang zal spreken als we het over Amsterdam hebben.¹ Op mijn beurt, na een laatste en formele waarschuwing vanwege de sier-wachter, speel ik de gewetensvolle en heb het over de noodzaak een beetje mijn tweede lezing voor te bereiden. Na een toertje doorheen de stad - ik eerder erg moe: o, die musea, zelfs het kalme en inspinnende als dit !

    We zullen de tram nemen.

    Hoe heerlijk triest staan de bomen langs het kanaal.

    Men zou nu zeggen dat de zon een begrafenis verguldt.

¹ Ik heb geen woord gehouden, zoals ge zult vaststellen, maar wat moet een mens vertellen over Rembrandt, tenzij wat Voltaire over Athalie zei: ‘Schoon, heerlijk, subliem’.

Page

Paul Verlaine. Twee weken Holland.